Ockerse (Willem Anton), een man van meer dan gewoone begaafdheden, die zich als prozaschrijver bijzonder gunstig onderscheidde, werd in 1760 te Vianen geboren, en overleed te 's Gravenhage den 19 Januarij 1826. Tot het leeraarsambt opgeleid, bekleedde hij dat met lof, op onderscheidene tijden, te Eembrugge, Wijk bij Duurstede en Limmen. In 1797 en 1798 onderscheidde hij zich loffelijk in de Nationale conventie; was een der staatsgevangenen, die partijzucht op het Huis den Bosch inkerkerde, en eindigde zijne loopbaan als tweede Secretaris der Maatschappij van weldadigheid. Bij hem ontwikkelden zich vroeg dichterlijke talenten, die inzonderheid werden opgewekt en aangekweekt, gedurende zijn verblijf
aan de hoogeschool te Utrecht, onder het vriendschappelijk verkeer met Hieronymus van Alphen, Van Gogh, Kleyn, Bellamy, Rau, en Hinlopen. Van den edelen wedijver, welke dezen dichterlijken vriendenkring bezielde, zag men weldra blijken in den Poëtische Spectator, in de Proeven voor het verstand, den smaak en het hart, en in andere periodieke schriften. Vele zijner stukken zijn van erotischen aard, en meestal geplaatst in den Recensent ook der Recensenten, van welk maandwerk hij eenen geruimen tijd mederedacteur was. Een dier naïve stukjes willen wij afschrijven; het is getiteld: De taal der liefde. Aan M. (uit een oud dichtstuk):
Ontbreekt het zijne dichtstukjes aan geen geest en vernuft, zijn ze zoetvloeijend en zuiver van taal; zij
hebben tevens eene zedelijke strekking. Een daarvan door hem eene Elegie genoemd, getiteld: het Ouderlijk huis, en medegedeeld in het door Ockerse in 1809 in het licht gezonden werk: Lectuur van smaak voor lieden van beschaafden stand inzonderheid voor Vrouwen, is wel tegen zijne gewoonte, van langen adem, doch gevoelvol geschilderd, niet dor of vervelend, ofschoon uit 34 coupletten bestaande, en teekent op eene treffende wijze het ouderlievend hart van Ockerse. Het was waardig in zijn geheel medegedeeld te worden, doch ons bestek zulks niet gedoogende, bepalen wij ons bij het volgende; zoo heft hij aan:
Hij, die het geluk ten deele viel zijne ouders tot in lengte van dagen, te mogen behouden, en hen hoog waardeerde, mogt elk, die dat voorregt, niet op prijs stelt, wel herinneren en waarschuwen.
Maar:
Ofschoon Ockerse zich nooit opzettelijk een dichter ter navolging had voorgesteld, ademt er toch in dit stuk den geest en trant van Jeremias de Dekker en in het volgende dien van Poot, over een dergelijk onderwerp: op den Dood van Leentje, een uur na hare geboorte, met hare moeder overleden.
Als wij zijne landelijke gedichten lezen, meenen wij den Abtswoudschen dichter te hooren, zonder het minste blijk echter van slaafsche navolging. Hoor slechts den aanhef van het lied: Lenteavond in mijn Tuinhuis:
Het slot:
Zijne Uitnoodiging tot het zalig Landleven bij een' verkwikkenden regen, en andere getuigen van zijn innig gevoel voor het schoone in de natuur, en hoe dit hem opwekte tot verheerlijking van den Schepper in zijne werken. - Eene Elegie, de dood der natuur betiteld, kan, volgens het gevoelen van den
Hoogleeraar J. Clarisse, met de beste voortbrengselen onzer eerste dichteren vergeleken worden 1, nemende een' hooger vlugt, dan in zijne andere dichterlijke voortbrengselen doorstraalt. ‘Natuur,’ zoo zingt hij:
Daar wij onze lust om meer af te schrijven moeten bedwingen, verwijzen wij den lezer, naar den Recensent der Recensenten D. XII, bl. 515, alwaar het in zijn geheel gevonden wordt. Hij, die meestal zoo zacht en liefelijk de lier tokkelde, wist ook toonen te slaan, welke het kinderhart deden trillen, en bewezen hoe hij, in den volsten zin des woords, een kindervriend was. Het dichtstukje: Aan de lieve kleinen, geeft zulks te kennen:
Na den wensch geuit te hebben, dat die kinderlijke onschuld mogt stand houden, bij het klimmen der jaren, besluit de dichter met een waarschuwend voorbeeld en hartelijken wensch:
Ook in het vak der Romances, heeft Ockerse met goed gevolg, zijne krachten beproeft, getuige: Het Slot Batestein te Vianen 2. In het satyrike,
waartoe hij overhelde, heeft hij eenige proeven, aan het licht gebragt. Zelve Recensent, durfde hij de onbeschaamdheid van sommige dier heeren, stoutmoedig gispen; blijkens het volgende couplet, van het stukje getiteld: De Recensenten.
Zijne Muze moge zeldzaam eene hooge vlugt genomen hebben, gelijk in zijne Napoleontische Redevoeringen, zij zong veelal eene zoete wijze, die het gevoelvolle harte bekoort, en meer algemeen bevalt dan hoogdravende toonen, die zoo ligt in wanklank ontaarden. Bestond er nog zoo veel leeslust voor dergelijke producten, als Ockerse leverde, gelijk in vroeger dagen; men zou de uitgave zijner verspreide dichtstukjes toejuichen, en daarin meer zien dan eene boekverkoopersspeculatie.
J.C.K.