Oostrum (P. van) of van Ostrum, stelde in de zeventiende eeuw, met de zinspreuk: keur baart angst, voor het vierde en vijfde deel van P. Bor's Nederlandsche Oorloghen, een paar dichtstukken, waarvan inzonderheid het laatste en grootste, door kracht van taal en zin, den dichter kenmerkt, en ons naar meer van zijne hand doet wenschen. Het begint: