Binnen De Gids van de jaren negentig namen literatuur en kunst een ruime plaats in. Het blad stelde zich nu tamelijk welwillend op - Van Hall ging zelfs Kloos en Verlaine bewonderen - en vond aansluiting bij de nieuwe letterkunde. Toch werd De Gids in modern-artistieke kring niet meer als autoriteit beschouwd: hij bezat meer status dan gezag. Het nieuwe talent verzamelde zich vooral rond tijdschriften als De Nieuwe Gids, het Tweemaandelijksch tijdschrift, Van nu en straks en De Kroniek van P.L. Tak. Een uitgesproken richting of beweging vertegenwoordigde De Gids niet. Typerend zijn de woorden van Van Hall, toen hij in augustus 1894 - zonder triomfalisme of leedvermaak - het uiteenvallen van de Nieuwe Gids-kring besprak en de balans van dit tijdschrift opmaakte: ‘De Nederlandsche letterkunde en de Nederlandsche taal zijn niet en mogen niet zijn het werk van een partij; en al zijn er die ons hunne leer als de alleen zaligmakende willen opdringen, zij zullen ons niet beletten de kunst van het woord te genieten, van waar zij ook tot ons kome’. (1894, iii, 363)
Wel publiceerde een aantal auteurs vrij regelmatig in De Gids: Hélène Swarth leverde bijna maandelijks verzen, Couperus en Emants droegen romans, verhalen en reisschetsen bij, Henri Borel Chinese schetsen en novellen, Cyriel Buysse zijn naturalistisch proza, Marie Boddaert en Pol de Mont gedichten en de laatste ook studies. Meer incidenteel was de aanwezigheid van Herman Heijermans, Frans Coenen, Carel Scharten en Augusta de Wit (ook als G.W. Sylvius).
Groot was vooral het aandeel van de letterkundige studies. Auteurs als J.N. van Hall, A.G. van Hamel, W.G.C. Byvanck, J.E. Sachse, R.C. Boer, Allard Pierson, W.G. van Nouhuys en G. Kalff schreven opstellen over moderne Franse, Scandinavische of Russische letterkunde en over Nederlandse en buitenlandse ‘klassieke’ auteurs. Opvallend is ook de toegenomen aandacht voor schilderkunst, muziek en toneel. Een regelmatig Muzikaal Overzicht werd van 1894 tot 1913 verzorgd door Henri Viotta. Hij schreef veel over opera en bij voorkeur over Wagner, wiens apostel in Nederland hij was. Het Dramatisch Overzicht werd door Van Hall en Van Hamel bijgehouden.
De grote plaats voor de kunst, de medewerking van Couperus en de wat vrijere moraal waarvan sommige moderne literatuur getuigde, wekten echter al spoedig verzet in eigen kring. Couperus' romans ‘Noodlot’ (1890) en ‘Extaze’ (1892) en zijn verhaal ‘Kleine raadsels’ (1892), gekenmerkt door fatalisme, een zekere geëxalteerdheid en broeierigheid en een hang naar het mysterieuze, werden voor redacteur W. van der Vlugt reden om begin september 1892 De Gids te verlaten. Hij had er genoeg van vergeefs te protesteren bij Van Hall, die geheel naar eigen goeddunken besliste over de plaatsing van literaire bijdragen. Directe aanleiding tot het vertrek van de Leidse rechtsgeleerde - een ernstig man met hoge ethische normen en strenge fatsoensopvattin-

127 A.G. van Hamel (1842-1907), redacteur van 1887 tot en met 1907, omstreeks 1900.
Lithografie door F. Hart Nibbrig.

129 Pol de Mont (1857-1931), omstreeks 1895.

128 H. Viotta (1848-1933), 1896. Op de achtergrond Richard Wagner, wiens muziek door Viotta in Nederland werd gepropageerd.
Door H.J. Haverman.
gen - was een essay van W.G.C. Byvanck over Shelley (augustus-september 1892). Een daarin opgenomen anekdote, die verhaalde hoe de krankzinnig wordende dichter zich eens geheel naakt had vertoond in een salon waar dames het diner gebruikten, typeerde voor Van der Vlugt de verkeerde koers van De Gids.
Hij, die zelf in dit blad ijverde voor herstel van de geestelijke en zedelijke frisheid en ernst en voor maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel bij jongeren uit de bevoorrechte kringen, wenste niet langer aansprakelijk te zijn voor ‘een tijdschrift, dat naar mijn innige overtuiging bezig is, de geestelijke atmosfeer, waarin wij ademen, te vergiftigen’, zoals hij op 3 september 1892 liet weten. Toen Buys, die zijn bezwaren tegen Couperus en Byvanck niet deelde, hem van zijn vertrek trachtte te weerhouden, zette Van der Vlugt in een brief van veertien dichtbeschreven kantjes zijn grieven uiteen. Het werk van Couperus en Byvanck was voor hem ‘één samenweefsel van mysticisme en sensualiteit, van kinderachtig bijgeloof en zedelijk ongeloof’
en hij herkende daarin ‘de onbedrieglijksten karaktertrek van ver voortgeschreden decadentie’. Naar zijn mening was de taak van De Gids juist ‘het hoognodige tegengif tegen dergelijke schrijverij’ te bieden. ‘Laat de Redactie toch eens eindigen “het Gidspubliek” te doen opgaan in het kringetje van 30 of 50 hyper-aesthetische Amsterdammers die het vertegenwoordigen voor Quack en van Hall [...]. Er is, Goddank, nog een ander en een zeer talrijk publiek daarbuiten.’
Volgens Van der Vlugt had De Gids geen oog voor de belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen: de sociale agitatie, het kiesrechtvraagstuk, de opkomst van de confessionele partijen. Terwijl alles erop wees dat ‘onze tijd zich bewust wordt van eene weêrgalooze ethische crisis’ zocht De Gids zijn kracht ‘in novellen en schetsjes en critieken, weerzinwekkende mengsels van overprikkeld zenuwleven en boeddhistische mystiek, gepeperd ten slotte met eene aangezette viezigheid. Welk verschil is er dan tusschen dit lijforgaan van het liberalisme en het dagboek van Lodewijk xvi, dat tijdens de “grandes journées de la révolution” slechts de resultaten der koninklijke jacht eene vermelding waard achtte?’
Quack, ook persoonlijk gegriefd door Van der Vlugts kritiek, haalde zijn schouders op over diens onbegrip van de moderne literatuur en wierp het verwijt van onmaatschappelijkheid terug: ‘Van der Vlugt had immers de vrijheid over al deze onderwerpen te schrijven, indien hij een vaste opinie er over had!’ In 1901 zou Van der Vlugt met een aantal geestverwanten het tijdschrift Onze Eeuw oprichten, dat duidelijk de ambitie - maar op den duur niet de kwaliteit - had om de plaats van De Gids in te nemen.
In september 1892 overleed redacteur Hooyer. Ook Ho-

