Outhuys (Gerrit), Predikant te Minnertsga, was waarschijnlijk wel een bloedverwant van den voorgaanden, maar evenaarde hem op verre na niet in dichterlijke bekwaamheden. Hij was een rijmer, zoo als er talloos vele vroeger en later, zich vertoonden. Hij berijmde al wat los en vast was, en vond zooveel behagen in zijn eigen werk, dat hij in 1820 te Franeker voor eigen rekening drukken liet: Jeugdige gedichten, en in 1821: Kleine dichtstukjes bij en na de Goddelijke verlossing van ons dierbaar Vaderland in 1813. Tot eene proeve van 's mans dichttalent diene:
R.A.