terug  begin  verderprepost
[p. 169]

Vierde boek
Sotto voce

[p. 171]

1

Misschien begon ik aan het plan te geloven, toen ik haar nakeek uit het raam. Dat vogelstemmetje klonk nog in m'n hoofd na. Ik had haar voor de zoveelste keer gezegd, dat ik zeker ook nog eens naar Frankrijk ging, dat ik misschien wel kwam kijken. Maar ik was het voorlopig niet van plan.

‘Moet je heus doen!’ riep ze op de trap bij het weggaan.

In de achterkamer was Jet aan het mopperen tegen de kleine. Ik keek door een kier van het gordijn, hoe ze haastig de straat uitliep. Zoals altijd als ze opgewekt was liep ze een beetje danserig op die lange benen en huppelde op en van de trottoirband. Altijd haast, altijd hongerig naar het volgende. Ik keek haar na tot ze onder de poort in de Vijzelstraat verdween.

‘Moet je heus doen!’ dreinde het door mijn hoofd. Net die parkieten, die ze vroeger had. Ik wilde daar liever niet aan denken. Dat liep toch uit op walgen van mezelf. Je kunt daar niet altijd mee aan de gang blijven. Het viel me op, dat ze de laatste tijd weer ‘jij’ tegen me zei. Ik hield niet van die kul. Ouwelui zijn ouwelui en kinderen zijn kinderen. 't Ontbrak er nog maar aan, dat ze ‘Arjen’ ging zeggen. Nu ze groot en bijdehand werd en vrij was, was ze niks bang meer van me. Ze begon zelfs bazig te doen, alsof ik al kinds begon te worden. Misschien had ze gelijk. Toen Sjef een jaar of wat te voren eens heel kwaad was, slingerde bij me dat naar mijn kop. ‘Jaloers zijn op een kind van twaalf... dat is jandorie kinds. Ik kan het accepteren dat je het niet zegt, dat ze begaafd is, dat je haar niet verwaand wilt maken voor haar tijd, maar dit...’

Brave Sjef. Bewaart al haar krabbels of ze Van Gogh zelf is. Verwaand is ze toch wel geworden. Maar dat kreeg nu wel iets lolligs. ‘Moet je heus doen!’ Waarom eigenlijk niet? Ik keerde terug naar m'n kwasten en ging verder aan zo'n landschap voor Nathusius, die aflegger. Betaalde niet de helft van wat Nol gegeven zou hebben, maar hij nam ze allemaal en ik moest Nol z'n centen niet meer. Het was geen groot werk, maar beslist ook niet alleen routine. Goed, ik maakte me niet moe, ik smeerde 't er maar lekker op,

[p. 172]

maar je kon er best nog wat mee doen als het niet te bont werd. In gedachten zag ik haar daar weer huppelen. Dat ging naar Parijs. Naar haar minnaar. Ik voelde het bloed naar mijn hoofd stijgen. Als ik eens ging kijken? Ik had een lange ervaring in afloeren. Als ik de zaak verkend had, kon ik altijd nog naar de zedenpolitie gaan en het hele verhaal er uitgooien. Als ik ze eens ging bekijken samen? Ik was nog altijd haar vader, al had ik dan niks meer in te brengen. Misschien zou ik dan eindelijk genoeg fut krijgen om ronduit in te zien, dat iedereen gewoon maar gek was, iedereen, die me beloften had afgeperst die ik dan misschien niet meer zou houden. En als ik ging, dan hoefde ik zeker niet alleen daarvoor te gaan. Ik zou m'n spullen meenemen en wat frisse ideeën opdoen. Zelfs Nathusius zou me groot gelijk geven.

Tegelijk wist ik, dat het reuze stom zou zijn, juist nu, midden in de zomer. Ik alleen in Parijs, alsof de wereld niet groot genoeg is voor een schilder met wat spaarcenten op zak. Parijs, dat werd zuipen en snotteren. Ik zag me al op Montmartre rondsjouwen in m'n eentje, om van de rue de Seine nog maar te zwijgen. Als ik die naam maar dacht, werd ik al zo week als een jonge meid. Maar daarom nou juist. Ergens niet heen durven vanwege wat snotterige herinneringen! Het kon net zo goed zijn, dat het me allemaal niks meer deed. De tijd dat ik droomde dat ik weer in Parijs woonde, lag ver achter me.

Jet smeet met de deuren. Dat deed ze altijd als Daphne geweest was. Ze bracht me thee, die ze met opzet pas gezet had toen Daphne vertrokken was. ‘Phoe!’ snoof ze, ‘heb je geroken dat die meid van jou d'r eige al parfumeert? Veertien jaar. En een verbeelding! Al die praat over schilderijen en geleerdheid, allemaal dikdoenerij, allemaal om goed te laten voelen, hoe kleinburgerlijk ik ben, niet soms? Zo lekker lievig, dat je d'r net niks van kan zeggen...’

Ik gaf geen antwoord en liet haar rustig tetteren. Daphne had me net het verhaal gedaan over Dufy, die op een ochtend uit z'n raam een meisje in een rood jurkje hard zag lopen en toen op het idee kwam, de figuur van het meisje en haar jurkje niet helemaal dekkend enigszins los van elkaar te schilderen, waardoor je het idee kreeg van snelle beweging. Zulke verhalen deed ze zo lekker opgewonden, zo zuiver kinderlijk... Als je er dan aan dacht, dat

[p. 173]

zo'n kind een knul had, die d'r al uitkleedde en met 'r knoeide toen ze twaalf was...

‘Finaal door die meid ringeloren!’ schreeuwde Jet in mijn oor.

‘Ik ben niet doof. Een vrouw in jouw toestand moet zich niet zo opwinden.’ Ik legde mijn palet en penselen neer en dronk m'n thee op.

‘Ach man, zeur niet, 't is pas goed drie maanden. Hier, voel maar.’ Ze pakte m'n hand. Ze loerde al dagen op me. Ik werd wel zwaar bezocht. Wat er ging gebeuren was allemaal al bekend. Terwijl ze met mijn band over haar buik wreef besloot ik, dat ik zo gauw mogelijk naar Parijs zou gaan. Maar voorlopig zei ik niks. Ik had van m'n leven al veel te veel gekletst en elk woord dat ik heb gezegd, is tegen me gebruikt, tot mijn eerste bèèè in de wieg toe, verdomd als 't geen waar is!

Er was nog niks van te zien, maar dadelijk zou Jet gaan grienen. Toen ik mijn hand terug wilde trekken en afwezig knikte, kwam haar andere hand er ook bij te pas. Ze had behoorlijk kracht in haar knuisten.

‘Kijk niet zo raar, preuts ventje.’ Ze lachte als een boer die een buitenman verschalkt, maar ik zei alleen maar; ‘Ik moet nog even weg,’ en stond op. Ze hield mijn pols met beide banden vast.

‘Jaja,’ teemde ze, ‘dat kennen we. En vanavond ook weer zo druk en zo laat en dan zo moe en ga jij nou maar slapen in je toestand. Stiekemerd! Je houdt niet meer van me, dat is het!’

Nu kwamen de tranen en daarna tirade nummer één, twee of drie. Het werd nummer twee. Dat was die begon met ‘En eerst was je zo blij met me... Ik hoor het je nog zeggen!’ Dan volgden m'n bloedeigen woorden, flink omlijnd zoals die knullen als Dufy en Picasso en Van Dongen doen, flink omlijnd en met lekkere malse kleuren.

‘O, Jet, zei je... nee, laat me uitspreken, laffaard, kakkerd, laat me uitspreken. Was ik maagd of niet, toen je me voor 't eerst had? Nou? Hoor ik nog wat?’

Ik knikte gelaten. Ze hield me nog steeds vast. Hoe minder ik zei, hoe gauwer het voorbij was.

‘Wie heeft me gemaakt zoals ik nu ben? Jij! Ik was een doodfatsoenlijk meisje van dertig. Godgod wat was je blij. Eindelijk een

[p. 174]

wijf in je bed en geen pop. Eindelijk een wijf met billen waar je in kon knijpen en die dat nog lekker vond ook. Eindelijk een wijf dat zich naar jou voegde, een fatsoenlijke vrouw, maar een die geen nee zei als jij nog eens wou. O, o, wat was meneer in z'n sas. Een vrouw die begreep wat een man toekwam, en die nog lekker ouderwets tegen haar vent opkeek, die er aardigheid in had om hém te behagen inplaats van de hele wereld, die niet van knoeien hield en niet bang was om kinderen te krijgen. Wie heeft dat vuurtje in me aangestoken? Jij! Wie kon er niet wachten tot we getrouwd waren? Jij! Wie heeft me alle standjes geleerd? Jij! En nou heeft meneer er genoeg van. Meneer is kunstenaar, meneer moet zo nodig verheven doen. Zijn voetveeg moet zichzelf maar vermaken. Meneer heeft verdriet over zijn oogappel, die niet ver van de stam valt. Ja durf 's! Waag het eens een zwangere vrouw te slaan!’

‘Als je nog ooit één woord over haar in je gore mond durft te nemen, dan, dan...’ Ik stikte bijna van woede en duwde haar op de bank met al die knullerige kussens, die zij zo bloedig had gefabriceerd om haar verleidingskunsten daar in het atelier te kunnen botvieren. Maar dit keer viel er niks te verleiden. Ik stormde weg als een dolle stier.

Redeneren met Jet hielp niet. Zij was maagd, ja, maar wel een apart soort. Alleen een boerehengst als ik kon daar intippelen. Van buiten leek ze zo netjes en kuis als een non, maar van binnen was het één bonk opgespaarde hartstocht. En ik, rund, dacht dat ze alleen zo ontvlamde dank zij mijn vermogens als minnaar en dank zij onze verliefdheid. Zij was zo gewoon, dat ik in het begin moeite had om haar op straat te herkennen; een gewoon door en door Hollands naaistertje, zoals er duizenden rondlopen, zo fatsoenlijk en afkerig van alles wat mondain is als iedere ouwe vrijster. Ze speelde het allemaal meesterlijk. Ze at uit m'n hand, ze bloosde tot in haar winterhielen van elke zoen, ze was huiselijk en gezellig en verdomd handig met potten en pannen. Alleen de manier waarop ze liep, daaraan had ik het kunnen weten. Ze had een hete manier van lopen, maar ik dacht zeker dat dat al kwam omdat ik mijn oog op haar had laten vallen. Dat tegenstribbelen, die tranen, dat ‘ik doe het voor jou, schat.’ Na een paar keer had ik het toch

[p. 175]

wel kunnen weten. Ze zoog het op als een dorstige woestijn. Goed, goed, het waren wittebroodsweken. Ik was er hard aan toe. Toen ze de eerste keer zwanger werd wilde ik niet meer terug, al was haar triomf net wat te veel. God die vernederingen! Maar ik wilde niet piekeren. Die dikke moeder van haar, die je vanuit het achterraam kunt zien, waar ze tegen gilt uit het keukenraam. Vernederingen. Zo'n vulgair gehaaid volkswijf, dat je maar net goed genoeg vindt als ‘schoonzoon’, die over ‘je verdiensten’ kletst, die verdomd handig voelt hoever ze gaan kan, dat ze niet te veel over de vloer moet komen, maar die invloed heeft. Eerst beschouw je dat als de staart van de hond, waar je over komt. Ik heb er verdomme nog lol over gehad ook, als ik aan mijn eerste schoonmoeder moest denken! Nu is dat mens al lang een van die vele obsessies, waar je probeert langsheen te kijken, zoals langs de hond van de buurman, die net uitgelaten wordt als je van je bord met eten opkijkt en breeduit op straat zit te kakken. De hele wereld is bekakt of wordt bekakt. Of ben ik alleen maar een vent die nooit tevreden is met wat ie heeft, met een hoop praats over anderen op de koop toe?

Sjef was gelukkig alleen in zijn atelier. Ik begon hem meteen over Parijs door te zagen. Omdat hij met z'n klompen aan voelde, dat ik graag wou, begon hij als goed vriend alle tegenwerpingen te maken die hij kon bedenken. Wie laat er nou een zwangere vrouw met nog een klein kind aan haar rok alleen! Het stomste wat ik kon doen, was nu, in de zomer, naar Parijs gaan. Of ik soms van plan was, die kinderen te gaan afloeren... Hij is de enige vent op de wereld waar ik 't van kan hebben, die ie me op de kast probeert te krijgen. Ik moest maar zuinig zijn op dat brokje vroegrijp geluk, zei hij, en die kinderen met rust laten. Het eindigde er natuurlijk toch mee, dat hij beloofde regelmatig poolshoogte te nemen bij Jet, dat hij wat geld in bewaring zou nemen om bij te springen als er wat gebeurde en dat hij me op de hoogte zou houden. Nu ik toch vastbesloten was, begon hij nog allerlei broederlijke raadgevingen op te sommen. Ik moest beslist gaan figuurschilderen in de Grande Chaumière, lekker goedkoop met een knipkaart, ik moest beslist bij die en die aangaan, die zouden me wel aan een goedkope kamer of aan een tijdelijk atelier helpen, maar ik moest vooral

[p. 176]

door Frankrijk zwerven, dat zou me te stade komen. Ik zei, dat ik niet van plan was lang weg te blijven, dat Jet eerst wel zou gillen, maar dat ik alweer maanden thuis zou zitten als dat kind eindelijk geboren zou worden.

Ik ging meteen pasfoto's laten maken en inkopen doen. Het kwam goed uit, dat Jet de bokkenpruik op had. We zeiden nauwelijks drie woorden de hele verdere avond. De volgende morgen was de toestand eender. Na het ontbijt zei ik 't haar. Ik zei: ‘Binnenkort ga ik een week of wat er tussenuit, naar Frankrijk. Nathusius is er reuze mee ingenomen, 't Wordt tijd, dat ik eens met wat anders kom aanzetten.’ Meer hoefde ik al niet meer te zeggen. Ze staarde me aan of ik gek geworden was en toen ze zag dat ik het meende, begon ze meteen te krijsen.

‘Als er wat is, gil je maar uit het raam naar je moeder, dat doe je toch. altijd al. Sjef zal een wakend oog op je houden. Ik laat geld genoeg achter,’ zei ik, toen ze merkte dat schreeuwen en dreigementen geen indruk maakten. Ze begon meer en meer bij te draaien, toen het tot haar doordrong, dat ze niet werkelijk de baas was. Sterker, ze begon zelfs bang te worden. Ze kwam nog wel met wat ideeën over de hele buurt erbij halen en gewoon mee in de coupé gaan, maar dat was onschuldige kletspraat. Toen ik 's middags thuiskwam met pasfoto's en formulieren, was ze uit naam van haar moeder alleen nog maar bang, dat ik haar zou laten stikken. Ik zei, dat ze maar tegen haar moeder moest zeggen, dat je een man nooit op zulke ideeën moet brengen. Daar was ze de rest van de dag weer donders nijdig over, zodat ik rustig dat landschap kon afmaken en zelfs al een volgend opzette. De dag daarop schakelde ze meer en meer over op zelfbeklag en begon hevig te doen. Ze kwam ook weer met die ouwe truc van uit het raam hangen. Vanwege haar dikker wordende buik kon ze er niet meer zo ver uithangen als vroeger, toen je vanachter je ezel onder haar korte jurk haar benen en billen zowat helemaal zag zitten, maar met haar handen buiten het raam op de vensterbank geleund kwam ze toch nog een heel eind. Als ik dan na een poosje niet kwam, was er altijd iets in de straat te zien, waar ze tegen me over gilde. ‘Kom. 's kijken, Ar, zo lollig...’ Als ik dan bij het raam kwam zei ze: ‘Leun nog 's tegen me, net als toen...’ Deed ik het niet, dan be-

[p. 177]

gon ze te schelden of werd handtastelijk, al wat opgewarmd door de voorpret, deed ik het wel, dan zei ze dat ik nu ook door moest gaan. Nu haatte ik dat soms zo, dat ik haar met liefde uit het raam gedonderd had, vooral als ik voelde, dat ik toch haar willetje ging doen. En altijd die aanwijzingen en aanmoedigingen van haar, die hele santekraam van woordjes en schunnigheden, haar hele eredienst van lekker-vies-doen-samen, haar dwingerige vraagjes. ‘Geniet je? Is dit lekker? Nou, zeg 's wat, of moet ik...’ En altijd dat vervloekte terugkomen op dingen, die ik ooit eens in een dolle bui gezegd had. ‘Je kijkt zo ontevreden, schat... je vindt het toch niet erg, dat ik er ook mijn pleziertje aan heb, wel? Je hebt zelf gezegd, dat dat zo hoort, weet je nog, toen die keer, dat...’

