
Potgieter heeft na januari 1865 geen goed woord meer voor De Gids over gehad. In zijn brieven aan Huet voorzag hij de afleveringen jaar na jaar en met opmerkelijk weinig variatie van zijn zuur commentaar. Minachting toonde hij voor zijn voormalige Amsterdamse vrienden. Rancuneus was hij jegens de Leidse redacteuren: Buys, Vissering, Veth en Fruin waren ‘pruiken’, ‘Leydsche doctrinairtjes’, en de laatste, die eigenlijk weinig met het conflict te maken had gehad, was maar een ‘flauw kereltje’, saai en duf. Toonde het blad een duidelijke koers, dan was het ‘doctrinair’; bood het ruimte aan tegengestelde meningen, dan ‘ademde het niet één geest’. Waren de bijdragen degelijk en wetenschappelijk, dan vond hij ze taai en droog; het overige was zonder meer middelmatig.
Aanvankelijk hoopten Potgieter en Huet nog het tijdschrift spoedig te kunnen overnemen. In juli 1865 informeerde Potgieter bij uitgever Van Kampen ‘of de Heeren met 1o jan. '66 dachten voort te gaan?’, iets dat hem, met het oog op het huidige peil, ‘weinig wenschelijk’ leek. Een jaar later meldde Huet dat er sprake zou zijn van een aanstaande opheffing, en hij voegde er malicieus aan toe ‘dat het oogenblik daartoe inderdaad gekomen schijnt’. Het was echter met De Gids helemaal niet zo slecht gesteld als Potgieter en Huet meenden of hoopten. Uit niets blijkt dat de redactie moeite had het blad voort te zetten, of dat het haar ontbrak aan kritische zin, richting of overtuiging, al waren er in de volgende jaren momenten van onenigheid en gebrek aan inspiratie.
Het onderscheid tussen De Gids van voor en na januari 1865 is niet gelegen in de kwaliteit, zelfs niet zozeer in de soort van bijdragen. Hooguit is de inspiratie veranderd: voor Potgieter en Huet was het bestaan van De Gids alleen zinvol zolang het blad een opvoedende taak vervulde en probeerde dwingend leiding te geven aan het Nederlandse geestesleven. Potgieter kon deze eis stellen omdat hij een overtuigde idealist was die de invloed en mogelijkheden van een cultureel tijdschrift verre overschatte.
Zijn voormalige mederedacteurs waren minder veeleisend, maar toonden misschien meer realiteitszin. Onder hun leiding werd vooral het instructieve en voorlichtende karakter van De Gids versterkt. ‘“De Gids” poogde in die jaren [...] de fakkel der verlichting in ons land vrij hoog te doen schijnen. [...] Doch het zwaartepunt van den inhoud was naar de richting der wetenschap verplaatst. De beste hoogleeraren van ons land zonden hun opstellen.’ Zo typeerde redacteur Quack later in zijn Herinneringen het decennium na 1865. De taak van De Gids werd in hoofdzaak, de geschoolde liberale burgerij op de hoogte te houden van recente ontwikkelingen op wetenschappelijk, maatschappelijk, politiek, economisch en letterkundig gebied, en deze ontwikkelingen te beoordelen.
Dat gebeurde zeer degelijk, in de vorm van periodieke

77 Gerard Keller aan de redactie van De Gids, 1 november 1865. Hij was uitgenodigd aan het blad mee te werken. ‘Mijne Heeren Uwe uitnoodiging om aan de Gids mede te werken is te vereerend en te vleijend om niet zeer geneigd te wezen terstond eene belofte te doen. Als ik evenwel naga wat ik geven kan en dit vergelijk met den inhoud van uw tijdschrift, dan vrees ik dat de Gids er niet door winnen zou, wanneer mijn werk er in opgenomen werd. Het zal mij nogtans een genoegen zijn, zoodra ik iets geschreven heb, dat naar mijne meening in aanmerking zou kunnen komen, dit aan uwe beoordeeling te onderwerpen. Met de meeste hoogachting heb ik de eer te zijn Mijne Heeren Uw dienstw. dienaar G. Keller.’