130 W. van der Vlugt (1853-1928), redacteur van 1886 tot en met 1892, omstreeks 1905.

131 ‘De blijde muze onzer dagen’. Spotprent, verschenen in De Nederlandsche Spectator van 5 maart 1892, naar aanleiding van de belangstelling van een aantal schrijvers voor (zelf)moord en doodslag. De verhalen van Couperus en Seipgens waren verschenen in De Gids.

132 W.G.C. Byvanck (1848-1925), redacteur van 1893 tot en met 1905, omstreeks 1905.
nigh verliet De Gids. De redactie werd nu aangevuld met de letterkundige Byvanck, auteur van het Shelley-artikel en van een veelbesproken bundel over moderne Franse kunstenaars (Parijs 1891), en met de gerenommeerde Utrechtse hoogleraar in de zoölogie en vergelijkende anatomie A.A.W. Hubrecht. Nog meer veranderingen volgden: in mei 1893 overleed Buys, dertig jaar redacteur en een man van groot gezag in Nederland. In zijn laatste Gids-opstel, ‘Aan gene zijde van het algemeen stemrecht’ (november-december 1892), had hij nog eenmaal - pessimistisch maar zonder bekrompenheid - gewaarschuwd tegen een overhaaste democratisering, die onherroepelijk zou zijn. In oktober kondigden ook andere oudgedienden hun vertrek aan: De Beaufort, Quack en zijn vriend Sillem, welgesteld Amsterdams patriciër, mede-oprichter van het Concertgebouw en Gids-redacteur sinds 1871.
Men bezon zich nu op de verdere koers van De Gids. Byvanck, die al direct een belangrijke stem binnen de redactie had, gaf in overweging of niet ‘de koloniën en de buitenposten (Vlaanderen, Kaap, Transvaal, deelen van Amerika) invloed in de redactie’ moesten krijgen. Ook kwam een fusie met het links-liberale Vragen des Tijds ter sprake, maar deze werd verworpen. In deze jaren, waarin de vraagstukken van het kiesrecht en het sociale beleid de liberale partij in een conservatieve en een

133 Spotprent, verschenen in De Nederlandsche Spectator van 15 augustus 1896, naar aanleiding van Van Halls veranderd oordeel over het werk van Willem Kloos.
Door W.A. van Konijnenburg.
progressieve stroming verdeelden en de koers van de maatschappelijke ontwikkelingen onduidelijk was, had De Gids - het bleek al uit Quacks antwoord op de kritiek van Van der Vlugt - allerminst een ‘vaste opinie’. Men besefte het zelf en Byvanck stelde dan ook voor De Gids ‘waarlijk meer het karakter van een tribune’ te geven, toegankelijk voor elke zinnige en verdedigbare mening. Zo zou De Gids, zonder een eigen richting te vertegenwoordigen, toch actueel kunnen zijn. Byvancks voorstel werd niet aangenomen, maar in praktijk toonde De Gids in de jaren negentig inderdaad een betrekkelijk open karakter.
Op voorstel van redacteur A.G. van Hamel, hoogleraar Frans in Groningen, werd de Gids-kring aangevuld met de progressieve Amsterdamse hoogleraar economie P.W.A. Cort van der Linden en met de in Rome verblij-

134 Louis Couperus (1863-1923), redacteur in 1894 en 1895, 1892.
Lithografie door Jan Veth.

135 Omslag van de boekuitgave van Couperus' roman (1900).
Ontwerp door Chris Lebeau.
vende Louis Couperus. Quack besloot nog een jaar te blijven, om de overgang soepeler te doen verlopen. Zijn afscheidsrede als hoogleraar te Amsterdam, ‘Over het begrip der gemeenschap’, werd in juli 1894 in De Gids afgedrukt. Nogmaals betoogde Quack dat de gemeenschapsidee de grondslag moest worden van de maatschappelijke orde en de activiteit van de staat. Een voorzichtige herverdeling van de rijkdom door de staat en een actievere zorg voor het welzijn van alle burgers moesten als mogelijkheid onder ogen gezien worden. ‘Bekrompen zij, die angstig in al deze ter sprake gebrachte maatregelen slechts uitingen zien van een bedwelmend socialisme.’ Op repressie van gerechtvaardigde eisen kon niet duurzaam een maatschappelijke orde worden gevestigd. ‘Men kan alles met de bajonetten doen, behalve er op gaan zitten.’ (1894, iii, 89)
Toen ook Quack, einde 1894, na tweeëndertig jaar De Gids verliet - hij bleef er overigens regelmatig sociale artikelen in publiceren - verdween met hem de laatste redacteur die nog samen met Potgieter het blad geleid had. De generatie van Potgieter was inmiddels letterkundige geschiedenis geworden, onderwerp van opstellen in De Gids. De heren die De Gids na Quacks afscheid leidden, waren Van Hall, Van Hamel, Byvanck, Couperus, Hubrecht en Cort van der Linden.
Louis Couperus liet echter al op 30 april 1895 weten de redactie weer te willen verlaten, wegens ‘een zeer groot gemis aan samenstemming, dat ik gevoel tussen de andere leden der Redactie en mijzelven’. Een paar dagen later voegde hij daar nog aan toe dat het publiek maar moest denken dat zijn ‘bohême-natuur’ de reden was van zijn vertrek. ‘Het doet mij leed dat dit alles zoo moet zijn en het is mij eene illuzie minder.’ De redacteuren betreurden zijn besluit zeer, maar het was inderdaad niemand ontgaan dat Couperus zich in hun midden ‘niet behaaglijk’ voelde en dat in het begin de vergaderingen ‘minder aangenaam’ geweest waren. De verdere medewerking die hij aanbood werd zeer op prijs gesteld. In 1893 had Couperus al de roman ‘Majesteit’ en het volgende jaar reisimpressies in De Gids gepubliceerd; nu volgden nog ‘Wereldvrede’ (1895), ‘Brief uit Venetië’ (1896), ‘Metamorphoze’ (1897) en ‘Psyche’ (1898).