Toen ik Daphnes brief kreeg, met het adres van haar hotel, was het ergste achter de rug. Ik voelde me soms zo opgewekt als ik in jaren niet was geweest, soms ook neerslachtig en angstig. Als je in drift al eens iemand bijna vermoord hebt, dan ben je nooit helemaal zeker van jezelf. In de trein wist ik niet wat ik er van moest denken. Ik las Daphnes brief twee keer over, nog voor ik aan de grens was. Zij had zich erg uitgesloofd met vijf kantjes vol verhalen over musea, tentoonstellingen, interessante mensen, de zorgzaamheid van oom Nol, over vroeg naar de kooi om weer fit te zijn voor de volgende dag, en zo meer. De herinneringen aan de Kerkstraat en het vervelende afscheid van Jet begonnen te vervagen toen ik door België reed. Ik herinner me dat ik piekerde over een zekere parallel tussen Daphnes jeugd en de mijne, en vroeg me af, of zij zich ooit helemaal op haar plaats en gelukkig zou voelen in het andere milieu, dat haar nu net zo'n sprookje leek als het mij leek, toen ik veertien was. Alleen, zij was duizend keer bijdehanter dan ik op mijn veertiende was. Toen ik veertien was en Odette voor 't eerst van m'n leven aanschouwde...

2

Mijn vader was een godvruchtige boer met een kleine boerderij, die net genoeg opleverde om zuinig van te kunnen leven. Er waren

[p. 178]

oorspronkelijk vier kinderen. Twee meisjes stierven in hun kleuterjaren. Ik was de jongste, de lieveling van mijn sombere, rechtschapen moeder. Mijn broer was de aangewezen opvolger van mijn vader. Ik was een twijfelgeval, niet ongeschikt voor boerenwerk, maar ik was een van de beste leerlingen van de christelijke dorpsschool en het tekengenie van de buurt. In het land der blinden is eenoog koning.

Misschien zou ik het tot klerk op de Boerenleenbank hebben gebracht, als meneer Petersen zich niet in onze omgeving had gevestigd. Hij het een oud boerenhuis dat aan het riviertje lag verbouwen en naar onze begrippen luxueus inrichten. Het dorp gonsde van de verhalen. Meneer Petersen was kunstschilder. Hij bezat een zekere vermaardheid en hij verkocht goed. Iedereen zag met zijn gezonde boerenogen de lege doeken met de vrachtrijder uit de stad aankomen en na verloop van tijd vol geschilderd weer naar de stad vertrekken. Meneer Petersen leefde royaal. Hij was een forse, opvallend lange man met een grijze baard en een vriendelijk, vertrouwenwekkend gezicht. Terwille van zijn frêle vrouwtje, dat niet tegen de zeelucht kon, had hij zich in ons dorp gevestigd. Hij was gul en goedlachs, en kon met de stugge boerenbevolking opvallend goed opschieten.

Ik was elf jaar toen hij bij ons kwam wonen. Dat was in 1914. Iedereen riep er over, dat hij zo'n keurige man was, het tegenovergestelde van wat een kerks dorp van een kunstschilder verwachtte. Hij belaagde de maagden niet, hij leefde ordentelijk en. vloekte niet, hij kwam over de vloer bij allebei de dominees zowel als bij de pastoor, ja hij kwam zelfs wel eens in de kerk, zodat zijn bekering alleen een kwestie van tijd was. Meneer Petersen was een zoekende ziel, zei mijn vader.

Meneer Petersen verdiende ze maar gemakkelijk, zeiden de boeren met begrijpelijke afgunst en bewondering, als ze hem met zijn Deense dog door de polders en langs het riviertje zagen zwerver Er kwamen deftige heren in koetsen en primitieve, doch zeer indrukwekkende automobielen bij hem op bezoek, kunsthandelaren en rijke verzamelaars. Zijn kapitale zeegezichten, landschappen en. stillevens sierden de wanden van rijke koopmanshuizen. Meneer Petersen was de zoon van een Deens koopman, die zich indertijd

[p. 179]

in Nederland had gevestigd. Het dorp hoorde er van op, dat hij een piano, een bad, een muur vol boeken in vijf talen en kamers vol antiek en souvenirs van verre reizen bezat.

Toen meneer Petersen door bemiddeling van de bovenmeester werk van mij had gezien, kwam hij reeds de volgende dag bij ons aankloppen. Zijn machtig geluid vulde onze lage woonkeuken en popperige ‘mooie kamer’. De bedremmelde opmerkingen van mijn ouders over hun. morele en godsdienstige bezwaren tegen kunstenaars beantwoordde hij met aanstekelijke lachbuien. Hij was een man die van aanpakken wist. De volgende dag kwam hij terug met onze eigen dominee, die alle bijpassende bijbelteksten en citaten van Kuyper leverde bij het betoog van meneer Petersen over van God gekregen talenten. Het was een genot, hem te horen oreren. Ik herinner mij nog dat hij betoogde, dat boer zijn, of koopmansknecht of een andere schraperige, geldgierige bezigheid veel meer pekelzonden bevorderde dan het dienen van de schoonheid... de schoonheid, die veel dichter bij God staat dan het bijeengaren van aards slijk. En de dominee citeerde bij elke hulpzoekende blik, die meneer Petersen in zijn richting wierp, enige passende teksten. Mijn moeder zei na afloop, dat een goede kanselredenaar aan hem verloren was gegaan.

Deze boeiende voorstelling zou mijn verstokte, bangelijke ouders nog niet tot toestemmen gebracht hebben, als meneer Petersen niet zelf zo'n monument van rechtschapenheid en christelijke deugden was geweest, en daarbij zijn eigen brood niet zo goed had verdiend. Alle bijbelteksten en vroomheid ten spijt, was dit laatste voor mijn ouders het belangrijkste.

Ook al omdat de zaken niet slecht gingen op de boerderij (het was inmiddels 1915) mocht ik naar de (christelijke) mulo in het naburige provinciestadje. Ik gebruikte al mijn vrije tijd voor tekenen, schilderen, lezen en voor gratis onderwijs van meneer Petersen. Hij zou mij zover brengen, dat ik op de Academie niet in de eerste klas behoefde te beginnen. Ik had een hoekje in zijn atelier, waar ik altijd terecht kon als ik wilde werken, ook zondags, maar dat moest geheim blijven, want schilderen was ‘geen zondagswerk’ vonden mijn ouders. Overigens was ik een vroom jongetje, deed althans in angst voor de Here Here niet voor mijn ouders onder,

[p. 180]

maar ia zulke dingen was meneer Petersen mijn leidsman. Dat werd hij in de loop der jaren meer en meer. Hij was geen fanaticus, die mij zo gauw mogelijk van mijn calvinistische obsessies wilde verlossen, integendeel waakte hij er voor, mij aan het twijfelen te brengen. Die twijfel kwam later toch wel.

Meneer Petersen had één zoon, een zwerfzieke beeldhouwer, die getrouwd was met een Franse vrouw. Dit echtpaar had een dochter, Odette, die ik kende van een paar amateurkiekjes en tekeningen, die bij meneer Petersen in de huiskamer te zien waren. Door de oorlog verdreven uit Frankrijk zwierf het echtpaar door Scandinavië, terwijl het dochtertje in Zwitserland op een kostschool was. Ik zag Odette voor het eerst van mijn leven kort voor de dood van haar grootmoeder. Grootvader Petersen had mij verteld, dat het gezin van zijn zoon die zomer herenigd zou worden en zich in het verre Amsterdam zou vestigen. Door de ziekte van de oude mevrouw Petersen waren ze die zondag in de zomer van 1917 naar mijn tweede thuis gekomen, de lange blonde beeldhouwer, zijn kleine, levendige, Latijnse vrouwtje en hun dochter Odette. Zij stoeide met grootvaders hond in de boomgaard aan het eind van de tuin, Odette van veertien. Ik stond met open mond te kijken en bloosde diep, toen zij haar donkere ogen op mij vestigde en het goudblonde haar met sierlijke gebaren achter haar oren streek. Zij was niet groot en nogal tenger. Zoals zij daar langzaam naar mij toekwam, leek ze mij van een bovenaardse schoonheid en liefelijkheid. Tot mijn opluchting kwamen haar grootvader en vader druk pratend op ons toe. Ik stotterde, struikelde en bloosde bij het voorstellen en het rondwandelen door de tuin. Zij praatten met hun drieën Frans en Nederlands door elkaar en hadden, ondanks de gedrukte stemming, met elkaar het soort plezier, dat mij van huisuit volslagen onbekend was.

Ik was volkomen overdonderd. Nog nooit van mijn leven had ik een meisje gezien, dat in de verte met Odette te vergelijken viel. Evenmin was ik ooit verliefd geweest. Wel had ik thuis geleerd, dat je na je prilste kinderjaren geen gevoelens uit, die verband houden met tederheid, liefde, of vertedering, in tegenstelling tot gevoelens van haat, ontevredenheid, verachting, achterdocht en zo meer.

[p. 181]

Deze eerste ervaring werd enkele dagen later overschaduwd door de dood van mevrouw Petersen en mijn eerste opstand tegen het calvinisme van mijn ouders. Zo er iemand in aanmerking kwam om naar de Hemel te gaan, dan was het naar mijn gevoel dit lieve vrouwtje, dat alle christelijke deugden in praktijk bracht die mijn ouders misten. Zij maakte nooit ruzie over onbenulligheden, zoals mijn ouders, zij kleineerde haar man nooit maar was integendeel zo lief voor hem, dat ik er in het begin van moest blozen, zij zat niet propvol ziekelijke angst voor rampen en tegenspoeden zoals mijn ouders, die deze met een gezicht van ‘had ik wel gedacht’ plachtten te begroeten, als ze ooit kwamen. De oude mevrouw Petersen straalde ondanks haar broze gezondheid en lichamelijk lijden een blijmoedig vertrouwen in het leven uit, die haar in mijn ogen tot een reeds bijna bovenaards wezen maakte.

Maar mijn ouders dachten daar anders over. Toen ik, om mezelf te bevrijden van de wurgend benauwende gedachte dat dit lieve wezen nu door de wormen werd opgegeten hardop zei, dat mevrouw Petersen naar de Hemel was, keken mijn ouders mij geschrokken aan. Ze wilden niet zo bot zijn met terstond vast te stellen, dat mevrouw Petersen naar de Hel gevaren was, ze wilden wel een kleine marge laten voor twijfelgevallen waar God op de Dag des Oordeels nader over zou beslissen, maar ik moest toch begrijpen... Was mevrouw Petersen bekeerd ? Was mevrouw Petersen werkelijk gelovig? Geloofde zij wat de Catechismus leerde? Was zij uitverkoren? Zij bad niet eens voor haar eten, zij viel zomaar aan (had de keukenmeid verklapt), zij zette nooit een voet in de kerk, zij bekommerde zich om God noch gebod. Nee, God was wel barmhartig, maar Hij was ook rechtvaardig. Hij vertoornde zich schrikkelijk over de zonden en de ongelovigheid en het veronachtzamen van Zijn geboden en inzettingen zoals omschreven in de Heidelbergse Catechismus. God was wel goed, maar niet gek! We waren allemaal in Adam verdoemd, en alleen de uitverkorenen gingen naar de Hemel. De rest moest eeuwig branden in de Hel.

En als meneer Petersen zich nu alsnog bekeerde tot het ware geloof, dan kwam hij later in de Hemel, terwijl zijn lieve vrouwtje voor eeuwig in de Hel brandde?

Wanneer ik twintig jaar ouder was geweest, zou ik gezegd hebben:

[p. 182]

als alle aardige mensen naar de Hel gaan en alleen vreugdeloze kibbelaars en bangebroeken naar de Hemel, laat mij voor de donder dan maar naar de Hel gaan, daar moet het dan beslist leuker zijn. Maar als weerloze knaap van bijna veertien jaar kom je niet op zulke dingen. Ik zat gevangen in een web van angst, verdriet en twijfel, sliep en at slecht, verwaarloosde mijn huiswerk en voelde me doodongelukkig. Weekhartigheid was bepaald geen eigenschap van mijn ouders, kuren en kunsten behoorden tot de diep verachtelijke dingen, maar ik was er zo erg aan toe, dat zij zich zorgen begonnen te maken. Ik was in de greep van de Duivel. Zij verklaarden met gebroken stem, dat ze voor me zouden bidden.

Meneer Petersen haalde mij uit deze crisis. In de eerste plaats door de wijze waarop hij manmoedig de slag droeg, die hem had getroffen. Maar dat zou, volgens de mij bijgebrachte inzichten, nog door ‘verblindheid’ kunnen komen, waarbij ik dus eigenlijk de plicht zou hebben gehad hem te waarschuwen, dat hem na dit leven een zeer onaangename verrassing wachtte... dat een barse engel hem ruw in het gelid zou zetten bij de verworpenen, voor de afmars naar wat ik nu de gaskamers van het calvinistische Auschwitz zou kunnen noemen, samen met zijn lieve vrouwtje, dat ook het Teken van het Beest droeg, omdat ze met ‘Tak for alles’ inplaats van een passende bijbeltekst op de lippen overleden was. (Pas vele jaren later trof mij, na het bladeren in een dagblad uit die kringen, plotseling de overeenkomst in mentaliteit en ideeën, in groteske wreedheid en waanzin van Hitlers gaskamers en uitverkoren Herrenvolk, met die van Mozes en Calvijn over hun uitverkoren herrenvolkje en de rest der mensheid, de onbesneden of niet-calvinistische mensen vernietigen als ongedierte, bij Mozes zo gauw mogelijk, bij Calvijn na dit leven. Deze ideeën zijn even onmenselijk als die van Stalin, erger dan onmenselijk. En dat er een God zou zijn, die dat toejuicht, lijkt mij de ergste godslastering die er bestaat).