78 R.J. Fruin (1823-1899), redacteur van 1865 tot en met 1875, omstreeks 1865.
overzichten van wetenschappelijke literatuur en in de vorm van omvangrijke, kritische en diepgravende opstellen over vooral wijsgerige en theologische, politieke en sociaal-economische vraagstukken. Men moet een hoge dunk gehad hebben van het publiek: de studies op het gebied van ethiek, kennisleer of economische theorie die meestal tientallen, soms meer dan honderd bladzijden besloegen, stellen het geduld, de intellectuele ijver en het concentratievermogen van de lezer zwaar op de proef.
Opvallend in deze periode is de open blik en de oprechte belangstelling voor niet-Europese landen en volken. Het Midden-Oosten, Noord-Afrika, de Indische archipel, Australië en de Verenigde Staten werden in reisverslagen en studies beschreven, en zeer informatief waren de jaarlijkse verslagen die A.J.C. Geerts in 1871, 1872 en 1873 gaf van het leven in Japan.
Historische studies vormden nog steeds de grootste groep van bijdragen. Alleen al Fruin, de belangrijkste Nederlandse historicus van de negentiende eeuw, hoogleraar te Leiden en sinds januari 1865 redacteur, publiceerde vijftien studies over belangrijke momenten en personen uit het nationale verleden. Misschien is juist Fruin, de meester van de detailstudie en voor alles de bedachtzame, vrijzinnige intellectueel, strevend naar wetenschappelijke degelijkheid en objectiviteit, de verpersoonlijking van de geest die in deze jaren De Gids beheerste.
In de vijftien jaren na 1865 is het tijdschrift geleidelijk aan het orgaan geworden van de liberale establishment. Degelijkheid, ernst en een wat stijve deftigheid gingen

79 Gerard Keller (1829-1899), omstreeks 1870.
Gravure door D. Sluyter.
nog meer dan voorheen De Gids kenmerken. ‘De Gids [...] heeft smaak, maar het frissche is er wel wat af’, constateerde Fruin in 1868. Ook Veth, al sinds 1844 redacteur, meende dat de ‘deftigheid’ wel wat erg op de voorgrond stond, toen zijn collega's in 1871 een eenvoudige novelle van ds. P. Heering voor De Gids te onbeduidend oordeelden.
Na het midden van de jaren 1870 begon De Gids ook duidelijk aarzeling en vervolgens terughoudendheid ten aanzien van vernieuwing en verandering te tonen. Men geloofde voor alles in bedachtzaamheid en verwachtte verbetering alleen van geleidelijkheid. Wat Quack eens over zijn mederedacteur Buys heeft opgemerkt geldt ook enigermate voor De Gids in deze jaren: ‘hij wilde wel vooruit, doch hield de rem der lokomotief stevig in de hand.’
Intussen bleef De Gids een leidinggevend of tenminste gezaghebbend blad. Waarschijnlijk nam, met het meer gevestigde karakter, het gezag op politiek en maatschappelijk gebied zelfs toe: de Nederlandse burgerij, die Potgieter had willen opvoeden, was nu eenmaal geneigd het degelijk betoog en de kalme vermaning ernstiger te nemen dan briljante spot en opvoedende tuchtiging. Wel verdwenen, met het vertrek van Potgieter en Huet, het streven naar literair leiderschap en de sterke betrokkenheid bij de vaderlandse letterkunde.
De bellettrie De Gids beleefde geen bloeiperiode. Van

80 P. Heering (1838-1921), omstreeks 1890.
Foto door Chits & Fils.

81 J.A. Alberdingk Thijm (1820-1889), omstreeks 1880.
Foto door Boussod, Valadon & Cie.
Geertruida Bosboom-Toussaint verscheen na de roman ‘De verrassing van Hoey in 1595’ (1865-1866), nog door Potgieter en Huet binnengehaald, alleen een tentoonstellingspraatje en pas in 1877 nog de roman ‘Langs een omweg’. Waardering - zelfs die van Potgieter - oogstten de pittige reisbrieven uit Arcachon (1867) van de jonge doopsgezinde predikant Simon Gorter, en de novelle ‘Hilda’ (1871) van Constantijn [= M.P.W.C. van der Does-Scheltema]. Incidenteel was er een Indisch reisverhaal of een dorpsvertelling van ds. P. Heering, of een historische novelle, meestal gesitueerd in het zeventiende-eeuwse Holland, van de hand van J.A. Alberdingk Thijm of W.P. Wolters. Na 1875 werd het scheppend proza vertegenwoordigd door het grillig-romantische verhaal van C. van Nievelt, maar vooral door het genre van de dorpsnovelle, in navolging van de populaire J.J. Cremer beoefend door auteurs als P. Heering, H.E. Beunke, Marion Hope en H. Hollidee, en gekenmerkt door realistische tekening, levensechte dialoog in Overijssels, Walchers, Gelders of Brabants dialect, en een herkenbare thematiek van algemeen-menselijk lief en leed.
De literaire kritiek werd na het vertrek van Busken Huet wat plichtmatig overgenomen door Schimmel. Hij was
nog steeds een nauwgezet criticus met een rake pen, maar zijn enthousiasme was gedoofd toen hij ten gunste van Huet ter zijde was gesteld. In september 1866 besprak hij Klaasje Zevenster van de populaire Jacob van Lennep. Veel kwaliteit vond hij niet in dit boek, maar vooral nam hij er aanstoot aan dat de auteur zijn esthetische plicht verzuimd had door ook ‘het allergemeenste’, de ‘realiteit van steeg en kot’ te tonen. Ook in het algemeen bejubelde gedicht De Schepping van de gevierde predikant J.J.L. ten Kate, dat Schimmel in juni 1867 recenseerde, kon hij niet meer vinden dan een virtuoos in versvorm verpakte gematigd-rechtzinnige kanselrede. ‘Een prachtig gedicht’ noemde hij het werk ironisch, om de ‘schat van schoonheden van den tweeden rang’ (1867, ii, 531).
Zette hij zo als criticus de Gids-traditie voort - ook Potgieter verafschuwde de ‘versifex’ Ten Kate -, het was toch ook voor hem zelf duidelijk dat hij in vergelijking met Busken Huet te kort schoot in zelfstandigheid en kracht van visie. Maar toen hem in september 1867 bleek dat Zimmerman namens de redactie weer serieus met Huet onderhandelde over diens terugkeer als mede-