Schandaal onder het Gids-publiek veroorzaakten de twee romans van 1900, ‘Langs lijnen van geleidelijkheid’ (mei-juni) en ‘De stille kracht’ (september-oktober). Lectuur als ‘Langs lijnen...’ was hoogst ongepast ‘in een Hollandsch tijdschrift, dat door vrouwen en zusters en dochters van Hollanders gelezen wordt’, schreef Boissevain, hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad. ‘Grof zinnelijke beschrijvingen’ en uitingen van ‘zinnelijke verwijfdheid’ hoorden niet thuis ‘in het tijdschrift, dat Potgieter stichtte’ (Algemeen Handelsblad, 7 juli 1900). Toen Couperus in juli aan Van Hall het eerste stuk van ‘De stille kracht’ toezond, verzekerde hij hem ‘dat al “het grove” gedoezeld is en getemperd, zooveel als mijn overtuiging het toeliet. Een van nature minder schuchter auteur dan ik zou u heel wat anders vertellen van Laboewangi en ook van de aristocratie te Rome!! Maar - ik heb het met naïeveteit opgemerkt - men schrikt in Holland al heel gauw!’


Dat bleek: een stapel brieven van lezers en leesgezelschappen bereikte Van Hall in oktober en november 1900. Men wenste in een degelijk tijdschrift, dat in de huiselijke kring gelezen werd, niet met ‘pornographie van de ergste soort’ geconfronteerd te worden, en Couperus' geschrijf was ‘demoraliseerend vooral voor jongelieden!’ De weduwe Hoekstra-Van Geuns, al tientallen jaren trouw lezeres, moest nu tot haar spijt ‘den Gids op den index’ plaatsen. De redactie moest wel bedenken, schreef zij, dat De Gids niet alleen in literaire kringen en ‘in salons en boudoirs van heele en halve mondaines met hare vrienden’ werd gelezen, maar vooral in de huiskamers van gewone burgers, die behoefte hadden aan degelijke artikelen en verfrissende lectuur. Couperus' laatste romans waren echter ‘wel prachtig van vorm, en heerlijk van teekening, maar zóó vol beelden van dierlijke zinnelijkheid en wellust, dat ze noodzakelijk verbannen moeten worden uit elke huiskamer waar opgroeiende jongens en meisjes een oog zouden kunnen slaan in het boek dat vader even open liet liggen terwijl hij werd afgeroepen naar de fabriek of het kantoor of bij een patient; van de leestafel van elke, ik zeg niet fatsoenlijke, dit woord is rekbaar, maar van elke waarlijk reine vrouw.’
Zo vrijzinnig als zij leek was de redactie overigens niet. Het schijnt dat men zich een beetje had laten verrassen: Couperus zond zijn werk altijd heel laat in, en zelfs secretaris Van Hall keek het manuscript nauwelijks door. Redacteur R.P.J. Tutein Nolthenius - deze waterbouwkundige ingenieur en veelzijdige publicist behoorde sinds 1897 tot de Gids-kring - stelde voor ‘dien kranigen vrouwenbrief’ van de weduwe Hoekstra in het decembernummer af te drukken, samen met het antwoord van de redactie. Van Hall had haar geschreven dat noch Couperus' werk, noch een blad als De Gids bedoeld was voor de opgroeiende jeugd, maar dat de redactie wel begrip had voor de reacties. ‘In vertrouwen kan ik U mededeelen, dat ook wij enkele voorstellingen in de laatste romans van Couperus liever anders hadden gewenscht, maar dat wij vertrouwden dat de indruk van de zeer groote kunstwaarde [...] het onverkwikkelijke van enkele tooneelen zou doen vergeten.’ Nolthenius' voorstel vond aanhang, maar bij nader inzien besloot de redactie toch niet tot zo'n openlijke schuldbekentenis over te gaan. Couperus heeft hierna alleen nog enkele kleine bijdragen geleverd. In oktober 1902 liet hij Van Hall weten zijn werk voortaan te zullen afstaan aan het nieuw op te richten Groot Nederland, waarvan hijzelf redacteur zou worden. Zijn motief was van financiële aard, maar hij bekende nu zich ‘altijd verwant en verknocht’ te hebben gevoeld aan De Gids. Hiermee eindigde de medewerking van Couperus aan het tijdschrift.
Sinds de zoöloog Hubrecht tot de redactie was toegetreden (1893), toonde De Gids meer dan voorheen aandacht voor eigentijdse ontwikkelingen in de natuurwetenschap, de biologie en de geneeskunde. Zo schreef de gerenommeerde chemicus J.H. van 't Hoff over nieuw ontdekte elementen (juni 1895) en de hoogleraar C. Winkler over hersenchirurgie (oktober 1895), professor C.A. Pekelharing herdacht Louis Pasteur (november 1895), de beroemde fysicus H.A. Lorentz gaf op verzoek van De Gids een uiteenzetting over de ‘“X-stralen”, waarvan Prof. Röntgen te Würzburg in het laatst van het afgeloopen jaar het bestaan heeft aangetoond’ (maart 1896), professor G. Heymans legde het Gids-publiek het belang en de bedoeling uit van zijn
Groningse laboratorium voor experimentele psychologie (april 1896), dr. H. Zwaardemaker ontwierp ‘eene theorie van den reuk’ (mei 1896) en Hubrecht zelf schreef regelmatig over recente ontwikkelingen op zoölogisch en paleontologisch gebied en over erfelijkheid. In de belangstelling stond ook de ‘criminele anthropologie’: de door Cesare Lombroso en zijn volgelingen ontwikkelde theorieën over aangeboren misdadigheid en het ‘criminele type’. De strafrechtdeskundige J.G. Patijn stelde in 1896 vast dat twintig jaar onderzoek en discussie de onhoudbaarheid van deze theorie hadden aangetoond. Het probleem van misdadig gedrag was veel ingewikkelder: ‘De erkenning van die grootere waarde der sociale en economische invloeden is m.i. een van de belangrijkste resultaten die de strijd tegen Lombroso's “type-criminel” heeft gehad’ (1896, i, 345). Ook de psycholoog Heymans bestreed de ‘Uitwassen der crimineele anthropologie’ (januari 1901), waarmee hij vooral de strafrechtelijke consequenties bedoelde, en voorspelde het spoedige einde van deze richting.
In 1897 gaf politiek redacteur Cort van der Linden zijn redacteursplaats op, omdat hij minister van justitie werd in het liberale hervormingskabinet Pierson-Goeman Borgesius. In de afgelopen drie jaar had hij de moeilijke taak gehad, Buys als politiek woordvoerder van De Gids te vervangen. In zijn zeven Gids-artikelen propageerde Cort van der Linden een nieuw, vooral democratisch en sociaal liberalisme. Hij zag de maatschappij - zoals Quack - niet als terrein van ongebonden individualisme en ongebreidelde concurrentie, maar als een samenwerkingsverband waarbinnen niet enkelen, maar allen de gelegenheid moesten hebben naar aanleg en vermogen te functioneren. De staat, geconfronteerd met de snelle industrialisering, moest niet aan enkelen alle ruimte laten, maar ordenend en beschermend optreden. Vooral uit pragmatische overwegingen, maar ook omdat hij geloofde in de kracht van een niet in klassen verdeelde nationale gemeenschap, bepleitte Cort van der Linden opheffing van alle kiesrechtbeperkingen. ‘Veiliger en grooter is het de deur wijd te openen dan angstvallig te staan met de knop in de hand’ (1895, i, 80-81).
In de volgende jaren en ook in het decennium na 1900 waren de politieke woordvoerders van De Gids links-liberaal: hervormingsgezind en pragmatisch, maar afkerig van het radicalisme en het ideologisch dogmatisme van de sociaal-democraten. De opvolger van Cort van der Linden werd in 1897 de Utrechtse hoogleraar in het burgerlijk- en handelsrecht W.L.P.A. Molengraaff, die gelijk met Tutein Nolthenius en de letterkundige Gerrit Kalff de redactie kwam aanvullen. In zijn eerste politieke beschouwing als Gids-redacteur betoogde hij: ‘Het nieuwe tijdperk in de parlementaire geschiedenis, dat met de verkiezingen in den aanstaanden zomer zal worden geopend, behoort voor alles te worden het tijdvak der sociale wetgeving. Op dat gebied is een bescha-


