Toen De Gids in oktober 1945 weer verscheen - na een pauze van meer dan een jaar: de langste periode van stilzwijgen in de meer dan honderdjarige geschiedenis van het tijdschrift -, waren de verwachtingen over dit blad in cultureel Nederland niet bijzonder hoog gespannen. De lucht gonsde in die dagen immers van het woord ‘vernieuwing’. Niet alleen in kringen van de vroegere illegaliteit, maar in brede lagen van de Nederlandse samenleving was het parool: weg met de - in veel opzichten verkalkte - vooroorlogse verhoudingen. Terwijl nostalgisch gemijmerd werd over de kwaliteit van vooroorlogse roomboter, bonbons en sigaren, bleken de crisispolitiek, de standenmaatschappij en de stammenoorlogen van het verzuilde Nederland in de periode voor 1940 - hoeveel lichtjaren leek die tijd niet verwijderd! - bij velen slechts afkeer op te roepen: tallozen die tijdens de bezetting in eendrachtige samenwerking met ‘andersdenkenden’ tegen de onderdrukkers gevochten hadden, zagen uit naar ‘een vernieuwd Nederland’ en vele anderen koesterden soortgelijke verwachtingen of lieten - zo kort na de bevrijding - nog nauwelijks afwijkende geluiden horen.
Literair vertaalde dit streven naar vernieuwing zich in een ware geboortengolf van nieuwe tijdschriften. In de maand oktober 1945, waarin De Gids zich weer aan letterkundig Nederland presenteerde, verschenen voor het eerst Het Woord, dat zich het ‘Maandblad voor de nieuwe Nederlandse letterkunde’ noemde, en Columbus, dat zich - blijkens de naam - eveneens op ongebaande wegen wilde begeven. In dezelfde maand kwam Criterium, dat van 1940 tot 1942 verschenen was, opnieuw uit, maar nu met een radicaal vernieuwde redactie. Een maand eerder was het blad Podium, dat tijdens het laatste oorlogsjaar in Leeuwarden was opgericht, aan zijn tweede jaargang begonnen, waarna in november 1945 in Amsterdam het tijdschrift Proloog gelanceerd werd. Rond al deze bladen verzamelden zich jonge schrijvers, die gretig klaar stonden de arena van de vaderlandse letteren binnen te stuiven.
Wat had De Gids tegenover dit jonge en veelbelovende elan te bieden? Het tijdschrift had een roemrijke traditie, zeker, maar tradities scoorden in het gistende Nederland van 1945 niet zeer hoog. Bovendien wees ook de samenstelling van de redactie niet op een sterke behoefte om nieuwe wegen in te slaan. Van de vier redacteuren die het blad in oktober 1945 opnieuw begonnen te leiden, maakten er twee - de drieënvijftigjarige wisen natuurkundige E.J. Dijksterhuis en de tweeënveertigjarige dichter en essayist Anton van Duinkerken - al sinds 1934 deel uit van de redactie, één - de zevenenvijftigjarige liberale politicus A.N. Molenaar - sinds 1939 en één - de eenenvijftigjarige dichter en essayist M. Nijhoff - sinds 1941. Over de vijfde Gids-redacteur, de vierenvijftigjarige dichter J.W.F. Werumeus Buning, werd in het eerste nummer na de bevrijding meegedeeld dat hij niet als redacteur vermeld wilde worden, ‘zoo-

256 Circulaire waarin de herverschijning van De Gids wordt bekendgemaakt, oktober 1945.

257 Omslag van het eerste nummer van Het Woord, oktober 1945.

258 Omslag van het eerste nummer van Columbus, oktober 1945.

259 Omslag van het eerste nummer van de tweede jaargang, september 1945. De eerste jaargang was tijdens de oorlog illegaal verschenen.

