terug  begin  verderprepost
[p. 22]

[Gerrit Outhuys]

Outhuys (Gerrit) was geboren in 1773 en overleed in 1835. Van hem zijn ons eenige dichtstukjes bekend in de Kleine Dichterlijke Handschriften, die uitmunten meer in zoetvloeijendheid, dan in hooge vlugt. Sommige zijn erotisch, andere meer ernstig. Dat: Aan Phyllis kan de toets met soortgelijke minnedichtjes van lateren tijd doorstaan:

 
Wat toch, Phyllis! is een meisjen
 
In haar jeugd, dat niet bemint,
 
En in Cypris zachte boeijen,
 
Die het jeugdig hart ontgloeijen,
 
Beken van vermaak doen vloeijen,
 
Dwang, in plaats van vrijheid vindt?
 
 
 
Zie de teedre wijngaardloten;
 
Hoe ze kwijnen langs den grond;
 
Zie den storm hun ooft bederven;
 
Hoe ze hangend henensterven,
 
Daar hun sap den smaak moet derven,
 
Dien een God er zelfs in vond.
 
 
 
Maar zoo 't pas ontloken rankje
 
Zich om eenen olmboorn vlecht,
 
En hem dwingt tot mededoogen,
 
Door zijn' zwakken staat bewogen;
 
't Is aan 't woedend weêr onttoogen
 
Dat het vruchtloos lagen legt.
 
 
 
Dus wanneer een jeugdig meisje
 
Als een kwijnend rankje leeft;
 
Dan, als reeds verwelkte rozen
 
Wordt haar teder maagdlijk blozen,
 
Dat de gloeiende abrikozen
 
Anders ver te boven streeft.
 
 
[p. 23]
 
Doch zoo zij haar frissche krachten,
 
Venus! u ten offer draagt,
 
Dan, in d' arm der min gekluisterd,
 
Wordt haar schoonheid opgeluisterd,
 
't Roosje ziet zijn' gloed verduisterd
 
Bij den blos van zulk een maagd.
 
 
 
Dat ge, o Phyllis! als een rankje,
 
Mij dan tot uw' olmboom koost!
 
o Hoe zou mijn schaâuw u streelen,
 
Ik aan uwen boezem spelen,
 
En mijn luit van wellust kwelen,
 
Die, helaas! thands zuchten loost 1!

Tot de meer ernstige dichtstukken, niet uitgerekt in een aantal coupletten, die ons dikwijls doen denken: ‘hadden zij er meer van geweten, zij hadden er ook meer van gezegd’, maar die nog stof overlaten tot nadenken, behoort ook: het Geweten, waarvan wij de vier laatste coupletten willen afschrijven:

 
Als het eerbaar inkarnaat
 
Dat op 't maagdelijk gelaat
 
Prijkt als lenterozen,
 
Dat op 't oogenblik verbleekt
 
Wen zij 't zeedlijk schoon verbreekt
 
En haar boezem niet meer kweekt
 
't Onschuldschildrend blozen.
 
 
 
Juist zoo teeder is de wenk
 
Van 't voortreffelijkst geschenk,
 
't Rigterlijk geweten;
 
Dat, zoo 't eenmaal wordt verkracht,
 
IJlings t' onder wordt gebracht,
 
En te derelijk versmacht
 
In eene ijzren keten.
 
 
[p. 24]
 
Wilt ge, o wufte zoon van 't stof!
 
Dat u de aarde een bloemenhof
 
Vol van ooft zal wezen,
 
Neem, bij al' wat gij bestaat,
 
Met dien trouwen raadsman raad
 
Die de schoonste regelmaat
 
Voor uw daên zal wezen.
 
 
 
Dan zal de onrust van 't gemoed,
 
Die gelijk een nachtspook woedt,
 
Aan uw hart niet knagen,
 
Vreugd strekt u tot gezellin,
 
Als de schaâuw der dagbodin,
 
En 't geluk woont bij u in
 
Alle uw levensdagen 1.

Eenige vertalingen van Horatius Oden versieren de 8ste schakering dier Handschriften.

J.C.K.

1Kleine Dichterlijke Handschriften, Schak. VI. 139 tweede druk D. IV, bl. 269.
1Kleine Dichterlijke Handschriften, Schak. VIII, tweede druk D. IV, bl. 273.
prepostterug  begin  verder