menden achterstand in te halen’ (1897, i, 110).
Jaargang 1897 werd een opzienbarende, vooral door het februarinummer. Hierin zette Frederik van Eeden - voor het eerst in De Gids -onder de kordate titel ‘Werk en brood’ zijn sociale opvattingen uiteen. ‘Geduld is voortreffelijk, en zelfbedwang, en eerbied voor de wet, alles kostelijk, maar ik bid u, gij geduldigen en voorzichtigen, vergeet het geen dag en geen uur, gij leeft van onrecht, van diefstal en roof, gij brave landgenooten en uw onschuldige kinderen allemaal. [...] Want er is dit groote, onweersproken, nooit te weerleggen feit, dat niet alleen de vakgeleerden, maar iedere leek, ieder kind zien en begrijpen kan: Van elke tien menschen werken er negen hard om den tienden te onderhouden. Gij en ik, beschaafden, wel-opgevoeden, wij hooren tot die enkelen die het grootste deel krijgen van alle aardsche goed en er het minst voor doen. [...] Men vreest dat er niet genoeg gewerkt zal worden bij verandering van den toestand, en duizenden loopen rond en kunnen niet werken, omdat hun geen werk gegund wordt. En er zijn ook duizenden die 12, 14, 16, soms 18 uren werken van de 24, en dat zijn de armsten. Is dat recht en orde? Ik vraag u, welke verandering zou geen verbetering zijn?’ (1897, i, 244; 246) Van Eeden bepleitte de oprichting van een groot aantal niet-commerciële rijksboerderijen, waar ieder die wilde, eerlijk voor - letterlijk - z'n eigen dagelijks brood zou kunnen werken. Het artikel lokte in andere bladen veel kritische reacties uit, zowel van
liberale als van socialistische zijde. In augustus zette Van Eeden daarom, nu ideologisch en zakelijk onderbouwd, nogmaals zijn plan uiteen van niet-marktgericht producerende staatsboerderijen.
Zo mogelijk nog meer aandacht trok een felle polemiek, eveneens in het februarinummer van de anders zo beschouwelijke Gids, tussen de Utrechtse econoom J. d'Aulnis de Bourouill, de socialistische voorman Frank van der Goes en de radicale liberaal M.W.F. Treub. Deze laatste had bij zijn recente installatie als hoogleraar economie in Amsterdam de mening verkondigd dat de economische wetenschap minder theoretisch moest worden en als ‘sociale economie’ richtlijnen kon geven voor het zo noodzakelijke hervormingsbeleid. De conservatief-liberale d'Aulnis de Bourouill trad in het strijdperk voor het behoud van de zuivere en vrije wetenschap: Treubs ‘sociale economie’ maakte ‘de collegekamer tot een gehoorzaal over staatkunde en de katheder tot een platform van agitatie’ (1897, i, 289). Nog veel feller trok Van der Goes van leer tegen Treub. Hij liet er geen twijfel over bestaan dat Treub naar deze universitaire post was weggepromoveerd door de machtige Amsterdamse geldaristocratie, die zich zo had ontdaan van de al te vooruitstrevende wethouder die haar belangen dreigde aan te tasten. Vervolgens bestreed Van der Goes vanuit historisch-materialistisch standpunt Treubs ‘sociale economie’ als een halfslachtig compromis tussen kapitalisme en socialisme. Treub weerde zich evenwel duchtig in zijn antwoord.
De koloniale politiek, waarover De Gids zich in de jaren 1850 en 1860 regelmatig en met gezag had uitgesproken, was inmiddels een nog maar zelden aangeroerd onderwerp geworden. Daarin kwam verandering toen in augustus 1899 het opstel ‘Een Eereschuld’ van mr. C. Th. van Deventer geplaatst werd. De auteur, die in Indië als advocaat en belegger fortuin had gemaakt, was zich na terugkomst in Nederland gaan verdiepen in het probleem van de koloniale financiën. In zijn artikel toonde Van Deventer hoe onrechtvaardig en onverstandig Ne-