260 Omslag van het eerste nummer van Proloog, november 1945.
lang de Eereraad voor de Kunst geen oordeel heeft uitgesproken over de door hem gedurende de bezettingsjaren aangenomen houding’ (1945, iv, 3). Deze kwestie had te maken met het feit dat Werumeus Buning in 1942 lid was geworden van de Kultuurkamer en dat daarna tijdens de oorlog enige ‘bovengrondse’ herdrukken van zijn werk waren verschenen. Maar afgezien hiervan, typerend was dat de samenstelling van de redactie van Nederlands oudste culturele tijdschrift opvallend stabiel was gebleven, terwijl na de bevrijding op allerlei niveaus van het maatschappelijk leven een ware rondedans van personen had plaatsgevonden. Vooral de omstandigheid dat niemand van een jongere generatie in de redactie werd opgenomen, versterkte het bij velen bestaande idee dat De Gids bij een eventuele vernieuwing

261 E.J. Dijksterhuis (1892-1965), redacteur van 1934 tot en met 1964, omstreeks 1955.
Foto door Jochmann Disco.

262 M. Nijhoff aan E.J. Dijksterhuis, 19 september 1946. Nijhoff betreurt de inmenging van de overheid in het redactiebeleid tijdens de oorlog: ‘Als wetenschappelijk tijdschrift heeft De Gids voortbestaan; als literair tijdschrift is hij in 1942 gesneuveld, of liever heeft hij gecapituleerd.’

263 M. Nijhoff in de tuin van zijn huis te Den Haag, omstreeks 1949.
Foto door W.S. Nijhoff.
van onze literatuur eerder in de achterhoede te vinden zou zijn dan in de voorhoede.
Daarbij kwam dat het karakter dat De Gids tijdens de oorlogsjaren gaandeweg gekregen had, zijn aantrekkelijkheid voor vele - met name jonge - schrijvers niet vergrootte. Dat het tijdschrift tijdens de bezetting was blijven verschijnen - terwijl zo veel bladen door de Duitsers verboden werden - bleek daarbij over het algemeen geen punt van kritiek: erkend werd dat het van vooral psychologisch belang was geweest dat De Gids als traditioneel symbool van vaderlandse cultuur maand na maand was blijven uitkomen. Maar het feit dat de redactie vanaf de zomer van 1942 noodgedwongen nog vrijwel alleen wetenschappelijke essays had kunnen opnemen, had wel met zich meegebracht dat De Gids eerder werd geassocieerd met de senaatskamers van de academische ernst dan met de artiestencafés van de literaire ongebondenheid.
Dat de redactie zich ervan bewust was dat geprobeerd moest worden het literaire element in De Gids weer de plaats te geven die het voor de oorlog had ingenomen, bleek uit haar inleiding tot het eerste nummer dat na de bevrijding verscheen: ‘Thans echter, nu alle aan het Nederlandsche geestesleven opgelegde kluisters zijn geslaakt, mag een uitbreiding van werkzaamheid tot het ruimere terrein, dat vroeger steeds bestreken werd, verwacht worden. De Redactie vertrouwt erop, dat de wetenschappelijke auteurs, die in de afgeloopen jaren den weg tot haar kolommen hebben gevonden of hervonden, het oude tijdschrift ook in de toekomst trouw zullen blijven, maar dat daarnaast ook voor de tijdelijk ter zijde gestelde rubrieken weer de vereischte medewerking zal blijken te bestaan’ (1945, iv, 2).
Een extra probleem waarmee de redactie te maken kreeg - maar dit probleem deelde zij met de redacties van de andere literaire tijdschriften - was dat door de papierschaarste in deze eerste periode na de bevrijding de maandelijkse omvang van haar blad slechts bescheiden kon zijn: de afleveringen die tot en met januari 1946 verschenen, telden niet meer dan achtenveertig bladzijden. Daarna werd de toegewezen hoeveelheid papier vergroot, zodat de omvang van de nummers vanaf februari 1946 omstreeks vierenzestig pagina's bedroeg. Al met al werd hierdoor de jaarlijkse omvang van De Gids tot ongeveer de helft teruggebracht van wat in de periode voor 1940 gebruikelijk was geweest.
Niet alleen de bescheiden omvang van het blad en het houthoudende papier waarop De Gids gedrukt werd, herinnerden aan de oorlogsomstandigheden die tot voor kort het leven zo totaal hadden beheerst, maar ook een aantal bijdragen die in het eerste nummer na de bevrijding werden opgenomen. Na de inleidende verklaring van de redactie opende deze aflevering met een reeks gedichten die de redacteur Anton van Duinkerken in augustus/september 1942 in het gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel geschreven had. Van de essayist K. Heeroma werd vervolgens onder de titel ‘Het licht onder de korenmaat’ een toespraak opgenomen die deze kort daarvoor ter gelegenheid van de tentoonstelling ‘Het vrije boek in onvrijen tijd’ - gewijd aan clandestiene en illegale literatuur tijdens de bezettingsjaren - in het Stedelijk Museum te Amsterdam gehouden had. Daarnaast schreef de redacteur Molenaar, die deel uitmaakte van de liberale fractie in de Eerste Kamer, onder de titel ‘Politiek rentree’ een beschouwing over de eerste naoorlogse politieke ontwikkelingen in Nederland. In de hierna volgende jaren zou Molenaar in De Gids geregeld aandacht besteden aan de vaderlandse politiek.
Ook in de nog resterende twee nummers van jaargang 1945 zouden de oorlogsgebeurtenissen een belangrijk thema blijven in De Gids. Een treffend voorbeeld hiervan was de rede die de Leidse hoogleraar R.P. Cleveringa - tijdens de oorlog had hij met zijn moedige houding

