Hoewel ik slechts enkele uren had geslapen, na een avond en nacht van woeste vreugde, reed ik die morgen reeds vroeg uit. Mijn paard Marianne was met twee oranje pluimen getooid. Het was een koele, stralende Meimorgen. Een lichte wind deed de vlaggen aan de voorgevel en aan de vlaggenmast in de tuin vrolijk wapperen. In kalme draf reed ik de oprijlaan af. In de hoge beukenkruinen waren de knoppen nog maar nauwelijks open, maar de lage takken prijkten met malse, frisse blaadjes. Een schildwacht in blauwe overall, een stengun op zijn borst, opende het hek voor mij en groette eerst stram militair en daarna met een knipoog. Op de weg voor het hek waren jongemannen, sommige in blauwe overalls en andere met colbertjasjes aan, een band van de Binnenlandse Strijdkrachten om hun arm, luid zingend bezig de overblijfselen op te ruimen van het vreugdevuur, dat onze onderduikers en de uit het stadje toegestroomde menigte daar de avond tevoren spontaan hadden gestookt. Even vlijmde het in die tijd zo vertrouwde gevoel van ‘eeuwen te laat geboren’ door mij heen. Ik was altijd te jong geweest en gebleven, om met Nol te mogen samenwerken in zijn riskant ondergronds werk, en nu was het de dag van de bevrijding.... Die middag om vijf uur zou er een bescheiden démasqué plaatsvinden, waarbij Nol als waarnemend burgemeester en commandant een toespraak zou houden vanaf het bordesje van het raadhuis, en enige dapperen en weldoeners zou eren. Het feest zou worden opgeluisterd door het fanfarecorps en worden besloten door een feestsoepuitdeling, soep, waarin echt vlees en geen vis zou ronddrijven volgens Nols belofte.
Mijn gedachten werden spoedig afgeleid door een rumoerige stoet. Omstuwd door honende en luid schreeuwende belangstellenden en bewaakt door enige leden van de Binnenlandse Strijdkrachten naderde een groepje N.S.B.-ers. Ik wierp een blik naar de zon, stuurde mijn paard in een voordelige positie en trok mijn camera uit het foudraal. Het groepje bestond uit een rijke boerenfamilie, ergens diep uit de polder vandaan. Uit het stadje waren de weinige N.S.B.-ers die er woonden al vroeger op de
morgen uit hun huizen gehaald en na een verhoor door mijn vader en enige vertrouwensmannen, op transport gesteld naar de naburige plaats. Zeer diepe voldoening kon ik bij nader inzien niet voelen, toen de bejaarde boer en zijn vrouw met twee volwassen dochters en een achtorlijke zoon, met neergeslagen blikken en afhangende schouders voorbij sjokten, maar na vijf jaar bezetting was het in elk geval een ongewoon tafereel. Het stadje was vol ongewone taferelen en geluiden; kinderen met oranje sjerpen, mutsen en jurkjes in de nationale kleuren liepen zingend en met vlaggetjes zwaaiend door de straatjes. Bijna elk huis had een uitgestoken vlag. Men was druk bezig, papieren slingers aan te brengen. Ik sprong enige malen van mijn paard om foto's te maken. De bootjes van de riviervissers werden gepavoiseerd.
Aan de buitenkant van het stadje, waar enige straten met arbeidershuizen de polder in staken, werd mijn aandacht getrokken door hysterisch gegil. Een troepje jongemannen had een schreeuwend meisje overmeesterd en een van hen was bezig, met een blikkerende schaar haar blonde haar af te knippen. Toen ik naderbij kwam en mijn camera hief, zag ik, dat het de oudere zuster van Liesbeth was, wier heftig verweer een duidelijk excuus voor de jongens was, om haar op enige ongewone plaatsen vast te houden en tegen de grond te drukken. Haar verfomfaaide jurk zat ver boven haar heupen. Enkele nieuwsgierige kinderen en volwassenen stonden lachend en jouwend toe te kijken.
Juist op het ogenblik, dat ik de foto wilde nemen, dacht ik met schrik aan Liesbeth zelf, borg de camera op en keek rond. Ik wist, dat zij in dat buurtje woonde en was nauwelijks verbaasd, toen ik haar omzichtig over het lage, met groen verweerde dakpannen bedekte lage dak van een van de oude huisjes zag sluipen. Zij hield een bundel kleren onder haar arm en klom lenig als een kat van het dak op het uitgebouwde keukentje. Maar toen zij op het pad sprong, dat tussen de achtertuintjes liep, stormden uit een naburig huis drie jongens naar buiten, die schreeuwend en wijzend de achtervolging inzetten. Enige van de kijkers, die bij de zuster van Liesbeth stonden, zagen haar de weg op rennen, op vijftien à twintig meter afstand gevolgd door de drie jongemannen. Hoewel ik van mijn hoofd tot mijn voeten beefde van emotie,
toen ik de beluste, rode gezichten van de achtervolgers en de uit alle macht rennende Liesbeth zag, wist ik bijna onmiddellijk wat ik ging doen. Misschien liepen de achtervolgers met opzet niet te hard, zodat zij haar later honderden meters lang op voor hen plezierige wijze konden meesleuren naar de plaats, waar nu haar zuster werd kaalgeknipt. Het was ook mogelijk, dat zij werkelijk niet harder konden lopen. In elk geval zouden zij zich hun prooi, deze prooi, niet laten ontgaan. Ik zette mijn paard tot spoed aan en passeerde het achterste groepje, dat langzaam op de voorste drie inliep. Stof dwarrelde op. Terwijl ik de voorste drie voorbij galoppeerde, kwamen er uit een zijweg, ongeveer honderd meter vóór Liesbeth, twee mannen op fietsen, die onze kant op zwenkten. Het waren leden van de Binnenlandse Strijdkrachten en zij zagen spoedig, wat er gaande was. Liesbeth slaakte een vertwijfelde kreet. Links van de weg was een brede wetering en rechts een tamelijk diepe sloot. Vóór haar hadden de mannen hun fietsen op de weg gelegd en wachtten met uitgebreide armen haar komst af. De een trok, waarschijnlijk om nieuwe kreten uit te lokken, een groot pistool en hield dat dreigend in zijn hand. Vertwijfeld keek zij naar links en rechts en juist toen zij naar links zwenkte, de wegberm in en de bundel met haar rechterhand hief om die over de brede wetering te gooien, alvorens in het water te springen, haalde ik haar in. De tweede angstkreet bestierf op haar lippen, toen ik zeer ver doorboog, mijn linkerarm om haar middel sloeg en haar omhoog trok. Eerst viel ik bijna uit het zadel, maar de greep slaagde. Het bloed hamerde in mijn slapen en ik kon geen woord uitbrengen van hetgeen ik haar wilde zeggen. De achtervolgers hieven een woest gebrul aan. Als ze hadden vermoed, wat ik van plan was, zouden ze ongetwijfeld nog harder hebben geschreeuwd. Ook de twee mannen vóór ons dachten, dat ik Liesbeth had gegrepen om haar zelf kaal te knippen, of na een triomfantelijke rit aan de kaalknippers af te leveren. Ze stonden breed lachend op de weg en deden bij wijze van grap net, of ze mij tegen wilden houden. Liesbeth was te zeer door schrik verlamd om tegen te stribbelen. Ik sjorde haar met heide armen voor mij op het paard en. slaagde er in, met één hand weer de teugel te bemachtigen.
Als ik vriendelijk tegen de mannen had gelachen, zouden ze wellicht niet zo snel op hun fietsen zijn gesprongen als ze nu. deden. Hun nieuwsgierigheid was gewekt. Eindelijk slaagde ik er in, tegen het bevende, hijgende meisje te roepen: ‘Ik zal je niets doen! Ik breng je over de rivier!’ Haar verwarde haar, dat zij lang droeg, kriebelde ia mijn gezicht en hals. De bundel kleren die zij in haar rechterhand hield gekneld, hupte op en neer tegen haar blote bovenbenen. Heel langzaam draaide haar gezicht omhoog en opzij. Zij keek mij aan. De gevoelens, die haar wijd opengesperde blauwgrijze ogen tot uitdrukking brachten, waren in hun sterke expressie een van de mooiste ervaringen van mijn leven. Eerst sprak er nog ontzetting uit haar ogen, daarna een wilde woede en een dierlijk wantrouwen, toen de berusting van: knip jij me maar kaal, dat is beter dan die wilde troep.... en eindelijk een begin van vertrouwen, dat gevoed werd door mijn aanmoedigende glimlach en. bewonderende blik. Ik hield mijn paard in. Zij bleef mij aankijken. ‘Je hoeft van mij niet bang te zijn.... ik hoor daar niet bij. Ik ben te jong. Mag ik je over de rivier brengen? Zullen we samen een streek uithalen?’
Er beefde een lachje om haar vochtige lippen. Haar warme lichaam trilde tegen het mijne. ‘Kijk een gauw over mijn schouder.... volgen ze ons?’ Zij deed wat ik vroeg en stamelde: ‘Die.... die twee op de fiets’.
‘Ga wat gemakkelijker zitten’, zei ik, ‘we gaan draven, en hoe!’ Ik lachte uitgelaten en beduidde haar, dat ze één been over de hals van het paard moest slaan en flink tegen mij aan moest leunen, gaf een flinke ruk aan haar omhooggeschoven jurk en zette Marianne aan tot een snelle galop. De mannen waren dicht achter ons en schreeuwden iets, dat ik niet verstond. Spoedig zwenkten we de weg op, die langs De Beukenhorst voerde. De mannen fietsten in onze stofwolken. Ik werd meer en meer vervuld van een wilde vreugde. Toen De Beukenhorst in zicht kwam stopte ik voor het hek van de wei, die aan onze tuin grensde. ‘Hou je aan haar manen vast.... ik moet even dat hek open en dicht doen’. Ik gleed uit het zadel en leidde mijn paard de wei in. ‘Voor het huis staat een schildwacht en het is daar vol met mensen’, verklaarde ik. ‘Ben je nog bang van me?’ Liesbeth schudde krach-
tig haar hoofd, maar haar ogen zeiden, dat ze er niets van begreep. Ik klopte Marianne op haar hals en sprong weer in het zadel. Toen ik het hek aan de andere kant van de wei, bij de achterweg, sloot, hingen de twee mannen over het eerste hek. ‘Zie je ze?’ zei ik. ‘Als wij nu wisten wat zij dachten, was het allemaal erg eenvoudig. We hebben niet zo'n grote voorsprong, maar in het ergste geval toch net groot genoeg denk ik’. We galoppeerden in snelle vaart in de richting van de rivierdijk. Bij het achterhek van De Beukenhorst liet ik Marianne een eind door de berm draven, zodat de schildwacht die daar geposteerd was ons pas zag, toen we vlak bij hem waren. Hij keek ons met open mond aan. Ik hoopte, dat het verscheidene minuten zou duren, voor hij op het idee kwam om iemand te gaan vertellen wat hij had gezien. Op de dijk was niemand. We stegen af hij het hek voor het pad dat naar het botenhuisje voerde. ‘Naar huis! Hup!’ riep ik tegen Marianne en klopte haar stevig op de flanken, maar zij begon rustig te grazen. Ik haalde mijn schouders op en keek Liesbeth aan. Zij lachte een klein beetje en keek toen weer heel ernstig. We stapten om het kek heen en ik rende voor Liesbeth uit haar het botenhuisje. ‘Ik ga nooit uit zonder mijn sleutel mee te nemen, gelukkig!’ Ik begon steeds meer plezier in het avontuur te krijgen. We bolderden de trap af naar de roeiboot. Ik haalde de riemen uit het rek en opende het hangslot van de ketting, waarmee het vaartuigje vastlag. Op dat ogenblik voelde ik een lichte honger en een brandende dorst. Liesbeth was gaan zitten, met het bundeltje op haar schoot, In het schemerige groene licht zag zij er nog bezweter uit dan op het paard. Zij droeg een dik, kort manteltje van donkerblauwe stof over een donkerrode wollen jurk.
‘Zeg, heb jij ook honger en dorst?’ vroeg ik. ‘Heb je wel gegeten vanmorgen?’
‘Nee, dat niet, maar ik heb geen honger’.
Ik lachte en zei: ‘We laten ons niet kisten door twee nieuwsgierige mannetjes! Ik heb hierboven nog wat noodrantsoentjes. Die lagen daar.... haha, dat mag ik nu aan iedereen vertellen! Die lagen daar voor piloten en andere vluchtelingen, die hier 's nachts over de rivier werden gezet. Luister. We nemen geen
risico. Stel je voor dat ze Her komen kijken, dan zitten we als ratten in de val. Ik verstop jou daarginds op het puntje van deze kreek, pak eten en drinken, roei daarginds naar toe en pik jou daar op. Als ze mij verrassen kunnen ze mij niets doen, maar jij moet uit de buurt blijven’. Ik pakte haar hand en trok haar mee, de trap op en het smalle paadje af. Er waren daar prachtige ondergrondse schuilplaatsen onder stapeltjes hout in een hoog dijkje, waar gedurende de razzia's een aantal mannen een halve dag in hadden doorgebracht, terwijl de Duitsers boven hun hoofden rondstampten. Ik wees Liesbeth een van de schuilplaatsen en sprak met haar af, dat zij weg zou kruipen als zij een woest geschreeuw hoorde en te voorschijn zou komen als ik ‘In 't groene dal’, het lievelingslied van ons beider bovenmeester, zou fluiten. ‘En niet bang zijn’, vermaande ik. ‘Toen je daarstraks het breedste water uitkoos om in te springen, was je ook niet bang. Zodra je mij hoort fluiten, trek je je schoenen uit en bagger je naar me toe’. Toen ik weg wilde lopen, greep ze mijn arm stevig beet en keek me aan.
‘Waarom doe je dit?’ vroeg ze.
Het was heel stil op die plek. In de verte hoorde ik vaag een karekiet. Het water klotste zacht tegen de oevers.
‘Omdat ik je graag mag, omdat ik je bewonder en omdat je lijkt op een meisje, waar ik erg veel van hou’. De greep van haar hand verslapte. Zij knikte en begon te huilen.
‘Hier, neem mijn zakdoek’, zei ik. ‘Ik moet nu rennen, anders is de hele stad dadelijk hier’. Ik klopte haar op de schouder en snelde weg. In het botenhuisje verschoof ik haastig wat lege kistjes en dozen in het muurkastje, tilde een losse plank op en stak mijn arm in het gat. Met een paar pakjes en flesjes kwam ik de waranda op, fluisterde ‘Daphne’, legde alles in het kastje onder de voorplecht en luisterde scherp, alvorens de riemen in het water te dompelen. Ik hoorde alleen een. paar eenden kwaken en het zachte ruisen van de wind in de boomtoppen. Halverwege de kreek gekomen begon ik het afgesproken deuntje te fluiten. Liesbeth stond met haar oude platte schoenen, waarvan de zolen met ijzeren pennen waren beslagen, in haar hand aan de rand van het water te wachten. ‘Wacht even. Ik maak eerst de boom los’, riep
ik haar toe. In haar andere hand hield zij mijn zakdoek, die ze tot een bal had samengeknepen. Toen ik de drijvende balk, die de ingang versperde, los had en opzij duwde, hoorde ik lawaai bij het botenhuisje. Ik keek om over de stille kreek en zag een van de mannen, die ons per fiets was gevolgd, op de waranda staan. Hij wees naar mij en schreeuwde iets tegen de andere man, die ik niet kon zien.