Meneer Petersen redde mij uit deze angsten door zijn voorbeeld en door zijn levenswijsheid. Wat ik dagelijks om mij heen zag, was volgens hem een Hollandse bloemlezing uit Calvijn, een onzuiver calvinistisch vernisje over de angsten en oerinstincten die terug te voeren waren op het geloof in Donar, het noodlot, de

[p. 183]

nationale God van de Joden Jehova, de nationale oppergod van de Grieken Zeus, en zo meer. Ik kón dit allemaal nog niet vatten, maar ik moest begrijpen, dat mijn ouders hun onchristelijke angsten geleerd hadden van hun ouders, die ze weer van de hunne hadden geleerd, en zo terug tot de Germanen, de Kelten, de Grieken en zo voort. De ideeën van Jezus, zoals die bijvoorbeeld in de Bergrede werden weergegeven waren niet alleen geniaal en onovertroffen, maar de mensheid stond, wat de verwezenlijking betreft nog steeds in de kinderschoenen. Daarom moest ik geduld hebben met mijn ouders, onderwijzers en dominee, want op mijn beurt was ik nog maar een knaapje dat haast nog alles moest leren van het leven, maar dat met de oprechtheid van kinderen en dronken mensen wel eens rake opmerkingen maakte. Ik moest het tere kind niet met het vuile badwater weggooien en eerst goed weten, wat ik weggooide, voor ik het wilde opruimen; ik mocht wel critisch zijn en argwanend tegenover de door mensen uitgedachte wrede dogma's, maar voorlopig moest ik ogen en oren flink de kost geven en het er maar op houden, dat de door Jezus gepredikte God veel en veel liever is dan de mensen, een waarheid waar het calvinisme wel iets maar niet alles tegen kan hebben. Dat hij zelf niet aan Hel en Verdoemenis na, inplaats van tijdens dit leven geloofde, moest voor mij geen reden zijn om nu al in opstand te komen tegen het gezag van dominees en ouders...

Het was vooral het onuitgesprokene, het niet in woorden aan te duiden ‘iets’ achter zijn woorden, dat mij rustig maakte en mijn diepe wanhoop verdreef. Wellicht hielp mijn wanhoop de zijne verdrijven. Zijn haar verkleurde in korte tijd tot zilvergrijs en zijn lange gestalte werd wat gebogen, zodat men hem vrij plotseling zijn zestig jaren kon aanzien. Hij werkte minder dan vroeger en zwierf langer dan voorheen door de polders, bij slecht weer in een grote cape en rijlaarzen. Soms, onder het werk in zijn atelier, begon hij ineens over haar te praten of maakte een korte opmerking, waaruit ik vanaf de eerste lettergreep begreep, dat hij het over zijn overleden vrouw had. Ze waren bijna veertig jaar samen gelukkig geweest. Ik droomde, dat Odetje, als wij zestig waren, ook nog op mijn schoot zou komen zitten en door mijn haar zou strijken.

[p. 184]

Mijn dromen over Odette waren toen nog in hoofdzaak kinderlijk. Ik fantaseerde over alle uiterlijke dingen met haar, zoals ik die bij het grijze echtpaar Petersen had waargenomen, dingen, die volstrekt contrasteerden met wat ik thuis van mijn ouders gewend was.

Bijna vanaf het eerste ogenblik dat ik Odette zag stond het voor mij vast, dat wij later zouden trouwen. Toen ik haar voor de tweede keer zag, kreeg dat geloof een geduchte knauw. Meneer Petersen was met Kerstmis, Pasen en Pinksteren naar Amsterdam geweest. In de zomervakantie kwam Odette drie weken bij hem logeren. De eerste week samen met haar ouders en daarna bleef zij alleen bij haar grootvader, wiens dienstbode nu verheven was tot huishoudster. Meneer Petersen begreep uit mijn vragen en opmerkingen wel, dat Odette diepe indruk op mij had gemaakt, maar bij maakte geen plaagzieke toespelingen op mijn verliefdheid.

De Odette van vijftien jaar was nog veel mooier dan de Odette van veertien. Zij was flinker en veel vrouwelijker geworden, al werd ze door haar ouders behandeld als een kind, als een capricieus, dartel, onnozel schaap. Ik wil niet beweren, dat zij dat niet was, maar zij was tevens een verwaand, verwend, plaagziek nest, dat met een pak op haar billen meer gebaat zou zijn geweest dan met de toegefelijke vertedering van haar ouders en grootvader. De jongejuffrouw wilde toneelspeelster worden en was aldoor in allerlei rollen. Zij verbeterde mijn uitspraak van het Nederlands (om van het moeilijke Frans maar te zwijgen) bauwde mij na, haalde allerlei streken met mij uit, ging met mij wandelen en stoeide met mij.

Ik wist met mezelf geen raad. Ik wist geen raad met het vertrouwen, dat mijn afgod en Odettes ouders in mij stelden, het vertrouwen, dat zo ik dan al niet helemaal kinderlijk was, in elk geval in de omgang met Odette kinderlijk zou blijven. En Odette was koket en bij al haar dartelheid uitdagender en pikanter dan een hoer ooit kan zijn, alleen... al die dartelheid werd ‘gebracht’ met het air van: flinke jongens kunnen daar tegen. Maar ik kon er niet tegen, niet meer. Ik was bijna vijftien jaar, flink uit de kluiten gewassen, met al een zware stem en dons op mijn bovenlip. Op een keer droeg ze een luchtig zomerbloesje met een koordje dat de halsopening op een fatsoenlijk kiertje liet. We waren op

[p. 185]

het voetpaadje door de bosjes langs de rivier achter het huis en door een wilde stoeipartij was dat koordje losgeraakt. De jongedame haastte zich niet om het weer vast te maken. Ik kon gemakkelijk zo met haar stoeien, dat ik haar borsten zowat in hun geheel kon zien, en dat deed ik dan ook.

Ik baatte haar, door de ongekend hevige emoties die haar speelse lichaam mij bezorgde, door de wilde begeerten die ik alleen de baas bleef dank zij mijn schuchterheid en onervarenheid. Maar tegelijk was ik ontzettend verliefd op haar en bracht iedere minuut bij haar door die ik maar kon. Ik haatte haar vanwege de lage begeerten des vleses, die met de heftigheid van een bosbrand in mij woedden en nog in hevigheid toenamen als ik 's avonds eenzaam in mijn bed lag. En zij, dat stond voor mij vast, was alleen maar onnozel, zij was rein, kinderlijk dartel, ijdel en koket, maar besefte niet, boe ontzettend zij mij prikkelde.

Plotseling kwam het van alle kanten op mij toe: ik zag katten paren, honden paren, koeien, paarden, ik zag parende stelletjes in bermen van stille wegen. Op een maanlichte avond verraste ik mijn eigen broer met zijn meisje in onze schuur. Het had vroeger op de avond geregend, zodat het gras onbruikbaar was. Ik zag het meisje met verward haar en opengewoeld bloesje op haar rug liggen met haar rokken omhoog en haar broek uit. Voor ik mij walgend en geprikkeld afwendde zag ik haar benen opengaan en mijn broer, die zijn kleren had losgemaakt, zich met bronstig gesteun op haar werpen. Later klampte deze godvruchtige steunpilaar van de jongelingsvereniging mij aan en zei: ‘Je zegt toch niks hè? Nee, dan is 't goed. Zeg... als je 's avonds in bed eh... dat met jezelf doet, maak dan niet zo'n herrie met je bed. En doe het niet zoveel, anders raak je er aan verslaafd en dan krijg je ruggemergtering zeggen ze, en je kunt nooit trouwen. Maf ze.’

Ik sliep zowat de hele nacht niet. Odette vertrok de volgende dag. Zij vond dat ik zo vreemd deed. Zij dacht er juist over, vertelde ze, om mij op haar lijstje van twaalf aardigste aanbidders te zetten, maar als ik zo raar deed, kwam ik gewoon op de grote lijst van vervelende aanbidders, ik moest het zelf maar weten... Dit soort praat hoorde er allemaal bij, bij de wereld van het onschuldige jonge meisje. Aanbidders, sprookjes, de prins harer

[p. 186]

dromen. En ik had me wel op haar willen werpen, haar bloes openrukken, haar kokette onderrok met kantjes tot bovenaan willen openscheuren. Maar in werkelijkheid beefde ik van schrik, toen zij een schram op haar arm kreeg bij het stoeien in de bosjes bij het rivierdijkje.

Grootvader Petersen weet mijn bleke gezicht en sombere buien aan kalverliefdessmart. Maar na enkele maanden onder vreselijke obsessies geleden te hebben, kwam ik er na lange tweestrijd toe, hem iets op te biechten van mijn drukkend geheim. Als hij er niet was geweest, zou ik die wurgende obsessies zeker tot mijn twintigste jaar gehouden hebben. Ik bad God dagelijks om vergeving en beloofde het nooit meer te doen, maar eenmaal warm geworden onder de dekens, kwamen de liederlijke visioenen vanzelf op mij af. Ik voelde me slap en moe, mijn gezicht en nek zaten vol puisten, mijn rug deed soms pijn en op een vreemd-zoele avond in oktober stierf ik bijna van angst, toen een onweersbui vlak bij de boerderij losbrak, nog geen tien minuten na een nieuwe zondeval met wulpse fantasieën. Nu was de Here God het beu! Een verschrikkelijke lichtflits, een knallende donderslag... daar ging ik ter helle! Ik schreeuwde als een bezetene. Mijn vader kwam het laddertje op en ik was zo van streek, dat ik hem bijna de waarheid had gezegd.

Meneer Petersen begon zelf over Odette. Ze had in een brief naar mij gevraagd en schreef, dat ze het schilderijtje, dat ik voor haar gemaakt had, boven haar bed had gehangen. Waarschijnlijk mompelde ik met neergeslagen ogen iets dat moest beduiden, dat ik haar onwaardig was. Meneer Petersen kwam bij me staan en klopte me bemoedigend op mijn schouder. Hij zei, dat het bij mijn leeftijd hoorde om deze dingen tragisch op te vatten. Zij had mij natuurlijk geplaagd, zo waren meisjes, misschien zelfs wat gekleineerd, ik was verliefd maar voelde mij een houterige jongen van het platteland, terwijl zij zo'n bijdehand ding was. Maar, ik had talent en ik ging wat doen met dat talent; daarmee -was ik met één slag een bijzondere jongen. Odette zou daar zeker niet ongevoelig voor blijven...

Toen hij merkte, dat ik nog even bedrukt keek, werd hij heel ernstig en zei, dat ik meer talent had dan hij, de bekende zee- en

[p. 187]

landschapschilder. Hij kende wel vele vooraanstaande moderne schilders, hij had prominente kunstbroeders in de belangrijke centra van Europa, maar zelf was hij maar een middelmatig schilder, te literair, te overdacht, te gelukkig. Het was niet de eerste keer, dat hij mij zulke dingen over zichzelf vertelde, maar hij had nog nooit gezegd, dat ik begaafder was dan hij.

Ik glimlachte dankbaar, maar toen ik hem in de trouwe ogen keek, zo blauw, zo kinderlijk, zo nobel, begon ik te huilen en toen ik wat gekalmeerd was, stamelde ik mijn moeilijk onder woorden te brengen bekentenis: dat ik wegrotte door een geheime zonde waaraan ik verslaafd was, zodat ik nooit zou kunnen trouwen. (Hoewel God mij ernstig gewaarschuwd had, was ik enkele dagen later opnieuw met de gewoonte begonnen). Ik wachtte, met mijn gezicht in mijn handen, gelaten op zijn wederwoord. Het zou me niet verbaasd hebben als bij mij zijn huis uitgeschopt had. Geruime tijd bleef het stil. Toen tikte hij me op mijn schouder en zei: ‘Kijk me eens aan. Kijk eens naar me!’ Zijn stem klonk vriendelijk. Hij richtte zich in zijn volle lengte op en draaide rond als een danser. ‘Zie ik er weggerot uit? Ziet mijn zoon er weggerot uit? Zien je kameraden, je vader... Maar jongen, heb je dan geen vrienden waar je ooit eens mee spreekt over deze dingen? Leef je dan helemaal alleen?’ Het begon langzaam tot mijn versufte hersens door te dringen, dat ik blijkbaar niet de enige op de wereld was.

‘Maar ik doe het iedere avond!’ riep ik wanhopig uit.

‘Dat deed ik ook... als ik mij wel herinner wel een paar jaar. En begrijp je dan niet, als een jonge kerel getrouwd is, dat hij het dan ook iedere avond doet als hij de kans krijgt, zelfs meer dan dat? Dan raak je toch precies hetzelfde kwijt?’

Hij was niet zo'n nieuwlichter, die bij wijze van spreken nog applaudisseerde ook. Hij gaf mij flink op mijn donder. Ten eerste vanwege mijn zelfmedelijden en kortzichtigheid, maar ten tweede, en dat deed mij deugd, vanwege mijn slappe houding. Ik kreeg leefregels om de vloed van wulpse fantasieën te ontlopen en zelfbeheersing aan te kweken, en als ik het dan zo nu en dan helemaal niet meer kon verkroppen, dan een, twee, drie in godsnaam, kort maar krachtig en dan niet meer tobben. Maar vooral geen angst

[p. 188]

over wegrotten, want dat was belachelijke oudewijvenpraat. Ik moest weer rechtop lopen, een kerel worden.

Nog herinner ik mij het gevoel van opluchting, van onbeschrijfelijke vreugde, waarmee ik naar huis liep. Inderdaad praatte ik nooit met schoolkameraden over deze dingen. Een paar waren nog onnozeler dan ik en de gevorderde vuilbekken ontliep ik altijd. Ik was liever alleen.

Ik zag Odette terug met Pinksteren, Pinksteren 1918, tijd van voedselschaarste in de grote steden. Grootvader zond regelmatig pakketten. Odette was juist zestien jaar geworden. Een jongedame met opgestoken haar, nog wel schalks en gevat, maar rustiger en waardiger dan in de zomer van het jaar tevoren. Ik vond haar minder prikkelend, maar dat kan wel aan mijn ingetogenheid hebben gelegen. We stoeiden niet meer, zij trok niet meer aan mijn haar, we praatten over ‘mooie dingen’ en over de oorlog. In mijn kring was men anti-Engels vanwege de Boerenoorlog en daardoor gematigd pro-Duits, terwijl de familie Petersen pro-Frans en fel anti-Duits was. We spraken over onze toekomstplannen.

Toen Odette in de zomervakantie vier weken kwam logeren, was ik geslaagd voor mijn mulo-diploma. Mijn broer was intussen als dienstplichtig soldaat onder de wapenen, zodat ik op de boerderij hard mee moest werken. Ut zag Odette regelmatig, maar telkens slechts kort. Bij het afscheid vertelde ze mij, waar grootvader bij was, dat ik op haar lijstje van zes aardigste aanbidders stond...

Het afscheid was niet voor lang. In september vertrok ik met grootvader Petersen en de ouderlijke zegenbeden naar Amsterdam. Met financiële steun van grootvader Petersen kwam ik in huis bij een bevriend beeldhouwer, een gearriveerd kunstenaar, die ik lichte hand- en spandiensten zon verlenen bij gipsgieten en dergelijke werkjes in ruil voor een goedkoop kosthuis en een hoekje in zijn atelier. Grootvader Petersen introduceerde mij bij talloze kunstbroeders en bij de baas van de Academie, die een oude vriend van hem was. Ook het huis van de jonge familie Petersen stond voor mij open. Mijn weldoener bleef nog een paar weken in Amsterdam en toen hij vertrok begon ik mij al een beetje op mijn gemak te voelen in de overdonderende grote stad.

[p. 189]

Ik werkte als een paard. Iedereen was aardig voor mij. Ik was de jongste van mijn klas en blaakte van eerzucht en leergierigheid. De eerste maanden van mijn verblijf in Amsterdam was ik elke zondagavond te gast bij Odette thuis. Tot mijn spijt was ik zelden de enige gast. Het duurde niet lang of ik kwam 's middags al; dat bespaarde mij de Heidelbergse Catechismus. Daar moest ik dan altijd aan denken, als men voor de maaltijd even stil was om de jonge gast gelegenheid te geven zijn gebedje te doen. Ik hield die gewoonte met mijn gastheren en gastvrouwen in stand tot de dag nadat ik Odette had verleid, dat was kort voor ik negentien jaar werd en mijn eerste prijzen won.