264 Handschrift van een van de gedichten die Anton van Duinkerken schreef tijdens zijn verblijf in het gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel. Het gedicht verscheen als eerste van tien ‘Verzen uit Sint-Michielsgestel’ in het eerste naoorlogse nummer van De Gids, oktober 1945.

265 S. Vestdijk (1898-1971), 1947.
Foto door Annelies Romein.

266 Begin van het handschrift van de roman Noorderlicht van F. Bordewijk, waarvan fragmenten van januari tot en met mei 1946 in De Gids verschenen.
na het ontslag van de joodse hoogleraren velen geïnspireerd - in de Leidse universiteit had gehouden ter herinnering aan zijn overleden collega B.M. Telders. De jurist Telders, die sinds 1934 redacteur van De Gids was geweest, was in april 1945 in het Duitse concentratiekamp Bergen-Belsen omgekomen. De rede van Cleveringa werd in het novembernummer gepubliceerd.
Waren de beschouwingen die in de drie Gids-nummers van 1945 opgenomen werden, voor een groot deel aan de oorlogsgebeurtenissen gewijd en daardoor van actueel belang, vele essays in jaargang 1946 handelden over wetenschappelijke problemen die een veel kleiner deel van het lezerspubliek direct aangingen. Daarnaast was het aandeel dat de literatuur in De Gids kreeg, beperkt. Er werd weliswaar poëzie van onder meer Muus Jacobse, Jan Prins en S. Vestdijk opgenomen, maar over het algemeen waren dichterlijke geluiden maar schaars hoorbaar. Ook het aandeel van het verhalend proza bleef in verhouding tot dat van het wetenschappelijke essay duidelijk achter: de opvallendste publikatie in dit opzicht was die van een aantal fragmenten uit de


