
In het kalme gezelschap van de redacteuren Van Hasselt, Van Geuns, Pol, de dichtende predikant Bernard ter Haar - die Bakhuizen van den Brinks plaats innam - en de Amsterdamse hoogleraar P.J. Veth, kenner van de oosterse talen en de bijbelse oudheid, toonde Potgieter zich opmerkelijk geïnspireerd. Aan de jaargangen 1844 en 1845 droeg hij veel bij: naast recensies en vertalingen van verzen en stukjes uit het Engels en het Zweeds zijn eigen novellen ‘Hoe het Weeûwtje van het Hof van Holland gevrijd werd’, ‘De Zusters’ (1844), ‘Blaauw Bes, Blaauw Bes’ (1845) en enkele tijdzangen, als het hekelende ‘De Stilstaanders’ en het spottende ‘Een wonder is de nieuwe beurs! Geloof het maar, Jan Salie!’ (1845). Zijn belangrijkste bijdrage was het kritisch-nationale essay ‘Het Rijksmuseum te Amsterdam’ (1844), waarin met retorische kracht opnieuw aan de eigen tijd de burgerzin, daadkracht en artistieke oorspronkelijkheid van de Hollandse zeventiende eeuw werden voorgehouden. Steeds meer kreeg Potgieters kunst een ideologische functie.
Ook Bakhuizen van den Brink vond nu, in België levend, gelegenheid voor historisch werk van grotere omvang: zijn ‘Andries Bourlette. Een hoofdstuk uit de geheime geschiedenis van den Vrijheidsoorlog, 1568’ (1844) en ‘Cartons voor de geschiedenis van den Nederlandschen vrijheidsoorlog’ (1846) gingen naar De Gids. De wetenschappelijke studies, over vaderlandse geschiedenis, kerkelijke geschiedenis en kunst, of oosterse letterkunde vormden een groeiend aandeel in de afdeling Mengelingen, die ongeveer veertig procent van de maandelijkse honderdzestien bladzijden besloeg. Daarnaast bevatte het mengelwerk reisverhalen, uit buitenlandse boeken en tijdschriften overgenomen proza- en dichtstukjes, en eigen literair werk van Potgieter, S.J. van den Bergh, J. Kneppelhout, de katholieke handelsman J.A. Alberdingk Thijm, de jonge schrijfster A.L.G. Toussaint en de dichters J.P. Heije en A.J. de Bull. Een echt met het tijdschrift verbonden kring vormden deze auteurs overigens niet.
Het merendeel van elk nummer was gewijd aan ‘boekbeoordeelingen’: recensies, sommige kort, andere zeer uitgebreid en grondig, van in Nederland verschenen boeken over de meest uiteenlopende onderwerpen op wetenschappelijk en maatschappelijk gebied. Besprekingen van literair werk waren in de minderheid. In de tweede helft van de jaren veertig begon het mengelwerk gezichtsbepalend te worden, vooral door de opzienbarende bijdragen van een nieuwe medewerker: de jonge jurist Gerrit de Clercq, door een latere tijdgenoot genoemd ‘den geniaalsten publicist van de jonge liberale partij’, intelligent, geestig en bij uitstek ‘de moderne man’ in een vrij behoudzuchtig Amsterdam. In februari 1845 vroeg Potgieter deze opvallende stadsgenoot, wiens optreden hem aanstond, in de redactie.
De Clercq bracht nu de bedoeling van De Gids - beweging en vernieuwing in het openbare en intellectuele le-
ven te wekken - op de actualiteit over. Namens De Gids stelde hij zich, in het artikel ‘Het voorstel ter Grondwetsherziening’ (1845), volledig achter een door Thorbecke en acht andere progressieve kamerleden in december 1844 ingediend herzieningsontwerp. Een herleving van de ‘publieke geest’ was alleen te verwachten als een ruim en direct kiesrecht de burgerij medeverantwoordelijkheid zou geven voor het staatsbestuur. De Clercq verwachtte echter van de huidige Staten-Generaal weinig bereidheid tot ingrijpende democratische hervorming en drong daarom aan op een ‘algemee-


ne petitioneering’ ter ondersteuning van het herzieningsvoorstel. De gelegenheid tot hervorming mocht niet worden gemist. ‘Geen verderfelijker raadslieden, dan die ons tot gehechtheid aan onze instellingen, tot vasthouden aan het bestaande vermanen. [...] Zonder staatkundige ontwikkeling is voor een volk geene enkele ontwikkeling op den duur mogelijk. [...] Dat mijn vaderland ontwaakte, eer zijn slaap doodslaap geworden zij!’ (1845, m, 96)
Dit waren woorden naar Potgieters hart. De algemene aarzeling jegens het herzieningsvoorstel - dat in mei 1845 werd afgewezen - gaf Potgieter (onder zijn pseudoniem W.D-s) het hekeldicht ‘De Stilstaanders’ in de pen. De Gids wilde nog geen liberaal partijorgaan zijn, maar een wat verontruste medewerker kreeg in november 1845 wel van de redactie te horen ‘dat wij persoonlijk de liberale beginselen met warmte zijn toegedaan, en eene geheele hervorming onzer staatsinstellingen van harte wenschen. Het spreekt dus wel van zelve, dat wij die beginselen niet verzwijgen, waar wij zelve staatkundige artikelen leveren, en ook bij de keuze onzer politieke collaborateurs liefst naar gelijkgezinden omzien’.
De Clercq ging nog verder en toonde een meer sociaal en democratisch dan liberaal-economistisch standpunt in zijn bijdragen ‘Louis Blanc’ (1846) en ‘Arnold Ruge over de Fransche socialisten’ (1847). De opvattingen van de socialisten en vooral de ernstige tekortkomingen die zij aanwezen in het ongeremde ‘laissez faire, laissez aller’ mochten ook in Nederland niet genegeerd worden. Dat juist de eeuw van het politieke gelijkheidsstreven een snel toenemende economische en sociale ongelijkheid te zien gaf, vond De Clercq schrijnend en een gevaar voor de nabije toekomst. Hij hoopte op een toenadering tussen socialisten en economisten, en probeerde met zijn artikelen het belang van arbeidsorganisatie en -bescherming te tonen. Dat iemand met kennis van zaken en met sympathie over zulke onderwerpen schreef en dan nog in een gerespecteerd burgerlijk tijdschrift, was in het toenmalige Nederland hoogst opzienbarend en gedurfd. De Clercq zette met deze bijdragen de toon voor een lange Gids-traditie: artikelen waarin, vanuit een neutraal standpunt, een onbevooroordeelde en zakelijke behandeling van een controversieel onderwerp gegeven of gevraagd wordt.