Als ik nu denk aan de vijf mede-caveliers van Odettes lijstje is het niet, om hen de schuld te geven, hoewel het zonder hun bestaan zeker langer geduurd zou hebben...

3

In het tweede jaar van mijn verblijf in Amsterdam groeide uit de losse vrienden, kennissen en aanbidders van Odette het Clubje van Nol. Odette was onze Muze. We kwamen wekelijks met ons zessen bij de familie Petersen, maakten muziek, debatteerden en maakten Odette in alle onschuld het hof. We gingen ook wel gezamenlijk naar concerten, toneelvoorstellingen en tentoonstellingen. Odette nodigde wel eens een vriendin uit, maar dat was zelden een succes, omdat andere meisjes volkomen door Odette overschaduwd werden. Zij bezat een bijzonder talent voor de rol: middelpunt van een groepje galante jongemannen te zijn, ieder afzonderlijk te animeren, het gevoel te geven, dat zijn aanwezigheid en aandacht op prijs werden gesteld, maar vooral zijn complimentjes en attenties, als die tenminste origineel waren. Zij prikkelde ons tot prestaties, als zangers, als briljante kletskousen, als debaters, als verzinners van grappen en pretjes, maar ook tot serieus werk.

Nol, Louis en Henri waren enige jaren ouder en levenswijzer dan

[p. 190]

ik; zij waren student en, evenals Peter en Frits, van rijke of gegoede ouders. Ze waren alle vijf enigszins of nogal fattig, geaffecteerd en jolig. Peter en Frits zaten hij mij op de Academie; ze waren beiden een jaar ouder dan ik. Peter wilde architect worden en Frits kunstschilder net als ik.

Frits was mijn speciale vriend. Zijn ouders waren ook kerks en in de eerste jaren voelden Frits en ik ons de evangelisten, die de andere leden van het clubje wilden bekeren. Odette en haar ouders onderhielden nog enige vage banden met de Vrijzinnige Waalse kerk. Maar vooral het oudste driemanschap van de club, Nol, Louis en Henri ‘leefden maar raak’, zoals Frits en ik dat noemden. In het begin van onze vriendschap deden deze vertegenwoordigers van ‘de wilde na-oorlogse jeugd’ nogal geheimzinnig over hun uitspattingen, maar op den duur maakten ze er voor ons geen geheim van, dat ze avontuurtjes hadden met meisjes, die de liefde nogal licht opvatten en ook wel feestjes hadden, waar het loszinnig toeging.

Nol en Odette waren de enige Amsterdammers. De rest van ons woonde in Amsterdam ver van huis en haard. We kwamen ook wel eens bij Nol thuis, met of zonder Odette. Nols vader was kunsthandelaar en stelde levendig belang in Frits en mij. Hij was niet zo rijk en machtig als Nol later, maar kon toch al heel wat werk aan. De vader van Nol was een verfijnde man, nog fattiger dan de jongelui.

Het waren jaren van stormachtige levensvreugde, wilde vervoering, van hongerig zoeken en ontdekken, maar ook van het ineenstorten van illusies en luchtkastelen. Ik kwam geleidelijk los van de obsessie, dat een alomtegenwoordige calvinistische God aldoor oplette, wat de jongeling Arjen uitvoerde. Toen ik voor het eerst op zondag, de Dag des Heren en der Verveling, een concert bijwoonde, voelde ik mij na afloop onbehaaglijk. Een paar jaar later moest ik lachen, als ik de Ouverture Egmond of een ander muziekstuk hoorde, dat mij aan dat eerste zondagsconcert en mijn gevoelens van toen herinnerde. Om mijn ouders niet te kwetsen liet ik hen onkundig van mijn veranderde inzichten. Ik leefde ordentelijk, werkte hard en de berichten die zij over mij ontvingen waren gunstig.

[p. 191]

Begonnen als zendeling, die boetepreken hield tegen Nol en de zijnen, eindigde ik met zelf Multatuli te lezen en te waarderen. De zendeling aanbad de afgoden, die hij wilde vernietigen. Met Frits ging dat evenzo. Hij was de mooie jongen van het gezelschap en een tamelijk geëxalteerd type. Als dominee zou hij veel succes gehad hebben, vooral bij smachtende meisjes en vrouwen. We noemden hem wel ons schoothondje, omdat hij zo meisjesachtig lief was. Met hem deed Odette wel eens wat aanhaliger dan met ons. Op den duur begon zij met ons allemaal wat aanhalig te worden, maar dit bleef altijd ‘binnen de grenzen der onschuld’. Wij spraken nooit met haar over dit onderwerp, behalve dan in zeer algemene termen. Er was een stilzwijgende verstandhouding. In het begin was er nog wel enig ouderlijk toezicht, maar Odettes vader en moeder, die weinig honkvast waren, begrepen spoedig, dat wij gezamenlijk over de zedelijkheid waakten.

Voor een vriendelijk gezind buitenstaander was deze vriendschap van zes jongens en een meisje een lief sprookje, van een onschuld waar alle ouders van dromen. De werkelijkheid was minder stichtelijk, de werkelijkheid van de keerzijde der medalje. Vooral het oudste drietal hing de oude Franse moraal aan, dat meisjes bewaard moeten worden om mee te trouwen; als een jongeman seksuele behoeften heeft, dan zijn daar vrouwen voor waarbij men terecht kan. Die vrouwen waren dan in dit geval halve lichtekooien, studentenliefjes uit het randgebied van de prostitutie, want voor gewone hoeren waren de heren te fijn gebouwd.

Zelfs grootvader Petersen wist mijn verontwaardiging over deze dubbele moraal slechts te beantwoorden met een glimlachend schouderophalen en de bestraffing: wie zonder zonde is werpe de eerste steen. Vervolgens lachte hij bulderend toen hij uit een opmerking van mij begreep, dat naar mijn mening een respectabel meisje geen seksuele begeerte behoort te bezitten. Volgens hem sierde het zowel een meisje als een jongeman als men zelfbeheersing toonde, maar als je niets bezat kon je ook niets beheersen en zou een ‘respectabel meisje’ alleen maar een pop met zaagsel zijn. Hij vond dat clubje van ons prachtig en raadde mij, toen ik hem aan mijn verliefdheid herinnerde en hem mijn onvoldaanheid bekende, deze zelfbeheersing nog maar wat vol te houden. ‘En

[p. 192]

als je een onervaren meisje vilt veroveren, beste jongen, vergeet clan nooit één ogenblik, dat tact en zachtheid de sleutels tot haar hart zijn...’

Goede grootvader Petersen overschatte mij. Hij hield geen rekening met de mogelijkheid, dat deze wijsheid door een zwakkeling als ik misbruikt zou kunnen worden. Ik was verontwaardigd over het gedrag van Nol, Louis en Henri, die met dezelfde lippen waarmee zij lichtekooien kusten broederlijke zoentjes op Odettes wangen en voorhoofd drukten, die met dezelfde monden waarmee ze galante complimentjes over Odettes toilet, kapsel of eerste toneelrolletjes zeiden, meisjes van laag allooi aanhitsten tot geile kunsten... maar zelf was ik evenmin brandschoon. De afleidingskunstjes van grootvader Petersen hielpen wel iets, maar waren niet afdoende. Ik keek meer naar aantrekkelijke meisjes dan goed was voor mijn gemoedsrust en fantaseerde heel wat af als ik in bed lag. Op een keer Het ik mij meetronen naar een atelierfeest, dat ik na enkele uren blazend van verontwaardiging weer verliet, maar ik had intussen ijverig stof opgedaan voor weken wellustige fantasieën. De druiven waren te zuur. Ik was alleen maar een bange, schutterige jongen van achttien jaar, die niet wist waar Abram de mosterd haalde.

De dienstbode van mijn gastheer verloste mij tenslotte van deze schutterigheid. Ans was de kinderloze weduwe van een in de wereldoorlog omgekomen zeeman. Zij was ongeveer dertig jaar, niet mooi maar zeker ook niet lelijk, maar voor mij nauwelijks aantrekkelijk. Ans had een goed gevormd lichaam en poseerde wel eens voor de meester. Ik kon goed met haar overweg en zat graag bij haar in de keuken te praten, waar ik mij meer thuis voelde dan in de overladen salon, en zij moederde over mij. Ans was lang niet dom. Zij had meer hersens dan haar mevrouw, die keukenmeidenromans met een vaag christelijk tintje schreef, en voor Kunstenares speelde. Dit laatste dank zij machtige relaties met redacteuren van kranten, die haar produkten vriendelijk beoordeelden en haar portret in de krant zetten toen zij vijftig was geworden. Toen Ans en ik wat vertrouwelijk werden bekende ze mij, dat die romans haar aan het lachen maakten. Ans was een vurig socialiste, die vergaderingen bezocht en actief propaganda

[p. 193]

maakte. Zij was zo verstandig en eerlijk, dat ze mij ook bekend heeft dat die vurigheid en die propaganda voor een belangrijk deel vervanging van de man waren...

Ik leerde heel wat van Ans. We lazen een tijdlang dezelfde boeken. Zij waardeerde en critiseerde mijn werk, waar ze overigens weinig kijk op had. Voor de meester, een Rodin-epigoon, had zij diep respect. Hij was een beste man, die mij met rust liet. Die hand- en spandiensten bestonden in hoofdzaak in onze verbeelding: hij wilde van grootvader Petersen geen kostgeld voor mij aannemen. Ik vertelde Ans geleidelijk al mijn zielsgeheimen, behalve dat ik haar wel eens in mijn wulpse fantasieën betrok, maar dat beschouwde ik als een bijkomstigheid. Zij waardeerde het, dat ik niet ‘groos’ werd door mijn succesjes en mijn omgang met de deftige heertjes van het Clubje van Nol. Met haar kon ik naar hartelust theoretiseren over de dubbele moraal, die zij verachtte als typisch kapitalistisch. We leefden aan het begin van de roerige twintiger jaren. Ans was voorstandster van kameraadschap in de liefde; het stadhuis kwam in de tweede plaats. Als een jongen en een meisje, een man en een vrouw samen behoefte hadden aan hetzelfde, waarom zou een mens dan armoe lijden, als het niet ten koste van anderen ging? Er was jandorie al armoe genoeg op de wereld! Zelfbeheersing? Prachtig, als die diende om de maatschappij vooruit te helpen; in een goede samenleving kon niet iedereen doen waar ie zin in had, dat spreekt. Maar wat had dat in vredesnaam met ons onderwerp te maken? Je moest een ander niet astig vallen, of een goed huwelijk kapot maken, maar zij had dan ook gezegd: als een jongen en een meisje, een man en een vrouw samen behoefte hebben aan hetzelfde... enzovoort.

Zij was wel een revolutionaire, maar in dit geval bewees ze, dat ze ook heel geduldig aan de evolutie van iets kon meewerken. Bij volgende gesprekken verwarde ik mij hoe langer hoe meer in mijn eigen gezwets, en moest het hoge woord er wel uitkomen, dat ik zelf gloeide van verlangen om man te worden. Ans had Odette wel eens met ons samen gezien. Een enkele keer was Odette wel eens bij mij wezen kijken. Ans begreep best, dat ik verliefd was en Odette begeerde. Toen ik haar dat nadrukkelijk vroeg verklaarde zij, dat het voor een poosje wel aardig was, zo'n groepje,

[p. 194]

maar dat het in de aard van de beestjes lag, dat wij met ons zessen zouden vechten om dat ene meisje, dat zich koningin voelde.

Zij was notabene bijna negentien jaar! Ze moest toch. begrijpen, dat ze niet aan de gang kon blijven met ons op te warmen en net te doen of ze van de prins geen kwaad wist... Ik haastte mij te verklaren, dat het er eigenlijk maar drie waren, Nol, Louis en ik, maar dat wij drieën inderdaad gek op dat meisje waren. De andere vonden haar lief, maar droomden er niet zo van om haar te bezitten. Dit waren wij de laatste tijd door bedekte opmerkingen en toespelingen van elkaar te weten gekomen.

Wat moest ik doen? Ans raadde mij verontwaardigd af, Odette de waarheid te zeggen over Nol en Louis, zoals ik in gedachten al tien keer had gedaan. Dat was laf, onkameraadschappelijk en nog dom ook. Want wat dat meisje, misschien zonder het zelf te beseffen zocht, dat was een vent. Afgezien van het verachtelijke van die ouderwetse kapitalistische moraal, waren Nol en Louis heel wat meer vent dan ik. Misschien zou die Odette het nog prachtig vinden ook, dat die twee durfden wat ik niet durfde...

Niet durfde? Zij lachte mij vierkant uit en spotte met wat zij mijn opgeblazen verontwaardiging noemde. Daar wrong de schoen en nergens anders, ik durfde niet, ik bang was van vrouwen... Toen won haar medelijden het van haar vrolijkheid, dacht ik, of was het alleen haar geslepenheid? Hoe dan ook, ze zei, dat het toch zo eenvoudig was, om over die angst heen te komen. Plotseling bloosde ze en zei: ‘Ik zou je er binnen 't half uur voor altijd vanaf kunnen helpen.’

Ze keek mij recht in mijn gezicht met haar lichtblauwe ogen. We zaten ieder aan een kant van de keukentafel. Ik bloosde, knipperde met mijn ogen en stamelde, dat ik dat helemaal niet wilde, dat ze niet boos moest zijn, dat ik haar een bovenste beste vond, maar dat ze mij helemaal niet op die manier aantrok.

Zij zat met haar ellebogen op het tafelblad, haar gezicht beschenen door het felle electrische peertje dat schuin in de muur tussen ons in stak. Ik verbeeldde mij, dat ze naar me staarde zoals een slang naar een bang vogeltje. Het zweet brak mij uit.

‘Wedden?’ zei ze met een dwingende glimlach. ‘Wat kan je ge-

[p. 195]

beuren? Ik bied je iets aan, waar je me je hele leven dankbaar voor zult zijn als je geen huichelaar bent.’

Ik droeg nieuwe bezwaren aan, sprong op en begon te ijsberen. Ze zou het me zo gemakkelijk mogelijk maken, zei Ans. Ik hoefde alleen maar stomweg in mijn bed te gaan liggen, als ik erg dapper was liefst met niets aan. Het licht uit en mijn ogen dicht. Dan zou ze bij me in bed komen en niks bijzonders doen, alleen maar als een braaf meisje wat tegen me aan liggen, me een beetje aaien misschien en als ik binnen het half uur niet een ander mens was, zou ze weer stil weggaan, me niets verwijten, me niet plagen. Nou? Ik haalde mijn schouders op en zocht wanhopig naar nieuwe argumenten.

‘Schiet op,’ zei Ans, ‘en ga je eerst wassen, want je stinkt van angst. En morgen stink je van verwaandheid, let op mijn woorden!’ Ik durfde haar niet aan te kijken. Zij bleef op een veilige afstand van mij. Suf gepraat en trillend van angstige opwinding liep ik de trap op. Om tijd te winnen ging ik eerst uitvoerig in bad. Zo'n wijf! dacht ik. De heer en vrouw des huizes waren uitgerekend een dag of wat uit logeren. Ik kon wel kotsen als ik er aan dacht wat Ans met mij wilde. Was zij helemaal gek geworden? Deed ze daarom soms zo lievig en streek wel eens over mijn haar? Straks kreeg zij een kind van mij en wat dan? Ik loerde wel eens naar haar, als zij blazend van de warmte over de wastobbe gebogen stond en haar bloes flink kierde, maar dit! Zou ik werkelijk in opwinding raken? Nu voelde ik alleen walging. Waarom nam ik niet de benen? Waarheen? Iedereen zou me uitlachen. Ik voelde me ineens verschrikkelijk eenzaam, toen ik eindelijk bevend in het warme had stapte. God, help mij! God help mij? God was wel wijzer, als er een God was. Mijn verdiende loon. Alle engelen sloegen zich op hun knieën van het lachen, als er engelen waren. Die Arjen, wat een mop! Als ie alleen in bed ligt, is ie zo dapper en woest! Scheurt meisjeshemden en broeken van onwillige maar zeer opwindende lijven en gaat te keer als een stier. Kijk nou eens. Hij zit bloot in bad en kijkt angstig naar de deur omdat ie voetstappen hoort. Hij zucht opgelucht omdat de deur op slot is. Want stel je voor dat ze je naakt zag, wat een angst! Zelf vindt hij het gewoon om naakte mensen te tekenen, als hij maar niet zo voor de klas hoeft te staan.

[p. 196]

Wat is dat? Een briefje onder de deur... Ik stapte druipend uit het bad en griste het van de grond. Liet ze het afweten? Waren mijn gebeden verboord? ‘Schiet op. Doe er talkpoeder op.’ Ik vloekte. Leuk bitter gevoel in je mond, vloeken. Schiet op, doe er talkpoeder op. Anders nog iets van je dienst?

Een kwartier later lag ik rillend onder de dekens. Het was een frisse mei-avond. De klok sloeg tien uur. In de verte begon het carillon te spelen. Wie gaat mee gaat mee over zee, boe je roer recht. Tien uur. Zou ik om half elf een man zijn? Waar bleef die meid nou? God, laat haar niet komen! De deur ging eindelijk open. Ans schuifelde voorzichtig op de tast naar mijn bed. Ik boorde haar nachtpon ritselen en over haar hoofd gaan. Gelukkig was het een frisse meid, troostte ik mezelf, ze had zelfs ideeën over hygiëne en zo. Toen zij de dekens opsloeg en zwijgend naast mij schoof, kroop ik zover mogelijk opzij in het smalle bed, half met mijn rug naar haar toe.

Haar handen gleden strelend over mijn schouders en trokken mij met zachte drang terug, zodat ik plat op mijn rug lag. Ik voelde mij helemaal leeg en gevoelloos. Zij ging op haar zij naast mij liggen, bijna zonder met haar lichaam het mijne te raken. Haar handen streelden heel zacht en vriendelijk mijn hals en borst. Voorzichtig drukte zij haar warme lichaam tegen mijn flank. Ik voel niks, dacht ik triomfantelijk. Tot heden gebeurde er niets weerzinwekkends ook. Ik werd wat rustiger en grinnikte een beetje, toen haar vingers mijn tepeltjes streelden, waarvan ik mij altijd had afgevraagd wat een man daar eigenlijk mee aan moet. Dit strelen bleek een prettig gevoel te zijn, vooral toen zij dit combineerde met het liefkozen van mijn hals met haar lippen. Er ging een aangenaam loom gevoel door mij heen. Haar handen gleden terug naar mijn schouders en pakten mij wat steviger beet. Nu streelde zij mijn bovenlichaam met het hare. Ik voelde haar zachte borsten over mijn harde borst gaan, zacht, strelend, zacht, zacht. Zij was helemaal zacht, haar buik, haar schoot, haar benen die over de mijne aaiden, vaneen weken en mijn benen tussen zich in namen. Haar hele lijf, zacht, beweeglijk, liefkoosde en drukte het mijne.

Maar dit was om gek te worden! Was ik dat, die zo hijgde? Zij

[p. 197]

drukte haar tanden luchtig in mijn schouder en nek. Haar mond klom zoenend door mijn hals naar mijn mond. Toen ik haar tong als een warm dier in mijn open mond voelde bewegen, ging er een schok van opwinding door mij been. Ik voelde dat mijn werkeloze handen over haar rug en billen gleden, dat mijn armen haar beweeglijke, wonderlijk zachte en toch stevige lichaam omknelden. Mijn hart hamerde in mijn borst of het zon springen en mijn lichaam en benen kronkelden en trilden van opwinding en genot. Ik voelde dat ik probeerde haar lichaam om te draaien en onder het mijne te krijgen. Ans lachte met een vreemde lach en hield mij nog minuten lang met inspanning van alle krachten gevangen, terwijl mijn opwinding door deze worsteling naar hoogten steeg, die ik in eenzaamheid nooit had bereikt.

Eindelijk gaf zij toe en draaide, met haar armen stevig om mij heen, op haar rug. Wat nu? Maar voor ik tijd had om mij belachelijk te voelen, trok zij haar knieën nog verder omhoog en naar buiten en leidde mij met zachte hand binnen, een handeling, die ik met een schreeuw van opwinding beantwoordde. Een woeste drift deed mij hijgen en steunen als een bezetene. Een ondragelijk en tegelijk ongekend zoet gevoel van opwinding en spanning zweepte mij op tot brute kracht. Ans liet zich ook niet onbetuigd, zoog mijn tong in haar mond, wrong haar borsten tegen mijn borst en deed met haar handen al het mogelijke om mijn dolle drift nog groter te maken. Toen ik voelde dat het hoogste hoogtepunt naderde wilde ik, plotseling het verbaal van mijn broer indachtig, terugtrekken, maar zij sloeg haar benen om mijn lichaam en stamelde: ‘Hoeft niet. Doorgaan...,’ de rest van haar woorden ging over in gesteun. Uitzinnig van opwinding drukte ik mijn tanden in haar schouder, omknelde haar lendenen alsof ik haar wilde vernietigen. Toen kwam eindelijk de verlossing uit deze razernij.

Wat overbleef was een blijde verbazing, een gevoel van ongekende voldoening en trots.

‘Schat,’ fluisterde zij, toen we op ons zij gingen liggen. Ze streelde mijn haar en trok mijn gezicht tegen haar hals.

‘Krijg je... krijg je nu geen kind?’ vroeg ik.

‘Nee, nu niet. Laat dat maar aan mij over. Hoe voel je je nu?’

[p. 198]

‘Heerlijk. Dank je wel. Ik ben er helemaal ondersteboven van. Het is niet onder woorden te brengen.’

‘Goed. Luister!’

De klok beneden sloeg half elf. Het carillon speelde het halfuursdeuntje. Ik kroop zuchtend nog dichter tegen haar aan en sliep weldra als een kind.

Odette was bij mij. Ik lag thuis in bed, in mijn zolderkamertje. Er was niemand thuis, alleen wij tweeën. Het was zomers warm. Odette kroop naakt tegen mij aan. Haar mond zoog op mijn tepeltjes en haar handen liefkoosden heel zacht mijn schoot, speelden daar met mij, wilder en wilder, ontzettend opwindend. Haar zachte blanke lijf drukte liefkozend op het mijne, haar zijïg zachte benen wreven over de mijne, gleden open. Haar mond... Maar dit was geen droom! Toch, toch! Ik hield mijn ogen stijf dicht terwijl ik hijgde van opwinding. Toch! Dit waren Odettes handen die mijn billen omhoog drukten. Dit was haar schoot die verlossing zocht van lang opgekropte verlangens bij mijn schoot. Dit waren haar borsten die ik in mijn handen nam en onstuimig streelde; dit was haar bovenlichaam, dat zich een eindje oprichtte om mijn bezige handen vrij spel te laten. Heel geleidelijk steeg onze vervoering naar een hoogtepunt, steeg nog meer, werd nog stormachtiger. O, laat dit nog duren, o...!

Toen zij van mij afgleed en met haar hoofd op mijn borst lag na te hijgen, fluisterde Ans: ‘O schat, o lieve jongen, wat doet dat een mens goed hè?’

‘Ja. Ik wist niet dat het zo was. Ik wist niet dat het zo kon zijn.’

‘Ik ook niet, toen ik achttien was.’

‘Wanneer wist je het dan wel?’

Ik hoorde en voelde haar zachtjes lachen. ‘Toen ik achttien was, bijna negentien, net als jij.’

We streelden elkaars gezicht, hals en rug.

‘Had je er toert ook zo naar verlangd?’

‘Niet zo als nu, want ik wist niet wat het was...’

‘Hoe laat zou het zijn? Daar straks sloeg de klok één keer.’,

‘Half vier. Ik werd even voor drieën wakker.’

‘Gelukkig. Wat ga je doen?’

‘Mijn eigen bed opzoeken.’

[p. 199]

Ik greep haar stevig vast en zei: ‘Ga niet weg.’

‘Het is verstandiger dat ik nu ga. Eerst wil je niet dat ik kom en nu wil je niet dat ik ga. Morgen is er weer een dag.’

‘Echt?’ Ik vocht tegen mijn slaap.

‘Ja, heus.’

‘Goed.’

Ik liet haar los. Zij zoende mijn mond. Ik kuste haar terug en wenste haar welterusten. Nog even dacht ik na over het geval van mijn broer, die, nog voor hij twintig was, moest trouwen ‘uit zedelijke plicht’. Dat hield in, dat hij voor de kerkeraad zijn zonde tegen het gebod: gij zult niet echtbreken, biechtte en berouw toonde. Daarna werd hij dan kerkelijk in de echt verbonden. Toen ik hem onder vier ogen vroeg, boe dat nu allemaal zo gekomen was legde hij mij uit, dat hij altijd ‘voor het zingen de kerk uitging’, maar ja, als 't erg prettig ging vergat je dat wel eens. De vrouw van achttien, waarmee hij trouwde, was overigens niet het meisje waarmee ik hem in onze schuur had gezien. Drie maanden na de trouwdag was ik oom... Toch eens nauwkeurig bij Ans naar vragen, dacht ik, voor ik insliep.

De volgende morgen kwam ik te laat op de Academie. Ans bracht mijn ontbijt op bed. Ik wilde wel meteen weer beginnen, maar zij vluchtte lachend weg. Haar voorspelling was maar al te waar. Ik voelde mij zo trots als een groot veldheer die zegevierend van het slagveld komt. Ik zag Ans nu met geheel andere ogen. Mezelf ook trouwens. Met deze handen had ik echt vrouwenborsten gestreeld, niet voor de duizendste keer in gedachten, maar echt, echt! En deze benen... Ik was dronken van vreugde. Om twaalf uur fietste ik als een bezetene naar huis, zag Nol in de verte lopen en kwam daardoor op het galante denkbeeld, bloemen voor Ans te kopen van mijn laatste zakgeld. Ik wilde met die bloemen de keuken binnen stormen, maar op het laatste ogenblik drong het geluid van stemmen tot mij door. Daarom zocht ik een vaas en zette de bloemen bij haar bed. In de keuken zaten twee huisschilders hun brood te eten. Ze krasten wel spoedig op, maar liepen in en uit.

‘Ik heb een verrassing op je kamertje gezet,’ zei ik tegen Ans, die mijn woede over de huisschilders met plaagzieke blikken beantwoordde. Ik speelde met de gedachte, dat we best samen even

[p. 200]

naar die verrassing konden gaan kijken, maar Ans sneed mij de pas af door mij aan het eten te zetten en onopvallend naar boven te sluipen. Toen zij weer te voorschijn kwam leek haar anders wat harde gezicht tien jaar jonger geworden. Zij bloosde een beetje en haar ogen straalden.

‘Je bent een lieve jongen,’ zei ze en bleef in de deuropening staan.

‘In gedachten zoen ik je.’

Ik stak smekend mijn handen naar haar uit, maar zij schudde glimlachend haar hoofd. ‘Vanavond,’ zei ze, ‘je komt maar zo gauw mogelijk naar huis.’

De wekelijkse avond bij Odette! Als ik eens niet ging? Maar bij het avondeten wilde Ans daar niets van weten, zoals ze ook mijn handen ontvluchtte met het argument: ‘Bij mij is het alles of niets. Ik hou niet van half of haastig werk.’

Wat haar niet verhinderde om bij de afscheidszoen haar lichaam tegen het mijne te drukken. ‘Kijk nou eens,’ zei ik klagend, ‘zo kan. ik daar toch niet aankomen?’

‘Als je 't uit je gedachten zet is dat wel over eer je daar bent,’ zei Ans luid lachend.

‘Hoe flik je hem dat... uitje gedachten zetten?’

Ze duwde mij lachend de deur uit.

Odette keek mij enige malen opmerkzaam aan die avond. Zij was mooier en guitiger dan ooit. ‘Du bist wie eine Blume’. Die regel zong ik van harte en keek hongerig naar haar mooie blanke hals en het rijzen en dalen van haar maagdelijke borst. Zij bezat alles wat Ans had, bijna even volwassen, maar mooier. Juist die avond haalde ze het in haar hoofd een dans voor ons te doen (zij kreeg ook balletlessen) in een costuumpje, dat niet al te veel te raden overliet. Henri begeleidde de dans op de piano, uit zijn hoofd, om niets te missen, met fouten. Ik verbaasde iedereen met mijn gevatheid en verzon een uitvlucht om het eerst te vertrekken. Er brandde licht in de keuken, toen ik thuiskwam, maar Ans was nergens te zien. Op de keukentafel lag een briefje, waarop met grote letters stond: ‘Arjen! Nu zit ik in bad.’ Er lag een stompje potlood bij. Toen ik het pakte en het briefje omdraaide, las ik op de achterkant: ‘Ja, ik schiet op. Ga maar gauw onder de wol.’

Ik deed het licht in de keuken uit en stormde lachend de trap op.

[p. 201]

Ineens zag ik mezelf daar de vorige avond lopen. Er kwam een dik gevoel in mijn keel, terwijl ik me tegelijk zo licht als een' veertje voelde. Wat een prachtmeid!

Ik liep zingend en kwajongensachtig stampend de badkamer voorbij. Toen ik in bed lag Het ik het licht aan en hield mijn handen boven de dekens. Behalve een licht en blij, had ik ook een plechtig gevoel. De belevenissen van de vorige avond en nacht waren niet toe te schrijven aan een roes die men later betreurt, niet aan zwakheid, maar aan moed, niet aan vluchtige nieuwsgierigheid, maar aan kameraadschap die in de nood geboren was.

Ans sloop niet binnen als een schuwe zondares, die zich gaat overgeven aan doemwaardig dierlijk genot, neen, zij schreed waardig en tegelijk opgewekt binnen, slechts gekleed in haar mooiste hemd met kantjes, een hemd dat losjes om haar lichaam en dijen hing en van voren omhoog werd getild door haar trotse borsten. Haar blonde haar, dat ik altijd in een piekerige knoedel had gezien, stroomde dof glanzend over haar halfblote schouders. Onze verstandhouding was onbegrijpelijk goed. We hadden beiden tientallen dingen kunnen doen, die de sfeer hadden kunnen bederven, maar zonder woorden gebeurde er precies wat nodig was voor de juiste stemming.

Zij kwam langzaam naderbij, haar gezicht was ernstig, verlangend, haar half open lippen en haar ferme, stappende benen spraken van nauwelijks te bedwingen hartstocht. Ik keek met open mond, zonder schaamte voor het verlangen dat uit mijn ogen straalde. We spraken geen woord. Ik stak mijn handen uit en streelde haar benen terwijl zij naast mij stond. Zij geurde naar frisse zeep. Ik richtte mij een eindje op en keek met welgevallen langs haar stevige dijbenen omhoog, terwijl mijn handen liefkozingen uitvoerden waar ik al jaren van had gedroomd. Dit was een van de gelukkigste en opwindendste ogenblikken van mijn leven.