‘Daar komen ze!’ riep Liesbeth met overslaande stem. Ik roeide wat ik kon. Zij nam een geweldige sprong en kwam op handen en voeten midden in het schommelende bootje terecht. Terwijl ik de sloep draaide, hoorden we haastige voetstappen, het schuren van lichamen tegen takken en bladeren en tenslotte de hijgende ademhaling van de beide mannen. De monding van de kreek was slechts drie meter breed. Tergend langzaam schoof de boeg van het sloepje tussen de boom en de rechteroever van de kreek door. Ik wilde zo snel mogelijk een eindje in de richting van het stadje roeien, zodat onze achtervolgers ons niet meer konden zien.
‘Hé daar! Stop! Stop! Dat gaat zo maar niet!’ riep de eerste man. Ik kende hem niet en vermoedde, dat hij een onderduiker was. Maar de tweede man kende ik wel. Hij was chauffeur bij onze fabriek en had mij in de goede oude tijd, toen we meer dan één luxe auto hadden, wel eens naar de stad gereden.
‘Jongeheer!’ riep hij. ‘Dat kun je toch niet doen! Ze is een moffenhoer!’
‘Laat dat maar aan mij over, Adriaansen. Jij mag daar helemaal niet komen, en die andere man nog veel minder. Verboden toegang. Weg daar!’ Mijn lippen trilden, maar ik slaagde er in, mijn stem in bedwang te houden. De boeg van het bootje raakte eindelijk het vrije water. De mannen liepen als woedende honden die een watervogel nablaffen tot op het uiterste puntje van de drassige wal. De onderduiker trok zijn pistool te voorschijn en brulde: ‘Direct terugkomen of ik schiet!’ Hij leek mij zo'n fanatieke man, die niet tegen zijn verlies kan. Liesbeth begon zachtjes te jammeren. ‘Plat liggen’, bromde ik over mijn schouder. Ik achtte het niet uitgesloten, dat de man met het pafferige gezicht en de vreemde diepliggende ogen zijn laatste restje zelfbeheersing zou verliezen en op Liesbeth zou schieten. Wij waren nu ongeveer
zes of zeven meter van de mannen verwijderd. Na een hevige ruk aan de riemen, die de boot verder van de wal bracht, had ik moeite, niet in lachen uit te barsten. Ik hield mijn gezicht in de plooi en riep: ‘Denk aan je vrouw en je zes kinderen, Adriaansen. Je hebt hier geen donder te maken. Jullie weten niet, waar ik dit meisje heenbreng en 't gaat je geen snars aan ook. Ingerukt, mars!’ Ik hief bevelend mijn linkerhand op en trok tegelijkertijd aan de rechterriem, om de boot achter de zwaar begroeide rechteroever van de kreek te krijgen. Het gezicht van de dikke man werd nog roder dan het was. Uit woede en teleurstelling, en om ons schrik aan te jagen, schoot bij in de lucht, wilde althans over mijn hoofd schieten, maar Adriaansen greep op hetzelfde ogenblik naar het wapen en uitte een schreeuw. De kogel raakte de duim van mijn opgeheven linkerhand. Het knetterende schot weerkaatste hard over het water. Mijn kreet van pijn en schrik werd overstemd door het lawaai, dat de twee mannen maakten. Adriaansen had het pistool bemachtigd en slingerde dit ver weg over het water. De andere man wilde deze daad verhinderen. Beide mannen verloren hun evenwicht en tuimelden tierend en vloekend met groot geplons in het water, waar ze nog een poosje voortgingen met elkaar te stompen en uit te schelden. Dit alles speelde zich zó snel af en de aanblik van het tweetal (de dikke man lag, waarschijnlijk op zijn knieën, tot zijn borst in het water, de ander half over hem heen met wild slaande armen) was zó koddig, dat ik luidkeels lachte en pas weer erg had in de vlijmende pijn in mijn duim, toen ik het bootje achter de met hoge struiken begroeide strekdam had getrokken, die enkele meters uit de oever stak. Achter mij hoorde ik Liesbeth. zachtjes jammeren. Zij was onder de voorste twee bankjes gekropen en hield haar gezicht in haar handen gedrukt. Het lawaai van de mannen werd zwakker. Zij keek op en vroeg zacht: ‘Ben je geraakt?’
Ik had nog niet naar de gewonde duim gekeken; het liefst had ik dit in het geheel niet gedaan, omdat ik een afkeer heb van bloed zien. ‘Een schampschotje....’, zei ik achteloos en klemde mijn tanden weer op elkaar, om over de stekende pijn heen te komen. Liesbeth kwam overeind, slaakte een gilletje en zei: ‘Oô, je bloedt!’
‘Ik zal dadelijk wel eens kijken’, antwoordde ik. ‘Even de boot op een veilig plekje zetten. Ze zijn allebei in het water getuimeld. Als ze de kreek overzwemmen begint alles opnieuw, behalve het schieten.... de revolver ligt ook in het water’.
Achter de strekdam van de kreek lag het openbare strandje, met daarachter een zanderig terrein, begroeid met verspreide struiken en plekjes gras. Er was daar niemand. Ik liet het bootje met de boeg op het zand lopen en keek daarna naar mijn duim, waaruit bloeddruppels rondom op het donkergroene bankje en ook enkele op mijn rijbroek waren gevallen. Ik voelde koude rillingen. Een ogenblik werd het schemerig voor mijn ogen, maar ik vermande me en wikkelde snel mijn zakdoek rond de bloedende duim. Daarna klom ik naar het kastje onder het voorplechtje. In een van de verste hoeken vond ik eerst een verrekijker in een zwart foudraal, die ik boven mijn hoofd neerzette, en daarna het gezochte verbandtrommeltje.
‘Zal ik je helpen?’ vroeg Liesbeth met een bedeesd stemmetje.
‘Je ziet zo wit....’.
Ik knikte en gaf haar een gaasje en een rol verband. De bebloede zakdoek wierp ik in het water. Liesbeth verbond mijn duim handig. Toen zij halverwege was, begon ik met genoegen naar haar bezige handen te kijken. Voor een simpel fabrieksmeisje had zij opvallend mooie, slanke handen. We zaten samen op het voorste bankje, met onze benen in tegengestelde richting. Vanachter het dichte bossage, dat de kreek afsloot, klonken vaag de stemmen van de ruziemakende mannen. De geluiden verplaatsten zich in de richting van het botenhuisje en werden steeds zwakker. Daarna waren er alleen de bescheiden geluidjes van vogels en het zachte klotsen van het water tegen de sloep.
‘Doet het erg zeer?’ vroeg Liesbeth. Zij draaide de zwachtel om mijn pols, scheurde het eind een stukje in en knoopte het verband vast.
‘Gaat nogal’.
‘Het bloedt erg. Wat doen we nu?’
‘Rustig verdergaan’. Er was een vage, dreigende angst ergens diep in mij, die ik niet in mijn bewustzijn wilde toelaten. ‘Waar wilde je heen?’ vroeg ik opgewekt. Liesbeth haalde haar schou-
ders op. We keken elkaar aan, een kort ogenblik. Onze gezichten waren dicht bij elkaar. Zij bloosde, sloeg haar ogen neer en plukte verlegen aan haar jurk. De zon begon zomers warm te worden. ‘Ik dacht eerst.... naar de overkant, naar m'n tante, maar als je me hier zou kunnen verstoppen....’. Haar gemompel was nauwelijks te verstaan.
‘Daar heb ik ook aan gedacht’, zei ik zacht, doch met de opgewektheid van dokters aan ziekbedden. ‘Ik zou je met alle plezier in de toren willen opsluiten. Het bloeddorstige volkje zou je daar niet kunnen krijgen. Maar wat dan vervolgens? Ik heb een veel beter plan. De rivier over is de beste oplossing en dan ver, ver weg van dit snertplaatsje! Als ik dan straks bij mijn vader kom, kan ik naar eer en geweten verklaren, dat de vogel gevlogen is. En wat zou je hier nog moeten uitvoeren? In deze buurt lig je er uit. Maar in een andere stad, liefst een grote, waar de mensen je niet kennen.... daar heb je dezelfde kansen als iedereen. Later kun je altijd nog hier terugkomen, maar voorlopig lijkt het me plezieriger om je hier niet. te vertonen’. Zij keek me, terwijl ik praatte, een paar maal aan, maar vestigde haar blik dan op mijn mond. Nu knikte zij, langzaam en enigszins plechtig. ‘Ik heb een adres voor je bij heel aardige, geschikte mensen, die je zeker zullen helpen’, vervolgde ik. ‘Dus: naar de overkant! Maar eerst gaan we ons moed indrinken. Hou je van bier?’
‘Bier?’ Zij keek mij met open mond aan. Ik stond op en haalde twee flesjes bier uit het voor picnics en geheime nachtelijke veerdiensten ingerichte kastje. Op mijn hurken zittend diepte ik twee witte, geëmailleerde kroezen en een flesopener op. ‘We kunnen hier niet lang liggen’, zei ik, ‘want als die twee het weer eens worden, of de rest van onze wereldstad waarschuwen, komt er dadelijk een woeste bende met stenguns, hooivorken en visnetten op ons af’.
‘Laat mij dat doen’, zei Liesbeth, toen ik de flesjes wilde openen. Het bier schuimde onstuimig over de kroesranden. ‘Geeft niet’, zei ik, toen Liesbeth een verontschuldiging mompelde. ‘Ik heb nog servetten in dat kastje, en etenswaren, maar daar beginnen we pas aan, als we een flink eind uit de wal zijn....’.
Ik had een grote behoefte aan opgewekt babbelen. Liesbeth's ver-
legenheid begon te verdwijnen. Zij lachte voor het eerst luidkeels, toen ik haar een mopje vertelde. In haar linkerwang kwam een kuiltje en in haar rechter niet. Daphne had kuiltjes in beide wangen als ze lachte. Dat zal ik Daphne vertellen, dacht ik. Het bier was tamelijk koppig. Een plezierig loom gevoel trok door mijn lichaam,
‘Zal ik roeien?’ stelde Liesbeth voor. ‘Dat kan ik heel goed’, voegde zij er kinderlijk trots aan toe.
‘Best’, zei ik. ‘Roei jij maar eens, dan rust ik uit van de schrik. Straks neem ik het van je over, of we nemen allebei één riem’. Ik trok mijn jasje uit, voorzichtig manoeuvrerend met de mouw over de verbonden duim en knoopte mijn overhemd een flink eind open. De zon was stovend warm. Liesbeth deed haar dikke, donkerblauwe manteltje uit. De donkerrode jurk met tamelijk lange korte mouwen paste haar goed. Het met krulletjes versierde borststuk, dat hoog aan haar hals sloot, spande sierlijk om haar stevige borsten; de jurk was kort, naar de mode van die tijd. Ik legde mijn camera en jasje op een droog plekje van de voorplecht, die met bier bespat was en haalde een hagelwit servet uit het kastje te voorschijn, waarmee ik de bierplekken afveegde en daarna de bloeddruppels op het bankje en mijn laars. ‘Jô, die mooie schone doek!’ zei Liesbeth verontwaardigd.
‘Voor de wasvrouw’, zei ik lachend, en wierp het servet achteloos in het kastje. ‘Die is altijd blij als er eer te behalen is. Als ik het nu met jouw Zondagse jurk deed....’. Ik wees naar de jurk die zij droeg.
‘Hoe weet je, dat dit m'n Zondagse is? Nee, laat mij dat doen!’ We stoeiden een beetje om de roeiriem, waarmee ik de boot van de wal wilde duwen en ik liet haar de eer.
‘Natuurlijk kon je het niet over je hart verkrijgen om je jurk in die bundel te rollen’, zei ik en ik zag haar op het lage schemerige zoldertje van het oude, trieste huisje bij een der ijzeren ledikanten bezig. De détails van dat beeld ontleende ik aan een dramatisch, niet voor mijn oren bestemd verhaal van ons doktertje, over de slaapgelegenheden in de lage arbeidershuisjes, waar niet zelden tien kinderen van beide geslachten en uiteenlopende leeftijd op één zo'n laag zoldertje sliepen, met minstens twee, doch
vaak drie kinderen in één bed. Zo'n ijzeren ledikant had ik wel eens gezien op een onofficiële vuilnisbelt, niet ver van die huisjes verwijderd.
Liesbeth lachte parelend. Zij had goede witte tanden. ‘Hoe kom je aan zulke mooie tanden?’ vroeg ik. Het kloppende, vlijmende gevoel in mijn gewonde duim had duidelijk iets te maken met de wurgende angst, die op de loer lag om mij te overmeesteren. Liesbeth legde de roeiriem in de pen en ging zitten. Zij keek mij verbaasd en enigszins wantrouwend aan. ‘Nu ja, ik bedoel.... bij jullie in de buurt zijn niet veel meisjes met goed verzorgde tanden, lijkt mij’, zei ik verontschuldigend. Liesbeth knikte. Ik had de deurtjes van het kastje dichtgedaan en ging er met mijn rug tegenaan zitten. ‘Mijn vader en moeder vinden het overdreven en zonde van het geld, dat ik ze poets. Vroeger moest ik m'n borstel en tandpasta verstoppen. En naar de tandarts gaan terwijl je geen kiespijn hebt, vinden ze getikt’.
Ik meende het broekje van een jaar geleden te herkennen, voor Liesbeth haar jurk zo ver mogelijk op haar knieën trok en haar benen tegen elkaar klemde. Zij draaide de achtersteven van het sloepje naar de zon en roeide in de richting die ik haar had aangeduid. Ik sloot mijn ogen bijna geheel tegen het verblindende zonlicht en keek door mijn oogharen naar Liesbeth, die krachtig en regelmatig roeide. ‘Het bloed komt door het verbandje’, zei ze plotseling. ‘Je moet je hand boven je hoofd houden’. Ik deed wat zij me aanraadde, zonder naar de duim te kijken. Zolang ik nog belang stel in Liesbeth's bekoorlijkheden zal het nog wel met me schikken, dacht ik, mezelf dwingend naar haar blote benen te kijken.
Lang stil zitten kon ik niet. Weldra stond ik op en haalde de verrekijker uit het foudraal. ‘Eens kijken, of er nog belangstelling voor ons is’, zei ik. Bij de kreek was niemand meer. Op de vissersbootjes viel weinig leven te bekennen, maar op en bij de aanlegsteiger van de veerboot zag ik mensen lopen en staan. Ik vroeg Liesbeth wat links aan te houden om buiten de route van het veerbootje te blijven. ‘Ze zijn fanatiek genoeg om ons te torpederen’, zei ik lachend. Er was in het geheel geen scheepvaart op de rivier. Het was afgaand water en er woei een zachte oostenwind.