roman ‘Noorderlicht’ van F. Bordewijk, die in 1948 in boekvorm zou verschijnen.
Een - tegen de achtergrond van de latere literaire ontwikkeling - ronduit verrassende bijdrage in het vijfde nummer van jaargang 1946 was een essay van de Vlaamse auteur Hubert Lampo, getiteld ‘Een nieuwe generatie van Vlaamsche prozaschrijvers’, waarin hij over de jonge romancier Louis Paul Boon onder meer opmerkte: ‘Louis-Paul Boon is een unicum in de Vlaamsche letteren.’ En verder: ‘L.P. Boon lijkt ons een ongemeen sterke persoonlijkheid, die buiten en boven alle beïnvloeding staat en het best zonder Walschap of gelijk wien stellen kan.’ (1946, ii, 90) Nauwkeurige gegevens hierover ontbreken, maar het lijkt waarschijnlijk dat dit een van de eerste gelegenheden was waarbij het Noordnederlandse lezerspubliek geattendeerd werd op de kwaliteiten van het schrijverschap van Boon.
Vermeldenswaard is ook dat de schrijfster Jeanne van Schaik-Willing in deze jaargang een ‘dramatische kroniek’ begon te verzorgen. Daarnaast werd geregeld een uitgebreide rubriek Bibliographie opgenomen, waarin recent verschenen boeken werden besproken.
Intussen was de dichter Werumeus Buning, die eind augustus 1945 een publikatieverbod voor twee jaar had opgelegd gekregen, welke termijn - na een petitie van een aantal letterkundigen - later was teruggebracht tot één jaar, weer deel gaan uitmaken van de redactie van De Gids. In dezelfde periode - begin 1947 - verliet Nijhoff de redactie, om kort daarna te worden opgevolgd door B.A. van Groningen, hoogleraar in de Griekse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Leiden.
In de loop van 1947 werden uitvoerige herdenkingsartikelen opgenomen over Frederik Hendrik (nr. 3) en P.C. Hooft (nr. 5), die drie eeuwen daarvoor gestorven waren. Daarnaast werd poëzie van Werumeus Buning gepubliceerd, afkomstig uit een gedichtenreeks met de pikante titel ‘Verboden verzen’.
Intussen was de zware - vaak loodzware - druk die de wetenschappelijke essays op De Gids bleven leggen, in 1947 niet verminderd. Ook in deze jaargang werden tientallen beschouwingen opgenomen van een soms zo specialistisch karakter, dat ze in vaktijdschriften niet zouden hebben misstaan. Uiteraard was een kenmerk van De Gids altijd geweest dat de wetenschap - als onderdeel van de totale cultuur - een volwaardige plaats in het tijdschrift kreeg toebedeeld, maar daarbij was er in
het algemeen naar gestreefd wetenschappelijke vraagstukken te behandelen op een wijze die ook voor een breed publiek van belangstellende leken aantrekkelijk zou zijn. In de eerste jaren na de bevrijding werd in dit opzicht het geduld van ook de meest goedwillige en naar grotere kennis hunkerende lezer soms wel zwaar op de proef gesteld. Zoals in de vorige eeuw ook enige malen het geval was geweest, kreeg De Gids na de oorlog opnieuw de reputatie een typisch ‘professorenblad’ te zijn.

269 Uitgeverij Van Kampen aan E.J. Dijksterhuis, 20 december 1946. De honorering van het redactiewerk was afhankelijk van het aantal abonnees.

270 Uitgeverij Van Kampen aan E.J. Dijksterhuis, 26 april 1949. De uitgever zoekt de oorzaak van de geringe belangstelling voor De Gids in ‘het verlaagde cultureele peil van den Nederlandschen lezer’.
Terwijl in allerlei tijdschriften de jongeren zich heftig begonnen te roeren en felle debatten hielden over de schrijver en zijn maatschappelijke engagement, leek De Gids zich maar het liefst in toga te hullen en zich aan de actuele discussies te willen onttrekken.
Dat deze situatie niet iedereen beviel, bleek uit een brief die uitgever Van Kampen in maart 1947 aan de redactie van De Gids stuurde. De aanleiding tot het zenden van deze brief was waarschijnlijk de bezorgdheid van Van Kampen dat de academische aspiraties van De Gids op den duur tot een ware uittocht van abonnees zouden leiden, wat het bestaan van het tijdschrift ernstig in gevaar zou kunnen brengen. Juist in deze tijd waren immers ook enkele andere literaire tijdschriften in de gevarenzone terechtgekomen: de redacties van Columbus en Podium waren met elkaar verwikkeld in gecompliceerde besprekingen over een fusie, Proloog was - zonder dat de volledige redactie van dit blad zich hiervan bewust was - al met reuzenschreden ‘op weg naar het einde’ en ook de verdere levenskansen van Criterium en Het Woord leken niet al te rooskleurig.
In zijn brief merkte Van Kampen op dat vele beschouwingen die in De Gids gepubliceerd werden, eigenlijk in

271 Jaap Romijn aan E.J. Dijksterhuis, 25 augustus 1949. De redactie van Ad Interim voelt alleen voor een fusie als alle redacteuren tot De Gids kunnen toetreden.

