[p. 40]
[Kaatje, ben je boven?]
Kaatje, ben je boven? -
Ja, Mevrouw! -
'k Wil je wat beloven! -
Goed, Mevrouw! -
Tien pond suiker;
Zes flesschen wijn;
Doe dat in een keteltje,
Roer dat met een lepeltje -
O, wat zal dat lekker zijn!