‘De stroom en de wind voeren ons vanzelf verder’, zei ik na een poosje. ‘Heb je zin in een hartig hapje?’ Ik haalde een blik sardines, een pakje crackers, een rood geëmailleerd bord, een vork en een schoon servet te voorschijn. Liesbeth haalde de riemen in en stapte, gefascineerd naar de uitstalling kijkend, over de bankjes naar mij toe. Ik spreidde het servet uit en gaf haar het blikje om open te maken. ‘Heb je honger?’ Ik stopte een stuk cracker in haar mond, een daad, die haar tot tranen toe ontroerde. We belegden samen de crackers met sardines op het rode bord. Liesbeth at als een wolf. Toen zij de helft op had, weigerde zij verder te eten. Het kostte mij veel overredingskracht, om haar de rest ook te doen opeten. ‘De duim zit me een beetje in de weg.... ik heb geen honger’, betoogde ik. Er was nog een flesje bier, dat we samen opdronken. Het voorplechtje diende als bar. Zo nu en dan keek ik achterom de verlaten rivier af. We dreven langzaam stroomafwaarts; het stadje was al bijna niet meer te zien. Ik probeerde niet naar de donkere bloedplek in het verband rond mijn duim te kijken. Liesbeth ruimde het eetgerei op. Het gaf mij een prettig gevoel, dat zij zich meer en meer op haar gemak voelde bij mij. We waren de toren al een eind voorbij en 'dreven ongeveer honderd meter uit de wal. Ik zocht in mijn rechterbroekzak naar een zakdoek en Hopte daarna met mijn rechterhand op mijn linkerzak. ‘O, je zakdoek’, zei Liesbeth en keek zoekend de bodem van het bootje af. De zakdoek lag als een prop in een hoek.
‘Dank je’, zei ik. ‘Ga nooit uit zonder twee zakdoeken. Nu vermengen jouw tranen zich met mijn vet’. Liesbeth bloosde en glimlachte vertederd. ‘Zie ik er erg smerig uit?’ vroeg zij. Ik lachte en zei plagend: ‘Ontzettend!’ Uit het linker wandrekje van het kastje haalde ik een zeepdoosje, een handdoek en een washandje te voorschijn. Liesbeth nam de voorwerpen in stomme verbazing aan. ‘Wij zijn zo'n schone familie’, zei ik enigszins verontschuldigend. Zij werd ineens bedrijvig, opende het doosje, bezong enthousiast de lof van de goede zeep en de weelderige handdoek en boog zich voorzichtig over de rand van het bootje om zich te gaan inzepen.
‘Denk om je Zondagse jurk’, vermaande ik. ‘Trek 'em uit’. Zij kwam overeind met een ruk, die het bootje deed schommelen en
staarde mij onderzoekend aan. Ik knikte haar aanmoedigend toe. ‘Er is hier verder niemand dan ik.... doe of je op het strandje bent’. Ik knikte met mijn hoofd in de richting van ons stadje. Zij aarzelde een ogenblik, draaide mij haar rug toe en maakte de knoopjes bovenaan op haar rug open. De duim zond pijnscheuten door mijn hand en arm. Ik keek om en zag dat de veerboot ia aantocht was. Liesbeth had er geen erg in. Haar rose onderjurk vertoonde slijtgaten en verstelde plekjes. Ik pakte omzichtig mijn camera en schoof met een blik op de zon zo ver mogelijk naar de andere kant van de boot. Liesbeth waste energiek haar armen, schouders, hals, oksels en gezicht met zoveel enthousiasme, dat zij de eerste drie klikjes niet hoorde. Eerst toen zij haar hals afdroogde en met haar gezicht in mijn richting kwam, merkte zij het afdrukken van de vierde foto een seconde na het rrrrrt-klikje van de sluiter op. Haar eerste reactie was starre ontzetting en heftige verontwaardiging. Zij liet een langgerekt oooooo horen en haar blauwgrijze ogen werden donker en bliksemden ongemakkelijk.
Ik lachte en zei: ‘Wat is dat toch raar met jullie meisjes.... als je een buitje en een kippenborst had, zou het inderdaad afschuwelijk zijn wat ik deed, maar.... De beste foto's (leraarde ik opgewekt) zijn meestal die, waarbij het slachtoffer van niets weet. Wat is er nu om kwaad over te zijn? Je armen staan er op en je schouders en je knieën.... die mogen allemaal gezien worden’. Zij staarde mij nog steeds aan. Haar blik werd zachter. Een lichte blos kleurde haar wangen. ‘Bovendien laat ik zulke foto's aan niemand zien; ze zijn alleen een souvenir voor mezelf’, voegde ik bezwerend aan mijn woorden toe.
Liesbeth glimlachte en zei: ‘Je bent een vreemde jongen. Vind je mij knap?’ Ik glimlachte terug en dacht aan de foto's, die ik vroeger van haar had gemaakt. ‘Dat weet je best, ijdelheid. Je bent onze stadsschone. Op de lagere school stelde je alle meisjes al in de schaduw’.
Zij keerde zich met een parelend lachje van mij af en zei: ‘Zou ik mijn benen ook wassen?’
‘Natuurlijk. Ze verdienen bet!’ Goed gevonden, prees ik mezelf. Dit was allemaal heel wat prettiger dan het onheilspellend pau-
kengedreun van de angst, die probeerde bezit van mij te nemen. Af en toe gingen er half bewust wordende woorden en zinnen door mij heen. Je handen, Bob, zul je voorzichtig zijn met je handen? Speel niet te wild met die jongens!.... Denk er om, jij komt later in de Salle Pleyel.....Je kostbare handen. Salle Pleyel..... ‘Zulke jongens als jij bestaan er maar weinig’, zei Liesbeth peinzend, terwijl ze haar benen over boord stak en tot hoog boven haar knieën begon in te zepen. Zij droeg geen b.h. Als zij ver voorover bukte zag ik haar donkerrose tepels. Ik knipte weer twee foto's af. Liesbeth keek bij de tweede klik op; zij zag nu ook het veerbootje, dat rookpluimen uitblazend op ongeveer tweehonderd meter voorbij voer. Ik wuifde met mijn zakdoek en Liesbeth met de handdoek. Zij trok haar voeten binnenboord en begon die af te drogen.
‘O ja?’ vroeg ik. ‘Meisjes als jij ook. Waarom ging je eigenlijk met Duitsers?’ Ik nam weer een foto. Zij Het haastig en juist te laat haar knieën zakken. Ik glimlachte verontschuldigend. Zij zag er lief uit, iets forser van type dan Daphne, maar met dezelfde gave schouders en lange benen.
‘Och.... De meeste Duitse jongens zijn veel aardiger, niet zo kinderachtig en vuns. Hollandse jongens zijn zo doorgezakt, met ronde ruggen en openhangende monden, zo slap’.
‘Een zeer interessante kijk’, prevelde ik.
‘Nou ja, jongens uit mijn buurt. Ik bedoel jou niet’, voegde zij er haastig en diep blozend achteraan. Zij wreef ijverig haar rechterbeen, dat al droog was.
‘Ik begrijp het. De Duitse jongens hebben meer houding, ze lopen fier rechtop, het Herrenvolk. Ik vrees, dat ze nu, op ditzelfde ogenblik, tamelijk krom lopen, Liesbeth. O, begrijp me goed, ik veroordeel je niet. Ik vind het alleen interessant om te weten. Zie je, als we vorig jaar September bevrijd waren, zou het allemaal zo'n vaart niet hebben gelopen, echt niet, maar na die tijd is er te veel gebeurd. Er zijn ontzettend veel mensen gefusilleerd en doodgemarteld; er is vreselijk veel honger geleden. Iedereen is nu verbitterd en vol haat. Dat kon jij ook niet voorzien’.
Zij liet haar hoofd hangen en keek neer op haar handen, die de korte onderjurk zo dicht mogelijk bij haar knieën hadden getrok-
ken. ‘Ik hield veel van mijn laatste vriend. Walther heette hij. We waren erg gelukkig. Hij heeft me nooit bedot of overdreven verhalen gedaan, zoals de anderen. Ik wist, dat hij getrouwd was en twee kinderen had. Hij liet me de foto's zien’. Zij praatte zacht en deed nog meer haar best, zo weinig mogelijk dialect te spreken. ‘Walther was helemaal niet voor Hitler en zo’, vervolgde ze na een ogenblik stilte. Zij wreef met haar handen over haar gladde knieën, die nog een vleugje gebruind leken van de vorige zomer. ‘Hij moest in de oorlog, net als de anderen. Er waren er veel, die er een hekel aan hadden. Dat zal bij de anderen wel net zo zijn.... de Engelsen en Amerikaanse piloten die Duitse steden bombardeerden, waar alleen vrouwen en kinderen woonden....’. Zij zuchtte diep en pakte de bundel kleren, die met een groene ceintuur en een stuk pluizig touw stevig zat dichtgebonden.
‘Jouw vader is erg anti-Duits hè?’ vroeg ze, terwijl zij de bundel openmaakte.
‘Geworden. Vooral na die tweede razzia, toen ze de burgemeester en ons oude doktertje hebben meegenomen, de schoften’.
‘Heeft hij echt Schele Piet laten doodschieten?’
‘We zijn nu bevrijd, dus kan ik 't je wel zeggen. Dat heeft hij inderdaad, maar niet voor zijn plezier. Hij heeft het zich vreselijk aangetrokken. Jouw vader hebben ze ook nog verdacht. Het was ook al te gek! De eerste keer: het stadje omsingeld, hier en daar huizen onderzocht, onze toren, ons huis van kelder tot zolder, de stallen, kassen, omliggende boerderijen..... niets gevonden. Nog geen week later waren ze terug, en hoe! Er was een prachtige waarschuwingsdienst, bij de veren aan de overkant en op de voornaamste kruispunten. De moffen konden nooit de rivier over zonder dat iedereen tijdig gewaarschuwd werd, en nu.... 's morgens voor de zon op was in georganiseerde bootjes kwamen ze uit de nevel opduiken. Je zult ze ook wel gehoord hebben.... op drie plaatsen gingen ze aan land. Overal dreunde het van de laarzen. Goddank maakten ze zelf zo'n lawaai, dat ze het draven van alle onderduikers en lui, die wat op hun kerfstok hadden niet hoorden. Als gekken hebben ze moeten lopen, soms maar met een voorsprong van tien meter. Gelukkig werd het voorlopig
niet licht. De hele griend werd met kogels doorzeefd en ze probeerden telkens de griend te doorzoeken, maar het was nogal hoog water en de dappersten moesten telkens door hun kameraden op het droge worden geholpen. Onze jongens hadden vaak niet eens tijd, hun mooie schuilplaatsen in te duiken en lagen zo maar in het water met een bosje gras of riet op hun kop, uren in de modder. Vier werden er gewond en een stuk of wat kregen een longontsteking. En dan dat in onze stal, dat deed helemaal de deur dicht! De twee paarden, die ze ons gelaten hebben, en de pony eruit, stro opzij, tjoep! het geheime luik open.... alsof ze een platte grondje bij zich hadden, dit keer! Een handgranaat erin en allemaal hard weglopen, de helden!’
Liesbeth luisterde aandachtig. Ze had een tasje uit de bundel gehaald en zat daarmee in haar handen met open mond naar mij te luisteren.
‘En zat daar iemand, onder de stal?’
‘Meer dan twintig lui, waarvan zeker de helft meteen de kogel zou hebben gekregen. Alleen.... ze zaten nog een hol verder, achter een muur van bijna drie meter dik. Er lopen daar onderaardse gangen en er zijn oude kerkergewelven. Die muur is een stuk fundament van de grote toren, die het later verwoeste kasteel sierde. Er zaten daar niet alleen meer dan twintig kostbare mannen, maar daar was ook het heilige der heilige op het gebied van wapens, vervalste papieren, bonkaarten en zo meer. Het moest verraden zijn, dat ze daar zo maar dat luik konden vinden. Dat ze niets en niemand vonden was hun eigen stommiteit. Toen de granaat ontploft was en ze niets hoorden, kwamen ze weer naar het gat en begonnen uit alle macht met machinepistolen in het keldergewelf te schieten en te bulderen, dat iedereen zich over moest geven. Het duurde eindeloos, voor ze met een ladder kwamen en in het gat durfden afdalen. Ze waren ontzettend lang in de weer met op de dikke, brokkelige muren te kloppen en te slaan, maar het kleine gangetje, waar iedereen doorheen gekropen was, vonden ze niet. Ik heb het gisteren voor het eerst sinds jaren teruggezien. Ik mocht nooit meedoen weet je. Er lag altijd een heel kort broekje en een kinderlijk bloesje voor me klaar om me in te hullen voor het geval er boze moffen kwa-
men. Ik was het kind dat van niets wist, zo had mijn vader het uitgestippeld. God, wat ging hij te keer, toen hij die handgranaat hoorde ontploffen! Bij die eerste razzia werden wij beleefd behandeld, maar bij de tweede beduidend minder. Mijn vader had altijd die brieven van Goebbels gereed liggen, -weliswaar was er aan de datum geknoeid, maar hij ging er tegen moffen prat op, dat Herr Goebbels, zijn grote vriend, er godbetert van zou ophoren, als ze zijn huis vol Kultur durfden beschadigen. Iemand die hem te pro-Duits vond had hem een poets willen bakken en valse berichten over hem verspreid, dat moesten de heren toch begrijpen! Die tweede keer trokken ze zich weinig van mijn vaders verontwaardiging aan. Maar ze maakten niets kapot en hebben niets meegenomen, alleen een paar foto's uit mijn atelier. Enfin, je weet het, ze hebben niemand te pakken gekregen en namen toen het doktertje en de burgemeester maar mee, omdat die wel de leiders van de terroristenbende zouden zijn, die in ons stadje verscholen zat’.
‘Maar de Wehrmacht had hier niks mee te maken!’ zei Liesbeth fel. Ze haalde een kam uit het tasje en begon haar blonde haar te kammen, dat glansde in het felle zonlicht.
‘Weet ik. Mijn vader en de anderen vreesden een derde razzia. Iedereen zat vreselijk in angst. Wist je, dat Schele Piet een volledige bekentenis heeft afgelegd, voor hij de kogel kreeg? En heus geen bekentenis onder pressie, zoals bij die schurken altijd gebeurde.... ik bedoel, geen martelingen of zo. Het ging hier om minstens honderd man, waaronder zeer belangrijke mannen, plus gewone onderduikers, enige Joodse families op de boerderijen en zo maar door.... het een zou tot het andere hebben geleid. Je moet je eens indenken, wat er allemaal gebeurd is, sinds de Duitsers hier kwamen, zogenaamd om ons te beschermen. Daarom moet je het de mensen niet kwalijk nemen, dat ze jou haten, al is dat dan overdreven’. Ik rekte me uit en probeerde de gewonde duim niet te voelen. ‘Het is nu allemaal voorbij’, zei ik en glimlachte naar Liesbeth. ‘Vandaag is het feest. Jij begint hier een flink eind vandaan een nieuw leven.... als je je geheimpje maar bewaart en gewoon meepraat en een goed verhaal verzint waar dat nodig is. Later kun je altijd weer terugkomen,
als je daar nog zin in hebt. Wat heb je eigenlijk allemaal uitgevoerd, sinds je van school ging? Je hebt toch ook op onze fabriek gewerkt?’
Liesbeth trok de losse haren uit haar kam, draaide ze in elkaar en gooide ze overboord.
‘Eerst op de fabriek gewerkt, papiertjes op potjes plakken en zo. Later was ik bij m'n tante aan de overkant. Ze hebben daar een groentewinkel. Maar m'n oom heeft me weer weggejaagd, omdat ik een Duitse vriend had. Als ik wraak had willen nemen, was dat erg gemakkelijk geweest’. Zij pakte haar jurk en liet die luchtig over haar hoofd glijden. ‘Ik ben ook nog in betrekking geweest als dienstmeisje.... dat ging net zo. Toen het uitkwam, dat ik een Duitse vriend had, hebben ze me weggepest. Toen ben ik weer thuis gekomen en op de fabriek gaan werken’.
‘Ook niet zo plezierig’.