werker nam hij verontwaardigd zijn ontslag. Huet keerde echter niet terug: hij nam zijn voor De Gids bestemde opstel over de Vondel-waardering in Nederland terug toen Potgieter bezwaar maakte tegen het stuk, omdat het de onthulling van het Vondel-standbeeld zou ontluisteren: Huet beweerde namelijk dat de dichter wel geëerd maar niet gelezen werd, en ook nauwelijks tot lezen noodde.
De redactie zocht verder naar een goede medewerker voor literatuur. Zimmerman had al in juli 1867 aan Potgieter bekend met welke moeilijkheden hij als redacteur-secretaris kampte: ‘ik beul mijzelven af [...] ik bied hoog honorarium, ik doe laagheden, maar er is geen talent! Het is niet vol te houden.’ ‘Eigen schuld’, antwoordde Potgieter droogjes, ‘de juiste man werd uitgezet.’ In Simon Gorter, de talentvolle auteur van onder meer het reisverslag ‘Arcachon’, die in zijn stukken een kritisch nationaal gevoel liet doorklinken, meende men de opvolger van Huet en Schimmel te vinden. De redactie bood hem in oktober 1869 een jaarlijks honorarium van duizend gulden als hij zich verplichtte maandelijks een artikel over literatuur of schilderkunst te leveren. Dit was meer dan Busken Huet indertijd voor zijn werk gekregen had. Wel maakte men hem duidelijk niet gesteld te zijn op Huet-achtige branie. Gorter




kon het aanbod, om gezondheidsredenen, uiteindelijk niet aannemen. In 1871 overleed hij, na een jaar hoofdredacteur te zijn geweest van het juist opgerichte Nieuws van den Dag.
Zijn belangrijkste kritische bijdrage is een breedvoerige, maar soms verrassend satirische recensie van drie nieuwe Nederlandse romans geweest (februari 1869). Hij toonde dat zijn beoordelingsnorm vooral ethisch was. Dit kenmerk zou de Gids-kritiek na 1870 trouwens in het algemeen dragen. De romans Van Huis, door Gerard Keller, en Lidewijde, door Busken Huet, veroordeelde Gorter vooral omdat ze niets gemoedelijks, niets verzoenends of verheffends hadden. In Huets boek werd ‘over alle instellingen, grondbeginselen en vormen van menschelijke waarheid en gerechtigheid op eene verbijsterende, soms lichtvaardige, soms cynische wijze [gesproken]’. Uiteindelijk prefereerde Gorter dan ook J.J. Cremers Anna Rooze: dit mocht dan een onbenullig boek zijn, breedsprakig, overladen, diep noch hoog - het getuigde tenminste van trouwhartigheid en rechtschapenheid. ‘Hier spreekt men onze taal, hier vallen de gedachten in den Hollandschen plooi’ (1869, i, 343-344).
De tweeslachtigheid die Gorters bespreking kenmerkt: een oprecht verlangen naar het hoge, het grootse, het bezielende, maar uiteindelijk een veilige keuze voor het gemoedelijke, eenvoudige en burgerlijke, is ook typerend voor de stukken van Charles Boissevain, die in 1872 literair redacteur werd en in de volgende jaren meer dan twintig grotere bijdragen leverde. In maart 1871 zei hij zijn literair credo, in een aan Potgieter en Shelley ontleende beschouwing over de onmisbaarheid van de poëzie in het leven. In een tijd die, naar hij meende, gekenmerkt werd door ‘dor en droog intellectualisme’, scepticisme, materialisme en vulgariteit, had de dichtkunst de hoge taak een ideaal, een hoger levensbesef te tonen. De ware poëzie was harmonieus en optimistisch van strekking, stemde ‘tot vreugde en rust’ en bevorderde de ‘zedelijke veerkracht’. Natuurlijk diende zij enkel de schoonheid, maar - en hier toonde Boissevain waar hij stond - juist door het hart te openen voor de schoonheid van het zuivere en harmonische bevorderde zij deugd en godsdienst. Kracht en oorspronkelijkheid van expressie mochten dan ook niet ten koste gaan van ‘bevalligheid’, ‘welluidendheid’ en ‘bekoorlijke evenredigheid’.
De romantische vergoding van het kunstenaarschap, die Boissevain in dit opstel zei te veroordelen, toonde hij zelf in zijn geestdriftige pleidooi voor het grillige en radicale ‘genie’ Victor Hugo, ‘de grootste lyrische dichter dezer eeuw’ en voor het type van de controversiële kunstenaar in het algemeen: ‘wat aan onze fatsoenlijke, onverschillige, zelfzuchtige maatschappij ontbreekt, dat zijn juist die dwazen en waanzinnigen, die de beweegkracht zijn der maatschappij, die de wereld verjongen en de deftige lieden doen beven. O! wij hebben ze
't Is not the grapes of Canaän that repay,
But the high faith that failed not by the way.

zoo noodig, de onpractische helden, die [...] bankiers, burgemeesters en professors in de theologie tegen zich in het harnas durven jagen.’ (1872, iv, 511)
Maar wat waren deze frasen waard naast de lof die Boissevain enige maanden eerder had toegezwaaid aan het frisse, maar onbeduidende talent Cornelis Honigh, in wie hij een ware dichter, een ‘gunsteling der muzen’ meende te hebben ontdekt? Een jaar later betoogde hij, namens ‘alle fatsoenlijke lieden van het land’, dat een ongegeneerde polemist als Johannes van Vloten buiten de kring van de Nederlandse letterkundigen behoorde te worden gesloten (januari 1873). En toen zich in 1879 het eerste controversiële talent sedert jaren in Nederland aandiende, Marcellus Emants met zijn pessimistische mythe Lilith en zijn eerste naturalistische novellen, mengde Boissevain zich namens De Gids in het koor van critici die luidkeels getuigden van hun zedelijke verontwaardiging. Boissevain veroordeelde in het werk van Emants en Zola vooral hun schenden van al wat hij, namens de burgerlijke kring die hij vertegenwoordigde, voor edel, heilig en onaantastbaar hield op zedelijk, godsdienstig en maatschappelijk gebied. Zijn idealistische literatuur- en levensbeschouwing én zijn burgerlijk conformisme verzetten zich tegen het naturalisme en

89 Charles Boissevain (1842-1927), redacteur van 1872 tot en met 1888, 1893.
Lithografie door Jan Veth.
pessimisme, die rond 1880 in Nederland onderwerp van discussie werden.
Een decennium eerder toonde De Gids zich vrijzinniger en ruimer van opvatting. Tot de meest opvallende bijdragen van deze hele periode behoren wel de vertalingen en opstellen van Van Limburg Brouwer, tot 1865 redacteur, van 1866 tot aan zijn vroege dood in 1873 medewerker. Jurist van studie, archivaris van beroep en liberaal politicus daarnaast, had deze eenzelvige geleerde zich een grondige kennis van de wijsbegeerte, de geschiedenis, het Hebreeuws, Arabisch, Sanskriet en Chinees bijgebracht. Al in 1860 was hij begonnen de aandacht van het Gids-publiek te vragen voor de oude oosterse literatuur en levensbeschouwing. Nu zette hij zijn idealistische zendingswerk voort met vertalingen van oude Indische leerdichten, novellen en toneelstukken en zelfstandige studies over de Indische filosofie, de vedanta, maar ook over de kabbala en het confucianisme. Zijn bedoeling met dit pionierswerk was de waarde van de christelijke leer en de westerse intellectuele beschaving te relativeren. Hij was allerminst een dweper - Potgieter, die zijn karakter en volharding bewonderde, typeerde hem als ‘louter man des verstands’ - maar hij meende stellig dat alle dogmatisme en