De Clercq, inmiddels redacteur-secretaris geworden, kwam in maart 1847 met een plan om de opzet van De Gids te moderniseren. Al enkele jaren werd er weinig Nederlandse literatuur gerecenseerd, de boekbesprekingen begonnen zelfstandige opstellen over een bepaald onderwerp te worden en het mengelwerk bevatte steeds minder bellettrie en steeds meer verhandelingen. De Clercq stelde daarom voor De Gids naar het voorbeeld van Franse en Engelse periodieken voort te zetten als algemeen tijdschrift, gevuld met zelfstandige beschouwingen over actuele kwesties en ontwikkelingen op de gebieden van binnen- en buitenlandse politiek, maatschappij en recht, literatuur en kunst, geschiedenis en volkenkunde, theologie en wijsbegeerte, natuurwetenschap, geneeskunde en techniek. Niet toevallig verschijnende boeken, maar de ontwikkelingen in maatschappij en wetenschap zelf moesten becommentarieerd worden. Tevens wenste De Clercq een redactie die veel meer dan thans door ‘eenheid van geest en streven’ bezield zou zijn, en daaromheen een kring van vaste medewerkers, die op verzoek specialistische bijdragen over actuele kwesties zouden leveren.
Het voorstel ontmoette geen groot enthousiasme; maar omdat niemand meer veel perspectief zag in de bestaande opzet van het tijdschrift en de vraag eigenlijk was: ‘Zullen wij de Gids begraven of de reorganisatie be-
proeven’ (in de woorden van redacteur Van Geuns), besloot men tot het laatste. Ook Potgieter ging, hoewel aarzelend, mee met De Clercqs plannen. Uitgever Van Kampen was er weinig mee ingenomen en verwachtte, anders dan De Clercq, geen stijging maar daling in het aantal van zijn - vierhonderd - betalende abonnees. Hij zou in de eerstvolgende jaren gelijk krijgen. Pas na 1858 begon de aanhang van De Gids te groeien, tot bijna achthonderd abonnees in 1864. Ook belangrijke medewerkers als Thorbecke en Bakhuizen van den Brink lieten weten enkel een functie voor De Gids als wetenschappelijk recenserend periodiek te zien.
In 1848 begon De Gids niettemin een nieuwe serie. De Clercqs opzet is nooit geheel verwezenlijkt. Wel week de oorspronkelijke bedoeling van het tijdschrift: het verhogen van het literair peil door een strenge richtinggevende kritiek, naar de achtergrond. Ook ging De Gids zich veel directer dan voorheen met de maatschappelijke actualiteit bezighouden en werd hij meer het orgaan van een richting - de liberale - dan een open forum. Hoewel in deze periode de samenstelling van de redactie bijna jaarlijks veranderde, bestond zij toch steeds uit hervormingsgezinde Amsterdammers. In 1848 waren dat De Clercq, Potgieter, de medici Van Geuns en G. Voorhelm Schneevoogt, wiens beminnelijke, charmante persoonlijkheid tot 1871 toe een rustpunt in de Gids-kring is blijven vormen, de veelzijdige Veth, de liberale hoofdredacteur van de Amsterdamsche Courant S. Vissering, de liberale jurist J. Heemskerk Bz., bevriend met Vissering en De Clercq, en tenslotte de theoloog H.C. Millies, hoogleraar aan het Luthers seminarie.
De totstandkoming van de liberale grondwet van 1848 werd met waardige blijdschap begroet. De dichterlijke drogist S.J. van den Bergh hief een feestzang aan op ‘Koning en Volk’, en Piet Bogcheljoen [= J.P. Heije] dichtte ‘Een nieuw Wilhelmus’ (april 1848). De Clercq besprak de dagelijks verschijnende vlugschriften over het herzieningsontwerp, en verdedigde met kracht de invoering van rechtstreekse verkiezingen en een vrij uitgebreid kiesrecht. Hij genoot van de plotseling zo levendige publieke discussie. Want dit was wat de Gids-mannen - vooral Potgieter en De Clercq - eigenlijk van de nieuwe grondwet verwachtten: een algemene herleving van de natie, het ontwaken van het burgerlijk verantwoordelijkheidsbesef, van ondernemingslust en economische bedrijvigheid.
Potgieter voelde zich, na twee jaren van zwijgen, weer opgewekt tot het schrijven van grote kritieken: ‘Hollandsche Politieke Poëzij’ (juni 1848) en ‘Jacob van Heemskerck en vijf en twintig jaren Hollandsche Poëzij’ (januari-oktober 1849). Vissering gaf, in een poging de mogelijkheden van een ondernemend, vooruitstre-



vend Nederland te contrasteren met de nog heersende behoudzucht, een pakkend toekomstbeeld van een dynamische maar nog imaginaire zeehaven, waarvoor hij de naam ‘Y-Muiden’ bedacht (december 1848). Veth bepleitte in overeenstemming ‘met de gansche rigting des tijds, met de liberale instellingen thans aan het moederland toegezegd’, ook invoering van volledige persvrijheid en openbaarheid van bestuur in de Indische kolonie (1848, iii, 112). In de volgende jaargang verdedigde hij de belangrijkste woordvoerder van de zogeheten ‘koloniale oppositie’, W.R. van Hoëvell. Opnieuw ijverde Veth voor betere controle op het Indisch bestuur (maart-augustus 1849).
Een felle aanklacht tegen het voortbestaan van de slavernij in Suriname deed redacteur Millies, bij gelegenheid van de inhuldiging van koning Willem iii (juni 1849). Zo direct en zo bitter was nog niet eerder in De Gids geschreven tegen machtsmisbruik, drogredenen en de hypocrisie van burgers en autoriteiten. De Nederlandse burgerij, aldus Millies, heeft zich vrijheden en politieke rechten verworven, maar ‘de eerste pligten, de pligt van menschelijkheid, van geregtigheid, godsvrucht en trouw jegens een deel van Neerland's verdrukte onderdanen, de regten van hen, die van hunne menschenregten worden beroofd, zijn voorbijgezien’ (1849, i, 728).
Vanaf 1848 gaf De Gids uitdrukking aan het liberalisme

48 Titelpagina van het ingebonden eerste deel van de twaalfde jaargang (1848). Met deze jaargang startte een nieuwe serie.

