Oevel (A. van) was, in het
midden der zeventiende eeuw, lid van de Goudsche rederijkkamer
[p. 10]
de Balsembloem, onder de zinspreuk uyt jongste
begrepen. Men vindt van hem stukken in
Vlissings Redens-Lust-Hof, die zich gunstig
onderscheiden van de meeste der in dien bundel voorkomende stukken. Men
oordeele
Den waren Godt die uyt niet wist te stichten
Dit groote Ront, met al des Hemels lichten
Is voor sijn volk, in noot een sterckt en schilt:
Die veel genaed doet aen sijn lieve kind'ren,
Soo dat geen dinck hun schaden kan of hind'ren
Als hy sijn jonst en hulp haer toonen wilt.
Hy kan de kracht der felle pijlen stutten,
En voor de sieckt, des middaeghs hitt' beschutten:
En voor 't gewelt dat inder nacht geschiet,
Van pest of doodt, die sluypend' ons bestrijden,
Kan sijne hulp ten besten ons bevrijden:
Want Isr'els Godt en slaept noch sluimert niet, enz.