90 Marcellus Emants (1848-1923), 1880.
Foto door M. Verveer.
religieus parochialisme zich zouden gaan oplossen in een wereldwijd humanisme, en dat de uitingen van alle beschavingen in heden en verleden even belangwekkend waren, alleen al uit het oogpunt van de beschavingsontwikkeling van de mensheid. Zijn interesse was zuiver wetenschappelijk. Nuchter, vrij van enig vooroordeel was hij bereid elk standpunt, zelfs het atheïstische, rustig en tactvol aan zijn tijdgenoten voor te leggen en hij liet zich daarvan niet weerhouden door ‘den smaad hem om de vrijgeesterij aangedaan, den spot waarmede dat overoud oostersche werd begroet’, zoals Potgieter schreef bij de dood van Brouwer.
Wijsgerige en theologische vraagstukken werden in deze jaren ijverig en diepgaand besproken. Elf procent van de bijdragen betrof een dergelijk onderwerp. De discussie over de moderne theologie duurde onverminderd voort. De zeventien artikelen die de professoren A.D. Loman en C.P. Tiele op dit terrein bijdroegen, tonen dat de moderne theologie inmiddels van aanvallende tot verdedigende partij was geworden: veel voormalige verdedigers van de moderne theologie verlieten de kerk toen zij zich de consequenties van hun intellectualistische godsdienstopvatting zonder geloof realiseerden en keerden zich tegen de achterblijvers.
Tiele en Loman bleven in hun Gids-opstellen zoeken naar een functie voor de moderne godsdienstopvatting binnen de kerk. Vooral in Lomans beschouwingen weerspiegelt zich het probleem van veel toenmalige intellectuelen die geen persoonlijke God, geen goddelijke Christus en geen geopenbaarde bijbel meer konden aanvaarden, maar wel hechtten aan religie en zelfs aan het

91 Spotprent, verschenen in De Nederlandsche Spectator van 20 december 1879, naar aanleiding van de pennestrijd over het epische gedicht Lilith van Marcellus Emants.

92 C.P. Tiele (1830-1902), omstreeks 1880.
Foto door J. Baer.

93 J.A. Sillem (1840-1912), redacteur van 1871 tot en met 1894, omstreeks 1870.
christendom. Uiteindelijk zochten zij in de schoonheid van de christelijke gedachte en het ‘wonder’ van het historische christendom zelf een substituut, dat aan hun religieuze behoefte enig houvast bood.
Rond 1870 werden in De Gids gelijktijdig twee tegengestelde wereldbeschouwelijke opvattingen verdedigd. De ene was gebaseerd op de natuurwetenschap en stelde dat de ijzeren logica van de noodzakelijkheid de sleutel vormde tot begrip van zowel de natuur als de maatschappij en de menselijke geest. Zij aanvaardde het materialisme en ook het pessimisme. De andere opvatting, die in de jaren zeventig in De Gids de voorrang verwierf en duidelijk meer aan de geestelijke behoefte van de Gids-kring voldeed, ging ook uit van de natuurwetenschap maar stelde dat het empirisme, determinisme en materialisme achterhaald waren, juist door de modernste inzichten in de aard van de materie en de menselijke waarneming. Er was daardoor opnieuw ruimte voor het geestelijke en het ethische, voor de individuele vrijheid en verantwoordelijkheid.