49 B. ter Haar (1806-1880), redacteur van 1843 tot en met 1845.
Gravure door J.P. Lange naar C.J.L. Portman.

50 P.J. Veth (1814-1895), redacteur van 1844 tot en met 1876, omstreeks 1860.
in ruimste zin: politiek, economisch, sociaal, levensbeschouwelijk. Actueel werd deze keuze toen Thorbecke in 1849 eindelijk de gelegenheid kreeg te gaan regeren. De Gids heeft steeds met Thorbeckes wetgevende arbeid, die tot 1853 duurde, gesympathiseerd. In de periode dat Thorbecke van de regeringsmacht werd afgehouden (1853-1861) vormde het blad de stem van de zelfbewuste liberale oppositie. De Gids ondersteunde bij elke gelegenheid het nog wankele constitutionele stelsel, drong aan op openbaarheid en controleerbaarheid van bestuur, ook in de kolonie, wenste een strikte scheiding van kerk en staat en een onbelemmerde maar verstandig gebruikte vrijheid van meningsuiting en organisatie, en propageerde vrijheid van handel en verkeer en uiterste beperking van de rol van de staat.
In de jaren 1849 tot 1854 hielden het vraagstuk van het pauperisme en de voorstellen tot wettelijke regeling van de armenzorg de pennen driftig in beweging. Naast zakelijke beschouwingen over de kwestie verschenen er zelfs erudiete opstellen over de armenzorg in het oude Griekenland en Rome. Op één na waren alle auteurs in De Gids van mening dat er geen recht op ondersteuning bestond en het niet de taak van de staat was ‘de rol van weesvader, van hofjeshouder, van aannemer van openbare werken, van makelaar tusschen arbeiders en meesters, en wat al niet meer, te vervullen’, aldus mr. W.R. Boer (1850, ii, 411). Het idee van een be-


lasting, ter bekostiging van staatsarmenzorg, werd beschouwd als regelrecht ‘socialismus’. Geen wettelijke plicht moest de burgers verbinden, maar zedelijke plicht, gebaseerd op het gebod van christelijke naastenliefde. De oplossing van het probleem was niet het uitbreiden van de demoraliserende bedeling - dit was ‘verkeerd begrepen philantropie’ -, maar het bieden van werkgelegenheid en ‘het opvoeden der armen tot vlijt, tot orde, tot spaarzaamheid, tot zedelijkheid’, in de woorden van een anonieme recensent (1850, i, 234). Ook Vissering, inmiddels hoogleraar economie in Leiden, sprak zich in september 1852 stellig uit tegen elke staatsinmenging in de armenzorg; wel wenste hij een betere organisatie van de particuliere armenzorg. Dezelfde opvatting uitte jhr. Van der Heim in twee opstellen (februari 1853 en november 1854), waarin hij als eerste wees op ‘de geringheid van het loon, de slechte voeding en de slechte woningen’ als mede-oorzaak van verpaupering en demoralisatie: ‘het schijnt zoo ongelooflijk, dat er jaarlijks in den lande eenige duizenden sterven, en eenige duizenden een ellendig leven lijden moeten, omdat zij niet zoo ruim wonen als wij op onze pleinen en breede grachten!’ (1853, i, 165)
Zelfstandigheid, eigen verantwoordelijkheid en het opheffen van alle belemmeringen in handel, bedrijf en verkeer waren de kernbegrippen in de Gids-artikelen over economie. Visserings Leidse entreerede ‘Vrijheid, het beginsel der staathuishoudkunde’, in De Gids afgedrukt (mei 1850), was ook voor het tijdschrift zoiets als een beginselverklaring. Redacteur Heemskerk probeerde aan de hand van de discussie over de hervorming van de scheepvaartwetten in het eerbiedwaardige Engelse parlement te tonen dat de stap naar vrije handel en mededinging weldoordacht en doelmatig was (maart-juli 1850). De Gids gaf vrij veel aandacht aan statistiek en economische wetenschap. Deze leek namelijk als economische ‘natuurwet’ te hebben vastgesteld dat de welvaartsgroei het grootst was waar de werking van de maatschappelijke krachten het minst belemmerd werd. Nu moest deze waarheid enkel nog algemeen ingezien en in praktijk gebracht worden. Auteurs als Vissering en jhr.Quarles van Ufford streefden er dan ook naar via hun Gids-artikelen ‘gezonde staathuishoudkundige begrippen’ te verbreiden (1854, i, 466).
De liberale boodschap werd vooral enthousiast uitgedragen door de met Potgieter bevriende handelsman P.N. Muller, die in 1854 redacteur werd. In zijn talrijke bijdragen over handel, nijverheid en verkeer drong hij aan op het wegnemen van ouderwetse produktiebelemmerende reguleringen en accijnzen, en op modernisering van de Nederlandse infrastructuur. Evenals Potgieter waardeerde hij de Engelse en Amerikaanse maatschappij, waar zelfstandigheid en ondernemingszin deugden waren en ijver en talent de sleutel tot succes vormden.
Een bittere teleurstelling was voor De Gids de Aprilbe-

weging van 1853: de door protestante predikanten en conservatieven aangewakkerde anti-katholieke agitatie die volgde op het door de liberale regering goedgekeurde herstel van de katholieke hiërarchie. De regering-Thorbecke, door het parlement maar niet door de koning gesteund, trad af, waarna de liberalen tot 1862 de regeringsmacht verloren. De Gids reageerde in 1854 met een honderdachtenvijftig bladzijden lang stuk, ‘De Aprilbeweging’ (januari-mei 1854), onder verantwoordelijkheid van de redactie, maar geschreven door een buitenstaander, D. Koorders. Zijn opvatting van de zaak was dat de agitatie door de reactionaire tegenstanders van de liberale grondwet was opgewekt, niet uit oprechte religieuze bezorgdheid, maar met de louter politieke bedoeling Thorbecke ten val te brengen en de situatie van voor 1848 te herstellen. Het was zeker niet uit sympathie met het katholicisme dat de bedaard-hervormde Gids-kring het herstel van de hiërarchie steunde, maar uit respect voor de grondwet, die de katholieke kerk dit recht gaf. De scherpe geloofstegenstelling die zich in 1853 manifesteerde werd overigens zeer betreurd. Potgieter wenste geen ‘provincialismus en sektenhaat’: het Nederlandse volk had beters te doen dan z'n krachten uit te putten in kerkelijke geschillen (1854, i, 145).
Vanaf 1853 maakte De Gids vooral front tegen de antirevolutionairen, die beschouwd werden als de meest