Toen schopten mijn voeten de dekens weg. Ik voelde haar blikken liefkozend over mijn naakte lichaam gaan. Haar handen grepen mijn hoofd. Zij knielde boven mijn gezicht neer en zei zacht: ‘Dit hoort er ook bij, dit is heel goed,’ en fluisterde aanwijzingen en aanmoedigingen. Daarna gingen haar handen en gezicht over mijn brandende lichaam, lager en lager. Ik leerde liefkozingen

[p. 202]

kennen, waar ik nooit van gedroomd had, zo opwindend, dat ik luid schreeuwde. Ik leerde, dat het hele lichaam waard is om gezoend en gestreeld te worden, dat het liefdesspel rijkdommen en mogelijkheden heeft, die men langs wegbermen en halfdonkere schuren nimmer ziet, schakeringen waar het merendeel der mensheid wellicht nooit in werkelijkheid toe komt.

‘Hoe moet dit nu verder?’ vroeg ik, toen we na de eerste keer lagen uit te rusten.

Ans lag met wijd open ogen naar het plafond te staren. Zij glimlachte en zei: ‘Net zo eenvoudig als het begonnen is. Ten eerste venvacht ik op z'n laatst morgenavond m'n maandelijkse één mei, snap je?’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Wat ben je toch een heerlijke kleuter,’ zei ze en begon geduldig mijn fragmentarische kennis van deze dingen aan te vullen. In één adem kreeg ik een lezing over de idealen en praktische middelen van de Neo-Malthusiaanse Bond. ‘Zo'n beste schooljuffrouw heb ik nog nooit gehad,’ zei ik.

‘Schooljuffrouwen hebben ook zelden zulke vlugge leerlingen. Ik ben tevreden over kleine Arrie,’ zei ze en streelde over mijn borst en heup. ‘Maar we zijn van het onderwerp afgedwaald. Je vroeg hoe dit nu verder moest... Heel eenvoudig. Ik ga over zes weken trouwen.’

Ik richtte mij met een ruk op en staarde haar verbaasd aan.

‘Vind je dat zo gek? Je hebt hem wel eens gezien. Hij is tegen de veertig, een beetje tenger, tamelijk donker haar, al wat dun op zijn kruin. Weduwnaar met twee jonge kinderen. Fijne kerel.’ ‘Die propaganda-man van de vakbond, die arbeiders ophitst? O die!’ Ik had hem wel eens in de keuken getroffen. ‘Ben je daar verliefd op!?’

Ans lachte moederlijk-lief om mijn verbazing. Dat stond haar goed. Het gaf haar gezicht met de te lange bovenlip plotseling iets voornaam-liefs dat ik, maar dan veel sterker, alleen nog maar bij de oude mevrouw Petersen had gezien. Je had ook gezichten die banaal-lief, of begerig-lief konden kijken, of bedillerig-lief.

Ik had mijn hoofd weer op het kussen laten vallen. Nu tilde Ans het hare op en keek op mij neer.

‘Wat heb je?’ vroeg zij zacht. ‘Je keek ineens zo vreemd.’

[p. 203]

Ik sloot mijn ogen en schudde het hoofd.

‘Ik dacht aan iemand die dood is en waar ik erg veel van heb gehouden,’ zei ik na een lange stilte. ‘De grootmoeder van Odette. Ze was duizend keer beter, duizend keer liever, flinker, mooier, vrolijker, dapperder dan mijn eigen moeder is. Toen ze zestig was, zat ze nog op grootvaders knieën en deed verliefd als een meisje, helemaal zonder aanstellerij, ze was helemaal zonder aanstellerij. Ze was heel tenger en ze had van die ogen. die altijd mooi blijven, al wordt iemand honderd. En ze trouwden al heel jong, die twee, toen ze amper twintig waren.’

Ans was weer gaan liggen en streelde over mijn voorhoofd en haar. Toen ik nog wat meer verteld had en zweeg, zei ze: ‘Jij hebt ook niet wat je noemt een gelukkige jeugd gehad hè? Ik ook niet. Een mens kiest helaas niet z'n eigen ouders. Zeg, we zijn helemaal afgedwaald.’

Ik mompelde een verontschuldiging.

‘Geeft niet. Je bent een lieve jongen. Je kunt heel lief zijn. Maar als je te keer gaat als een echt mannetje, ben je ook erg lief. En opwindend. In elke man zit dat, als ie een béétje man is: de lieve jongen en de wilde man. Je vroeg of ik verliefd was op Maarten. Hij heet Maarten. Maar begrijp je dan niet, dat als je goed met elkaar kunt opschieten, de rest vanzelf komt?’

Ik lachte en zei: ‘Welja, je gaat gewoon bloot in bed liggen samen. Au!’ Ze kietelde mij plotseling hardhandig en zei: ‘Ondeugende aap.’

Toen we weer rustig waren hield zij een optimistisch betoog over de ondergeschiktheid van het vrij-plezier. Als je, zoals wij, je honger een poos had opgespaard, was dat vrijen natuurlijk een verschrikkelijk belangrijk, overdonderend iets, maar als je honger eenmaal gestild was, werd de rest van het leven, zoals samen belangstellen in hetzelfde, goed met elkaar overweg kunnen en zo meer, belangrijker.

‘Het is een godswonder, dat jij en ik elkaar zo gevonden hebben, allebei hongerig. Maar later zul je me net zo dankbaar zijn dat ik weer vertrokken ben, als je me nu dankbaar bent dat ik in je bed geklommen ben. Ik snap, dat je hier even aan moet wennen. We zijn nu kameraadschappelijk verliefd op elkaar. We geven en

[p. 204]

nemen allebei. Ik geniet er net zo hard van als jij. Zulke bevliegingen duren niet lang. Het nieuwtje gaat er af. En morgen komen meneer en mevrouw thuis. Dan kunnen we niet meer 20 doen wat we willen als nu. Over een week of wat scheiden we als goeie kameraden. We hebben allebei iemand anders.’

Daar dacht ik lang over na. Ik stelde veel vertrouwen in haar inzicht en leiding. Zij was een vrouw zonder bedrog, vond ik. Ik vond haar ‘slecht’, maar in een aparte betekenis van het woord, opwindend slecht, hef slecht, goed slecht, zoals ik in mijn jongensfantasieën vond dat alle meisjes eigenlijk moesten zijn, terwijl ik zeker diep geschokt zou zijn geweest bij de ontdekking, dat ze werkelijk zo waren!

Volgens Ans sliep ik met een verheven glimlach in en werd na een. paar uur weer even verheven lachend wakker, toen haar handen en rnond voor een hemels ontwaken zorgden. Ik herinner me, dat we die nacht om drie uur door het huis spookten. We namen een bad en bakten eieren met ham, waarna ‘Mijn spelen is leren’ nog werd voortgezet met een paar nieuwigheden, die de vorige evenaarden.

Nog een paar weken leefde ik in de zevende hemel, wat niet wil zeggen, dat al onze geheime samenkomsten even feestelijk verliepen. Ik leerde ook teleurstellingen en mislukkingen kennen, bijvoorbeeld als liefkozingen die een vorige keer een ware binnenbrand veroorzaakten, nu zonder uitwerking bleven. Het kwam voor, dat Ans geen zin had maar mij toch mijn zin gaf en alleen maar spéélde dat ze opgewonden raakte, en ook het omgekeerde heb ik ervaren.

Na vier weken, toen Ans weer haar ‘één-mei-dagen’ aankondigde, verklaarde zij resoluut, dat nu de tijd gekomen was om echt verstandig te worden. Maar ik fleemde en flirtte net zo lang tot zij, net als toen we die dagen voor het eerst beleefden, 's avonds laat bij mijn bed kwam knielen, en mij met haar handen en mond liefkoosde tot ik tevreden was.

Daarna klaagde zij op een keer, dat ik zo veeleisend was, maar voegde er in één adem aan toe, dat haar gevoel helaas niet zo verstandig was als haar verstand... De laatste weken van het verblijf in haar diensthuis had zij omgang met haar bruidegom. Maar

[p. 205]

ze was zo gek op mij, dat het mij weinig moeite kostte om haar in mijn bed te krijgen.

‘Je moet voor alles betalen in dit leven... Ik begin mijn huwelijk met leugen en bedrog, nog voor het begonnen is. Pronk niet zo met dat lijf van je, verdomme! Je weet, dat ik daar niet tegen kan. Ansje is niet zo sterk als ze zich voordoet.’

Ze schreide hittere tranen en vroeg, of ik haar niet walgelijk slecht vond. Dat verplichtte mij, haar loszinnigheid voor te stellen als louter goeigheid want, niet waar, ik had net zo lang gezeurd tot ze mij weer ‘hielp’, ook na de beperkende dagen. Ze droogde haar tranen, zichtbaar opgeklaard door deze draai-aan-het-geval, dacht ingespannen na, en begon vervolgens nog hartverscheurender te huilen. Toen ze weer bedaard was zei ze: ‘Het was hef bedacht van je, en er zit wel iets in, maar 't is niet de volle waarheid, helaas...’

Ik keek haar niet aan, maar begon haar wild te liefkozen en vulde haar van zelfverwijt vertrokken pratende mond met zoenen.

Later moest ik haar beloven dat ik nooit zou denken, dat dit avontuur iets te maken had met de idealen van haar heilige Neo-Malthusiaanse Bond. En op een van de laatste avonden moest ik haar beloven, dat ik heel zacht voor Odette zou zijn, als ik haar kreeg. Mijn wildheid moest ik maar bewaren tot we dertig waren, dat was volgens Ans voor een vrouw de leeftijd dat ze zoiets aan kan.

Mevrouw was in die tijd weer aan een nieuwe roman begonnen en verbeeldde zich zo in hoger sferen te zijn, dat ze niets bespeurde. Meneer merkte trouwens ook niets, maar toen Ans vertrokken was en haar plaats had afgestaan aan een kuis molenpaard van veertig, zei hij wel: ‘Wat ben je stil... Ik vond je juist zo opgewekt de laatste tijd. En je werkte zo met plezier! Liefdesperikelen?’

Ik repte niet over Ans, maar vertelde hem, dat ik op Odette verliefd was, doch geen vorderingen maakte. In het clubje van Nol was ik de held van de dag, omdat Nols vader een paar dingen van mij had gekocht. Mijn eerste eigen verdiende geld! Ik voelde mij! Het was in die tijd, dat ik voor alle clubleden een portretje van Odette maakte.

De zomer was begonnen en we logeerden met ons allen een week-

[p. 206]

end in het buitenhuis van Nols vader, dat aan de plassen was gelegen. We zwommen er met Odette, we zeilden met Odette, we stookten een kampvuur ter ere van Odette, we zongen met Odette, probeerden allemaal een beetje te flirten met Odette, begeerden baar, maar niemand zette die begeerte in daden om. Het lukte niet, mij langer dan vijf minuten met haar af te zonderen. Zelfs het poseren bracht mij geen extra kansen, want als ik werkte kon ik niets doen, en zodra ik ophield met werken verdween zij weer. Toen ik haar dat week-end vijf minuten alleen bad, maakte ik een. duidelijke toespeling. Ik zei peinzend: ‘Hoe zou dat nu over tien jaar met ons zijn hè, als we oud en grijs beginnen te worden... zouden we met ons zevenen op een hofje gaan wonen? Of zou een van ons zessen voor die tijd met je trouwen?’

Zij lachte een beetje en zei: Misschien als ik twintig ben, dat ik dan een keus zal maken. Ik vind jullie allemaal aardig en voel me nog te jong om me al te binden. ‘Wat doe jij zwaar op de hand.’

‘Als het om de hand van een dame gaat, doen heren altijd zwaar op de hand. Dat verwacht het leven van ben,’ zei ik en maakte een plechtige buiging.

‘Ach, schiet op, flauwerd,’ zei Odette. ‘Het zijn er trouwens maar vijf meer.’ Zij wendde zich van mij af en begon luid de namen van mijn medeminnaars te roepen. ‘Waar zitten jullie?’

Het waren er maar vijf meer. Peter was afgevallen. Hij had ons juist verteld, dat hij een meisje had. Nols ouders hadden haar voor een volgend week-end uitgenodigd. Het was tegen Peter, dat ik na het korte gesprek met Odette mijn nood klaagde, niet bitter, maar luchtig spottend, zoals dat onder ons gewoonte was. Ik vroeg hem, wat hij mij als man van ervaring aanraadde. Hij lachte mij nauwelijks uit en zei: ‘In het begin was onze verhouding net zo vaag als die van jullie met Odette. Mijn Elly had ook meer dan een bewonderaar. Maar ik was de eerste, die haar durfde omhelzen.’

‘Maar als ze dat nu niet wil?’

Hij lachte met afwezige ogen. In de geest herleefde bij nog eens zijn verovering. Ik voelde een felle jaloezie.

‘Je moet natuurlijk een romantische sfeer scheppen,’ zei bij, toen ik hem aanstootte. ‘De eerste kusjes en lieve woordjes moeten vlinderlicht zijn. Als je die sfeer eenmaal hebt: niet meer kletsen

[p. 207]

maar doen! Zorgen dat ze helemaal duizelig wordt van zoete opwinding. Daarna is het afgelopen met de vage bewonderaars.’

Ik nam zijn goede raad gretig aan. Hij kwam kersvers van het slagveld. Ik had die Elly wel eens gezien in de pauze van een concert. Ze leek een beetje op Odette. Ze was net zo'n lieve lachebek, die ook zo kon kijken of ze vrijen minderwaardig vond.

‘Wacht niet te lang,’ zei Peter en klopte mij bemoedigend op mijn schouder.

Ik had hem bijna mijn plan verteld. Maar wij waren niet intiem met elkaar. Hij vertelde mij ook niet, wat hij precies met zijn meisje uitspookte.

4

Achteraf beschouwd was het een belachelijk plan. Het meest lachwekkende was wellicht de afloop. Ik ging als een sluipmoordenaar alle mogelijkheden na en wilde niets aan het toeval overlaten. De levensgewoonten van Odette en haar ouders had ik grondig nagegaan.

Toen ik die avond om half tien aanbelde wist ik niet alleen dat haar ouders ver weg waren en dat de dienstbode haar vrije avond had en niet voor elf uur thuiskwam, maar ik wist dat Odette ongeveer op dit ogenblik uit bad stapte en spoedig in bed zou gaan liggen lezen. Mijn enige zorg was voorlopig, dat zij op mijn bellen niet open zou doen. Maar toen ik drie keer gebeld had, won haar nieuwsgierigheid het pleit.

‘Idioot!’ riep zij plotseling uit het raam boven mijn hoofd.

Ik groette Odette zwierig en drukte mijn band op mijn hart. Dat was niets bijzonders, zo deden we altijd tegen baar. Vervolgens maakte ik geheimzinnige gebaren, die alles konden betekenen.

Na enkele minuten opende zij de voordeur op een kier en stak een boek, dat ik met opzet had laten liggen, met uitgestrekte arm naar mij toe.

[p. 208]

‘Hier, zemelpiet... Een dame te storen in haar boudoir! Nee, niet doen, toe, schiet op.’

Ik duwde de deur wat verder open, glipte naar binnen, zette mijn hoed, de trots van mijn achttien jaren, op haar losse, sierlijk geborstelde blonde haar, duwde de deur met mijn voet in het slot, knielde neer en kuste haar de hand.

Zij voelde, dat er achter dit stormachtige optreden iets meer zat dan alleen een voor ons normale vertoning van dwaze galanterie. Haar ogen keken een beetje kattig, toen ze zei:

‘Toe, Arjen, ga nu weg. Wat bezielt jou toch. de laatste tijd? Je doet zo bezitterig. Je weet toch wat ik je gezegd heb? Kom over een jaar nog maar eens horen.’