142 Slot van ‘Een eereschuld’ door C. Th. van Deventer. De Gids, november 1899.

143 C. Th. van Deventer (1857-1915), redacteur van 1901 tot en met 1915, te midden van zijn kantoorpersoneel te Semarang, 1897. In de lichte pakken v.l.n.r.: Mr. van Oven, Mr. Pleyte, Mr. van Deventer en Mr. Andries.

144 Ch. M. van Deventer (1860-1931), redacteur in 1914, omstreeks 1910.
Foto door Else Weissenborn.
derland de kolonie behandelde: tot 1877 had Nederland de winsten die Indië opleverde ten eigen bate gebruikt; sedertdien liet het de verliesgevende kolonie zelf opdraaien voor de snel stijgende en bijna uitzichtloze schuldenlast, terwijl zelfs de noodzakelijkste voorzieningen - onderwijs, infrastructuur - nog ontbraken. Wilde Nederland zijn recht op het beheer van de kolonie niet verspelen, dan had het de morele plicht, Indië alle schulden kwijt te schelden en bovendien een miljoenenbedrag terug te betalen dat onrechtmatig aan de kolonie onttrokken was. ‘De restitutie dier indische millioenen - dat is de eereschuld van Nederland aan Indië, eereschuld omdat haar kwijting niet door geschreven rechtstitels, maar door die hoogere wet, die men de wet der eer en der eerlijkheid noemt, geboden wordt’ (1899, iii, 228). Het bedrag dat Nederland als blijk van billijkheid en dankbaarheid aan Indië verschuldigd was, berekende Van Deventer op honderdzevenentachtig miljoen. De betaling van die ereschuld moest het begin worden van een ander koloniaal beleid, dat het belang van Indië, niet langer dat van Nederland tot beginsel had.
In 1901 werd Van Deventer opgenomen in de redactie. In zijn Gids-artikelen van de volgende jaren bleef hij op de ereschuld wijzen en bepleitte hij het koloniale beleid, dat bekend is geworden onder de naam ‘ethische politiek’. Hij drong aan (1901) op een bestuursdecentralisatie in Indië, gericht op de bevordering van de inlandse belangen en de bestuurlijke zelfstandigheid. In het artikel ‘Indië en de democratie’ (mei 1902) stelde hij het programma op van een echt democratische partij: opvoeding van de kolonie tot zelfbestuur, geen verdere gewelddadige gebiedsuitbreiding, bevordering van opleidingsmogelijkheden voor de inlandse bevolking, kwijting van de ereschuld. Alleen van de invoering van de democratie in Nederland, zo concludeerde Van Deventer, ‘is derhalve, ook voor Indië, ingrijpende en duurzame verbetering te verwachten’ (1901, ii, 297). In het opstel ‘Insulinde's toekomst’ (juli 1908) drong hij, als steeds, aan op goede, bereikbare onderwijsvoorzieningen voor de Indische bevolking, ter voorbereiding van meer bestuurlijke zelfstandigheid.
De Gids was rond de eeuwwisseling overigens nog altijd een wat professoraal blad, dat zich onderscheidde door beschouwelijkheid en kalme distantie. Het redactiegezelschap, zoals Tutein Nolthenius het zich in 1936 herinnerde, bestond uit heren, die onder leiding van Van Hall zakelijk vergaderden en graag minzaam om de ijdelheden en ambities van inzenders lachten - ‘echter niet luidruchtig [...]. Nooit ook werd eenig woord gesproken, voor dames niet oirbaar. Allen waren “gentlemen”.’ Dames waren overigens ver te zoeken, zelfs bij het diner, tijdens welk de vergadering werd voortgezet. ‘Slechts eenmaal had de echtgenoote van een redacteur het gewaagd voor te zitten bij het middagmaal. Hetgeen steeds met afgrijzen werd aangehaald, evenals de te fijne tafel van den eegade (Couperus).’
Toch nam het aantal vrouwelijke auteurs in De Gids sterk toe. Vanaf 1898 bood het blad ruimte aan diverse voortreffelijke, krachtige feministische artikelen. Margaretha Meyboom legde in december 1898 uit waarom zoveel vrouwen hun situatie herkenden in de roman Hilda van Suylenburgh van Cecile Goekoop-de Jong van Beek en Donk. Het besef van ‘het recht om haar gaven te ontwikkelen en te leven naar haar aard en karakter’ was bij de vrouwen ontwaakt en daarmee was ‘de vrou-

145 Aletta Jacobs (1854-1929), zittend tweede van rechts, te midden van de Nederlandse delegatie op het Congres van de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht te Stockholm, 1911.
wenbeweging een feit, dat niet meer genegeerd worden kan, een beweging, die geen macht ter wereld meer kan tegenhouden’ (1898, iv, 484).
In een belangrijk principieel artikel legde dr. Aletta Jacobs ‘Het doel der vrouwenbeweging’ uit (maart 1899): economische zelfstandigheid voor de vrouw, gelijkheid van man en vrouw voor de huwelijkswet, en politieke ontvoogding als grondslag voor een rechtvaardiger wetgeving. Gepeperd waren haar uitspraken over de dubbele moraal, de wetgeving die van het huwelijk ‘een contract tusschen heer en dienstmaagd’ maakte en de zogenaamde natuurlijke bestemming van de vrouw voor het moederschap.
Zelfbewust was ook het opstel ‘Vrouwenkiesrecht’ (september 1904) van Martina G. Kramers. Zij toonde aan dat het de moderne vrouw niet langer ontbrak aan maatschappelijk besef en inzicht, en dat de afwezigheid van vrouwen in het openbaar bestuur onontkoombaar leidde tot een door seksebelangen bepaalde en onrechtvaardige wetgeving. Bovendien ging door die uitsluiting een enorm potentieel aan intellect, vaardigheid en leiderschap voor de maatschappij verloren. In juli 1907 werkte Martina Kramers dit thema nogmaals uit in een brede studie over ‘De plaats der vrouw in maatschappij en staat’. Johanna Naber, erkend woordvoerster van de Nederlandse vrouwenbeweging, vatte in oktober 1910 ‘Het feminisme in zijnen modernen vorm’ samen. En in september 1913 betoogde C.K. Elout, in een enthousiast artikel over de vrouwenbeweging, dat de tijd meer dan rijp was voor algemeen vrouwenkiesrecht, ook omdat tot op heden ‘slechts de eene helft van het menschelijke wezen in onze wetgeving tot uiting’ was gekomen (1913, iii, 510).