54 Henry Riehm aan Potgieter, 4 november 1851. S.J. van den Bergh maakt zich zorgen over enkele ingezonden verzen. ‘Amicissime! Zoo even ontvang ik inliggend briefje van Sam Jan. - Gij ziet dat onze Dichter deerlijk in den brand zit; wilt Gij Uwe bluschmiddelen laten aanrukken en de waterputs ter hand nemen om den gloed zijner opgewondenheid wat te temperen? - Ik kan hem 't treurig lot zijner “papieren kinderen” niet meedeelen eer Gij hun veroordeeling voor den raad des blaauwen Beuls officieel ter zijnen kennis hebt gebragt.’
principiële tegenstanders van het constitutionele stelsel. Einde 1853 kwam politiek redacteur Heemskerk in botsing met enkele mederedacteuren, toen hij de antirevolutionaire staatsleer enigszins in bescherming nam tegen een kritiek van de liberale historicus Fruin. Heemskerk verliet daarop De Gids. Zijn opvolger in de redactie, de pas vierentwintigjarige mr. P.A.S. van Limburg Brouwer, toonde zich in zijn artikelen van de volgende jaren een scherpzinnig en vasthoudend bestrijder van ‘de Reactie’, vertegenwoordigd door de antirevolutionairen. Verzet tegen de moderne constitutionele monarchie, tegen democratie en toenemende vrijheid, tegen de vooruitgang in het algemeen, zo zette Van Limburg Brouwer uiteen in ‘Een protest tegen de Reactie’ (januari 1855), was kortzichtig en nutteloos: de Geschiedenis kende stilstand noch teruggang, zij was ‘eene ontwikkeling, die steeds voorwaarts zich beweegt en nimmer terugziet op de reeds aflegde baan’ (1855, i, 17). Zulke geschiedfilosofische argumenten ten gunste van een geleidelijke uitbreiding van rechten, vrijheden en democratie vond de hegeliaan Van Limburg Brouwer ook in het werk van moderne geschiedschrijvers als De Tocqueville, Gervinus en Motley, dat hij in 1856 en 1858 uitgebreid besprak.
Liberale opvattingen verdedigde De Gids ook inzake het koloniaal beleid, waaraan met enige regelmaat principiële of technische opstellen werden gewijd: controle van het parlement op dat beleid, vrijheid voor de Indische pers om zich over het bestuur kritisch te uiten, opheffing van het monopolie van de regering op de exploi-

55 Begeleidend schrijven bij de zending van te recenseren boeken aan P.N. Muller, 8 juli 1852.
tatie van de kolonie, afschaffing van het cultuurstelsel, bevordering van vrije arbeid en onderneming op Java, beëindiging van de ‘batig slot’-politiek die geen hoger doel had dan de kolonie uit te buiten ten behoeve van 's Rijks schatkist.
Nederland had de edele plicht de Javanen tot beschaving en christendom op te voeden, schreef Millies in augustus 1853. Dat vond ook Veth, die door zijn kennis van de talen en de geografie van Indië als een koloniaal specialist gold. De Indische volken moesten tot geestverwanten en duurzame vrienden worden gemaakt door algemeen toegankelijk westers onderwijs. Hij veroordeelde de bestaande segregatiepolitiek als een verhuld streven ‘den muur tusschen het heerschende en het overheerschte geslacht in stand te houden’ (1858, ii, 775). Volgens J.C. Zimmerman, een jonge Amsterdamse suikermakelaar die Potgieter en Thorbecke vereerde en sinds 1852 tot de Gids-redactie behoorde, werd het beheer van de kolonie gekenmerkt door kortzichtigheid, behoudzucht en onbekwaamheid. Dat de legitimatie van de Nederlandse overheersing geen andere was dan het ‘regt van het buskruit’ wenste hij - zoals ook andere Gids-auteurs - niet te verheimelijken; maar dit eenmaal aangenomen voogdijschap bracht de zedelijke plicht mee de kolonie economisch en geestelijk tot ontwikkeling te brengen (september 1859). Twee jaar eerder had de Gids-redactie zich in een uitgebreide beschouwing uitgesproken tegen het repressieve ‘Reglement op de Drukwerken in Nederlandsch Indië’ en voor ‘een van de hoogste algemeene belangen der menschheid, de vrije mededeeling der gedachte’ (1857, ii, 374).
In juli en augustus 1860 werd onder de titel ‘Multatuli

57 P.A.S. van Limburg Brouwer aan Potgieter, vermoedelijk 1854. ‘Amice! Zeer gaarne maak ik, Know-nothing in letterlijken zin onder de Gids-redacteuren, van Uwe vriendelijke uitnoodiging voor aanst. Zaterd. gebruik. Arme medearbeiders indeed! Toch wou ik dat er meer zoo waren; maar er zijn er in 't geheel geen meer: voor 't volgend nommer is hoegenaamd niets ingekomen.’

