In 1837 werd De Gids opgericht. Nu, honderdvijftig jaar later, is dit algemeen-culturele en literaire tijdschrift al jarenlang het oudste van Nederland. Een overzicht van de lange geschiedenis van De Gids bestond nog niet. In deze leemte wordt voorzien door dit boek, een coproduktie van uitgeverij Meulenhoff, sedert 1962 uitgever van De Gids, en het Letterkundig Museum dat in het najaar van 1987 een tentoonstelling aan dit toonaangevende tijdschrift wijdt.
De geschiedenis van De Gids wordt hier geschreven door vier auteurs. De voorgeschiedenis en de eerste jaren komen voor rekening van Tineke Jacobi en Joke Relleke, die werken aan een door zwo gesubsidieerde studie over de start en de beginjaren van dit tijdschrift. De ruim honderd jaar daarna, van 1844 tot 1945, worden beschreven door Remieg Aerts; hij bereidt een proefschrift voor over De Gids en anderhalve eeuw Nederlandse cultuur. Zijn onderzoek werd aanvankelijk door een subsidie van het Prins Bernhard Fonds en wordt thans door een subsidie van zwo mogelijk gemaakt. Het laatste hoofdstuk, over de jaren na 1945, is van Piet Calis, redacteur van De Gids, die binnen afzienbare tijd hoopt te promoveren op de geschiedenis van een aantal literaire tijdschriften tussen 1941 en 1948. Hij had te kampen met een nadeel dat voor de andere auteurs niet gold: voor het laatste hoofdstuk zijn veel minder gegevens (en ook minder illustraties) uit geordende archieven beschikbaar dan voor de voorafgaande hoofdstukken.
Wiel Kusters, de huidige poëzieredacteur van De Gids, maakte voor dit boek een keuze uit de gedichten die in De Gids verschenen zijn. Hij heeft niet alleen de literatuurgeschiedenis willen respecteren, maar ook aan zijn persoonlijke smaak enige vrijheid gegund. Zijn bloemlezing loopt niet helemaal synchroon met de gekozen hoofdstukindeling, omdat de dichtkunst niet in alle perioden van de geschiedenis van De Gids een even belangrijke rol speelde. Vooral gedichten uit de negentiende-eeuwse periode waren te lang om ze in hun geheel op te nemen. Het aantal fragmenten werd beperkt gehouden. Om redenen van omvang werd ook afgezien van een bloemlezing uit het in De Gids verschenen proza. De gekozen gedichten werden afgedrukt zoals ze in De Gids verschenen; latere varianten vindt men hier dus niet, vroegere evenmin.
De Gids sinds 1837 verschijnt in de reeks Schrijversprentenboeken van het Letterkundig Museum. Het wijkt in omvang af van de eerdere delen van deze reeks. Al werd de geschiedschrijving van honderdvijftig jaar De Gids zo beknopt mogelijk gehouden, toch was er, vergeleken met eerder verschenen Schrijversprentenboeken, uit de aard der zaak veel tekst nodig. De illustraties houden zoveel mogelijk verband met de tekst. Ze werden gekozen door Arie Pos, die ook de informatieve bijschriften schreef. Waar nodig zijn relevante passages uit handschriften in de bijschriften samengevat of getranscribeerd. De lay-out is van Kees Nieuwenhuijzen.
Aantekening
In de tekst wordt van veel Gids-bijdragen vermeld in welke maand(en) of aflevering(en) ze verschenen zijn. Achter citaten uit die bijdragen worden steeds het jaar, het Gids-deel en de pagina genoemd.
Van 1837 tot en met 1847 zijn de maandelijkse Gids-afleveringen per jaar gebonden in een deel Boekbeoordelingen (b) en een deel Mengelingen (m).
Van 1848 tot en met 1862 zijn de maandelijkse afleveringen een halfjaar doorgepagineerd en jaarlijks gebonden in twee Romeins genummerde delen.
Van 1863 tot en met 1949 zijn de maandelijkse afleveringen per kwartaal gepagineerd en gebonden in vier Romeins genummerde delen. Tot 1896 is de inhoudsopgave nog per maand, daarna enkel per kwartaal vermeld.
Van 1950 tot en met 1970 zijn de afleveringen weer per halfjaar gepagineerd en gebonden in twee Romeins genummerde delen. Vanaf 1962 telt een jaargang geen twaalf, maar tien afleveringen. Vanaf 1965 is op elke aflevering niet meer de maand, maar enkel het nummer vermeld.
Vanaf 1971 loopt de paginanummering gedurende de hele jaargang door. De tien afleveringen worden niet meer naar deel, maar naar hun nummer onderscheiden.