Belangwekkend is vooral jaargang 1871. In een uiterst vrijmoedig opstel beschouwde ‘angry young man’ S. van Houten ‘De methode der natuurwetenschap in verband met die der geestelijke wetenschappen’. De theologie, de wijsbegeerte, de sociale wetenschappen en de staatkunde konden van de natuurwetenschap vooral de les opdoen, niet de leer boven de feiten te stellen. Van Houten verwierp het krampachtige geloof van zijn liberale tijdgenoten in voortdurende vooruitgang en kritiseerde de liberale dogma's van het maatschappelijk individualisme ‘met het “ieder voor zich” tot leus’, en van de natuurlijke harmonie van alle maatschappelijke belangen. Maar vooral beklemtoonde hij dat niet God maar de maatschappij zelf voor haar ontwikkeling verantwoordelijk is: ‘Het ongeloof, dat bestreden worden moet, is het ongeloof aan den noodwendigen zamenhang der dingen; de meening, b.v. dat men de regelen der gezondheidsleer verwaarloozen kan, en toch (zoo God wil, D.V.) van ziekten bevrijd kan blijven, of dat men in de maatschappij onregt kan laten voortbestaan en niettemin (altijd wederom Deo Volente) aan maatschappelijke beroering ontkomen kan, enz. enz. Dat ongeloof maakt de handen traag en de knieën slap. In ons land heeft het duizende leerstoelen.’ (1871, iii, 341) Opvallend in dit liberale tijdschrift was ook Van Houtens stelling dat het individu niet altijd verantwoordelijk kon worden gehouden voor zijn eigen succes of falen, omdat zijn vrijheid beperkt was door maatschappelijke omstandigheden die hij niet kon beheersen. Deze mening verkondigde ook mr. S.M.S. de Ranitz, in hetzelfde augustusnummer, in een humane beschouwing over het strafrecht: ‘Heeft men eenige gelegenheid gehad met den toestand van de lagere bevolkingsklasse bekend te worden, zoo verwondert men zich, niet dat er zoovele, doch dat er niet meer misdrijven gepleegd worden. [...] Het valt niet te ontkennen dat de inrigting der maatschappij aanleiding geeft tot vele ellende, en dientengevolge tot vele misdrijven.’ (1871, iii, 311)
Tot heel andere conclusies kwam Allard Pierson, hoogleraar theologie te Heidelberg, in zijn studie ‘Een keerpunt in de wijsgeerige ontwikkeling’ (juni 1871). Uit de nieuwste natuurwetenschappelijke inzichten meende hij te mogen afleiden dat de sfeer van het geestelijke en zedelijke vrij is van het schijnbaar in de natuur geldende determinisme. Dit betekende dat het stellen van idealen, het onderscheiden van goed en kwaad, het accentueren van de zedelijke verantwoordelijkheid van het individu weer zinvol werden, en zelfs plicht, want juist hierdoor
verhief de mens zich boven de natuur: ‘de mensch wiens kwaad doen op rekening wordt gesteld van gewoonte, opvoeding, voorbeeld, duizend omstandigheden, hij ziet zijne adelsbrieven verscheurd.’ (1871, ii, 482)
Piersons gevoelsmatige idealisme en zijn afkeer van het determinisme vielen in de jaren zeventig ook te beluisteren bij Boissevain, bij redacteur J.A. Sillem, een bankier en homme de lettres die in De Gids over geschiedenis schreef, en - consequenter doordacht - bij de filosofen C. Bellaar Spruyt en B.H.C.K. van der Wijck, die regelmatig specialistische, soms zeer omvangrijke, studies in het blad publiceerden.
Sterk in de aandacht stond in deze jaren de Engelse filosoof John Stuart Mill. Professor S. Hoekstra Bzn. wijdde in 1865 bijna honderd bladzijden aan een kritische beoordeling van Mills utilitaristische ethiek - zijn studie is misschien het zwaarste stuk dat ooit in De Gids is verschenen -, Van der Wijck vatte bij Mills dood in 1873 diens verdiensten samen, en Pierson, in deze periode de meest prominente Gids-medewerker, gaf in 1874 onder meer een strenge kritiek van Mills beroemde On liberty, dat sinds 1859 ongeveer het vademecum van de Nederlandse liberalen was geworden. Pierson greep juist dit boek aan, omdat hij wilde aantonen dat de geijkte liberale argumenten voor een volledig ‘Staats-laisser-aller’ niet steekhoudend waren. De waarde van vrijheid en individualisme, zo betoogde Pierson, is niet absoluut,

