Ommering Jacobszoon (Adriaan), die te Amsterdam woonde, liet zich in 1751 hooren, in de Dichtkundige Cypressenbladen, Op het schielyk afsterven van W.C.H. Friso, zich openlijk beschuldigende als de moordenaar van dien Vorst.
Doch om zijne misdaad te vergoêlijken, voegt hij er bij:
Het is te verwonderen, dat zijne tijdgenooten hem ongemoeid hebben gelaten, bij zulk eene ijsselijke beschuldiging. Doch misschien hebben zij geweten dat Van Ommering niet wist wat hij zeide. Ook vervaardigde bij een gedicht Op de stichtelijke troostrede over 1 Samuel XXV vers 1 door den godvruchtigen en geleerden Heer P. Nahuys, oudste leeraar der gemeente te Monnickendam, opgestelt ter gezegende gedachtenisse en ter plegtige uitvaart zijner doorluchtige Hoogheid Willem Carel Hendrik Friso enz. In Arnoud van Halen's Pan poeticon leverde hij bijschriften: op de afbeelding van S. Feitama en op die van A. Hoogvliet, beide zonder eenige dichterlijke waarde.
J.C.K.