272 Emmy van Lokhorst (1891-1970), lid van de redactieraad van 1950 tot en met 1952 en daarna redacteur tot en met 1964, omstreeks 1940.
Foto door B.F. Eilers.
wetenschappelijke vakbladen thuishoorden, wat ertoe zou kunnen leiden dat tenslotte alleen een elitekring van lezers zou overblijven. Volgens hem was deze kring te klein om het tijdschrift te laten voortbestaan. Hij schreef dan ook dat het van belang was het literaire gedeelte nieuw leven in te blazen. Naar zijn mening zouden vooral Van Duinkerken en Werumeus Buning hiervoor kunnen zorgen.
Nadat de ‘schone letteren’ ook in de daarop volgende jaren nauwelijks meer ruimte in De Gids hadden gekregen, herhaalde de uitgever in het voorjaar van 1949 zijn pleidooi voor een meer literaire koers die het blad volgens hem zou moeten varen. Kort daarop - in mei 1949 - wees de redactie de door Van Kampen ingediende voorstellen in deze richting af, waarna de uitgever, die honderdtien jaar lang de uitgave van het tijdschrift verzorgd had, met ingang van de nieuwe jaargang het contract met De Gids opzegde. In deze fase van zijn bestaan telde het blad nog geen vijfhonderd abonnees.
In de daaropvolgende maanden nam de redactie van De Gids contact op met de redactie van het literaire tijdschrift Ad Interim, dat in 1944 door de schrijveruitgever Jaap Romijn en de dichter Gabriël Smit - een vriend van Anton van Duinkerken - was opgericht en in de loop der jaren plaats had geboden aan schrijvers van verschillende generaties. Met ingang van 1949 waren de prozaïst Ferdinand Langen en de dichter Bert Voeten, die afkomstig waren uit de kring van het tijdschrift Het Woord (1945-'49), tot de redactie van Ad Interim toegetreden. Deze redactie bestond in 1949 verder uit Emmy van Lokhorst, Jaap Romijn, Gabriël Smit, Bertus Aafjes en C.J. Kelk.

De besprekingen die hierna tussen de redacties van De Gids en Ad Interim gevoerd werden, hadden tot resultaat dat tot een fusie van beide tijdschriften besloten werd. Uit historische overwegingen werd afgesproken dat de naam van het gefuseerde tijdschrift De Gids zou zijn. De redactie van dit tijdschrift, dat in januari 1950 voor het eerst zou verschijnen, zou gevormd worden door E.J. Dijksterhuis en Jaap Romijn, terwijl de rest van de beide vroegere redacties een plaats vond in een zogenaamde ‘redactieraad’. Deze raad zou bestaan uit tien personen: J.W.F. Werumeus Buning, Anton van Duinkerken, B.A. van Groningen, A.N. Molenaar,

274 De redacteuren en de redactieraad van De Gids, zomer 1950, V.l.n.r.: E.J. Dijksterhuis, K. Kuypers, J. van der Woude (namens uitgeverij De Haan), Jaap Romijn, C.J. Kelk, Bert Voeten, Emmy van Lokhorst, B.A. van Groningen en A.N. Molenaar. Anton van Duinkerken, Ferdinand Langen, Gabriël Smit en J.W.F. Werumeus Buning ontbreken.

275 Jaap Romijn aan E.J. Dijksterhuis, 23 december 1949. De Gids moet op een andere manier worden samengesteld.

276 Prospectus voor de jaargang 1950. De redactie was ingrijpend gewijzigd. Het blad zou gaan verschijnen bij een nieuwe uitgever en met een nieuwe typografie, verzorgd door Jan van Krimpen.

277 A.N. Molenaar aan E.J. Dijksterhuis, 22 november 1949. Politiek en literatuur zorgen al voor verdeeldheid in de redactie voordat er een nummer onder de nieuwe leiding is verschenen.
Emmy van Lokhorst, C.J. Kelk, de filosoof K. Kuypers-Dijksterhuis had hem bij De Gids betrokken -, Gabriël Smit, Ferdinand Langen en Bert Voeten. Bertus Aafjes zou wegens zijn veelvuldig verblijf in het buitenland niet tot de redactieraad toetreden. De uitgave van De Gids zou verder worden verzorgd door Uitgeversmaatschappij W. de Haan n.v. te Utrecht.
In het nummer van december 1949 van De Gids deelde de redactie over de wisseling van uitgever mee: ‘Met de voltooiing van den 112en jaargang van De Gids zal de band die gedurende meer dan een eeuw tussen het tijdschrift en zijn uitgever heeft bestaan, worden losgemaakt. De firma van Kampen heeft zich genoodzaakt gezien tot staking der uitgave te besluiten en de Redactie heeft deze beslissing geëerbiedigd.’ Hieraan voegde de redactie toe: ‘Bij de beëindiging van de langdurige samenwerking wil zij met erkentelijkheid wijzen op het belangrijke culturele werk, dat de firma van Kampen door het laten verschijnen van De Gids voor ons land heeft verricht.’
Verder merkte de redactie over de samenwerking met de groep rond Ad Interim op dat daardoor ‘een versterking van den band met de levende letterkunde van ons land’ tot stand zou kunnen komen (1949, ii, 161).
Over de opmerking van de redactie dat de firma Van Kampen zich genoodzaakt had gezien ‘tot staking der