56 P.A.S. van Limburg Brouwer (1829-1873), redacteur van 1854 tot 1865, omstreeks 1870.
Foto door M. Verveer.
versus Droogstoppel, Slijmering en Comp.’ Max Havelaar besproken, niet door Potgieter maar door koloniaal specialist Veth. Hij waardeerde het boek in gelijke mate als pleidooi en als literair meesterstuk en stelde zich in hoofdzaak achter Multatuli's voorstelling van zaken. Anderen hadden eerder dan Multatuli op het onrecht gewezen, maar nog nooit was dat zó krachtig, welsprekend en meeslepend gebeurd. In gloeiende verontwaardiging deed de geleerde Veth overigens niet voor Multatuli onder, getuige zijn artikel van vijf jaar eerder, ‘Suriname’ (februari 1855), een vlammend protest tegen het voortbestaan van de slavernij in de kolonie en tegen het gedemoraliseerde en gecorrumpeerde bestuur. De Nederlander, die in eigen land recht en christelijke waarden in ere hield, toonde zich in Suriname ‘een barbaar, die menschelijkheid en schaamte schijnt te hebben uitgeschud’ (1855, i, 219) en Veth gaf daarvan schokkende bewijzen.
Tot redactionele discussie leidde einde 1862 een radicaal-principieel opstel van mr. H.A. des Amorie van der Hoeven, waarin van de liberalen werd geëist dat zij hun oppositie tegen de batig slot-politiek en het cultuur-stelsel niet langer mede zouden baseren op economische




argumenten, maar uitsluitend op een besef van plicht en rechtvaardigheid jegens Indië. Sommige redacteuren ging dit te ver. Toch werd het opstel geplaatst: Van der Hoevens idealistisch standpunt werd tenminste een openbaar debat waard gevonden.
Meer echter nog dan de koloniale politiek stond rond 1860 de theologie in het centrum van de belangstelling. Al sinds de jaren 1840 handelde gemiddeld een op de tien Gids-bijdragen over een kerkelijk of theologisch vraagstuk, kerk- of bijbelse geschiedenis of stichtelijke lectuur. Ook in de behandeling van economische, sociale, koloniale, wetenschappelijke en zelfs krijgskundige onderwerpen maakten de toenmalige scribenten geen geheim van hun christelijke levensovertuiging. Kerkelijk gebonden of dogmatisch was De Gids nooit. Wel was de kring van het tijdschrift in hoofdzaak protestant: hervormd, luthers en doopsgezind. In de jaren veertig, zo herinnerde Vissering zich in 1886, was De Gids nog vrij rechtzinnig en trouw aan ‘de geloofsregelen der Nederlandsche Hervormde Kerk, getemperd, waar zij al te steil mochten wezen, door rede, verlichting en verdraagzaamheid’ (1886, iv, 523). De school van Hegel en alles wat zweemde naar deïsme, pantheïsme, spinozisme en atheïsme werd afgewezen, als het bederf van zedelijkheid, wet en beschaving.
Een nieuwe bijdrage van de theologisch geschoolde vrijdenker Van Vloten, betreffende een vertaling van Plato's Phaedo, leidde in oktober 1847 net als vier jaar tevoren tot uitgebreide, redactionele discussie. Veth wees het stuk af, omdat daarin op zijns inziens onvoldoende gronden de persoonlijke onsterfelijkheid ‘zeer kras genegeerd’ werd. Maar De Clercq wenste in De Gids ‘vrijheid voor de wetenschappelijke verdediging van alle, ook van de meest afwijkende stelsels’ en Vissering ging daarin voorzichtig mee. Potgieter echter was mordicus tegen, zelfs als Van Vloten persoonlijk ondertekende: zo kon ‘De Gids wel een vuilnisbak worden mits ieder by his spitting zijn naam zette’. Het stuk werd niet geaccepteerd. Aan een andere recensie (1847) en een reisverhaal van Van Vloten (mei 1848) wenste men een afkeurende redactionele noot toe te voegen.
Veth zag ‘met klimmenden weerzin en walging’ de door verschillende auteurs bij De Gids ingezonden artikelen met een materialistische, de goddelijke voorzienigheid loochenende strekking. Hij vond vooral Potgieter aan zijn zijde, die enkele meer vrijzinnige redactieleden zelfs ter verantwoording riep, omdat zij zich voor deze stukken uitspraken: ‘Toen Schneevoogt en De Clercq zich der vroegere redactie aansloten wisten zij dat deze aan pligt geloofde, regt erkende, eerbied voor zedelijkheid had, en er de maatschappij niet te slechter om zou achten, zoo zij in waarheid Christelijker werd. Wat is er van hun toenmalige sympathie geworden? [...] De geest die thans heerschende tracht te worden, boezemt mij weerzin in’ (april 1848).
In de vroege jaren 1850 - De Clercq had inmiddels de re-
dactie verlaten en was ministerieel ambtenaar geworden - bevatte De Gids veel zware theologische bijdragen en ook de wonderlijke lekenpreken en bespiegelingen van de bevlogen filoloog W.G. Brill. Wetenschappelijkheid overheerste overigens bij de vaste theologische medewerkers A. Niermeijer, D. Harting, L.S.P. Meijboom en J. van Gilse, de laatste sinds 1852 redacteur, als opvolger van Millies. In de beginnende discussie over de verhouding tussen geloof en wetenschap, het gezag van de bijbel, de godsidee, de figuur van Jezus en de rol van de kerk in de moderne maatschappij stelden zij zich zeer terughoudend op. Harting bijvoorbeeld meende dat de ‘nieuwe, op Hegeliaanschen bodem ontkiemde, historisch-kritische rigting’ die aan Jezus en de evangeliën hun bovennatuurlijk karakter ontnam, bestreden moest worden; niet echter met emotionele argumenten of door alle bijbelonderzoek te verbieden, maar juist door ‘den geest des bedachtzamen onderzoeks’ (1850, i, 703), die het ongerijmde van deze speculaties zou aantonen. Dit was de algemene opvatting.
Verandering kwam hierin door het optreden van redacteur Van Limburg Brouwer die in De Gids met evenveel gezag over wijsbegeerte als over geschiedenis en staatsrecht schreef. In 1855 deed hij een eerste, nog voorzichtige, poging tot rehabilitatie van het in Nederland zo lang verketterde spinozisme (april 1855) en verdedigde hij de Duitse speculatieve wijsbegeerte tegen de gebruikelijke beschuldiging dat zij leidde tot goddeloosheid, nihilisme en revolutie (augustus 1855). In de recensie