Zij schudde haar hoofd en maakte de jurk vast. Daarna keek zij in een klein rond spiegeltje, dat zij uit het bruine tasje haalde. ‘Het moet wel heerlijk zijn om rijk te wezen’, verzuchtte zij.
Ik lachte, ‘'t Is ook niet alles hoor, vooral niet zolang je een kind bent. Het lijkt mooier dan het is. Ik heb jullie vaak benijd. Maar ik geef toe, met zo'n engel van een vader als ik heb, is het niet zo'n zwaar lot. Hoe oud ben jij nu?’
‘Achttien’. Zij haalde een lippenstift uit haar tasje en besmeerde met een geroutineerd gebaar haar bovenlip, die zij daarna op haar onderlip perste.
‘Ik ben bijna zeventien. Altijd net te jong gebleven om mee te doen. Maar nu heb ik ze toch lekker tuk.... nu heb ik mijn eigen vluchtlijn. Dit hier was ook nog een station van een vluchtlijn voor neergekomen piloten en belangrijke personages, die via België, Frankrijk, Spanje en Portugal naar Engeland gingen. Deze sloep heeft heel wat illustere en gevaarlijke mannen vervoerd. Dat ging altijd bij nacht en ontij. Soms ging mijn vader ze zelf halen. Vandaar dat dit bootje zo somber groen is geverfd; vroeger zag het wit met gouden biesjes’.
We dreven nu tussen de beide provinciesteden door, links was een kleine, stille stad, wat groter dan ons eigen stadje, en rechts
en tamelijk grote provincieplaats met een belangrijke constructiewerkplaats, een grote scheepswerf en tal van kleinere industrieen, die ons het uitzicht op de eigenlijke stad grotendeels ontnamen. Met uitzondering van het hoog gelegen plantsoen, waar de aanlegsteigers van de veerdiensten waren, was het overal langs het water opvallend stil.
‘Mijn laatste vriend was dol op muziek. Hij had eigenlijk pianist willen worden, maar....’. Liesbeth's peinzende stem brak met een verschrikt kreetje af. ‘Je hand, je duim! Is dat nu niet vreselijk? Jij leert toch voor....’.
Er gingen talloze koude rillingen door mij heen. Ik zei zo nonchalant mogelijk: ‘Dat wondje? Dat is gauw weer heter. Het heeft geen zin, daar nu over te praten. Laten we het over jou hebben. Kom, laten we op de voorplecht in de zon gaan liggen. We hebben nog wel een half uur, voor we op de veilige plek zijn waar ik je wil afzetten. Want stel je voor, dat die vechtersbazen met het veerbootje zijn overgestoken om ons op te wachten. Je moet met zulke mogelijkheden rekening houden’. Ik praatte als Brugmen en trok haar mee naar het voorplechtje, waar we naast elkaar gingen liggen, met onze voeten op het dichtstbijzijnde bankje en onze handen onder ons hoofd. Ik schilderde Liesbeth, terwijl het bootje zachtjes voortdeinde op het stille water en de zon ons behaaglijk warm stoofde, een rooskleurige carrière als winkelmeisje in een warenhuis of in een exquise modewinkel in een grote stad vol leven en vertier, de stad waar Daphne woonde, ver van ons saaie stadje. Ik schroomde niet, Liesbeth's lieftallige verschijning en mooie handen als uiterst belangrijke factoren te noemen. Zo nu en dan lachte zij kort of verklaarde, dat ik een rare jongen was. Hoe meer zij zich op haar gemak toonde, hoe meer ik op dreef raakte. Zo nu en dan hief ik mijn hoofd op en verspiedde de kalme, blauwe watervlakte. Geleidelijk aan begon zij een beetje enthousiast te worden voor mijn plan, dat zij met een briefje van mij naar Odette en Louis zou gaan, die haar op mijn verzoek ongetwijfeld zouden willen huisvesten en verder helpen, daar twijfelde ik niet aan. Ik legde haar uit, dat Odette politiek niet fanatiek was, gerust de waarheid over Liesbeth mocht weten en mij graag een dienst zou bewijzen. Bovendien zou het voor
Odette als toneelspeelster een klein kunstje zijn, Liesbeth van haar onwelluidend accent af te helpen.
Liesbeth bleek Odette wel eens in ons stadje gezien te hebben, in de vorige zomer, en sprak over haar als ‘die mooie blonde dame’. Toen we weer een poosje met gesloten ogen hadden gemijmerd, zei Liesbeth: ‘En is dat blonde meisje met die donkere ogen haar dochtertje?’ en daarna half overeind komend en wat luider: ‘En is dat dan jouw vriendinnetje? Maar.... dat is toch nog maar een kind?’
Ik hield mijn ogen gesloten toen ik antwoordde: ‘Och.... een kind. Ze is nu dertien jaar en drie maanden. Ze is zo'n beetje als jij, toen je dertien was.... geen heilig boontje en bijdehand. Daarbij heeft ze nog een hoop verstand ook. Ze is heel begaafd. Van schilderijen heeft ze voor een jong kind fabelachtig veel verstand.... Walther was vast ook ouder dan jij’.
‘Hij was tweeëndertig en ik zeventien, maar ja....’. Zij ging weer liggen met haar handen onder haar hoofd. De punt van haar elleboog raakte licht de mijne, maar zij schoof spoedig een klein eindje van mij af.
‘Overigens hen ik ook nog maar een kind’.
Zij lachte luid. Er was een moederlijk-warme klank in haar stem toen ze zei: ‘Nog geen zeventien.... dat is zo. En Prins Bob bemoeide zich maar weinig met de meisjes. Wist je, dat ze jou Prins Bob noemen? Je hebt heel wat stille aanbidsters. Als je op dat grote paard voorbij komt draven, bonzen er overal meisjesharten en iedereen vliegt naar het raam. Nou hebhen ze weer wat om over te praten. O, o, wat zullen die knullen kwaad zijn! Je mag wel oppassen.... nou ja, met zo'n vader als jij hebt, durven ze toch niks te beginnen’.
‘Jij weet er heel wat van’, zei ik. ‘Als je Daphne daarginds soms ontmoet, Daphne heet ze, zeg dan, dat ik dag en nacht aan haar denk. Prins Bob.... hoe verzinnen ze het’. Ik wilde, dat ze me nog meer van zulke dingen zei. Mijn gedachten gingen naar Daphne. De laatste dagen voor de bevrijding, die wonderlijk stille dagen, hadden Nol en ik veel met elkaar gesproken. Nu het eind zo nabij was, had hij me eindelijk ingewijd in de zorgvuldig bewaarde geheimen van de bezigheden, waar hij zich de afge-
lopen jaren in toenemende mate aan had gewijd, voor zover ik die geheimen niet reeds zelf had ontsluierd. Er waren ook enkele prominente onderduikers en een van zijn verwondingen herstellend piloot opgedoken, die tamelijk vrij in huis rondliepen, boeken lazen, schaakten en veel en graag praatten. Nol en ik hadden ook breedvoerig over Daphnes situatie gesproken. In het begin van de hongerwinter was zij met haar vader en ‘tante’ naar de boerderij van Arjens broer gegaan, waar zij nu naar alle waarschijnlijkheid nog was. Arjen was intussen officiëel getrouwd met de huishoudster waar Daphne ‘tante’ tegen zei. Daardoor werd het zeer moeilijk voor Odette en Louis, Daphne bij zich te krijgen. Tot overmaat van ramp had Arjen alle contact tussen Daphne en De Beukenhorst verboden: ik mocht haar niet schrijven, en na enkele korte, lieve briefjes die zij mij stilletjes schreef, vernam ik niets meer van haar. Arjen wilde met Nol, die aan Odette's kant stond, niets meer te maken hebben, had hij verklaard. Nol had mij bij herhaling bezworen, Arjens woede niet te prikkelen door tóch aan Daphne te schrijven. We konden inzake Daphne niets anders doen dan afwachten, tot de oorlog eindelijk, eindelijk voorbij was. En nu was de oorlog voorbij.... nu zou het niet lang meer duren, of....
‘Wat dobberen we heerlijk hè?’ Liesbeth zuchtte behaaglijk.
‘Voor mijn part dobberen we eeuwig zo door....’.
Ik schrok op en tilde mijn hoofd op. We waren bijna bij de plaats, waar ik Liesbeth aan land wilde zetten, direct achter de scheepswerf, voorbij de provinciestad aan de overkant. De stroom had ons in de bocht bijna geheel naar de andere oever gestuwd. Ik wees Liesbeth de kreek achter de verlaten scheepswerf. Zij stond langzaam, met tegenzin op en nam de riemen. Bij de monding van de rimpeloze kreek stonden grote borden met opschriften: als: streng verboden toegang - op overtreders wordt geschoten. Liesbeth keek mij vragend aan. ‘Allemaal bluf’, zei ik. ‘Er is daar nu trouwens niemand’. Langs de rechteroever van de kreek liep een hoge stenen muur, waarop prikkeldraad was gespannen. De smalle strook grond tussen het water en de muur was opgevuld met trossen verroest prikkeldraad. Aan de andere kant was een laag griend. Er heerste een spookachtige stilte.
‘Als alle mensen zo waren als jij....’, zei Liesbeth zacht. Ik maakte een buiging en pakte mijn jasje.
‘Je begint toch niet bang te worden? Je zult zien, dat het allemaal erg meevalt’, zei ik troostend. ‘Denk maar aan. die wilde bende kerels met rode gezichten.... alles beter dan dat! Je vertelt maar het mooie verhaal van ondergedoken meisje op zoek naar familie en iedereen zal je verder helpen. 't Is niet fraai, maar nodig. Wat zou ik graag met je meegaan!’ Ik legde haar met enkele woorden de moeilijke situatie van Daphne uit. Liesbeth roeide langzaam verder door de brede kreek. Ik haalde een potlood en het opschrijfboekje met muziekpapier, dat ik altijd bij me droeg, te voorschijn, stootte mijn gewonde duim, bedwong de kreet van pijn en schreef: ‘Lieve tante Odette, U kunt mij een zeer groot genoegen doen door Liesbeth onderdak te verlenen en haar verder te helpen. Nol zal misschien een beetje verontwaardigd zijn, maar het was nodig, dat ik Liesbeth hielp. Ik kijk verlangend uit naar enig teken van leven van Daphne! Hier alles o.k. Bij voorbaat veel dank. Hartelijke groeten, ook aan oom Louis, van Bob’. Op een tweede velletje schreef ik de naam en het adres van Louis en tekende de route uit, met de voornaamste plaatsen, die Liesbeth moest passeren. Toen ik opkeek voeren we voorbij een groot gat in de muur, dat met dikke palen en prikkeldraad was opgevuld. ‘Daar zijn bommen gevallen. Door dat gat zijn. onze knokkers gekropen om een paar moffenscheepjes, die hier voor reparatie lagen en niet geraakt waren, op te blazen. Op verzoek van de eigenaar. Geestig hè? In de constructiewerkplaats van Groeneveld hebben ze tijdbommen geplaatst, zelf gemaakt door ondergedoken studenten en jongens van ons laboratorium. Er is daar toen nog gevochten met bewakers. Het had niet zo erg veel te betekenen, de Duitsers verloren er de oorlog niet door, maar ze werden wel erg zenuwachtig en het gaf onze jongens wat afleiding, vond mijn vader. Ze zaten allemaal ontzettend te popelen om mee te gaan vechten, maar kregen niet de kans. Er waren alleen zulke karweitjes en een paar overvalletjes op distributiekantoren en auto's met bonnenkaarten’.
‘En gingen ze dan met deze boot?’
‘Neen. De knokploeg werkte zelfstandig vanuit de conservenfa-
briek, met eigen boten en een vrachtauto met het bord voedselvoorziening. Soms escorteerden ze mijn vader, onopvallend natuurlijk. Hij is hun grote held’.
‘Hoe kom jij nu weer thuis?’
‘O, daar bestaan allerlei manieren voor’, zei ik luchtig. ‘Hier achter de werf ligt de villa van Henselmans, de eigenaar. Hij is een goede kennis van mijn vader en zijn oudste zoon zat op de H. B. S. het laatste jaar met mij in dezelfde klas; ik zeil wel eens met hem en zo. Met jou erbij kan ik niets beginnen, omdat je niemand kunt vertrouwen, maar alleen.... Ik kan ook naar het ziekenhuis wandelen, om het duimpje na te laten kijken en dan met de veerboot terug. Kon ik maar ergens een fiets voor je bemachtigen’.
‘En deze boot?’
‘Die loopt niet weg en is nu niet meer belangrijk. Hier, neem die handdoek en die zeep maar mee; dat washandje ook’.
‘Jô, wat zullen ze bij je thuis wel zeggen?’
‘Niets. Handdoeken en zeep genoeg. De meeste gasten zijn al vertrokken vandaag, of staan op het punt om weg te gaan’. We naderden het eind van de kreek, waar langs de griend een drassig paadje liep, dat naar de dijk voerde. Het getsjilp van een paar mussen en het plassen van de riemen waren de enige geluiden. Op mijn aanwijzingen draaide Liesbeth de sloep met de achtersteven tegen de wal, zodat zij snel kon. weg roeien als dat nodig mocht zijn. We spraken af dat, als ik luid ‘Goed zo!’ zou roepen, zij uit alle macht zou wegroeien, de rivier op en enige kilometers stroomafwaarts nogmaals haar geluk zou beproeven. Ik gaf de etenswaren en de briefjes, trok mijn jasje aan, hing mijn camera om en sprong zo geruisloos mogelijk aan land. Voor alle zekerheid duwde ik de sloep een eindje van de kant en sloop toen scherp luisterend het paadje af, dat grotendeels door bijna bloeiend fluitekruid en moerasplanten was overwoekerd. Het kraken van mijn rijlaarzen klonk hinderlijk door de suizende stilte. Ik klom over een lage prikkeldraadversperring en bereikte spoedig de dijk, zonder iemand te zien en te horen. Voor een laag arbeidershuisje, dat tegen de kruin van de hoge dijk was gebouwd, speelden twee jongens, die ik uitvroeg over eventueel in
de buurt aangekomen wraakzuchtige mannen, maar zij hadden niemand gezien. Fluitend aanvaardde ik de terugweg. In jaren had ik niet zo spannend rovertje gespeeld. Liesbeth huilde bijna van blijdschap, toen ze mij zag. We trokken samen de roeiboot zover mogelijk op de wal en maakten de ketting aan een jong wilgenboompje vast. Ik legde Liesbeth uit, hoe zij het huis van Louis en Odette kon vinden in de grote stad, die haar een onnoemlijk grote metropole moest lijken. Zij weigerde mij de bundel kleren te laten dragen. Ik nam nog een foto van haar, terwijl zij de prikkeldraadversperring nam.
‘Toch jammer, dat je me niet in die toren kon verstoppen’, zei Liesbeth, toen we tegen de hoge dijkhelling opklommen.
‘Je zult me je hele leven dankbaar blijven, dat we dat niet geprobeerd hebben’. Dominee Bob spreekt, dacht ik. Zij lachte nerveus. De dijk met zijn hoge, pas in het blad komende iepen zag er vriendelijk en rustig uit. Er naderde een man op een hevig rammelende fieta zonder banden. De man nam geen notitie van ons. Midden op de met klinkers bestrate dijk stonden we stil. Er tierde welig gras en onkruid tussen de stenen.