278 Contract met de nieuwe uitgever W. de Haan N.V., namens De Gids ondertekend door E.J. Dijksterhuis en Jaap Romijn, 1 oktober 1949.

279 Oordelen over een artikel over Henry Miller van Bert Schierbeek, achtereenvolgens van Ferdinand Langen, J.W.F. Werumeus Buning (mede namens Anton van Duinkerken) en E.J. Dijksterhuis, 1950. Het artikel werd niet geplaatst.

280 Oordelen over gedichten van Hanny Michaëlis, achtereenvolgens van Emmy van Lokhorst, Jaap Romijn, C.J. Kelk, Bert Voeten en Anton van Duinkerken, 1950. In De Gids van mei 1950 werden zes van de acht gedichten geplaatst.

281 Uitgeverij Van Kampen aan de redactie van De Gids, 16 december 1949. De uitgever plaatst enkele kritische kanttekeningen bij de mededeling over de verandering van uitgever in het decembernummer.

282 Illustratie bij ‘Jan van Krimpen, typograaf. Bij zijn zestigste verjaardag’ van H. de la Fontaine Verwey. De Gids, januari 1952.
Door S.L. Hartz.

283 Illustratie bij ‘In het grensgebied der beeldende kunst. Bij een tentoonstelling van P. Ouborg’ van Gabriël Smit. De Gids, december 1950. Tekening door P. Ouborg.

284 Omslag van het eerste nummer verschenen bij de nieuwe uitgever, januari 1950. Omslagontwerp door Jan van Krimpen.

285 Vignet uit het eerste nummer van de honderddertiende jaargang, januari 1950.
Door G. Douwe.

286 Illustratie bij ‘De beeldhouwer Ossip Zadkine’ van Fanny Kelk. De Gids, februari 1950.
Door O. Zadkine.
uitgave te besluiten’, schreef Van Kampen begin december 1949 aan de redactie van De Gids, dat dit besluit pas was genomen nadat de redactie in het voorjaar niet bereid bleek te zijn tot een wijziging van haar beleid - namelijk: omzetting in meer literaire richting-, waartoe zij zich later na besprekingen met de redactie van Ad Interim wél bereid zou verklaren. Van Kampen legde er daarbij de nadruk op dat het nooit zijn bedoeling was geweest dat De Gids zou verdwijnen.
De nieuwe jaargang van De Gids, die in januari 1950 begon, bleek zowel wat het uiterlijk betreft - grotere bladspiegel, aantrekkeliike typografie (door de bekende vormgever J. van Krimpen) en vele vignetten tussen de tekst - als ook inhoudelijk sterk af te wijken van het ‘professorenblad’ dat het tijdschrift in de afgelopen jaren was geweest. Vooral het aandeel van de poëzie was duidelijk toegenomen: er werden niet alleen verzen opgenomen van ‘gevestigde’ schrijvers als Jan Engelman, Gerrit Achterberg, L. Th. Lehmann, C. Buddingh', Bert Voeten en Koos Schuur, maar ook van jonge, ‘experimentele’ dichters als Hans Andreus, Jan G. Elburg en Gerrit Kouwenaar. Van de laatste werd bovendien de novelle ‘Val bom!’ in De Gids gepubliceerd.
Ook in 1951 kwam de ‘nieuwe’ literatuur aan bod - de Beweging van Vijftig begon in dat jaar in brede kring de aandacht te trekken -, zoals bijvoorbeeld in de zesde aflevering, waarin achtereenvolgens verzen van Hans Lodeizen, Simon Vinkenoog en Lucebert waren opgenomen



