Parduyn (Caspar), een geborenMiddelburger, was Rector aan de Latijnsche school eerst te Goes, daarna te Dordrecht, waar hij dien post, tot aan zijnen dood, in 1644, met bekwaamheid en ijver waarnam. Hij beoefende de Grieksche, Latijnsche en de Nederduitsche dichtkunde. Van de laatste zijn weinig bewijzen voorhanden. Op de vrolicke ure ofte der wijze vermaeck van Jacobus Lydius, vervaardigde hij een gedicht geheel in den trant van vader Cats en ook van Lydius. Het is in 't geheel niet onbehagelijk. Hoor maaar eens den aanhef.
Wij onthouden ons met moeite, van meer af te schrijven. Nog bestaat er van hem een gedicht op het gheestelick Compas en Roer van M. Cornelis Udemans, welk werk ons niet bekend is 1.
J.C.K.