*
‘Twee ketters van onzen tijd’ (juni-juli 1858) vroeg hij om een zakelijke, wetenschappelijke dialoog met - dus niet meer als Harting, een zakelijke bestrijding van - de ‘historisch-kritische’ richting, die de evangelieteksten en het ontstaan van het christendom als zuiver historische verschijnselen onderzocht en verklaarde. Deze richting beschouwde Van Limburg Brouwer zelfs als de enig juiste.
Jaargang 1858 toonde een doorbraak. Ook uit artikelen van Van Gilse en van de theoloog Allard Pierson bleek dat de ‘ketters’ van weleer - D.F. Strauss, C.F. Baur, F. Schleiermacher - geaccepteerd waren geraakt en dat van af nu de vrijheid en zelfstandigheid van de wetenschap volledig erkend werden. In de volgende jaren werd De Gids het podium waarop de ‘moderne theologie’, die tot dan toe binnen de studeerkamers van enkele progressieve predikanten was gehouden, in de openbaarheid werd gebracht. Vrijzinnige predikanten als Cd. Busken Huet, A. Pierson, E.J.P. Jorissen, A.D. Loman en C.P. Tiele zetten in een groot aantal opstellen en besprekingen, nu eens behoedzaam, dan weer strijdlustig, de ‘moderne theologie’ uiteen: een niet dogmatische en niet kerkgebonden christelijke overtuiging, die in overeenstemming was met het moderne natuurwetenschappelijke wereldbeeld en met het rationalisme en geestelijk individualisme van de negentiende-eeuwse mens. Kerk en geloofsleer moesten zich aanpassen aan de moderne wereld en niet krampachtig hechten aan een vaderlijk godsbeeld, het geopenbaarde karakter van de bijbel, de bijbelse wonderverhalen en de bovennatuurlijke aard van Jezus. In De Gids werden nu kerkelijk traditionalisme en theologische orthodoxie bestreden. Pierson ging zelfs het christendom en z'n godsidee relativeren (mei 1861). Dat deed ook Van Limburg Brouwer, die in september 1860 een reeks studies over de literatuur en wijsbegeerte van het oude Indië begon met een verdediging van het boeddhisme als een aan het christendom gelijkwaardige wereldreligie.
De gezagsverhouding tussen godsdienst en wetenschap bleek in het voordeel van de laatste bepaald. A. Winkler Prins, die in mei 1861 de Nederlandse vertaling van Darwins On the origin of species (1859) besprak, verzekerde dat het evolutionisme in beginsel niet het geloof bestreed. Maar waren de geloofsartikelen ‘in het een of andere opzigt niet bestand tegen de magt der onloochenbare feiten, zoo moeten wij zelfs onze meest geliefkoosde begrippen als dwalingen afleggen, ons verheugende in eene wetenschap, die het juk der vooroordeelen van onze schouderen neemt’ (1861, i, 720).
Overigens was de redactie helemaal niet zo ingenomen met de stroom van modern-theologische publikaties. Vooral Potgieter vond het voortdurende geschrijf over

63 Bericht over een vaste honorering van bijdragen, 1 december 1861.
theologie vervelend. Op het eind van 1862 besloot De Gids voorlopig zo min mogelijk over dit onderwerp op te nemen. Van dit streven kwam echter niet veel terecht. De theologie had wel een auteur in contact met De Gids gebracht, die in de volgende jaren binnen het blad een hoofdrol zou gaan vertolken: de vrijzinnige Waalse predikant Busken Huet, die door Van Gilse in 1857 was benaderd en sindsdien enkele geruchtmakende theologische bijdragen had geleverd. Busken Huet was inmiddels faam gaan verwerven met lezingen over de nieuwere Nederlandse letterkunde, die vooral door Potgieter met belangstelling werden gevolgd.
Potgieter was in 1847 akkoord gegaan met de nieuwe, meer algemene opzet, maar niet van ganser harte. Zijn ideaal was gebleven een Gids die door een zakelijke, maar strenge, corrigerende en sturende kritiek een bezielende nationale letterkunde zou vormen. Zo'n kritiek wijdde Potgieter in 1850, onder de titel ‘Hollandsche dramatische poëzij’, aan het toneelwerk van H.J. Schimmel, in wie hij een belofte zag, een jong auteur die de kwaliteiten bezat het Nederlandse toneel te maken tot een bron van nationale inspiratie. Het jaar daarop werd Schimmel - evenals Potgieter, Zimmerman en Muller werkzaam in de Amsterdamse handel - in de redactie opgenomen. Hij trad nu zelf in de voetsporen van Potgieter als criticus. Daarnaast leverde Schimmel in 1851 en 1852 het overgrote deel van het verhalend proza dat De Gids in dit hele decennium bevatte: enkele zorgvuldige historische novellen en een toneelfragment, alles met het karakter van gedramatiseerde geschiedschrijving of van rijk gestoffeerde historiestukken.
Ook voor poëzie was in De Gids weinig plaats. Incidenteel een vertaling naar Heine, Uhland, Lenau, Longfellow of De Béranger, in 1851 enkele wrang-humoristische ‘balladen’ van W.J. Hofdijk, soms wat ‘liedjes’ van J.P. Heije (1851, 1852, 1853), zo nu en dan een vermanende tijdzang van Potgieter, gericht tot de Nederlandse dichters of de Amsterdamse burgerij. Bij gelegenheid uitten Gids-redacteuren als Potgieter, Schimmel, Zimmerman, Van Gilse en Veth zich in satirische of hekelende versjes, onder titels als ‘Splinters’, ‘Bloempjes’ of ‘Mozaiek’ over actuele toestanden in politiek, kerk en literatuur. De jaargangen 1859 en 1860 bevatten een paar reeksen ‘Leekedichtjes’ van P.A. de


Genestet, mild-ironische commentaren op de verdeeldheid binnen kerk en wetenschap. In dezelfde jaren hervond Potgieter zijn dichterlijke inspiratie. De beste vrucht daarvan was de cyclus ‘Jacoba. Rijmen gevonden in het kamp bij Zeist’ (1860).
Als geheel was de bellettristische oogst mager. Bijna geen enkele van de toentertijd gevierde schrijvers en dichters heeft aan De Gids bijgedragen. Pas in 1861 was er weer een novelle van mevrouw Bosboom-Toussaint en een dramafragment van Schimmel, die ook - om in kopijnood te voorzien - een historische roman begon. ‘Mylady Carlisle’ werd als feuilleton, overigens zonder veel succes, tot mei 1863 voortgezet.
Belangrijker waren de literaire kritieken en studies die Schimmel, Potgieter en Zimmerman voor De Gids schreven: zeer uitgebreide en scherp-analyserende, soms zelfs pedante beoordelingen van taal, stijl, gebruik van de literaire middelen, inhoud en gedachte van een proza- of dichtwerk. In jaargang 1853 openden Schimmel, Potgieter en Zimmerman een georganiseerd offensief tegen het wereldverachtende ‘piëtisme’ in de Nederlandse letteren, dat zich van literaire vormen bediende om te preken en te stichten en dat vertegenwoordigd werd door Beets, Ten Kate, Ter Haar, Albertine Kehrer en Elise [van Calcar]. In Schimmels twee ‘Blikken in de werkelijkheid’ (januari, juli) en in Potgieters scherpe kritiek ‘Piëtistische poëzij’ (september) werd de