In november 1905 werd zelfs - voor het eerst en voorlopig ook voor het laatst - een vrouw uitgenodigd tot de redactie toe te treden: de schrijfster Augusta de Wit, die verhalen en de Indische romans ‘Orpheus in de dessa’ (1900) en ‘De godin die wacht’ (1902) in De Gids had gepubliceerd. Zij behoorde met Hélène Swarth, P.C. Boutens, Emants, Is. Querido, Van Eeden en het echtpaar Scharten-Antink tot de auteurs aan wie De Gids meer dan het gebruikelijke honorarium betaalde. De schrijfster bedankte echter voor de eer en bleef liever als medewerkster aan het blad verbonden.
Juist in deze maanden was er een conflict tussen Byvanck en de overige redacteuren. Byvanck nam sinds 1893 een belangrijke plaats in binnen De Gids: hij schreef, in zijn losse essayistische stijl, over geschiedenis, literatuur, politiek en verzorgde maandelijks het Buitenlandsch Overzicht. De persoonlijke verhouding met zijn collega's was echter niet altijd even goed. Gerrit Kalff was om die reden in 1900 uit de redactie getreden. In september 1905 kreeg Byvanck - om een futiliteit - onenigheid, eerst met uitgever Van Kampen, vervolgens met Van Hall. In een aantal brieven, tussen 27 september en 23 december met Van Hall gewisseld en steeds scherper van toon, verklaarde Byvanck dat het hem niet om kleine dingen ging: hij verweet de redactie passiviteit, gebrek aan eensgezindheid en duidelijke overtuiging. Vooral was het hem een ergernis ‘dat de Gids van Potgieter zijn gidswerk door buitenstaanders laat verrichten’: de parlementaire kroniek werd sinds 1904 bijgehouden door de vrijzinnig-democratische politicus J. Limburg, de literaire kritiek was in 1902 uitbesteed bij W.G. van Nouhuys en sinds 1903 bij Carel Scharten en Margo Scharten-Antink. Byvanck vond dat Van Hall niet meer voor zijn taak berekend was en zijn collega's liet hij weten: ‘Gij hebt het ideaal om als

152 Omslag van het eerste nummer van Groot Nederland. Ontwerp door S.H. de Roos.

153 J.N. van Hall aan het sinds kort gehuwde paar Scharten-Antink, 9 november 1902. Hij is bang beiden als medewerker te verliezen nadat hij hun namen had horen noemen in verband met het nieuwe tijdschrift Groot Nederland. ‘Zeer waarde Heer en Mevrouw, In het schrijven van Uw ééne helft van 17 October lees ik: “Wij zouden het ook aardig vinden dat in den Gids voor het eerst de naam werd afgedrukt, die, naar wij hopen, later zoo menig werk van ons voeren moge”. Maar nu hoor ik, tot mijn schrik, dat die naam reeds is afgedrukt en voorkomt onder die van de medewerkers aan het tijdschrift “Groot Nederland”, dat na 1 Januari a.s. zal optreden, een geduchte concurrent van De Gids dreigt te worden, en ons nu reeds Couperus en Van Nouhuys heeft afgenomen. [...].’

154 Aan de redactie van De Gids, 11 februari 1903. De briefschrijver verkeert in de veronderstelling dat De Gids een vakblad is voor behangers, stoffeerders en meubelmakers en wenst zich op het tijdschrift te abonneren.
Epicurische goden in een redactioneelen hemel te troonen, en - toe te zien.’
Byvanck vertrok dus. Men erkende overigens dat er juistheid was in zijn kritiek. De Gids was een goed geredigeerd en betrekkelijk vrijzinnig tijdschrift, maar toonde geenszins de behoefte richting te geven aan actuele literaire en maatschappelijke ontwikkelingen. Men was daarvoor te sceptisch en te pluralistisch. Typerend was het redactionele commentaar van Van Hall op het prospectus voor Albert Verwey's nieuwe ambitieuze tijdschrift De Beweging (oktober 1904). Verwey's pretentie dat dit blad als geen ander de grote geestelijke ‘beweging’, de ‘geest’ van de eigen tijd zou verwoorden, wekte - niet anders dan in 1885 bij de oprichting van De Nieuwe Gids - de minzame spot van de Gids-secretaris. Heel verrassend waren de maandelijkse, nog steeds tweehonderd bladzijden tellende afleveringen niet. Een incidenteel stellingnemend artikel uitgezonderd, bevatten zij vooral rustige beschouwingen, door erkende spe-

