Onderdewijngaart Cansius (Mr. Jacob Hendrik), de zoon en kleinzoon van de beide voorgaande, geboren te Delft, den 13 Januarij 1771, overleden den 10 Julij 1838, was Raad in de Vroedschap en oud Schepen in zijne geboorteplaats, toen hij aldaar, in 1797 de voorname oprigter werd van het godsdienstig genootschap: Christo Sacrum, en daarbij, met den vroeger door ons vermelden Isaak van Haestert 1, een der vaste leeraars was. Hij was een man van ondernemenden geest, onverdroten ijver, en had groote bekwaamheden in de werktuigkunde. Even als zijn ambtgenoot beoefende hij de Nederduitsche dichtkunst. Als lid van het Haagsche dichtlievend kunstgenootschap, onder de spreuk: Kunstliefde spaart geen vlijt, vindt men, in de Poëtische Mengelstoffen van dat genootschap, blijken zijner dichterlijke bekwaamheden, altoos in eenen genootschappelijken zin, ofschoon hier en daar met eenige verheffing. Uit het stuk: De ziel, geschikt ter eeuwigdurende vorderinge in kennis, deelen wij van de 16 coupletten er een mede:
J.C.K.