66 Opgave van Potgieters honorarium voor zijn talrijke bijdragen in 1862, 1 maart 1863.
eis gesteld van een plastische en levensgetrouwe literatuur, die haar inspiratie, onderwerpen en beelden zocht in de werkelijkheid van de - liefst eigen - maatschappij en natuur. D.W. [= Zimmerman] toonde in zijn vrij pedante bespreking van de humoristische zedenschetsen van Alexander Verhuell (maart-juni) dat De Gids een idealiserend realisme bedoelde: geen ‘daguerreotype’, maar een kunst die gedragen werd door een hogere idee en haar onderwerpen met fijn gevoel koos en behandelde.
Daarna begon de Gids-kritiek een wat incidenteel karakter te krijgen, hoewel Schimmel nog degelijke, nuchtere en verrassend scherp geformuleerde opstellen bijdroeg over een eeuw Nederlands drama (1855) - een studie met de omvang van een boek -, over Hendrik Conscience (1856), J.J. Cremer (1857), K.L. Ledeganck (1858), Jan van Beers (1859), Isaac da Costa (1860), nogmaals het Nederlandse toneel (1860), en de teloorgang van Hildebrand in dominee Beets (1860). Zimmerman schreef over de algemeen bewonderde Dickens (1854-1855), Longfellow (1858), de historische romans van A.L.G. Bosboom-Toussaint (1860), Schimmel (1861) en de jonggestorven De Genestet (1861). Potgieter vond pas in 1858 en 1859 de kracht, niet alleen tot nieuw dichtwerk, maar ook tot zijn typische, rapsodisch geschreven, erudiete maar overladen opstellen over de populaire dichter De Béranger en over George Crabbe.
Ondanks de opbloei van de literaire activiteit rond 1860 was De Gids, die langzamerhand het ideaal van de - inmiddels overleden - De Clercq begon te benaderen, niet naar Potgieters zin. Ongeduldig en veeleisend als hij was, raakte hij teleurgesteld in Schimmel en Zimmerman. In 1862 meende hij in Busken Huet, die juist zijn ambt neerlegde en de Kerk verliet, de zelfstandige, bezielde en prikkelende criticus te vinden die De Gids nodig had. Met Huet naast zich, zoals een kwart eeuw eerder Bakhuizen van den Brink, hoopte Potgieter nogmaals leiding te kunnen gaan geven aan de literatuur. In december 1862 kreeg Huet, die in februari zijn eerste literaire bijdrage, over P.C. Hooft, had geleverd, een eigen rubriek in De Gids: Letterkunde. Kronijk en Kritiek, waarin hij voortaan maandelijks geheel naar eigen inzicht zijn visie zou geven op oude en nieuwe Nederlandse en buitenlandse auteurs.
De Gids maakte trouwens in alle opzichten een levendige periode door. De hele discussie over de moderne theologie markeerde de overgang naar een vrijer intellectueel klimaat en naar maatschappelijke vernieuwing. Het tijdschrift stond hier middenin. De terugkeer van Thorbecke achter de regeringstafel (1862) werd voorafgegaan en begeleid door Gids-artikelen waarin Van Limburg Brouwer een waar gericht hield over de zwakke, beleidloze kabinetten sinds 1853, die naar zijn mening enkel gevormd waren om de gevreesde Thorbecke van de macht te houden en aldus werkelijke hervormingen te verhinderen. Dit was een ontoelaatbare bespotting van het constitutionele stelsel en een gevaar voor het gezag van de politiek. De organen van de publieke opinie moesten hiertegen hun stem verheffen, aldus Brouwer in het opstel ‘Parasitische politiek’ (februari 1861). Ook Brouwers volgende stukken, van 1862 en 1863, steeds namens De Gids, toonden een scherp clairobscur, dat het Thorbeckiaanse liberalisme als de enig beginselvaste en consequente, de vooruitgang en het algemeen belang vertegenwoordigende politiek in een helder licht zette, terwijl de oppositie zonder nuance een egaal duister vormde. Het Gids-archief leert dat de redactie vanaf 1862 geen stukken aannam die tegen Thorbecke en zijn beleid gericht waren.
In oktober 1862 besloten de redacteuren Potgieter, Muller, Zimmerman, Schimmel, Schneevoogt, Van Limburg Brouwer en Veth hun gezelschap uit te breiden. Het liberaal-politieke element werd nog versterkt door de toetreding van J.T. Buys, hoogleraar recht en staatsleer te Amsterdam, en de jonge econoom H.P.G. Quack, die al sinds 1861 voor De Gids een regelmatig overzicht van de buitenlandse politiek schreef. De toetreding van C.A. Engelbregt, hoogleraar geschiedenis te Amsterdam, bevestigde de historische belangstelling van De Gids: niet alleen vond de bellettrie haar inspiratie in het verleden en deed een sterk historiserende beschouwingswijze zich in de behandeling van bijna alle onderwerpen gelden; ook vormden al sinds de jaren veertig historische opstellen in het tijdschrift de grootste groep, met bijdragen van Bakhuizen van den Brink, J. Heemskerk Bz., R. Dozy, C.A. Engelbregt, Van Limburg Brouwer, de onuitputtelijke krijgshistoricus kolonel W.J. Knoop, en de belangrijkste van allemaal, R.J. Fruin, wiens ‘Het voorspel van den tachtigjarigen oorlog’ (1859-1860) klassiek is geworden.
De vierde nieuwe redacteur, op wiens uitnodiging vooral Potgieter aandrong, werd Busken Huet. Hij zou geen beoordelend, maar alleen schrijvend redacteur worden. Eveneens op Potgieters aandringen zou aan Huet voor zijn werk een hoger honorarium, van dertig gulden per vel (zestien bladzijden), betaald worden; de overige redacteuren ontvingen vierentwintig gulden, belangrijke medewerkers, als Vissering, Dozy en Fruin, twintig, gewone medewerkers zestien, incidentele inzenders tien. De omvang van De Gids werd van honderdvierenzestig naar honderdtweeënnegentig bladzijden vergroot. Zo begon het tijdschrift in januari 1863 een derde serie jaargangen.
In een bijblad bij dat januarinummer trad De Gids trots en zelfbewust op tegen de minister van oorlog die, geïrriteerd door het kritisch ‘geschrijf’ van officier Knoop, de vrijheid van openbare meningsuiting voor militairen ter discussie stelde. ‘Het is niet aldus, dat men van een schrijver spreekt als de Generaal Knoop; het is niet op deze wijze, dat men een tijdschrift bejegent als het onze.’ In maart 1863 plaatste de redactie een prikkelend
artikel, waarin de jonge mr. S. van Houten duchtig afrekende met de economische opvattingen van de gezaghebbende hoogleraar en Gids-medewerker Vissering. De maart- en aprilafleveringen bevatten een indrukwekkende, zorgvuldig gedocumenteerde reportage van dr. S. Coronel over de mensonterende arbeids- en leefomstandigheden van het Hilversumse proletariaat. Zo direct was de Gids-lezer nog nooit geconfronteerd met uitzichtloze ellende en gewetenloze uitbuiting. Aan de plaatsing was uitgebreide discussie voorafgegaan. Het stuk maakte op de meeste redacteuren een diepe indruk. ‘Zelden zijn de wonden van eenig deel der maatschappij zoo diep en grondig gepeild’, oordeelde Veth geschokt. Potgieter was als enige tegen. Hij, die in vroeger jaren over ‘eerlijke armoede’ dichtte, wenste deze realistische reportage liever niet, omdat hij de presentatie ‘saai, vervelend, walgelijk’ vond.
Het aspect van vorm en stijl was in De Gids altijd belangrijk geweest, maar nu Potgieter Huet naast zich wist legde hij er meer dan ooit de nadruk op. De nauwe samenwerking met Huet inspireerde hem. Jaargang 1863 bevatte vier, jaargang 1864 zelfs zeven dichterlijke