maar kan slechts bepaald worden binnen een concrete maatschappelijke toestand. De staat is veel meer dan alleen de politie van de maatschappij en kan heel wel een positieve functie hebben.
Dit was een veelbesproken vraagstuk in de liberale Gids-kring. Ook in het sociale werden de opvattingen minder dogmatisch. De jonge econoom N.G. Pierson gaf in november 1869 een positief oordeel over het stakingsmiddel en kritiseerde de onredelijkheid en onbillijkheid in de sociale opvattingen van de liberale bourgeoisie in de jaren 1850 en 1860. Ook Quack verkondigde in zijn sociale opstellen (1874) en zijn studies over de verhouding tussen staat en maatschappij (1868 en 1875) steeds opnieuw dat een gemeenschapsbesef in de plaats moest komen van het liberale individualisme en het economische egoïsme, en dat de sociale kwestie niet genegeerd moest worden, maar opgelost door versterking van de band tussen de sociale klassen.

Maar liberaal bleef De Gids. De inzet, maar ook de uitkomst van het conflict van 1865 was geweest: loyaliteit van De Gids jegens de liberale beweging en haar onbetwiste leider, de staatsman Thorbecke. In hoofdzaak kenmerkte het blad zich in de volgende jaren door een onwankelbaar, tot iets als een geloof groeiend vertrouwen in de juistheid van de liberale beginselen en een dogmatische gehechtheid aan de constitutionele vormen van 1848. Maar tegelijk was er toenemende kritiek op de liberale partij en op het functioneren van de volksvertegenwoordiging.
Politiek woordvoerder van De Gids werd nu J.T. Buys en hij zou dat blijven tot aan zijn dood in 1893. Hij was een koele, gereserveerde man die sterk hechtte aan correctheid van spreken en handelen en bij het woord vrijheid vooral dacht aan verantwoordelijkheidsbesef en eerbied voor orde. In zijn twee of drie opstellen per jaar, zorgvuldig bewerkt en ondanks de ernstige bedoeling vaak meesterlijk van beheerste ironie, analyseerde en becommentarieerde Buys de parlementaire situatie: het functioneren van regering en vertegenwoordiging, de opvattingen en stromingen binnen de partijen en hun wijze van politiek voeren. In Den Haag werden zijn stukken gretig gelezen en het woord van deze man, die Thorbeckes opvolger had kunnen worden maar verkoos buiten de politiek te blijven, bezat zeker in liberale kring gezag.
In zijn Gids-beschouwingen toonde Buys vooral een hoge, te weinig plooibare, opvatting van politieke ethiek, een streng vasthouden aan de constitutionele regels, afkeer van demagogie en wantrouwen in de democratie, waarvan hij geen kwalitatieve verbetering van het staatsbestuur verwachtte. In de politiek bewogen jaren na 1865 volgde hij, waarschuwend en gispend, de toenemende verdeeldheid en improduktiviteit van de liberalen. Hij adviseerde de volksvertegenwoordigers dringend zich aaneen te sluiten tot een conservatief en een liberaal blok, herkenbaar aan duidelijke beginselen en beleidsvoornemens, zodat tenminste de parlementaire verhoudingen helder zouden worden en er een einde kon komen aan de aanhoudende onvruchtbaarheid op wetgevend gebied. In de jaren zeventig werd zijn toon somberder. In juni 1872 waarschuwde Buys dat de machteloosheid om tot hervormende wetgeving te komen een bedreiging zou worden voor het parlementaire stelsel zelf: het ‘nationaal gezond verstand’ kon weleens ‘praktische resultaten zonder parlement’ gaan prefereren boven ‘een parlement zonder praktische resultaten’ (1872, ii, 495).
Hij schreef deze woorden naar aanleiding van het roemloze uiteenvallen van het derde kabinet-Thorbecke, vooral veroorzaakt door de verdeeldheid onder de liberalen zelf. Kort daarop, in juni 1872, overleed de liberale leider. Redacteur Vissering herdacht in een kort en sober maar van de hoogste bewondering getuigend woord de man die ook op het tijdschrift zo'n grote invloed had uitgeoefend: ‘nooit is een staatsman gestorven, zoo diep, zoo algemeen, zoo oprecht betreurd door zijn volk als thorbecke.’
De Gids had Thorbecke incidenteel bekritiseerd, maar in beginsel onderschreef de redactie zijn opvattingen en bedoelingen. Nog in februari 1872 wees zij, hoewel niet eensgezind, een kritiek van de oppositionele radicaalliberaal Van Houten op Thorbeckes staatsleer af: ‘Ik ben er tegen, dit stuk te drukken en te releveeren door het gezag van de Gids,’ oordeelde Zimmerman, die het onbetamelijk en onstaatkundig vond ‘om nu den open strijd in ons tijdschrift te doen aanbinden tegen den leider der liberale partij, die zoolang hij leeft [...] de eenig mogelijke man is.’ In plaats daarvan schreef Vissering in april een kritiek op het inmiddels als brochure uitgegeven stuk.
Toch zag ook De Gids in deze jaren geen rechtlijnig spoor meer. Tegenover de jong-liberalen, die onder andere voor kiesrechtuitbreiding en een meer sociale politiek waren, stelde het blad zich aarzelend op. Incidenteel bood het ruimte aan opstellen uit deze kring, omdat de jong-liberalen tenminste idealen hadden en vooruit wilden, en elk constructief voorstel welkom was. ‘Wij liberalen van '48 worden oud en neigen tot conservatisme over. Laten nu maar de jongelieden opkomen en met een flink programma hunne desideria formuleeren’, noteerde Vissering in 1873 bij zo'n opstel van