155 Omslag van het door Albert Verwey opgerichte tijdschrift.
Ontwerp door H.P. Berlage.

156 Albert Verwey (1865-1937), 1910.
cialisten geschreven, over oude en nieuwe letterkunde, over de Griekse cultuur, over schilderkunst, over wijsgerige problemen, over onderwijs en pedagogie, over ontwikkelingen in de biologie of de natuurkunde, over de politiek van de dag. Een ruime plaats was er nog steeds voor bellettrie: van Hélène Swarth - zij ‘verkocht toen liefde om de twee maanden’, zoals Colenbrander later eens schreef -, P.C. Boutens, Marcellus Emants, Frederik van Eeden, Is. Querido, Augusta de Wit, Gerard van Hulzen, het echtpaar Scharten-Antink, Stijn Streuvels, Johan de Meester en Herman Teirlinck.
Carel Scharten besprak - tot 1906 samen met zijn vrouw, daarna alleen - enkele keren per jaar recent verschenen literatuur in zijn Overzicht der Nederlandsche letteren. Hij deed dit levendig en genuanceerd en probeerde, door de boeken groepsgewijs onder een verbindende titel te behandelen, een ‘levende literatuurgeschiedenis’ te schrijven. Het literaire gezicht van De Gids was echter allerminst duidelijk, omdat het oordeel
van de geheel zelfstandige Scharten lang niet altijd overeenkwam met de redactionele keuze van literair werk. Scharten werd evenwel niet voor de redactie gevraagd, vooral omdat hij - voor zijn gezondheid - in Italië woonde.
Incidenteel kwam het met Scharten tot onenigheid over literaire opvattingen in de jaren na 1908, toen Johan de Meester de overleden redacteur Van Hamel opvolgde. Met hem nam tenminste weer een schrijver zitting in de redactie, die sinds Couperus' vertrek geheel uit geleerden en erudiete lettervrienden was samengesteld. De Meester, als kunstredacteur verbonden aan de NRC, was geen jongere, maar wel een enthousiaste en dynamische man met veel contacten in literaire kringen. Jaargang 1908 was nog weinig opzienbarend en het juninummer, aan Potgieters honderdste geboortedag gewijd, was bepaald mager. Toch maakten nu jongeren als Arthur van Schendel en P.N. van Eyck hun entree in De Gids. De vernieuwing zette door in de volgende jaren: in 1909 traden Geerten Gossaert, Adriaan Roland Holst - met prille verzen -, Jacob Israël de Haan en Jan Greshoff voor het eerst op in De Gids; in 1910 Nico van Suchtelen, P.H. van Moerkerken, Aart van der Leeuw en Ina Boudier-Bakker; in 1911 Nescio, met ‘De uitvreter’; in 1912 Carry van Bruggen - met de roman ‘Heleen’ -, Karel van de Woestijne en Annie Salomons. Veel van deze jongere auteurs bleven regelmatig in De Gids publiceren. Poëzie van J.C. Bloem werd in deze jaren echter herhaaldelijk afgewezen.
Vanaf jaargang 1909 werd De Gids actueler en levendi-





ger. ‘Meer actualiteit en minder artikelen over legenden, sanskrietsche en andere boekenwijsheid. Zie daar m.i. de richting waarin de herboren Gids zich moet bewegen.’ Aldus Nolthenius in een discussie die de redactie in oktober 1910 voerde over de politieke verslaggeving in De Gids. Men was niet tevreden over de parlementaire kroniek die door het kamerlid Limburg werd bijgehouden. Hubrecht en Nolthenius wensten ‘liefst zoo min mogelijk politiek’, maar de meerderheid dacht daar anders over en de historicus H.T. Colenbrander, die in 1906 Byvancks plaats had ingenomen, vond zelfs dat De Gids eigenlijk leiding zou moeten geven aan de politieke opinievorming. Er was echter geen eensgezindheid over de liberale stroming die het tijdschrift dan zou moeten vertegenwoordigen. ‘Toen in de zalige tijden van Buys, geheel verlicht Nederland één phalanx vormde, was een politiek leider mogelijk. Nu niet meer’, vond Nolthenius. Er werd daarom, op voorstel van Van Hall, besloten dat De Gids zich zou losmaken van de nauwe binding met de Vrijzinnig Democratische Bond, om voortaan een algemeen liberaal standpunt in te nemen. De belangrijkste politieke kwesties zouden dan door woordvoerders van de verschillende liberale partijen in De Gids worden besproken.
1910 was een opvallende jaargang. Het februarinummer bevatte het tere homo-erotische gedicht ‘Sluimerende knaap’ van Jacob Is. de Haan. Of soortgelijke verzen van hem waren afgewezen, is niet bekend, maar het geplaatste gedicht gaf aanleiding tot ‘ergernis’ en intern beraad. Men besloot voortaan ‘alle toespelingen op de verkeerde liefhebberij te weren’, zoals Colenbrander bij een latere gelegenheid memoreerde. De Haan bleef

overigens regelmatig poëzie in De Gids publiceren, meestal op joods-religieuze thema's.
Een beroemd geworden opstel opende de aflevering van november: ‘Roeping van Holland’, door de Leidse rechtsgeleerde C. van Vollenhoven. In dit merkwaardig idealistische stuk beantwoordde hij de vragen, welke internationale rol een klein land als Nederland zou kunnen vervullen en achter welk vaandel de hele natie zich nog onverdeeld zou kunnen scharen. Nederland leek hem geroepen om het initiatief te nemen tot de vorming van een internationale vredesmacht, bedoeld om de uitspraken van het internationaal gerechtshof bindende kracht te geven en om in oorlogssituaties neutrale landen tegen agressie te beschermen. Het was realistischer te streven naar zo'n wereldvredesmacht dan naar totale ontwapening. Kleine staten zouden zich bovendien op den duur toch niet meer geheel zelfstandig kunnen verdedigen. Het was duidelijk, aldus Van Vollenhoven, ‘dat de éénig betrouwbare bescherming voor Nederland die van de collectieve internationale gerechtigheid is, en de éénig ware defensiezorg voor Nederland die is waarbij wij de internationale gerechtigheid helpen bewapenen’ (1910, iv, 199).
Bijdragen als deze gaven De Gids een nationale betekenis. In april 1911 sloot H.T. Colenbrander zich met zijn opstel ‘Nederland en de derde vredesconferentie’ bij Van Vollenhoven aan. De marineofficier H.E. Baron van Asbeck deed in augustus 1911 gedetailleerde voorstellen voor een ‘wereldstrijdmacht ter zee’ en N. van Suchtelen dacht in juni 1912 ernstig na over de ‘organisatie en taak eener internationale politie’. Van Vollenhoven zelf werd in januari 1913 uitgenodigd redacteur te worden; hij wenste echter voorrang te geven aan zijn wetenschappelijke werk, de verzameling en uitgave van het Indische adatrecht.
Voor redacteur Molengraaff trad nu de Delftse econoom Durk van Blom in de plaats en toen eind 1913 Hubrecht afscheid nam, werd de natuurkundige en literator Charles M. van Deventer - broer van de koloniale specialist Coenraad Th. van Deventer - bereid gevonden hem op te volgen. Vanwege zijn doofheid moest hij zich echter al na korte tijd weer terugtrekken. Wel bleef Charles van Deventer - voormalig Tachtiger - nauw bij de redactie betrokken: ingezonden wetenschappelijke en filosofische opstellen werden vaak aan hem ter beoordeling voorgelegd.
In maart 1914 discussieerde de redactie over de kwaliteit van De Gids. Tevredenheid overheerste bij Van Hall. Met trots telde hij een keur van geleerde publicisten, een oud-minister en ‘niet minder dan zeventien’ vooraanstaande hoogleraren onder de medewerkers. Colenbrander wenste meer bijdragen over muziek, schilderen bouwkunst en over het Nederlandse zakenleven, en zocht een goede medewerker voor Vlaamse en Zuidafrikaanse aangelegenheden. Ook De Meester zag graag een goede kunstcriticus aan De Gids verbonden. Hij