67 Spotprent, verschenen in De Nederlandsche Spectator van 9 mei 1863, naar aanleiding van de roman Mylady Carlisle van H.J. Schimmel, die na anderhalf jaar als feuilleton in De Gids te zijn verschenen in mei 1863 eindelijk werd afgesloten.

68 Titelpagina van het eerste deel van de ingebonden zevenentwintigste jaargang. Men begon de nieuwe serie na een aanzienlijke redactieuitbreiding.
bijdragen van zijn hand, naast de schetsen ‘Eene novelle?’ en ‘Onderweg in den regen’. In februari 1864 vertrok Engelbregt uit de redactie, nadat Potgieter onverholen zijn afkeuring had laten blijken over diens bijdragen. Bovendien werd het Engelbregt kwalijk genomen dat hij zich met een lang artikel over de actuele kwestie Sleeswijk-Holstein had begeven op het voor Quack gereserveerde terrein van de buitenlandse politiek.
Quack zelf plaatste in het oktobernummer een kort maar sympathiserend opstel over de briljante radicale Duitse arbeidersleider Lassalle. Het was het eerste artikel gewijd aan een sociale hervormer sinds De Clercq over Louis Blanc geschreven had. Veel begrip ontmoette Quack niet: een enkeling die het stuk gelezen had, hield het voor een novelle, zo schreef hij later in zijn Herinneringen.
Tot de meest spirituele bijdragen van 1863 en 1864 behoorden de maandelijkse opstellen van Busken Huet. Hij bezat meer persoonlijkheid en was een veel minder schoolse criticus dan Schimmel en Zimmerman. Potgieter overtrof hij in geestigheid en leesbaarheid. Zijn benadering week sterk af van de objectiverende Gids-kritieken van voorheen. Huet zocht de persoon van de schrijver. Hij benaderde zijn onderwerp subjectief, beurtelings met hartstocht en met ironisch vernuft, en was in staat tot briljante en treffende typeringen van auteurs en perioden. In het eerste jaar besprak hij naast Nederlandse ook buitenlandse publikaties; in het tweede jaar troffen zijn maandelijkse kwinkslagen de eigentijdse vaderlandse auteurs: Potgieter, Van Koetsveld, Beets, Ter Haar, Bogaers, Withuys, S.J. van den Bergh, Helvetius van den Bergh, Van Zeggelen, Schimmel, Bosboom-Toussaint, Van Lennep.
Toch wekte Huet binnen de redactie van het begin af enige irritatie. De stemming werd zelfs slecht toen in de loop van 1863 en 1864 bleek dat Potgieter en Huet het beleid geheel aan zich trokken. In onderling overleg, vaak buiten medeweten van de collega's, beslisten zij over de plaatsing van stukken, over de verdeling van recensies, over stilistische bewerking van reeds aangeno-

69 Cd. Busken Huet (1826-1886), redacteur van 1863 tot 1865, 1862.
Foto door Ch. Binger & Co.
men artikelen. Want zij waren in hoofdzaak geïnteresseerd in vorm en stijl, in literaire kwaliteit. Quack heeft later, in zijn herinneringen aan Huet, beschreven hoe Potgieter de door hem bewonderde jongere opnam ‘in een soort van exclusieve, de anderen uitsluitende vriendschap’. De redactie, voorheen een gemoedelijke vriendenkring, dreigde nu uiteen te vallen. Het eigenzinnige, autoritaire leiderschap van Potgieter werd langzamerhand ook niet meer als vanzelfsprekend geaccepteerd. Potgieter en Huet bleken in oktober 1864 bovendien, tot ongenoegen van de overige redacteuren, achter de rug van Van Kampen om naar een andere uitgever te zoeken, omdat Huet als feitelijk eindredacteur een veel hoger honorarium wenste dan Van Kampen kon of wilde afstaan.
De bom barstte in januari 1865. In dat nummer waren twee stukken van Huet opgenomen die, te zamen, voor de overige redacteuren onverteerbaar bleken. In zijn letterkundige kroniek besprak hij het almanakje Aurora, een onbeduidend bric-à-brac van versjes en schetsjes, dat jaarlijks werd opgedragen aan de koningin. Hij gaf zijn bespreking de vorm van een gesprek tussen de kunstlievende vorstin en haar hofdames, en legde daar-