‘Zo staat het in de damesromans van mevrouw Hofland, ja,’ ik lachte minachtend en keek haar heel ernstig aan. ‘Ik maak me zorgen over je. Jij bent zó tegen jezelf! Jij bent bang, gewoon maar benepen bang van de liefde. Je weet dat ik al jaren van je hou. Waarom ben je toch zo bang van me?’

Odette ontweek mijn blik en zei ongeduldig: ‘Ach, je ziet ze vliegen. Jij leest te veel romannetjes, ik niet.’

Ze duwde tegen mijn schouder en zei: ‘Koest. Vort!’

‘Welja, ga jij maar fijn in je bedje eenzaam liggen dromen van sterke mannenarmen, Gè! Je weet niet eens wat het is waar je zo bang van bent. Hier.’ Ik sloeg mijn armen, om haar heen en drukte haar lichaam zacht tegen het mijne. Zij droeg onder haar rode peignoir een frêle kledingstuk, dat het midden hield tussen een degelijk nachtponnetje en een mondain nachthemd. Haar blote voeten staken in rode pantoffels. Ze zag er uit om te stelen. Ik moest mezelf met geweld in bedwang houden, toen ik bedacht, dat er onder dat dunne ponnetje verder niets zat dan haar zojuist gebaad lichaam.

‘Als je niet direct weggaat, dan... dan sla ik je midden in je gezicht!’ Haar donkere ogen vonkten verontwaardigd, maar ik hield mijn armen stevig om haar heen. Zij probeerde zich los te wringen en trok een pruilend gezicht. Mijn hoed stond nog steeds op haar achterhoofd.

‘Midden in mijn gezicht. Tjongejonge! Zou je niet met een klein klapje op mijn wang beginnen? Je bent nog zo onervaren moet je

[p. 209]

denken,’ zei ik op een toon of zij een meisje van vier jaar was. Zij keek hardnekkig opzij terwijl ik verder praatte.

‘Geef me een kwartier voor een paar kusjes. Als na een kwartier blijkt dat je het akelig vindt, dan ga ik weg en zal je niet meer lastig vallen. Erewoord. Dat is toch niet iets om zó bang van te zijn, een stuk of wat kusjes, echte mannenkusjes? Toe! Dan weet je tenminste waar je je tegen verzet. Nu weet je dat niet.’

Ik het haar plotseling los, pakte snel het boek uit haar hand en mijn hoed van haar hoofd en deponeerde deze voorwerpen op de kapstok.

‘Kom,’ zei ik, ‘dan stop ik je in je bedje... ik kniel eerbiedig neer en laat je een paar nachtkusjes proeven. Moet je daar nu zo angstig van kijken, schuw vogeltje?’ Ik legde mijn arm rond haar schouders en voerde haar door het halletje naar de trap. Tot mijn verbazing liep zij gewillig. Maar op de onderste tree bleef ze stokstijf staan en greep de leuning stevig vast.

‘Ik ben niet bang... Ik wil niet!’ piepte zij angstig. En daarna, wat rustiger, met een poging om haar bravour te hervinden: ‘Als ik behoefte heb aan een paar kusjes vraag ik die wel aan Frits, of aan Nol, die zijn veel liever.’

‘Dat is vals! En tegen Nol zeg je zeker: ik vraag ze wel aan Arjen...’

Ze keek me een kort ogenblik fel aan en zei: ‘Ik begrijp niet wat jou bezielt. Je bent zo... zelfverzekerd.’

‘Ik ben bezig een vent te worden. Precies waar jij heel, heel stilletjes van droomt, veilig onder de dekens. Niet van zachte jochies zoals Frits of Nol, maar van een vent!’ Mijn arm drukte wat steviger.

‘Wat... wat zou pappa wel zeggen als hij dit wist,’ zei ze haperend.

Ik had moeite om niet in lachen uit te barsten, want dit was precies een van die vragen die ik, toen ik mijn wilde plan uitbroedde, in mijn verbeelding uit haar mond had gehoord. Mijn antwoord had ik wel twintig keer overdacht en bijgeslepen.

‘Als hij dit kon zien en horen, zouden zijn ogen eert heel wazige uitdrukking krijgen en hij zou met tranen in zijn stem prevelen: precies je moeder en ik, vlak voor de eerste zoen... zij was toen

[p. 210]

ook een beetje bang en. koppig en praatte ook afwerend over verstandig zijn... maar later was zij blij.’

‘Hoe durf je!’ riep zij bard. Het kaatste door het trappenhuis, waar het al schemerig werd.

‘Precies wat je moeder ook riep,’ prevelde ik en bootste de stem van haar vader na.

Odette werd nu heel zenuwachtig. Er sprongen tranen in haar ogen vanwege haar koppigheid, zij lachte omdat zij gevoel voor humor had, zij was bang omdat zij zichzelf en mij niet vertrouwde, maar het meest opmerkelijke was, dat zij gehoorzaam de trap begon te bestijgen en mijn arm rond haar schouders liet zitten.

‘Dit is... dit is geen stijl!’ riep ze halverwege de trap met een verontwaardigde stem uit.

‘Precies wat je moeder ook riep,’ herhaalde ik.

Odette wreef met de rug van haar rechterhand de tranen uit haar ogen, maar stond niet stil.

‘Je bent een flauwe, nare jongen,’ zei ze.

‘Precies!’ galmde ik. ‘Precies, wat Eva tegen Adam zei, vlak voor de eerste zoen.’

We waren bij haar kamerdeur, die op een brede kier stond. Haar leeslampje brandde nog niet. Als ik 's avonds op en neer fietste langs haar buis, zag ik de weerschijn tegen de gordijnen.

‘Idioot,’ mopperde zij, ‘wie baalt nu zoiets in zijn dolle hoofd. Nee Arjen, ik meen het, doe nu niet zo flauw.’

‘Woorden, woorden, woorden!’ galmde ik en leidde haar de laatste stappen naar haar bed.

‘Ga je echt over een kwartier weg?’ Ze keek mij niet aan.

‘Over een kwartier, zodra je het bevel geeft. Op mijn erewoord.’

‘Zweer het.’

Ik stak mijn vingers in de lucht en zei: ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig.’

Het was schemerig in haar kamer. Zij keek een ogenblik naar mijn gezicht en zei: ‘Zo erg had ik 't niet bedoeld, malloot.’

Ik keek toe hoe zij de sprei opvouwde en het dek opensloeg. Mijn hart bonsde luid. Tot zover overtrof alles mijn stoutste verwachtingen. Ik wendde mij een ogenblik af, toen zij haar peignoir uittrok en over een stoel legde. Vanuit mijn oog-

[p. 211]

hoek zag ik haar in bed stappen en de dekens omhoog trekken. Door het half open raam kwamen de geluiden van de zomeravond. Odette strekte zich uit, sloot haar ogen en wachtte gelaten af. Ik pakte twee losse kussens van een stoel, legde ze voor haar bed, trok geruisloos mijn jasje uit en knielde neer. Mijn knieën knikten van opwinding. Zij lag onbeweeglijk als een dode op haar rug, met kaarsrechte benen onder de dunne zomerdekens. Het ontbrak er nog maar aan, dat zij haar handen op haar borst vouwde.

Ik boog mij over haar heen en streelde met mijn trillende vingertoppen haar gezicht en hals. Met mijn mond vlak boven de hare fluisterde ik verliefde woorden. Haar gezicht bleef onbewogen. Zij zag er toneelachtig uit, met het goudblonde haar bevallig op het witte kussen rond haar gezicht uitgespreid.

Haar lippen voelden koel en stijf aan, toen ik er met de mijne heel zacht langs streelde, heen en weer, heen en weer, tot mijn open lippen voorzichtig begonnen te woelen en te zuigen. Na een poosje zoog ik haar lippen tussen de mijne en streelde ze met de punt van mijn tong. Mijn vingers liefkoosden haar zachte hals, gleden over haar schouders tot halverwege haar armen, die koel en stijf langs haar lichaam onder de dekens lagen en ontmoetten de satijnen gaafheid van haar huid, waar de mouwtjes van het nachthemd ophielden.

De strijd was begonnen. Het was een fluwelen gevecht. Heel behoedzaam ging ik telkens een stukje verder. Haar lippen werden al gewilliger, toen haar eerste verzet kwam. Dat was toen mijn handen na veel omtrekkende bewegingen haar borsten beroerden, die stevig en zacht onder de dunne stof van het nachthemd sliepen. Haar nog nimmer geliefkoosde borsten.

Zij reageerde niet onmiddellijk en toen zij: ‘Nee, nee...,’ stamelde, duwde ik mijn mond diep in de bare en perste mijn lippen tegen haar tanden. Mijn vingers en handpalmen speelden zo lief en opwindend, dat Odettes protest overging in hijgende kreetjes. Dit was heerlijk. Ik zag vlak onder mijn ogen haar donkere ogen in het vage licht heel groot worden en daarna gleden haar oogleden weer dicht.

Heel geleidelijk begon zij te ontwaken. Haar armen en benen bewogen en haar lichaam werd heel zacht. Zij duwde instinctief

[p. 212]

haar borst tegen mijn strelende handen op. Ik waagde het, haar zacht hijgende mond te verlaten, haar hals te zoenen en het kleine stukje schouder. Mijn wang en mond namen het werk van mijn handen over. Ik had het wel uit willen schreeuwen: zie je nu wel!? Zij genoot zichtbaar en hoorbaar. Haar opwinding was groter dan de mijne!

Voorzichtig haalde ik eerst één hand weg. Het was een warme avond, zodat ik zonder opzien te baren mijn vest thuis had kunnen laten. Onder mijn gemakkelijk open te maken overhemd zat niets. Terwijl ik voortging met Odettes borsten te liefkozen trok ik op de tast mijn schoenen, sokken en broeken uit, zonder dat deze handelingen tot haar doordrongen. Mijn dolle plan was, dat ik even bloot als zij, met een op mijn borst losgeknoopt overhemd bij haar in bed zou komen.

Terwijl mijn rechterhand in de halsopening van haar nachthemd gleed en daar hartelijk welkom was, schoof mijn linkerhand langzaam langs haar zachte lichaam omlaag en streelde haar schoot, eerst over de koele, gladde stof en daarna eronder. Er was even heel vaag een flauw verzet, maar deze nieuwe verovering veroorzaakte zoveel opwinding, dat ik de dekens aan mijn kant kon los woelen en mijn been in haar bed steken, zonder dat het tot haar doordrong wat er gebeurde. Toen ik mijn mond in de hare drukte, verwelkomde ze mijn tong als een oude bekende. Het critiekste ogenblik was, toen ik naast haar lag en dit feit plotseling tot haar doordrong. Zij verstijfde een ogenblik van haar hoofd tot haar voeten, maar dit liggen tegen mijn warme, blote lichaam bleek een bijzonder prettig gevoel te zijn en mijn handen en mond deden al het mogelijke om haar opwinding te vergroten.

Daarna duurde het nog eindeloos lang, voor ik de gewenste houding had en het contact had gevonden. Alle mislukte pogingen ontgingen haar geheel en al. Het was een geheel nieuwe Odette, die gewillig haar lichaam optilde toen ik het nachthemd tot ver boven haar heupen omhoog schoof, een Odette die de Odette van een uur geleden, geheel onbekend was. Zij duwde wel met beide handen tegen mijn borst, toen zij pijn voelde waar eerst het grootste genot zetelde, maar ik Het mij even gaan, steunde in haar mond en zij gaf haar verzet met een snik op en kreunde zacht. Mijn

[p. 213]

handen, die onder haar nachthemd haar borsten streelden gleden om haar lenden. Toen ik mijn bezinning terugkreeg en mijn hoogtepunt voelde naderen trok ik mijn rechterhand weg en pakte de zakdoek, die ik koelbloedig naast haar hoofdkussen op het randje van haar bed had gelegd.

Ik steunde haar naam en een hele reeks koosnaampjes, en voltooide mijn daad met het beproefde middel van mijn broer. Toen het voorbij was, begon Odette te huilen. Ik probeerde haar tranen weg te kussen en trok haar op mijn zij liggend tegen mij aan.

‘Nu ben je helemaal van mij, van mij, helemaal van mij. Nu ben je mijn vrouw!’ fluisterde ik wel twintig keer in alle toonaarden. Ik voelde een wilde triomf. ‘Van mij, van mij!’ Mijn handen woelden in haar verwarde haar en streelden haar natte wangen. ‘Domme schat,’ prevelde ik, ‘heb ik je pijn gedaan?’

‘Ga weg, ik haat je!’ zei ze met overslaande stem en trappelde als een kleuter.

Ik gleed het bed uit en begon mij op de tast aan te kleden. Het was nu heel donker in de kamer. Er viel nauwelijks wat lantaarnlicht naar binnen. Zij had mij haar rug toegedraaid en snikte. Ik dekte haar zorgzaam toe en ging verder met mij aan te kleden. Toen ik klaar was ging ik op de rand van haar bed zitten en legde mijn hand op haar schouder. Zij maakte een onwillige beweging, alsof ze een insect wilde afschudden, maar plotseling vloog zij overeind, sloeg haar armen om mijn romp en drukte haar hoofd tegen mijn borst.

‘Ik ben... ik ben zo bang,’ piepte zij met een overslaand stemmetje. Ik gaf haar met rustige stem een lesje over de geringe kansen voor het gevaar, waarvan ik aannam dat het haar van streek maakte. Maar toen zij wat gekalmeerd was zei ze: ‘Ik ben zo bang... dat je niet echt van me houdt.’

Er sprongen tranen in mijn ogen. Ik omhelsde haar krachtig en wiegde haar bovenlichaam zacht heen en weer. Met trillende stem prevelde ik lieve woorden en zei, dat ik al van haar hield sinds ik haar voor de eerste keer zag. Hoewel zij verscheurd werd door tweestrijdige gevoelens, zoals ik later te weten kwam, begon ze enig vertrouwen in mij te stellen. Dat bleek al de volgende avond, toen we ons eerste geheime afspraakje hadden. Het feit dat ze

[p. 214]

kwam opdagen, was meer dan ik mocht verwachten. Zij was die dag wel honderdmaal van plan geweest om niet te komen en mij een afscheidsbriefje te schrijven, maar wat zij ook was, laf was ze niet. Wel liep ze met neergeslagen ogen zwijgend naast mij voort. maar zij liep er! Het wandelen, was een dwaze vertoning. Ik zei ook weinig. We liepen door de warme zomeravond en zagen overal opgewekte mensen levendig met elkaar praten. Het was, of we van de begrafenis van een geliefde dode kwamen.

Toen het schemerig werd, barstte zij eindelijk los. Ik herinner mij niet meer, wat Odette allemaal zei, maar wel, dat zij zich diep over zichzelf schaamde. Zij nam het mij wel een beetje kwalijk, dat ik haar had verleid, aangezien we toch goede vrienden waren geweest, maar een jongen was nu eenmaal een jongen, en dat betekende: een dom beest, een redeloos dier. Haar trots was diep gekrenkt. Maar het sterkst van alles sprak haar gevoel van minderwaardigheid... Als zij aan Louis, Nol en Henri dacht, om van de lieve tere Frits nog maar te zwijgen, voelde zij zich een meid van laag allooi die zich (ze zei dat niet maar het kwam er wel op neer) had afgegeven met een primitieve jongen van het land, en nu was zij het hoge gezelschap van beschaafde jongemannen zoals Nol en de zijnen onwaardig. Ik sprak haar nauwelijks tegen, prikkelde haar alleen om alles er uit te gooien.