163 C. van Vollenhoven (1874-1933), omstreeks 1915.

164 Omslag van een nummer uit de jaargang 1911. Per januari van dat jaar was overgegaan op een andere typografie. De serienummering kwam te vervallen.
vond het blad niet minder dan voorheen; alleen waren de andere tijdschriften beter geworden. De ‘hele cultuur van Nederland’, ja, ‘heel het geestesleven is vooruitgegaan’, stelde De Meester vast. De Gids kon er hoogstens nog naar streven, de eerste onder gelijken te blijven. Resultaat van dit zelfonderzoek werd een uitnodiging aan de schilder, dichter en kunstcriticus Jan Veth, zitting te nemen in de redactie. Al sinds 1889 had Van Hall bij gelegenheid geprobeerd Veth aan De Gids te verbinden. Incidenteel had hij wel bijdragen geleverd, onder andere de necrologie van zijn oom, de vroegere redacteur P.J. Veth (1895). Maar als loyaal Nieuwe Gidser en vriend van Verwey had hij verder de boot afgehouden. Inmiddels was de gezochte vijftigjarige portretschilder de kring van De Gids veel meer nabij gekomen en in mei


1914 trad deze stimulerende en levendige man tot de redactie toe.
Werd er zo een oudere binnengehaald, een jonge auteur ging voor De Gids verloren. Nescio's ‘Titaantjes’, in maart 1914 binnengekomen, stuitte binnen de redactie op verzet, vooral vanwege ‘de tirades, waarin van God gesproken wordt, op een wijze die onder 90 pct van de Gidslezers groote ergernis zou wekken’, zoals de secretaris liet weten. De Meester nam de taak op zich ‘de “Titaantjes” door heel veel te schrappen “Gids-fähig” te maken’. Nescio toonde zich heel inschikkelijk. Maar toen ook Van Hall nog het hele slot herschreef, ‘God’ door ‘Zeus’ verving en de eigenzinnige stijl van de schrijver door zijn eigen conventionele wendingen, werd het Nescio, die zich in 1910 al diverse ingrepen in ‘De uitvreter’ had moeten laten welgevallen, te gortig. Het verhaal ging naar Groot Nederland.
De grote gebeurtenis van het jaar 1914 was natuurlijk het uitbreken van de wereldoorlog. In het Buitenlandsch Overzicht van september 1914 concludeerde Colenbrander dat Oostenrijk de oorlog had uitgelokt en dat Duitsland hem gewild had. ‘Ziedaar de houding die Duitschland voor de geschiedenis zal hebben te rechtvaardigen.’ Vastberaden besloot Colenbrander: ‘Wat Nederland betreft, het waakt, in vertrouwen op de leiding van een gouvernement dat tot dusver geen enkelen misstap deed’ - het was het kabinet met aan het hoofd de voormalige Gids-redacteur Cort van der Linden. ‘Diep ontroerd, wijdt het zijn innigst medegevoel aan België dat zoo zwaar getroffen werd bij de verdediging van een recht waarvoor ook wij, mocht het ons betwist worden, hebben te staan; - of te vallen. [...] Wij, voor ons kleine deel, kunnen Vrede en Recht thans enkel nog dienen met het geweer aan den voet.’ (1914, iii, 583) Er werd in De Gids direct, met vaak voortreffelijke, soms wat academische artikelen op de oorlog gereageerd. Vooral de laatste maanden van 1914 en de hele jaargang 1915 stonden in het teken van de internationale toestand. Colenbrander besprak in de rubriek ‘oorlogs-litteratuur’ allerlei propagandalectuur en zeer goed waren Van Bloms opstellen over de economische oorzaken en gevolgen van de oorlog. De vroegere redacteur De Beaufort schreef over de oorlog en het volkenrecht (oktober 1914) en over de ‘onvoorziene gevolgen’ van de democratie: een massaal, manipuleerbaar nationalisme en militarisme op ongekende schaal (januari 1915).
De islam-kenner Snouck Hurgronje waarschuwde in zijn artikel ‘Heilige oorlog made in Germany’ (januari 1915) tegen de Duitse pogingen, het panislamisme aan te wakkeren en uit louter strategische overwegingen de islamitische wereld tegen Engeland, Frankrijk en Rusland te mobiliseren. Het betoog bleef in het buitenland niet onopgemerkt: de Duitse, in Nederland geboren, hoogleraar C.H. Becker wenste de beschuldiging te weerleggen. Het werd hem in het meinummer, bij hoge uitzondering en ‘ter wille van de internationale hoffelijkheid’, toegestaan.
Later in het jaar nam de aandacht voor de internationale situatie af. Oktober en december bevatten nog een bespreking van Kants tractaat Ten eeuwigen vrede en een opstel over de oorlog en het zeerecht. Daarna ging De Gids over tot de orde van de dag. In de volgende jaren drong, behalve in het hoekje van het buitenlands overzicht, het grote rumoer van de wereldoorlog nauwelijks meer door.
remieg aerts