‘En nu maar kalm tippelen, gauw weg van deze onzalige oorden. Zodra je iets hoort aankomen, wat de goede kant op gaat, probeer je mee te rijden. Iets zal er toch wel rijden, al is het maar een boerenwagen. Vanmorgen hoorde ik, dat er al Canadese koeriers en kwartiermakers rondrijden. Wie weet.... kun je meerijden! Dag, Liesbeth, hou je taai, neus in de lucht, en schrijf me als je aangekomen bent. Ik ga m'n geluk in de stad beproeven’. Ik klopte haar bemoedigend op haar schouder.
‘Bedankt.... Bob, en het beste met je duim’. Ze nam de bundel onder haar linkerarm en stak haar hand uit. ‘Ik kan het niet allemaal zo goed zeggen als jij, maar.... nou ja, je begrijpt me wel. Het was geweldig’. Zij schudde krachtig mijn hand, keek mij verlegen aan en gaf mij een spontane kus op mijn wang. De emotie, die het gevolg van deze daad was, gaf haar de kracht om zonder dralen de lange, stille weg op te stappen. Zij hield het pak stijf onder haar linkerarm geklemd en liep tamelijk snel. Ik keek haar na, aangegrepen door het besef, dat het nu ineens uit was, dat we beiden alleen waren. Nog steeds voelde ik de aanraking
van haar zachte lippen op mijn wang. Ik keek op mijn horloge. Eén uur. We hadden bijna drie uur gedobberd.
Liesbeth stond stil en keek om. We waren nu ongeveer dertig à veertig meter van elkaar verwijderd. Ik maakte aarzelend een wuivend gebaar. Zij wuifde aarzelend terug en stapte weer door. Toen zij weer omkeek, maar nu zonder stil te staan, wierp ik haar een kushand toe en maakte daarna een energiek gebaar met mijn hand vanonder mijn kin: het hoofd hoog houden. Dappere Liesbeth, dacht ik. Bij een groepje lage huisjes stond zij nogmaals een ogenblik stil. We zwaaiden nu uitbundig naar elkaar. Even later was zij in de bocht achter de huisjes verdwenen.
Een half uur nadat Liesbeth uit het gezicht was verdwenen, stond ik op het havenplein, niet ver van de plaats waar het veerbootje naar ons stadje vertrok, en staarde met verbazing naar het dicht aan de waterkant gebouwde Hotel-Café-Restaurant Het Veerhuis. De beide spiegelruiten waren vernield en ook op de eerste étage waren enkele ruiten kapot. Het merkwaardige was, dat de glasscherven nog op straat lagen en de eigenaar, geholpen door een kenner, bezig was, planken en tafelbladen voor de ramen te spijkeren. Vanuit Het Veerhuis had men een mooi uitzicht over de haven en de rivier. Enkele jaren tevoren hadden de Duitsers een deel van het hotel gevorderd en na de spoorwegstaking hadden ze het geheel in beslag genomen.
Ik keek naar de erkerkamer op de eerste verdieping en zag het zilvergrijze hoofd van de vader van de eigenaar tegen de leuning van de ouderwetse, met leer beklede stoel. Hij was slecht ter been en zat daar al jaren, verzorgd door zijn broodmagere, levendige vrouw. Opa Schepman zat daar altijd op de uitkijk, met een enorme verrekijker op een tafeltje naast zich. Hij had zeer. goede ogen, die alles zagen wat er bij de haven en op de rivier gebeurde. Er stond een telefoontoestel onder zijn bereik, waarmee hij
de gelagkamer, de huiskamer van zijn zoon, maar ook het bureau van Nol tot op die dag, dank zij de dubbele bescherming van Duitsers en illegaliteit, kon bereiken. Opa Schepman was een belangrijke inlichtingencentrale en waarschuwingspost, zo had ik een dag te voren van mijn vader vernomen. De oude man sliep weinig en had bijna dag en nacht over ons en ons slaperige stadje aan de overkant van de brede rivier gewaakt. Zijn zoon, een ex-wielrenkampioen en de bejaarde ober waren ook in het complot. Ik had er wel eens gelogeerd, wanneer bij zeer slecht weer de veerdiensten uitvielen.
‘Wat is hier gebeurd, Schepman?’ riep ik, naderbij komend. Als Schepman iemand tot zijn vrienden rekende, uitte hij dat door in een nogal gepeperde tale Kanaäns het woord tot hem te richten; dit moest men als een uiting van aanhankelijkheid beschouwen. Hij keek mij over zijn brede schouder aan, herkende mij aanvankelijk niet, nam mij van top tot teen op en zei toen met een schampere lach: ‘Wacht 's effe.... het lieve zoontje van De Beukenhorst, niet? Ze hebben m'n ruiten ingeflikkerd, dat zie je toch?’ Hij liet een reeks vloeken over het plein daveren.
‘Wie?’ riep ik verbaasd uit.
‘Het dankbare Nederlandse volk. Zodra de moffen er hier uit waren, een uur of wat geleden, de uitgepoepte labbekakken’.
Ik begon het te begrijpen en keek zo meewarig mogelijk.
‘Maar de illegaliteit hier, de B.S.?’
‘Die staken geen poot uit.... waren toevallig nergens te vinden, de glibberige rioolratten. Nog altijd jaloers op die jongens van jullie en dat jouw vader het zo piekfijn voor elkaar had, vat je? Jullie knapen hebben me een mooi papier gebracht om aan m'n huis te plakken, kijk....’.
PROCLAMATIE stond er boven. Toen ik enkele woorden had gelezen wist ik al, zonder naar de met driftige inktspatten geplaatste handtekening te kijken, dat Nol aan het woord was. Hij maakte den volke bekend, wat de familie Schepman allemaal voor het heil van het vaderland, met inzet van haar leven had gepresteerd, laakte ‘de godvergeten schanddaad’ van het ruiten ingooien en wekte de daders op, een inzameling te houden om de schade te herstellen op een wijze, een dankbaar volk waardig....
‘Terwijl ik met je vader telefoneerde vlogen de stenen en glasscherven goddome om m'n kop, hier....’. Hij wees me enkele schrammen en builen op zijn grote, vlezige gezicht. ‘En m'n ouwe heer moest onder de tafel kruipen. Ze waren wel met z'n honderden, de stinkende jakhalzen. Maar eh.... wat heb jij ons voor een smerig ongaar kooltje gestoofd, jongeheer? Met een moffenmeid aan de haal gegaan?’
Ik zette kort en krachtig mijn standpunt uiteen, porde hem in zijn stevige ribben en besloot: ‘Nou, Schepman, als jij op dat paard had gezeten, twintig kerels tegen één meisje, hè, en een verdomd lief meisje ook nog, wat zou jij dan gedaan hebben, ouwe snoeper?’ Hij meesmuilde. Ik had bij het praten mijn linkerhand in de zak van mijn jasje gehouden.
‘Heb je wat aan je hand?’ vroeg Schepman plotseling. Hij was aanzienlijk scherpzinniger dan hij er uitzag.
‘O, dat?’ zei ik luchtig. ‘Een van die flinke kerels, die achter dat meisje aanzat, heeft me in m'n poot geschoten’.
‘WAT!’ Het daverde als een kanonschot over het plein. Ik trok langzaam mijn linkerhand uit mijn zak. ‘Zijn ze helemaal nakend van God verlaten? Op jou schieten voor een meid!! Zeg, 't is toch niet ernstig?’ Hij staarde mij dodelijk ongerust aan en zag er met zijn neergetrokken mondhoeken uit, of hij dadelijk in tranen zou uitbarsten.
‘Dat is nu waar ik voor hier kom, Schepman, ik wilde eventjes met m'n vader bellen en dan doorgaan naar het ziekenhuis. Onder ons gezegd en gezwegen ben ik er niet helemaal gerust op. Het steekt nogal in die duim. Ik wil me natuurlijk niet laten kennen....’.
‘Josef, Maria en alle heiligen, wat een stinkend stomme knullen! Dat zou nou net hetzelfde zijn of ze mij twintig jaar geleden vlak voor de finish in m'n kuiten hadden geschoten. Op jou schieten!!’ Hoewel bij niet muzikaal was, had hij een religieus ontzag voor. mijn muzikaal talent en mijn toekomst.
‘Nu ja, het was geloof ik niet zo bedoeld, meer als waarschuwing.... Een wat oudere vent deed het, een vreemde, die niet tegen z'n verlies kon’.
‘Gottegod dat had ik moeten weten toen ze hier kwamen! Ze
kwamen niet alleen dat papier brengen, maar ook op jou en die meid loeren. Je had ze moeten zien. Ze klapten bijna toen jullie voorbij dreven. En je vader! Die is ook woedend. Ze moesten jullie hier opwachten, die meid kaalknippen en jou een pak slaag geven. Ik zei nog: die leggen hier heus niet aan, dat jochie aardt naar z'n vaartje, die vang je niet zomaar. Nou, zij aan het rennen, tot aan de scheepswerf helemaal, toen hebben ze 't maar opgeven’.
‘Zijn ze nu weg?’
‘Daar gaan ze’, zei hij, en wees naar het veerbootje, dat juist de haven uitvoer naar ons stadje. ‘Nou, bel maar gauw je papa en ga dan naar de dokter. Haast je. Het licht hebben ze al afgesneden, de uitgedroogde pestkoppen, dadelijk gaat m'n telefoon er ook nog aan. Gottegod wat een toestand. Dat noemen ze nou bevrijding!’
We gingen samen de duistere gelagkamer binnen, waar niemand aanwezig was. De glasscherven en stenen waren daar reeds opgeruimd. Hij zette een hoge barkruk voor mij neer bij de wandtelefoon en zei: ‘Nou, ik laat je maar alleen. Vecht het maar uit met de ouwe’.
De Beukenhorst was op het stadsnet aangesloten. De verbinding kwam snel tot stand. De telefoon stond op Nols bureautoestel geschakeld, want hij nam zelf de hoorn op.
‘Je verloren zoontje hier’, zei ik opgewekt, ‘alias de Rode Pimpernel, commandant van de nieuwe escape-line. Zijn er nog klanten voor me?’
Nol antwoordde met enige Schepmanachtige termen. Hij vloekte en tierde heel zelden, niet uit godsdienstige preutsheid, maar omdat hij dit nogal imbeciel en fantasieloos vond.
‘Ik zit hier bij Schepman. Je dappere scharen zijn zojuist per veerboot vertrokken. Hallo, versta je me?’
‘Ja. Ze hebben je toch niet té hardhandig afgerost?’ Er klonk vaderlijke bezorgdheid door zijn afgebeten woorden.
‘Stel je gerust, nieuwbakken generaal ijzervreter. Liesbeth is, mét al haar mooie haar op weg naar tante Odetje en je zoontje hebben ze zelfs niet ontmoet!’ jubelde ik triomfantelijk.
‘Wat! Maar dat is afschuwelijk!’
‘Stel je niet zo aan. Mij zo aan te blaffen! Ik hoor van Schepman, dat je woedend op mij bent. Het soldaatje-spelen is je naar 't hoofd geslagen. Woedend op mij.... zijn wij ouwe vrienden of niet?’
‘Jochie, je weet niet wat je zegt. Het hele stadje is in rep en roer. Mijn zoon, die zich met een moffenmeid afgeeft, die halfnaakt met hem in een bootje zit te kroelen. De gekste verhalen doen de ronde’. De telefoon sloeg herhaaldelijk over.
‘Kalm, kalm. Sinds wanneer trek jij je wat aan van de praatjes van op hol geslagen dorpelingen? Jij hebt absoluut niet het recht kwaad te worden, voor ik je de feiten verteld heb, zoals ik die werkelijk heb beleefd!’
‘Nu goed, vertel mij die feiten dan maar eens!’ Nols stem trilde van woede. Ik verhaalde hem uitvoerig wat er gebeurd was, zonder van het schieten te reppen. ‘Daarbij komt’, besloot ik mijn verhaal, ‘dat Liesbeth, zonder het te weten, mij vorig jaar Juni een grote dienst heeft bewezen, waar jij ook blij mee was. Zij was het, die toen die liefdesdemonstratie heeft gegeven, waar ik zo van ondersteboven was’.
‘O God’, mompelde Nol, ‘nog meer?’
‘Mmm. Toen ik de naam van tante Odette noemde had je ijzervreterige bullebakkigheid met één slag verdwenen behoren te zijn’.
‘Ja, wat is dat voor waanzin, om haar naar Odette te sturen?’
Ik zuchtte dramatisch met veel windgeruis. ‘Nol’, zei ik honingzoet, ‘stel je Odette voor in de plaats van Liesbeth, achtervolgd door een troep kerels met rode koppen en kwijlende monden, en stel je dan jezelf voor in mijn plaats, te paard... Nol, Odette is in de ogen van jouw illegaliteit evenmin zuiver als Liesbeth. Zij mocht niet meer toneelspelen van jullie, althans niet voor die halve N.S.B.-kliek. Toch heb je haar vorig jaar zomer bij ons uitgenodigd.... toen was je niet zo'n farizeeër. Stel je jouw lieve Odette voor, Nol, achtervolgd door wellustige kaalknippers met kwijlmonden....’.
Het bleef geruime tijd stil. Ik zei: ‘Hallo! Nol, heb je me gevolgd?’
‘Ja zeker’, zei hij, opvallend nuchter, ‘maar ik weet niet wat ik
moet antwoorden. Het enige wat me te binnen schiet is, dat je nog steeds ontzettend bijdehand bent.... en ook, dat je wel gelijk hebt, geloof ik’.
‘Gelukkig. Ik begon jou al van fascistische ideeën te verdenken. Het gezonde Volksempfinden.... meisjes zonder vorm van proces door het dartele landvolk laten achtervolgen en kaalknippen. Schande!’
Nol lachte hartelijk. ‘De gesprekken van de laatste dagen werden, wat jou betreft, niet voor dovemansoren gesproken’, zei hij. Dat was waar. Bij de opgedoken prominenten, die 's avonds in onze salon kwamen debatteren, waren enkele juristen, een hoogleraar, een journalist, een kamerlid, een predikant, en dan nog de Amerikaanse piloot, die sociologie had gestudeerd en veel van moderne muziek afwist.
‘Er is nog een kleinigheid, Nol die ik met opzet tot het laatst heb bewaard, om dit debat zuiver te houden.... mijn linkerduim is per ongeluk door een verdwaalde kogel geraakt’. Met het geluid van zijn gejaagde ademhaling en ontstelde uitroep in mijn oor was het niet moeilijk, me zijn gezicht voor te stellen. Ik vertelde hem rustig, hoe het ongeval zich had toegedragen en wat ik nu van plan was te doen. Schepman en zijn kellner kwamen intussen met nieuwe planken door de schemerige gelagkamer sjouwen en waren even later driftig aan het hameren.
‘Goed, goed’, zei Nol gejaagd, toen ik mijn verhaal beëindigd had, ‘ga direct naar het ziekenhuis. Ik zal ondertussen die chirurg daar opbellen, die mij toen zo handig gekerfd heeft.... als ze daar tenminste telefoon hebben. In duizend jaar zal er geen beroerder dag aanbreken voor zo'n geval als juist de dag van vandaag. Ik kan hier nu onmogelijk weg, maar ik zal proberen je moeder zo snel mogelijk aan de overkant te krijgen. Hou je taai jongen en loop hard’.
Een kort ogenblik had ik grote moeite, niet in huilen uit te barsten. Ik nam haastig afscheid en hing de hoorn op.