God, ik zweer bij alles wat me heilig is, dat ik het werkelijk niet meer van plan was, maar ik moest nu wel met de waarheid te voorschijn komen. De heilige Louis zou misschien in mijn geval zijn mond nog hebben gehouden, maar ik moest praten. Ik vertelde haar alles en hoe hardnekkiger zij weigerde ‘mijn praatjes’ te geloven, hoe nadrukkelijker en harder ik 't haar in de oren tetterde. Het gesprek liep zo hoog op, dat zij wel moest toestemmen, de volgende middag en avond met mij het bewijs te gaan zien.

Ons afscheid zou een minder voortvarende jongeman wellicht hebben afgeschrikt, maar ik was door het dolle heen. Ik moest haar hebben en ik voelde, dat ik haar de baas zou worden en dat zij, zonder dat nu te beseffen, hard zo'n baas nodig had.

De volgende middag zaten wij somber achter het raam van een kleine melksalon, waar we de bewoonsters van een bepaald bovenhuis aan de overkant bestudeerden, terwijl die thuiskwamen en

[p. 215]

boodschappen in de buurt gingen doen. Er woonden twee zusters, meisjes van voor in de twintig, samen met een opzichtige, vulgaire moeder, die er uitzag of zij nog regelmatig ‘herenbezoek’ ontving. Het ene meisje was kapster en het andere winkelmeisje; ze waren allebei nogal opvallend en goedkoop.

's Avonds stonden we in het portiek naast de melksalon op wacht. Ik had veel geluk. We zagen Nol en Louis opgewekt pratend aankomen, bellen en het huis binnengaan. Odette wilde verslagen weglopen, maar ik hield haar stevig vast en zei, dat ze nog even moest wachten. Na enkele minuten ging op de derde verdieping een zwak licht aan. We zagen het silhouet van een van de meisjes op het lichte overgordijn vallen. Zij trok haar jurk en onderjurk uit. Toen verscheen Nols profiel naast het hare. Hij nam het meisje in zijn armen, draaide haar in het rond en toen verdween hun saamgesmolten silhouet heel langzaam naar de zijkant van het raam. Odette sloeg haar handen voor haar gezicht en begon wild te snikken.

Ik maakte dat we daar wegkwamen en terwijl zij snikte en danig van streek was, begon ik Nol, Louis en Henri te verdedigen. Zij kon toch niet zo onnozel zijn dat ze niet wist, dat jongemannen uit beschaafde kringen dat al sinds honderden jaren deden: er vriendinnetjes op na houden en dan liefst op niet al te jeugdige leeftijd met een maagd van goeden huize trouwen? Zij moest dat allemaal niet zo tragisch opvatten. Deze meisjes waren er van gediend om met rijke jongens naar bed te gaan, en de heren waren royaal met dankbare presentjes. Wat was daar nu voor afschuwelijks aan? Ze hadden allebei behoefte aan hetzelfde, de meisjes en de jongens.

‘Maar jij gaat toch nooit naar zulke meiden?’

Odette stond stil en keek mij strak aan. We stonden voor een verlichte etalage. Haar ogen leken heel groot en zwart in haar kleine bleke gezicht.

‘Je moet mij niet rekenen. Ik kom pas kijken. Ik ben maar een boerenjongen van niks. Ze hebben me vaak genoeg uitgenodigd om mee te gaan naar zulke meisjes en naar fuifjes, maar ik wilde niet. Ik hou alleen van jou.’ Enzovoort.

Ik liet het wel uit mijn hoofd om haar de waarheid over Ans en

[p. 216]

mij te zeggen. Zij was zo'n onnozel kalf dat ze niet begreep, dat ik over ervaring moest beschikken om te presteren wat ik gedaan had. Daarbij was zij zelf evenmin strikt eerlijk, want jaren later heeft ze mij bekend, dat ze wel met mij had willen vrijen toen ze vijftien was, maar ik was toen zo schutterig...

Er stortte een wereld voor Odette ineen, een dierbare sprookjeswereld. En zij, die begonnen was met mij en vooral zichzelf te haten, eindigde met zich aan mij vast te klampen. Ik werd nog diezelfde avond haar houvast.

In de liefde en de oorlog is alles geoorloofd, zeggen ze. Heel vaag was ik me bewust, dat ik een schoft was, een brute egoïst, die een mooi jongemeisjesleven vermoord had, maar tevens geloofde ik nagenoeg in al mijn redeneringen en argumenten waarmee ik haar inspon.

Het afscheid, in een donkere nis dicht bij haar huis, was al heel wat vriendelijker dan dat van de vorige avond.

Ik herinner me, dat ze met een bevend stemmetje zei: ‘Maar ik voel me zo slecht,’ terwijl ik mijn armen om haar heen hield en mijn wang tegen de hare drukte. Ik lachte een beetje en antwoordde: ‘Maar als we van elkaar houden... dan is het toch niet slecht, dat weet je toch wel? Doe je armen om mijn hals.’ Ik klemde haar trillende lichaam tegen het mijne. Zij sloeg gehoorzaam haar armen om mijn hals. Haar verzet brak. Zij was nog te veel van streek om bepaald opgewonden te raken, maar haar lippen werden heel zacht toen ik haar lange zoenen gaf. En tussen die lange zoenen door fluisterde ik, dat zij een geboren kunstenaarsvrouw was en beschreef ons geluk in tere kleuren. Voor ik haar Het gaan, liet ik haar beloven, dat zij niets zou laten merken aan de vrienden van haar ontdekking, dat zij gewoon, rustig, vriendelijk zou blijven voor hen. En haar ouders moest zij er maar buiten laten. Ze moest maar eens met grootvader praten, die had veel meer kijk op deze dingen.

De volgende avond was onze wekelijkse soiree. Odettes veranderde houding sloeg in als een bom. Er werden geen welkomstkusjes gegeven en toen de vergadering compleet was vertelde Odette, dat zij en ik het eens waren geworden, maar dat dit geen invloed behoefde te hebben op onze vriendschap met het clubje. Ik deed

[p. 217]

mijn uiterste best, het er vooral niet te dik op te leggen, maar ondanks dat zullen de trots en vreugde toch wel van mij afgestraald zijn. Deze mooie pop was nu helemaal van mij, van Arjen, de met zeven paarden uit de klei getrokken boerenknul. Ik had haar weggekaapt voor de neus van enige welbespraakte ridders! Zij, de gevatte Odette, zocht houvast bij een vent van stavast, niet bij verfijnde rijke heertjes, maar bij mij...

Vooral Nol was zichtbaar onder de indruk. Louis nam het nieuws kalmer op. Hij dacht kennelijk: er kan nog veel gebeuren, mijn tijd komt nog wel...

 

Enkele dagen later hadden we ons laatste gezamenlijke week-end in het zomerhuis van Nols vader. Ik moedigde Odette aan, vooral lief voor iedereen te zijn en niet naar de jongens te kijken of ze misdadigers waren. De aanwezigheid van Elly, Peters meisje, kwam mij zeer van pas. Odette nam, zo onopvallend mogelijk, alles gretig in zich op: de lieve aanhankelijkheid van Elly voor Peter, de bewondering voor haar ridder die uit haar blauwe poppenogen straalde, het elkaars handen vasthouden dat die twee vlijtig beoefenden, het rondlopen met de armen om elkaar heen, de speelse kusjes, het elkaar innig in de ogen blikken, en het al met al toch weer niet té vervelend doen in het gezelschap van de anderen. De aanwezigheid van twee paren betekende het einde van het Clubje van Nol, dat voelden ‘de overlevenden’, zoals Henri het uitdrukte, heel goed. Zelf kwam Henri trouwens zo nu en dan maar eens, want hij was, na langdurig uitstel, in militaire dienst. We zeilden en zwommen als vanouds, maar de stemming was enigszins weemoedig. Vooral Nol en Louis moesten aldoor worden opgemonterd door Henri en Frits. Bij de maaltijd werd er menige toast uitgebracht op het jonge geluk. Nols moeder was al naar het buitenland vertrokken, zodat Nols vader alle honneurs waarnam. Hij was een geestig tafelpresident. Odette hing aan zijn lippen.

Na het diner maakten we zoals altijd muziek, zowel serieus als persiflerend. Het was een warme avond en de luiheid won. het spoedig van de speelsheid. Het gezelschap viel uiteen. Frits zwierf door de tuin. Nol, Henri en Louis gingen in de loggia zitten praten.

[p. 218]

Toen Odette en ik hand in hand door de tuin liepen, zagen we Peter en Elly voor ons uit de weg op gaan. Zij zouden een wandeling rond de plas maken hadden ze gezegd. Frits zat niet ver van het huis in het gras. Wij liepen naar de waterkant. Een smalle maansikkel strooide een zilveren baan over het blauwzwarte water. Ik zocht een schaduwrijk grasplekje en trok Odette in mijn armen.

‘Zouden Elly en Peter dit nu ook doen?’ fluisterde zij. De vorige avond had ik een korte late ontmoeting met haar vlak voor haar huis gehad, waar ik haar had opgewacht. Toen had ze ook door fluisterend praten het vrijen uitgesteld, maar het was toch nog geëindigd met dusdanig stevig en uitvoerig knuffelen in een pikdonkere brandgang, dat je haar nieters verderop kon horen hijgen toen haar plezier het hoogtepunt naderde.

‘Natuurlijk. Wat dacht je dan? Peter heeft er zelf toespelingen op gemaakt, dat hij Elly door knuffelen heeft veroverd.’

Ik moest het nog een paar keer herhalen. Ze zou er Elly eens naar vragen, als ik het niet Beledigend vond, zei ze. Zij kende Elly oppervlakkig, doordat Elly op de H.B.S. een. klas hoger zat dan zij. Ik raadde haar dringend aan dit zeker te doen. Zij kende geen enkel verliefd of verloofd meisje intiem. Daarna vertelde Odette, dat het haar was opgevallen, dat Nol en de kleine Frits zo groot met elkaar waren, de laatste tijd. Of er nu geen gevaar bestond, dat de oudere jongens Frits mee zouden nemen naar slechte meisjes. Frits was zo'n fijne begaafde jongen, vond zij. Dat bleek trouwens wel uit de grote belangstelling, die Nols vader voor Frits toonde. Had ik al gehoord, dat er sprake van was, dat Frits met Nols vader naar Parijs zou gaan binnenkort?

Toen het praten mij begon te vervelen, stak ik mijn lippen tussen de hare, zodra zij ze opende voor een volgende opmerking en spoedig duwde ik haar zoenend achterover in het gras. Zacht, zacht... dacht ik, toen een wilde opwinding door mij heen sloeg. De vorige avond had ik maar heel beperkt wat met mijn handen onder haar kleren kunnen strelen en mijn geklede lichaam tegen het hare kunnen duwen, maar nu...! Zacht, zacht m'n jongen, dan kom je het verst.

Ik weet niet, hoe lang ik al bezig was met Odette, toen we op-

[p. 219]

schrokken. Wel herinner ik mij scherp de toestand waarin wij verkeerden. Het had lang geduurd, voor ik een echo in haar bespeurde van mijn eigen opwinding, en zolang die echo er niet was, remde ik mezelf zo veel mogelijk af. Odette durfde niet meer uittrekken dan haar bloes en broek, die we onder mijn jasje stopten dat opgevouwen onder haar hoofd lag. Daar ik wist, dat alle gasten van het huis de kiesheid zelve waren en ons beslist niet zouden storen of afloeren (we lagen trouwens op een pikdonker plekje met alleen wat licht van de sterren), had ik mijn broek uitgetrokken en als laken onder Odette gelegd, want het gras begon koel te worden. Ik had haar met woorden en daden aangemoedigd, zich niet te generen voor zichzelf en mij, maar zich helemaal over te geven aan de gevoelens van verrukking, maar zij bleef tamelijk passief. Toen ik even pauseerde om mijn plezier niet te vlug kwijt te raken, fluisterde zij, dat ze moe was en wat pijn had. ‘Dat heb ik altijd als ik de volgende dag dat gedoe heb, je weet wel...’ Nu wist ik het, ja. Ik kon mijn oren niet geloven en liet het haar nog eens wat duidelijker herhalen. Volgens de theorie en praktijk van Ans betekende dit, dat ik niet behoefde op te passen. Dat zei ik haar, met een stem die trilde van opwinding. ‘Hoe weet je dat?’ fluisterde zij. ‘Dat weet toch iedereen, o-o-o-...,’ steunde ik.

Alle goede en sluwe voornemens ten spijt verloor ik mijn zelfbeheersing en steeg snel naar een machtig hoogtepunt. Odette huilde en kreunde een beetje. Ik streelde en zoende haar gezicht en halfblote schouders met speelse lippen en berouwvolle handen en prevelde verontschuldigende woorden over mijn wildheid. (‘Maar je bent ook zo verschrikkelijk lief, zo opwindend lief’) toen er gerucht vanuit het huis klonk. Iemand kwam hardlopend het pad af, dat van het huis naar de aanlegsteiger voerde. Wij lagen achter de struiken die langs dit pad stonden. Instinctief trok ik vlug mijn onderbroek van beneden mijn knieën omhoog en ging rechtop zitten. Odette rees verschrikt overeind en trok haar bloes te voorschijn. We hoorden duidelijk iemand huilen als een kind en vloeken als een ketter tegelijk, iemand die het steigertje afliep en met luid geplons in het water terecht kwam.

Bijna op hetzelfde ogenblik werd er door Nols vader met een hoge,

[p. 220]

van angst overslaande stem geroepen: ‘Help! Nol gaat zich verdrinken! Help dan toch!’

Een paar seconden was ik verlamd van schrik. Misschien dacht ik één seconde aan een lugubere grap, maar toen begreep ik klappertandend van emotie, dat zich een drama vlak voor onze voeten voltrok.

Bijna was Nol het slachtoffer geworden van mijn schaamtegevoel. Odette sprong zacht jammerend overeind. Ik greep mijn broek en wilde mij eerst aankleden. Op het bordes klonken voetstappen en luid pratende stemmen. Ik drong haastig door de struiken en begon te draven, mijn broek achter me aanslepend, die ik achteraan op het steigertje neerwierp. Mijn sporthemd, waarvan alle knopen openstonden, trok ik met wilde bewegingen uit, terwijl ik aandachtig luisterde en scherp in het donkere water tuurde. Dicht beneden mij hoorde ik een zwakke beweging in het water. Rechts lag de boot. Hij moest rechtuit zijn gegaan of links. Ik mat de afstand met mijn ogen en sprong. Het water voelde ijskoud aan. rond mijn bezwete lichaam; het leek, of mijn borstkas ingedrukt werd. Ik hield mijn hoofd zover mogelijk boven het water en speurde rond. Daar zag ik iets verdwijnen, waarschijnlijk zijn hoofd! De maansikkel stond heel laag. Ik dook en kreeg na wat zoeken een arm te pakken en daarna Nols hoofd. Wild water trappend kreeg ik Nol op zijn rug en trok hem zo vlug mogelijk naar de kant. Er klonk geroep en iemand scheen met een lantaarn. Nol was in pyjama ontdekte ik, toen ik hem als een kind. in mijn armen tilde en langzaam op de kant klom, waar Henri, nog in zijn buitenmodeluniform van luitenant, met een stallantaarn stond te schijnen. Louis kalmeerde Nols vader, die jammerde als een vrouw. Zij waren beiden in pyjama. De huishoudster scheen door alles heen te slapen. Peter en Elly waren afwezig. Odette had haar arm rond Frits geslagen, die een badjas over zijn blote lichaam leek te dragen. Hij snikte als een kind. Zij nam de lantaarn van Henri over. Mijn jasje hing over haar linkerarm. Toen zij Frits loslie