96 J.T. Buys (1828-1893), redacteur van 1863 tot en met 1893, 1861.
mr. J.D. Veegens. Maar De Gids maakte zich zeker niet tot woordvoerder van de jong-liberale richting en verweet deze zelfs scheurmakerij en gebrek aan realiteitszin. In 1874 begonnen de jong-liberalen en kathedersocialisten dan ook een eigen tijdschrift, Vragen des Tijds, dat door Vissering in De Gids vriendschappelijk maar met scepsis werd begroet.
Een centraal vraagstuk was in deze jaren of een beter functioneren van regering en volksvertegenwoordiging bereikt kon worden door kiesrechtuitbreiding of een ander kiesstelsel. Auteurs als Buys en Vissering meenden van niet: het landsbestuur moest niet berusten op de macht van het getal, maar op de persoonlijke bekwaamheid en integriteit van de vertegenwoordigers, en daarop oefende noch het kiesstelsel noch het aantal kiezers invloed uit. Ook toonde men zich steeds beducht voor overheersing van de intellectuele minderheid door de menigte, die een werktuig zou zijn ten dienste van bisschoppen, predikanten en patroons. Zo zocht Fruin, in ‘De Quaestie der Kiesdistricten’ (oktober 1869), naar een stelsel dat aan minderheden recht zou doen.
Opzienbarend was dan ook dat De Gids in april 1871 het artikel ‘Democratie en constitutioneele monarchie’ publiceerde, slechts ondertekend L. De auteur, mr. M.C.L. Lotsy, betoogde hierin dat uitbreiding van de democratie onafwendbaar was en dat het parlement niet een vergadering van ‘intellectueele artistocraten’ moest zijn, maar een ware vertegenwoordiging van alle volksbelangen. ‘Waar het zwaartepunt van het gezag van den troon is gevallen in het parlement, daar is dat parlement slechts de trechter, die het gezag moet laten afdalen naar de bron van die vergadering, het volk.’ (1871, ii, 73) In november 1873 confronteerde ook de jongliberaal J.D. Veegens het Gids-publiek met de harde waarheid. In zijn ‘Politieke gedachten van een leek’ toonde hij dat van de zo noodzakelijke belasting-, kiesrecht- en dienstplichthervorming niets zou komen zolang het bestaande census-stelsel slechts de vertegenwoordigers van de gegoede burgerij in de Kamer bracht, die niet bereid waren tegen hun eigen groepsbelang te handelen. Voor het eerst werd in De Gids uitgesproken dat het parlement feitelijk een klassevertegenwoordiging was en de liberale partij niet meer het algemene belang, maar dat van de bourgeoisie satisfaite voorstond. Het waren de jaren waarin De Gids tenminste ruimte bood aan opvallende discussiestukken: november 1873 bracht de drieëntachtig bladzijden lange aanklacht ‘Holland op zijn Smalst’, van jhr.mr. Victor de Stuers, een treurigstemmende reeks voorbeelden van verwaarlozing, moedwillige vernieling en verkoop van kunstvoorwerpen en monumenten door Nederlandse particulieren, instellingen en overheden. De Stuers vroeg dringend van de rijksoverheid de kunst te erkennen als een wezenlijk nationaal belang ‘waarvoor even goed als voor Waterstaat, Defensie en Koloniën behoort gezorgd te worden’ en hij toonde dan ook vooral het economisch voordeel ‘in guldens Nederlandsch courant’ aan van een consistent kunstbeleid (1873, iv, 320-321). In de twee volgende jaren hamerde hij, strijdvaardig, nogmaals op hetzelfde aambeeld, al probeerde hij in de opstellen ‘Iteretur decoctum’ (= het medicijn worde opnieuw toegediend) en ‘Unitis viribus’ (= met vereende krachten) vooral bij het Nederlandse publiek het besef van verantwoordelijkheid voor het nationale kunstbezit te wekken.
De Stuers' artikelen herinnerden in toon en bedoeling aan die van de jonge Potgieter. In 1875 werd hij genoemd als mogelijke opvolger van Fruin in de redactie. Zo ver kwam het echter niet, omdat Zimmerman en Muller zijn kandidatuur afwezen, evenals die van Carel Vosmaer. Vanaf het midden van de jaren zeventig gingen conservatisme en conformisme in De Gids overheersen. Niet onjuist oordeelde Busken Huet over jaargang 1878 dat ‘frissche denkbeelden en verrassende gezigtspunten’ ontbraken. ‘De wegbereider van voorheen is eene industriële onderneming tot plaatsing van kopij geworden, die eene bepaalde lengte moet hebben en niet



onrustig mag wezen.’ Fruin, Veth, Vissering en Zimmerman hadden inmiddels de redactie verlaten, die alleen werd aangevuld met mr. W.H. de Beaufort, een welgestelde, bedaarde man met een liberale overtuiging en een historische belangstelling. De redactie was zich bewust van haar gebrek aan enthousiasme, maar vond geen oplossing. ‘Ik heb meestal een paar dagen na een Gidsvergadering noodig, om het ontmoedigende van de pessimistische, het verleden verheerlijkende, in het heden twijfelende gesprekken te vergeten,’ klaagde Boissevain in november 1877 tegenover redacteur-secretaris Quack. In juli 1878 was het Buys die Quack over de kwestie aansprak: ‘'t Wordt dunkt mij hoog tijd dat wij eens ernstig de toekomst bespreken, want ik ben het geheel met u eens dat er verandering behoort te komen.’ Nieuwe redacteurs moesten het leven in De Gids terugbrengen. ‘Zou Van Hall, die nu te Amsterdam gevestigd is, niet bruikbaar zijn?’
remieg aerts