‘We kijken al naar je uit’, zei de portier van het ziekenhuis. ‘We konden dokter nog juist aan zijn jas trekken’. De man bracht mij door een lange gang naar een zijvleugel van het oude gebouw.
Onderweg kwamen we enkele verpleegsters tegen. Het rook overal naar ontsmettingsmiddelen. ‘Het is rustig hier’, zei de portier. ‘Hoe minder de mensen eten, hoe minder patiënten. Verkeersongevallen waren er de laatste tijd ook niet meer’. Een thema uit Porgy and Bess van Gershwin ging door mijn hoofd. De duim stak gemeen. Ik had uren met Robert, de Amerikaanse piloot, over moderne muziek gedebatteerd en hem voorgespeeld. Robert wist veel van Copeland, Bartòk, Gershwin en ook van jazz. In gedachten zette ik nu het gesprek voort.
De portier klopte op een witte deur, waarop met zwarte lettertjes de naam van de chirurg stond geschilderd. Ik was op een morgen. enkele dagen tevoren, in het Engels droom-pratend wakker geworden, na een geanimeerde avond met Robert.
Dokter Smit stond in de open verbindingsdeur tussen zijn stemmige spreekkamer, waarin een Perzisch tapijt op de grond lag, en de witte kamer die voor onderzoek was ingericht. Een verpleegster maakte juist de bandjes vast van zijn enorme witte jas. Het was een gebruinde man met vriendelijke donkere ogen achter goud-omrande brilleglazen, en hij deed ijverig zijn best, mij op mijn gemak te stellen. De verpleegster hielp mij uit mijn jasje en rolde mijn mouw op. Toen ik op de onderzoekingstafel lag, kwam er een jonge dokter bij, de assistent van Smit. Ik had het koud. Iedereen waste ijverig handen. Vergelijk Gershwin nu eens met Debussy en Ravel, argumenteerde ik tegen Robert. Debussy slordig en artistiek, Ravel niet minder artistiek, maar nauwkeurig als Bach.... bij hen nóóit stoplappen en leeg geschetter, elke maat lééft, elk accoord, elke noot, net als in een goed schilderij elke vierkante duim tintelt van leven. Nooit dode plekken en ook geen al te vlotte volksmelodieën, die gauw doodgespeeld zijn, zoals soms bij Beethoven. Beethoven! Zo veel doodgespeelde deuntjes, dood als een deurnagel. Zwakke plekken. Neem die dorpshoempahoempa in het laatste deel van de negende, na de eerste koorzang. Welk orkest, welke dirigent weet daar wat van te maken? Monumentaliteit?
Au! Het verband was er nu bijna af, voelde ik. ‘Dat was nogal een flinke revolver’, zei dokter Smit. ‘Een musket uit de Tachtigjarige Oorlog, dokter’, kreunde ik. ‘Probeer die duim eens te
buigen.... ja.... pijnlijk? Zo ook?’ ‘Hier erin en daar eruit’, zei de assistent met gedempte stem, ‘naar de kogel behoeven we in elk geval niet te zoeken’. Ik lag met afgewend hoofd, klemde mijn tanden op elkaar en kreunde. ‘Tampon’, zei dokter Smit tegen de verpleegster, ‘tampon....’ en nog enige woorden, die ik niet verstond. Het drietal was aangekleed voor een operatie. De deur ging open. Er werd een toestel naar binnen gerold. Ik had het warm en voelde zweetdruppels in mijn oksels. ‘Au!’ riep ik luid. ‘Wat komt daar?’ mompelde ik. ‘Een fototoestel, beste jongen’, zei dokter Smit opgewekt door zijn witte maskertje, ‘dat van jou is te oppervlakkig voor ons’. Ik draaide mijn hoofd een eindje terug en wierp een blik op het Röntgenfototoestel. ‘Een platencamera?’ vroeg ik. ‘Inderdaad. Is de pijn al weg?’
‘Bijna, dokter. Was die prik een verdoving?’ ‘Mmm’.
Ik haat al die kille, koude, strakke, dat je ook bij moderne schilders en architecten vindt. Warm, tintelend, kleurig, levend moet kunst zijn. Hier, vergelijk die reproducties eens.... dit zijn onze Nederlandse schilders Dick Ket en Willink, hard, knap en koud. Dit is onze Jan Sluyters, warm, levendig, met vaart, en erg plezierig om naar te kijken. Voor mij betekent modern: meer mogelijkheden, meer mógen, you see? Muziek moet een weefsel zijn, een fijn weefsel. Bartòk kan zó hard en vervelend zijn. Neen, de Fransen nooit; ook de lieve César Franck niet.
‘Au!’ ‘O, voelde je dat? Kan haast niet’.
Natuurlijk noemde Robert mij ‘kid’, maar hij praatte met me of ik een ervaren man was. Iedereen had plezier over ons enthousiasme, toen we ontdekten, dat we een dierbaar stokpaard gemeen hadden: de zang, de overgecultiveerde, opgeschroefde, steriele solo- en solistenzang.... vooral het opera-genre en de overdreven wijze, waarop liederen van Schubert, Brahms en Wolff worden gezongen. Drie hoera's voor de negro-spirituals en de volksmuziek, de Spaanse, Franse, Italiaanse en andere volksliederen, balladen, coplas, chansons en zo meer. Juist, precies, daarin zong de mens als mens, en niet als de imitator van een opgepoetste fluit of virtuoze viool. Enthousiast was Robert ook over mijn grote liefde: een spreekstem met orkest en/of koormuziek. Ik
speelde hem fragmenten voor uit mijn muziek bij drie fabels van La Fontaine, die ik tijdens de laatste winter had geschreven. ‘Ik kan inderdaad enig enthousiasme voelen’, schreef mijn leermeester aan het slot van een critische verhandeling bij mijn werk. We onderhielden in die tijd het contact schriftelijk. Hij stond zeer wantrouwig tegenover het gemak waarmee ik componeerde en de vlotte muzikaliteit van mijn thema's en harmonisatie-vondsten. Ik was te lief en zacht, vond hij; zelfs als ik schrijnende, om verlossing schreeuwende dissonanten en frasen opstapelde, bleef ik die lieve, zachte jongen, die niet verder kwam dan Ravel en de zijnen. Volgens mijn leermeester moest ik ontevredener worden over mezelf en niet zo de jonge Mendelssohn uithangen. Zijn voorzichtige lofprijzingen bezorgden mij slapeloze uren van opwinding. Een enthousiast muziekliefhebber als Robert tot schouderkloppen en wilde uitroepen van bijval te brengen, was niet moeilijk. Maar voor Robert was ik slechts een van die duizenden begaafde jongens, die elk beschaafd land rijk is, begaafde jongens, die op prijzenswaardige wijze hun vrije tijd besteden en misschien later als pianist nog wel eens geld kunnen verdienen op de planken, als dat zo uitkomt. Maar mijn koelbloedige leermeester zag mij, zonder dat met zoveel woorden te uiten, als een van die tientallen hoogbegaafde jongelui, die de gehele wereld op een bepaald moment in totaal rijk is, jongelui, die het door hard werken en inspiratie kunnen brengen tot iets, waar slechts sporadische enkelingen ooit toe in staat zijn. Ik was aan dat denkbeeld nog niet voldoende gewend om rustig te kunnen blijven, als ik er aan dacht. Nol vond het uitstekend, als ik mij er van tijd tot tijd van bewust werd dat ik, zoals hij het noemde, een ontluikend genie was, met het volste recht, de grauwe massa te verachten en een hoge borst op te zetten, ‘mits op delicate wijze’. Bij Nol moest alles altijd op delicate wijze, zelfs het dronkenmakende gevoel: ik ben tot grote dingen in staat, moest op delicate wijze geuit worden. Het kunstenaarschap leidde toch al zo gemakkelijk tot ondelicate dingen.... ‘Niemand kan dat beter weten dan ik, de maecenas of uitbuiter, dat ligt er aan hoe je me bekijkt’, had hij me kort tevoren verzekerd. ‘Reeds nu heb je die typische neiging tot het extreme, genieën eigen. Inplaats van plezierig musi-
ceren en van het leven genieten, zoals een zoontje van welgestelde ouders betaamt, werk je als een koelie. Inplaats van leuk met je camera te spelen, bouw je er ee hele illegale wereld voor jezelf mee op. Inplaats van leuk met je vriendinnetje om te gaan, en als bijzondere attractie eens een. keertje een tikje ondeugender met haar te stoeien dan kinderen van jullie leeftijd geacht worden te stoeien, word je tot ver over je oren verliefd, zweert haar alvast maar eeuwige trouw en stort je met haar in wilde orgieën. Inplaats van een bescheiden kiekje op je werktafel zo nu en dan eens met een knipoogje te vereren, sluip je elke avond als een spook met een kaars de trappen op naar je foto-boudoir en loopt daar urenlang handenwringend en steunend te ijsberen langs foto's van een twaalfjarig meisje, die je, alleen een extreem genie is tot zoiets in staat, zó pikant hebt gemaakt dat, zoals je me verteld hebt, moffen van twee meter lang ze als kostbare krijgsbuit hebben meegenomen....’. Het werd plagend gezegd, met veel voorpret over het antwoord, dat ik zou geven, maar tevens met een ernstige ondertoon.
‘Ik wil geen Kunst met een grote Pa’, antwoordde ik, een antwoord, dat een homerisch gelach veroorzaakte en nog lang een gevleugeld woord in onze kringen bleef. ‘Ik wil hard ploeteren om iets te bereiken’, betoogde ik, ‘geen slap rijkeluiszoontje met veel relaties en betaalde succesjes. En wat dat andere betreft, heb ik wel andere klanken uit jouw mond vernomen.... over een lichtend voorbeeld in een wereld vol slapheid en conventies.... niet bang zijn om te leven.... niet verkalken in cliché's.... en zo meer’.
‘Je bent een engel van een jongen’, boudeerde Nol, ‘maar als ik alles van tevoren had geweten, had ik je te vondeling gelegd op de stoep van een arme schoenmaker. In dat milieu zou je volledig tot je recht zijn gekomen, en fijn hebben kunnen vechten en ploeteren. Enfin, zie de gezamenlijke biografieën in je eigen boekenkast. Neen, ik voel me al met al toch wel een beetje bekocht met jou’.
Kunst met een grote Pa.... Ik klampte me krampachtig vast aan plezierige, opgewekte gedachtenspinsels, terwijl de beide artsen en de verpleegster met mijn duim bezig waren, om alle ge-
dachten aan de vraag te verduwen, die zij toch niet zouden beantwoorden.
Natuurlijk stelde ik die vraag toch, toen ik met mijn moeder in de spreekkamer van dokter Smit zat om de verdere gang van zaken te vernemen. En zoals te venvachten was, ontweek dokter Smit een duidelijk antwoord. Er was nu aan de duim gedaan, wat er aan te doen viel, rekening houdend met het speciale belang, dat dit lichaamsdeel voor mij vertegenwoordigde. De volgende dag moest ik terugkomen, dan waren de röntgenfoto's er en kon bepaald worden, of verder operatief ingrijpen nodig was. Hij begreep volkomen, hoe belangrijk het herstel van de duim voor mijn toekomst en levensgeluk was en ik moest vooral geen voorbarige angst koesteren.
Schumann was ook gehandicapt, dacht ik. ‘Wat je absoluut uit jezelf moet bannen is elk spoor van angst en elk spoor van wrok.... dan vergeet je je duim vanzelf en dat is de beste medicijn die er bestaat.... vergeten, radicaal vergeten.... Luister je jongen?’ Na de stille straat, waaraan het ziekenhuis was gelegen, kruisten mijn moeder en ik enkele smalle, drukke straten, die een bonte wemeling waren van vlaggen, oranjewimpels, kleurige papieren slingers en vrolijke, uitgelaten mensen en kinderen. Er werden schuwe en geíntrigeerde blikken geworpen op mijn linkerarm, die in een grote witte draagdoek hing en op mijn rijcostuum, geen dagelijkse dracht in deze straten. Mijn moeder leidde mij door rustige achterstraten
‘Maar ik ben ontzettend bang, dat het niet meer helemaal in orde komt en bovendien begint de duim nu weer te kloppen en te prikken!’
‘Ik begrijp het. Maar als je er voor wilt vechten, Bob, dan niet mét angst, maar tegen de angst. Vergeten, jongen, vergeten. Kijk eens naar al die dankbare en blijde mensen, naar de vrolijke kinderen. Is het niet, of ze uit een angstige droom zijn ontwaakt? Zo moet jij ook wakker worden uit je angstdroom en je vreugde zal pas volkomen zijn, als zelfs de herinnering aan die droom verdwenen is’.
‘Schumann was ook gehandicapt’.
‘Dat is voor jou nog geen reden’.
Een rij luid zingende, hossende jongens en meisjes sloot ons een ogenblik in. Er was een meisje bij, dat ik mij van de H.B.S. herinnerde. Haar lange, donkere haar hing voor haar warme gezicht en haar stevige borsten in de dunne jurk dansten uitdagend op en neer. Zij schonk mij een lange, warme blik uit haar donkere ogen, een blik die medelijdend en uitdagend tegelijk was. Toen sprong zij weg met hoog opfladderende rok en keek nog enige malen om. Het zingen en brullen klonk mij afschuwelijk in de oren. Begon het maar hard te regenen, dacht ik. Was ik maar alleen met Daphne. Nol moet mij helpen haar hier te krijgen. Al maanden lang maakte ik mij zorgen, dat haar iets zou overkomen. Ik begon sneller te lopen. Mijn keel schroeide, of ik een tocht door een hete woestijn had gemaakt. De haven kwam in zicht. Ik ben een kinderachtig ventje, dacht ik; Robert mist een knieschijf, twee vingers en zijn halve gebit, en hij is de opgewektheid zelve. Er liepen tranen over mijn wangen. Een man kwam naar ons toe. Het was Schepman. Ook dat nog, dacht ik, nu moet ik er met de hele wereld over praten. Was ik maar dood.
De stad, die schuin tegenover De Beukenhorst aan de rivier lag, werd aan de waterkant rechts afgesloten door de constructiewerkplaats en aan de linkerzijde door de scheepswerf. Aan de buitenzijde van deze monstrueuze obstakels lagen, in weelderige tuinen die tot aan het water liepen, de villa's van de eigenaars. Eén villa achter de scheepswerf en twee achter de constructiewerkplaats. De villa's waren lelijk en even groot, fantasieloze kasten van huizen, gebouwd op enorme terpen in de uiterwaard. De grote tuinen waren tamelijk mooi aangelegd.
De eigenaar van de scheepswerf, Henselmans, was getrouwd met de zuster van de eigenaars van de constructiewerkplaats, de heren Groeneveld. De rivaliteit tussen de familie Henselmans-Groeneveld en de beide families Groeneveld was al sinds vele jaren
een publieke vermakelijkheid voor de bewoners van de provinciestad. Liet de familie Henselmans een jachthaventje uitgraven in hun tuin, voorzien van een zwembad met zandstrandje, de families Groeneveld haastten zich een nog iets beter haventje te laten aanleggen, met zwembad, zandstrandje en botenhuis, voorzien van solarium, hangmatten, fraaie veranda's, bar en dansvloer. Nieuwe auto's, motorjachten, buitenlandse reizen, diners, liefdadigheidsfeesten, ingenieuze huishoudelijke installaties, oude meesters, tuinbeelden.... wat de een had of deed, trachtte de andere partij te overtreffen.
Zowel Henselmans als de beide heren Groeneveld waren millionnais, maar de constructiewerkplaats was beduidend groter dan de scheepswerf en de families Groeneveld waren deftiger en stijver dan de familie Henselmans. Volgens Nol zouden de beren het geen van drieën ooit zover hebben gebracht, als er niet die altijd inspirerende rivaliteit was geweest. De neven en nichten van de families gingen vriendschappelijk met elkaar om, maar de verhouding tussen de ouderparen was, hoewel niet vijandig, altijd enigszins gespannen.
Het contact tussen deze families en de mijne was tamelijk onregelmatig en vluchtig. Als kind was ik wel eens de gast van de familie Henselmans ter gelegenheid van verjaardagsfeestjes van de drie kinderen, die dan op hun beurt weer het mijne bezochten. De oudste zoon, Wim, zat het laatste jaar in dezelfde klas van de H.B.S. als ik en deed tegelijk met mij eindexamen. Hij was nu bijna 20 jaar en had zich met ettelijke doublures door de H.B.S. gesleept. Wim was een knutselaar en sportsman, maar omdat de drie zonen Groeneveld ingenieur waren of werden (de families Groeneveld waren enige jaren ouder dan de familie Henselmans was) moesten de beide zonen Henselmans, Wim en Aat, ook ingenieur worden, zo mogelijk doctor ingenieur, alvorens ze bij hun vader op de werf kwamen werken. Voor Aat, die zeventien was en een klas lager zat dan. wij, zou dit waarschijnlijk nog wel te doen zijn, maar zijn oudste broer wachtte een lijdensweg, die deze overigens niet tragisch opvatte.
Omdat ik mij maar zeer matig voor sport interesseerde en mij slechts zelden de tijd gunde voor luidruchtige fuifjes, kwam ik
de laatste jaren weinig bij de familie Henselmans. In de nazomer van het voorgaande jaar, nadat Daphne was vertrokken, had ik enige malen met Aat en Wim gezeild en na de spoorwegstaking hadden we elkaar nog wel eens een halve dag gezelschap gehouden.
Waarschijnlijk was enige invloed van Nol niet vreemd aan de in officiële termen gestelde uitnodiging van mevrouw Henselmans-Groeneveld, om te haren huize een bevrijdingsfeest voor jongelieden te komen meevieren. Pyama en tandenborstel meebrengen, had Wim op de kaart gekrabbeld. Mijn ouders drongen sterk aan. Vooral Nol vond het hoog tijd, dat ik mijn schuwe oudemannetjesbestaan eens onderbrak en mij onder opgewekte jongelui begaf. De uitnodiging bereikte mij veertien dagen na de veelbewogen bevrijdingsdag. Ik droeg mijn linkerarm toen nog in een draagdoek, maar de gewonde duim genas voorspoedig, zij het, dat ik nog maanden daarna in onzekerheid verkeerde, of ik de duim weer ooit geheel zou kunnen gebruiken. ‘Afleiding en ontspanning zullen je goed doen’, pleitte mijn moeder. ‘Als er nieuws is bel ik je op; tot voor kort was er nog telefoon bij Henselmans’, troostte Nol. Dat laatste was doorslaggevend.
Daphne was zoek! Sinds een week wisten wij dat. Zij was weggelopen van de boerderij, waar ze met haar vader en stiefmoeder was, en drie weken later was zij nog niet terecht. Waarschijnlijk was zij op weg naar Odette, maar het was niet uitgesloten, leek mij, dat zij naar De Beukenhorst onderweg was. Nasporingen waren tot heden vruchteloos gebleven. De telefoon van Louis was, zowel op zijn kantoor als in zijn woonhuis nog afgesloten, zoals bij de meeste mensen toen, maar een goede vriend van Nol die in hun buurt woonde, stelde de zijne gaarne te hunner beschikking. Nol had ook al een briefje van Odette gehad, waarin nogal vaagsomber werd gedaan. De avond voor ik op weg ging naar de familie Henselmans had Odette opgebeld en gezegd, dat er nog steeds geen spoor van Daphne te vinden was. Zij vertelde ook, dat er de vorige week een meisje bij haar was gekomen, Liesbeth, die zeer moe, stoffig, hongerig en verlegen was. Ik had Odette een brief geschreven over het geval Liesbeth, maar die scheen nog niet te zijn aangekomen.
Toen ik die middag op de brede oprijlaan De Werfhorst, de villa van de familie Henselmans, naderde, werd ik door een aantal meisjes, die op het bordes in de zon zaten, met enthousiaste kreten begroet. Alles was altijd nogal luid op en om de scheepswerf. Loeki, de dochter des huizes, een jaar ouder dan ik, die mij met enige vriendinnen tegemoet snelde, leek op haar vader. Zij was een tamelijk klein, dik meisje, met kleine blauwe varkensoogjes en zware benen, dat ondanks haar lelijkheid altijd aanbidders had, omdat zij met gulheid en spontaniteit ruimschoots scheen te vergoeden, wat zij aan schoonheid tekort kwam. Van haar vriendinnen kende ik er enige uit mijn H.B.S.-tijd. Zij zochten haar gezelschap om zich te vermaken met Loeki's liefdeshistories, omdat zij een joviale meid was, omdat het in huize Henselmans royaal toeging, en ook omdat deze vriendschap hen in aanraking bracht met Loeki's broers en hun vrienden.
De neven Groeneveld kwamen niet. Zij rekenden zich niet meer bij de jongelui, hoewel ze alle drie nog geen dertig waren. Maar de vier nichtjes Groeneveld arriveerden spoedig na mij. Louise en Hennie, ongeveer vierentwintig en tweeëntwintig jaar, van de oudste familie, Thea en Loes, ongeveer drieëntwintig en twintig jaar oud, van de jongste familie Groeneveld. Elke familie had een mooi en een tamelijk lelijk meisje, hoewel lang niet zo lelijk als Loeki Henselmans. Wim en Aat waren omringd door een aantal boks-, worstel- en watersportvrienden, in hoofdzaak even gespierde knapen als zij zelf waren. Ik was de jongste van de ongeveer twintig jongelui, die de tafel van de familie Henselmans eer aandeden. Voor die tijd was het een overvloedig maal, waaraan zelfs een goede wijn niet ontbrak. Twee nichtjes Groeneveld beijverden zich mijn vlees te snijden en onder bijval van alle aanwezigen werd ik zo nu en dan gevoerd. De titel ‘held van de dag’ is stellig overdreven, maar er werd wel veel aandacht aan mij en mijn ontvoering van de belaagde dorpsschone besteed. De meisjes waren zeer geroerd; de jongens neigden meer naar spot en jaloezie. Papa Henselmans, een kleine, breedgebouwde man met een stem als een scheepstoeter, het type van de geslaagde self-made-man, was nogal grof in de mond en zijn lieve zoontjes en dochtertje waren dat niet minder. Hij vond, dat je je dat in je
eigen huis kon permitteren, als je het zover gebracht had als hij. Zijn vrouw, een magere, rossige blondine met groengrijze, olijke ogen, was aanzienlijk beschaafder dan haar echtgenoot. Zij was de enige van de familie Henselmans die muzikaal was en stelde veel belang in mijn werk. De kinderen hadden op dit gebied alleen belangstelling voor jazz en wat daar voor doorging.
Twee belangrijke gebeurtenissen zijn mij bijgebleven van die middag, avond en nacht van luidruchtige vrolijkheid, kinderlijke en pikante spelletjes, jazz en dansmuziek. De eerste gebeurtenis was, dat ik een vriend vond. De tweede gebeurtenis, dat ik mijn eerste pasjes maakte in de balzaal en daardoor opgenomen werd in een kringetje van de jongsten, die er bijna even weinig vanaf wisten als ik. Het bleek, dat er enige dagen tevoren een dansclubje voor beginnelingen was opgericht, dat onder leiding van een dansleraar bijna iedere middag oefende in een van de salons van De Werfhorst, om de achterstand van jaren in te halen. Verschillende meisjes boden aan, mij de eerste beginselen van de foxtrot bij te brengen, maar na ampele discussie werd uitgemaakt, dat nichtje Thea, die uitstekend danste en paedagogische talenten bezat, mij zou bijwerken. Ik kreeg, mijn handicap ten spijt, terstond mijn eerste les van haar. De volgende middag zou zij naar De Werfhorst komen om mij verder bij te werken. Zij had, net als alle aanwezige jongelui, toch niets te doen en de plannen waren, om de feestelijkheden in wat kleinere kring bij wijze van tijdverdrijf in de komende dagen voort te zetten. Bovendien waren er nog twee soortgelijke grote feesten te verwachten, in de beide villa's van de Groenevelds.
Iwan Vinkeveen heette de jongeman, die ik die dag leerde kennen en met wie ik vriendschap sloot, een vriendschap voor het leven. Iwan was een achterneef van de Groenevelds en een protégé van mevrouw Henselmans. Hij was vijf jaar ouder dan ik, maar dat vormde toen reeds geen bezwaar voor de vriendschap. Sinds enkele weken was Iwan liefderijk opgenomen door de familie Henselmans. Hij was een wees, een telg uit een minder gefortuneerde tak van de familie, die sinds zijn kinderjaren bij diverse familieleden had gewoond, de laatste jaren bij een oom die arts was. Het was in hoofdzaak de honger, die hem naar hier had
gedreven. Hoewel enigszins vermagerd was de gezonde, mollige, door tantes vertroetelde jongen nog in hem te herkennen. Zijn gezicht met de grote neus, volle lippen en grote blauwe ogen met opvallend lange, donkere wimpers deed enigszins Vlaams aan. Iwan had rechten gestudeerd tot dat niet meer mogelijk was, en zich daarna vermaakt met zijn liefhebberijen: de schone letteren en de muziek. Hij speelde uitstekend viool en lang niet slecht piano, en had een grote répertoire-kennis.
Telkens als wij gelegenheid vonden een poosje min of meer ongestoord te praten, stortten we ons in enthousiaste discussies over de muziek. ‘Ik houd zoveel van muziek, dat ik geen musicus wil worden.... 't Idee! Omdat je graag vioolspeelt en aanleg hebt word je veroordeeld om levenslang uren per dag te studeren. Voor mij zou dat een straf zijn. Aan alles wat ik móét doen heb ik een hekel. Wat niet wegneemt, dat ik de grootste bewondering heb voor goede musici’.
Over enkele maanden hoopte Iwan zijn studie weer te hervatten en dan later een baan in het bedrijfsleven te vinden, waar hij ‘dik centen’ verdiende en niet te hard behoefde te werken. Dan kon hij alle boeken en gramofoonplaten kopen die hij maar wilde en alle concerten bijwonen en zelf muziek maken, zonder een koelie te worden.
Ongeveer alle jongelui die het feest bijwoonden zouden over ongeveer vier maanden weer gaan studeren; voorlopig kwam het er op aan, zich zo goed mogelijk te amuseren in eigen omgeving, omdat reizen en trekken de eerste maanden nog wel niet mogelijk zou zijn. Iwan en nog enkele anderen spraken reeds over plannen voor de komende weken en maanden; er gingen stemmen op om zoveel mogelijk bij elkaar te blijven, of een selecte club te vormen van min of meer gelijkgestemde jongelui, althans van dansen spelletjes-liefhebsters en liefhebbers. Later op de avond polste Iwan, hoe ik ‘gestemd’ was. De twee ineenlopende salons, waarin gedanst en gespeeld werd, waren schemerig verlicht, in hoofdzaak door lampions en kaarsen. Er was wel electrisch licht (Henselmans had al driemaal luidkeels verteld, dat hij altijd licht had gehad en de Groenevelds drie weken zonder hadden gezeten, hahaha!) maar dat mocht eigenlijk alleen op de werf en het kantoor
branden, en als er te veel lampen brandden bestond er kans, dat we plotseling in het donker zouden zitten. In het romantische licht zagen alle meisjes er bekoorlijk uit. Ik had al opgemerkt, dat er behalve de muziek en literatuur nog iets was, waar Iwan warm voor liep. Als we praatten, kon hij zijn ogen nauwelijks van de meisjes afhouden en zag ik zijn oogleden met de zware wimpers de goedkeurende, strelende blikken uit zijn blauwe ogen markeren, als die van hoofd naar voeten en weer terug gleden. Bij de zoenspelletjes was hij een opvallend enthousiast deelnemer. Om elf uur belde ik mijn ouders op om hen welterusten te wensen en te informeren, of er nog nieuws was. Er was geen nieuws over Daphne en zij waren verheugd te vernemen, dat ik mij goed amuseerde en Nol loeide enthousiast over de danspasjes. ‘Als die feesten voorbij zijn, vragen we de hele bende op De Beukenhorst. Amuseer je, jongen, en maak het maar flink laat!’
Ik vertelde Iwan, wat mijn vader had gezegd en wijdde enkele woorden aan de vriendschappelijke verhouding tussen Nol en mij. ‘Zulke pa's kunnen we gebruiken’, zei hij. ‘We zullen hem erevoorzitter maken van onze zomerclub-in-oprichting. Ik wou, dat die ouwelui hier eens opkrasten. Elf uur is een keurige tijd voor zulke mensen. Ik zit te popelen om met Mies naar de nachtegalen te gaan luisteren, maar die ouwe loopt maar rond met z'n veldheersblikken om te kijken of alles wel bij een handje en een kusje blijft. Dat is de nieuwigheid, het zal wel slijten, maar ik zit er maar mee. Ik kan natuurlijk wel naar haar kamer gaan (ze logeert hier ook) maar voor alles rustig is.... dat wordt zo erg laat. Nu zijn we nog fit’. Hij lachte met een enigszins kinderlijke vrolijkheid en keek mij toen onderzoekend aan. ‘Ben jij eigenlijk een braaf moederszoontje, pf hoe zit dat?’ vroeg hij.
‘Moederszoontje? Helemaal niet’, antwoordde ik.
Hij keek naar Mies, die in de verte voorbij danste en over de schouder van haar partner naar hem keek en wierp haar een kushand toe. ‘Verrukkelijk vrouwtje’, zei hij met omfloerste stem. ‘Ze is pas negentien, maar rijp als een appel en een huidje.... puur satijn’.
‘Het wemelt hier van de aardige meisjes’, zei ik.
‘Grijp je kansen, jongen. Er zijn hier zeker drie of vier meisjes
die nu al trappelen van ongeduld om een uurtje of wat het bed met je te delen’.
Het zweet brak mij plotseling uit. Ik staarde Iwan met open mond aan. Hij boog zijn hoofd wat dichter naar het mijne en zei: ‘Ben je nog maagd? Hoe is het mogelijk! Een fraaie jongen als jij en lang geen sufferdje, als je me die uitdrukking wilt vergeven, bijna zeventien en nog maagd. Je kijkt zo geshockeerd!’
‘Heel erg maagdelijk ben ik nu ook weer niet. Maar zeg, meen je dat van die meisjes?’ Hij knikte. ‘Ik dacht juist, dat jullie moederskindjes waren. Natuurlijk heb ik wel gezien, dat er een beetje gezoend en gevrejen wordt hier en daar, maar dat zegt niets’.
‘Jij dacht, dat wij H.B.S.-kindertjes waren, die een beetje flirten en twee zoentjes geven voor de huisdeur van het meisje na de fuif.... Daar liet ik het al niet bij toen ik twaalf was, jongen’.
‘En de anderen bier?’
‘De meeste jongens zijn tamelijk gehaaid voor zover ik weet. Dat is nu juist wat die sportjongens en ik gemeen hebben: de vrouwen. Ik wil niet beweren, dat het erg doorgewinterde minnaars zijn, maar het interesseert ze wel en ze zijn niet flauw’.
‘En de meisjes?’
‘Meer dan de helft is safe. Ik bedoel, geen verlegen maagden die gaan gillen, integendeel. Er zijn wel een paar typische maagden bij, de mooie meisjes Groeneveld bijvoorbeeld. Hennie, de knapste, is een merkwaardig soort vamp, die uitdagend doet maar gaat krijsen als je haar aanraakt. En Loes, de jongste, is er zo eentje die graag een beetje vrijt en zoent voor de gezelligheid, maar als ze een jongen warm heeft, zegt ze ho en neemt de benen. Met die Thea moet je oppassen, die ia zwaar hysterisch, interessant, spontaan, maar te erg. Zie je, volgens mij moeten we een club vormen van lui die safe zijn; er mogen gerust een paar maagdjes bij zijn en groentjes als jij, als ze maar mee willen doen en niet net doen als dat jongetje in die aardige roman Amsterdam, van Maurits Dekker. Gelezen?’
‘Ik lees pas een jaar of twee’, zei ik verontschuldigend.
‘Wel, dat gaat zo. Een meisje van dertien en een jongetje van elf spelen in een kuil op een open stuk bouwterrein tussen de huizen.
Het meisje vertelt, dat haar grote zus een vrijer heeft en als die er is, mag zij no oit in de kamer, maar ze weet lekker toch wel wat die twee doen. Haar zus gaat op zijn schoot zitten, vertelt het kind, en dan doen ze zo en zo. Of hij dat gek vindt, vraagt ze. Nee, zegt hij. En zo doen de grote mensen, vertelt en demonstreert het meisje, en zo.... Wat voor hem altijd een griezelig sprookje was, schrijft Maurits Dekker, werd nu een spel dat geweldig prettig bleek te zijn en zo gaat hij, toegevend aan een drang, die plotseling in hem opgekomen is, tot een handeling over. Maar dan komt het broertje van. acht eens kijken, wat het ventje van elf toch eigenlijk uitvoert met dat meisje. Hij schrikt, blijft even staan kijken, vliegt dan naar huis, belt luidruchtig aan en zodra de deur open is brult hij in het trappenhuis: “Vader, kom gauw. Dolf neukt!”.... Zie je, zulke broertjes lusten we natuurlijk niet. Leuk verhaal hè? Het staat er echt zo’.
‘Een jongetje van elf met een meisje van dertien, die alles deden?’
‘Ja. Zó vroeg was ik er ook niet bij hoor, maar als 't niet waar is, is het toch een aardig verhaal, zoals de Italianen zeggen. Je moet het eens lezen, 't Is zo'n kleine uitgave in een serie De Salamander. Maurits Dekker. Amsterdam’. Hij stond op en zei zacht: ‘Ik smeer 'em gauw even; die ouwe is eindelijk weg. So long’.
Ik zag Iwan even later met Mies het bordes opgaan. Thea nam spoedig Iwans plaats in. Zij kwam uithijgen van een snelle Weense wals. Ik was met mijn gedachten bij het jongetje van elf en het meisje van dertien van Maurits Dekker, die alles deden. Zou Nol deze roman kennen? Voor zijn algemene ontwikkeling leek het boek mij een schone bijdrage; dan wist hij weer wat meer van wat er werkelijk in de wereld te koop is. Een jongen van elf en een meisje van dertien.... Thea had mij iets gevraagd, waarvan ik alleen het woord ‘nachtegalen’ had verstaan.
‘Ik zei, dat de nachtegalen zingen. Ze beginnen meestal omstreeks half twaalf hier. Ga je mee even luisteren?’ Er dansten vijf paren in de salon. Buiten de open tuindeuren op het terras danste Wim met een van de vriendinnetjes van zijn zusje. Ze bewogen zich bijna niet en stonden stil in een omhelzing, toen wij
naar de andere kant liepen. De nachtlucht was fris, doch vol zoete geuren. Het lichtje in een oranje lampion boven de tuin flakkerde en doofde langzaam uit. Thea en ik liepen zwijgend de hoek van het huis om en toen zij stil stond, bleef ik naast haar staan. Uit een donkere groep struiken klonk inderdaad het onvermoeibare, schallende gezang van een nachtegaal en verderop, naar de waterkant, was een tweede nachtegaal te horen. De lucht was onbewolkt en vol flonkerende sterren. Er brandden nergens lantarens in of om de stad. De blauwige rivier was duidelijk zichtbaar. ‘Ze roepen de vrouwtjes’, zei Thea zacht, toen we een poosje zwijgend hadden geluisterd. ‘Doet je duim nog pijn?’ ‘Heel weinig’, zei ik afwerend. Haar zoete stemmetje beviel mij niet. ‘Arm klem jochie, arme troelepoel’, croonde zij en legde een blote arm om mijn hals, drukte bliksemsnel haar mond op de mijne en legde haar andere arm heel laag om mijn middel. Zij leunde met haar bibs tegen de stenen balustrade en liet mij een kwartslag draaien. Ik schrok hevig en had het gevoel, dat ik door een grote slang werd verslonden. De arm om mijn hals verschoof iets naar hoven en werd een klemschroef. Haar open mond zoog mijn lippen gretig naar binnen. Ik wilde mijn mond wegtrekken, maar zij had de kracht van een wild dier. Zij liet een opening tussen mijn arm in de draagdoek en haar bovenlichaam en drukte haar schoot krachtig tegen mijn rechterheup. Met moeite kon ik, door met mijn vrije hand hard tegen haar borst te duwen, mijn mond bevrijden. Thea was drieëntwintig jaar. Voor mijn gevoel zoiets als een tante. Zij was tamelijk lelijk, heel mager met lage kleine borsten en een opvallend smal middeltje. Alleen haar blonde haar was het aankijken waard en voor mijn smaak waren haar dunne benen niet onaardig, maar haar groengrijze ogen hadden doorgaans een harde uitdrukking en haar dikke, brede, grove lippen bezorgden mij kippenvel.
‘Niet doen....’, hijgde ik, ‘dat wil ik niet....’.
‘Ach chut, waarom mag een eenzaam meisje een arm lief jongetje geen kusjes geven, domoortje?’
‘Ik wil niet....’. Zij greep mijn pols. ‘Ik hou van iemand....’, protesteerde ik, terwijl de greep om mijn pols sterker werd.
‘O, wat opwindend!’ zuchtte Thea. Zij trok met een heftige ruk
mijn afwerende arm opzij en zoende mijn mond nog wilder dan de eerste maal. Plotseling klonk er achter ons, bij de hoek van het huis een geluid of er een paard hoestte. Thea liet mij ijlings los, draaide zich om en leunde, hijgend, met haar ellebogen op de balustrade. Ik vond het nu ineens toch wel opwindend, nu ik ontdekte dat zij iets verbodens had gedaan. Zij begon met een hoog, gemaakt vrolijk stemmetje tegen mij te babbelen. ‘Nee, dat vind ik niet zeg. Dat behoeft helemaal nog geen reden te zijn ... Hé, hallo, oompje! U hier? Heeft u uw das om? U heeft het lelijk te pakken geloof ik’.
‘Schikt wel, uchuche, uch. Stoor ik?’
‘We waren naar de nachtegalen aan het luisteren’. Zij wipte met een luchtig sprongetje op de balustrade. Haar gezicht was een bleke vlek in het vage licht. ‘Hoort u wel....’. De nachtegaal liet een van zijn mooiste, rijk gevarieerde slagen horen.
‘Zozo. Jaja. De jongens gaan dadelijk wat vuurwerk afsteken, 't Is zo stil geworden overal. Het is de vraag, of het lukt, want 't is oud vuurwerk. Anders maar een vreugdevuur bij 't haventje. Komen jullie?’ Er was uit zijn stem niet op te maken, of hij iets van de wilde omhelzing had gezien.
‘Dadelijk, oompje, nog héél eventjes luisteren. 't Is nu juist zo mooi’. Dit was haar middelzoete stemmetje.
‘Goed. Ze gaan zo beginnen’. Henselmans liep met zware stappen weg.
‘Heb ik je laten schrikken?’ vroeg Thea met haar honingzoetste stemmetje, zodra haar oom om de hoek was verdwenen. Ik bromde wat. Met een katachtige uithaal pakte ze mijn hoofd, wreef het enige malen langs haar borst en drukte het achterover met het gezicht naar boven, of het een los stuk speelgoed was. ‘Mooi jongetje’, prevelde zij hees, met haar lippen vlak bij de mijne. ‘Nog één zoentje?’ Zij wachtte mijn antwoord niet af. Op de balustrade gezeten omknelde ze mij met armen en benen. Het ene zoentje duurde eindeloos. Haar kreunende en grommende geluiden werden meer en meer overstemd door geroep en gejuich op het bordes om de hoek. Toen het lawaai oorverdovend werd, liet Thea mij met tegenzin los. ‘Het zoete jongetje is toch niet kwaad op Thea'tje?’ hijgde ze bij mijn oor.
‘Neen’, zei ik luid en ernstig, ‘kwaad niet. Wel verbaasd’. Ik had mij niet gewonnen gegeven en was passief gebleven als een kind. De afdruk van haar tanden gloeide in mijn lippen. Zij lachte. Ik liep snel voor haar uit de boek van het bordes om.
Het vuurwerk ging maar gedeeltelijk af. In de algemene opwinding voegden Iwan en Mies zich ongemerkt bij ons. Ik nam Iwan terzijde, zodra zich daartoe de gelegenheid voordeed en vertelde hem, wat mij zojuist was overkomen. Hij klopte mij lachend op mijn schouder en zei: ‘Je bent er nog genadig afgekomen. Als ze het te bont maakt, moet je haar in haar zij kietelen, flink hard, en mocht zelfs dat niet helpen, dan een paar flinke klappen in haar gezicht. Ze neemt je dat heus niet kwalijk, uiteindelijk. Weet je, om een beginnend jongeling als jij op weg te helpen, is ze werkelijk niet slecht, als ze je tenminste niet afschrikt. Maar denk nu in vredesnaam niet, dat andere meisjes ook zo zijn! Al willen die nog zo graag, ze zullen het heus niet zeggen of tot handelen overgaan, zoals Thea.... hoogstens een vage hint, een beetje tegen je aanleunen, kinderlijk met hun handjes spelen zodat je daar naar kijkt en ze pakt, en meer zulke subtiele kunstjes. Loeki, die is ook nogal openhartig. Als lelijke meisjes warmbloedig zijn, is er ook meestal geen houden aan’.
‘Maar ik wil helemaal niet’, zei ik verontwaardigd.
‘Ssst! Niet zo hard. Waarom niet? Moet je pastoor worden? Zelfs dan zou ik zeggen: omhels de meisjes, voor het te laat is’. Hij grinnikte langdurig.
‘Ik ben niet vrij.... ik hou van iemand’.
‘O goden, Amor, Venus, Petrus, Paulus en alle de heiligen, ziet deze jongeling aan, aanschouwt hem. Nog geen zeventien ben je toch? Hij is bijna zeventien en niet vrij!’
‘Ik voel mij niet vrij.’
‘Man, het leven is vanavond pas voor jou begonnen. En waar is die iemand dan, die je tot kuisheid en geheelonthouding verplicht, nog vóór de manbaarheid is aangevangen? Breng haar hier’.
‘Ze is nog beneden de maat en bovendien vermist. Ik.... ik vertel je daar nog wel eens meer over’.
Iwan zweeg geruime tijd en zuchtte enige malen. ‘Wat vindt je
ouwe heer ervan? Man, man, wat een beroerde geschiedenis’. Ik lachte nerveus. ‘Beroerde geschiedenis.... en je weet het verhaal nog niet eens’.
‘Neen, maar dat voelt een zuigeling met z'n klompen aan’.
‘Mijn vader vindt het ook een beroerde geschiedenis, een rotstreek vindt hij het, dat ik zo tot over m'n oren verliefd ben en teruggetrokken leef en zo’.
‘Dat moet een ontzettend interessante vader zijn, iemand die zijn zoon te zwaar op de hand vindt. Daar zit 'em de kneep. Jij mag dan nog zo van dat lieve kind houden, om dan nooit geen ander meisje meer aan te kijken, dat is gewoon verraad aan je mannelijke natuur, dat is ontrouw, waarde heer, dubbel boerenbedrog. Natuurlijk ziet zij in jou een man.... nu, zorg dan dat je een man wordt. Zoen jij maar gerust andere meisjes hoor, op mijn verantwoording. Als je de juiste zoenen aan de juiste meisjes geeft, doe je er nog een goed werk mee ook. Er wordt zóveel gehunkerd.... het zou typisch puriteins sadisme zijn, al die kinderen maar te laten hunkeren. Zo'n egoïstische farizeeër.... foei! Uit mijn ogen!’
‘Ik zal er over nadenken....’, beloofde ik. ‘Wat vind jij van de Russen?’ Geanimeerd debatterend over Russische componisten keerden we terug naar het feestgedruis. Kort daarna klonk het geluid van paardehoeven en het geratel van wielen op uit de tuin. Een huisknecht, geflankeerd door een der oudste neven Groeneveld kwam met een grote landauer de nichtjes afhalen, die luid protesteerden. Er werden nog enige laatste en allerlaatste dansen gedanst. De jonge ingenieur Groeneveld danste met zijn tante. Thea zond mij warme blikken toe. Als zij danste, leek zij vele jaren jonger, bijna een meisje van veertien.
Toen de nichtjes Groeneveld vertrokken waren, werd er nog een romantische rondwandeling door de tuin naar de rivier gemaakt, onder het wakend oog van het echtpaar Henselmans en bijgelicht door toortsen en lampions. Daarna werd er onverbiddelijk een eind aan het feest gemaakt.
‘Wat waren ze vervelend, die ouwelui’, Haagde Iwan, toen we op onze kamer waren. Het was een bijzondere attentie van mevrouw Henselmans om ons samen een kamer te geven. ‘Twee zul-
ke muziekaanbidders.... ik denk dat zelfs jullie snurken muzikaal en tweestemmig zal zijn’. Zij Held erg van zulke kinderlijke grapjes.
‘Ze waren natuurlijk zo omdat jij er bij was en nog een paar vreemden. Ze vilden niet het risico lopen, dat het gerucht in de stad zal gaan, dat het op die Werfhorst zo'n wilde boel is’, vervolgde Iwan. ‘En die ouwe is jaloers als de pip. In zijn hart is ie een echte vrouwengek en hij kijkt z'n ogen uit aan al dat frisse goedje hier, wat geen spekje voor zijn bekje is. Nu speelt hij dan maar de ordentelijke huisvader met het boze oog. Hoeft die doek 's nachts niet om? Zeg, heb jij ook de pest aan alles wat Strauss heet, Richard Uilenspiegel inbegrepen?’
‘Ontzettend! Nu ja, Richard heeft een paar goede liederen geschreven en op operagebied schijnt hij niet slecht te zijn. Johann vind ik zonder meer afgrijselijk, typisch oppervlakkige kitsch uit de super-kitsch periode. Leider nicht von Brahms.... Begrijp jij nu zo'n Brahms?’
Ik lag al een poos in bed, toen Iwan nog steeds rondscharrelde. Hij borstelde zijn pantalon en was eindeloos bij de monsterlijk grote marmeren wastafel bezig.