In dezelfde jaargang werkte ook de jonge Vlaamse schrijver Hugo Claus aan De Gids mee: van hem werd het verhaal ‘Wandelen’ opgenomen.
Intussen leidde het feit dat zowel de redactie als de redactieraad - samen twaalf personen! - beslissingsbevoegdheid hadden over de inhoud van het tijdschrift, ertoe dat er soms maar moeilijk besluiten genomen konden worden. Dit werd nog in de hand gewerkt doordat er onderling sterke verschillen bestonden in levensbeschouwelijk en artistiek opzicht. Vooral de voormalige Ad Interim-groep wilde ruim baan geven aan de moderne literatuur, terwijl sommige vroegere Gids-redacteuren niet veel moesten hebben van literaire uitingen die als schokkend of platvloers werden ervaren. Met name Anton van Duinkerken, die als joviale persoonlijkheid en legendarische kenner van de literatuur veel invloed had, was diep doordrongen van een ‘beschavingsideaal’, dat ook in de vorige eeuw de Gids-redactie




voor ogen had gestaan: het ideaal om maatschappij en enkeling door redelijkheid en schoonheid te ‘verheffen’. Daarbij kwam dat Van Duinkerken als vroom katholiek huiverig stond tegenover uitingen waarin bepaalde waarden van zijn geloof in een karikaturaal daglicht werden gesteld. Daarnaast bestonden er ook meningsverschillen over de onderlinge verdeling tussen wetenschappelijke en literaire bijdragen. Veel wetenschappelijke essays die in De Gids gepubliceerd werden, muntten volgens de vroegere Ad Interim-groep bovendien uit in dorheid.
De spanningen die zich hadden opgehoopt, kwamen in het voorjaar van 1952 tot uitbarsting, toen tijdens een rumoerige vergadering van de redactie en de redactieraad in café Terminus te Utrecht bleek dat van verdere samenwerking geen sprake meer kon zijn. Na lange en heftige discussies besloten de redacteur Jaap Romijn en vijf leden van de redactieraad-grotendeels afkomstig uit het voormalige Ad Interim-zich uit het tijdschrift terug te trekken. In het nummer van juli 1952 werd hierover door de redactie medegedeeld: ‘De Gids is in zijn huidige vorm het product van een fusie tussen het oorspronkelijke tijdschrift van Potgieter en het gedurende de tweede wereldoorlog illegaal uitgegeven en na de bevrijding openlijk verschenen literaire maandblad Ad Interim. In de loop van de ruim twee jaren dat [...] de beide redacties verenigd hebben samengewerkt, is gebleken, dat het [uit] hen samengestelde lichaam te groot was om doeltreffende leiding te kunnen geven. In ge-

294 Uitgeverij De Haan aan de redactie van De Gids, 12 mei 1953. De uitgever zal de uitgave van het blad per 31 december 1953 staken.
meen overleg is daarom besloten tot een concentratie over te gaan. Om deze mogelijk te maken hebben Jaap Romijn, redacteur, en C. Kelk, K. Kuypers, Ferd. Langen, Gabriël Smit en J.W.F. Werumeus Buning, leden van de redactieraad, hun plaatsen ter beschikking gesteld. De overblijvende redactie betuigt haar welgemeende dank aan Jaap Romijn voor het vele werk dat hij als redacteur steeds met zo grote toewijding voor De Gids heeft gedaan en haar erkentelijkheid aan hem en de heengaande leden van de redactieraad voor hun bereidheid, in het belang van het tijdschrift af te treden.’ (1952, ii, 1)
Na deze wijziging in de leiding van het tijdschrift, die met heel wat meer bitterheid - met name bij Jaap Romijn, die zich sterk voor Ad Interim en later De Gids had ingezet - gepaard ging dan uit de toon van de zojuist geciteerde redactionele mededeling kan worden opgemaakt, bestond de redactie van De Gids uit vier voormalige Gids-redacteuren - E.J. Dijksterhuis, Anton van Duinkerken, B.A. van Groningen en A.N. Molenaar - en slechts twee vroegere redacteuren van Ad Interim: Emmy van Lokhorst en Bert Voeten. De redactieraad was van de aardbodem verdwenen.
Eén maand na deze redactiewijziging verscheen een speciaal nummer van De Gids, gewijd aan ‘De tijd waarin wij leven’ (nr. 8/9, 1952). In deze aflevering werden onder meer uitvoerige beschouwingen opgenomen over ‘Nederland's economische situatie’, ‘De financiële toestand van Nederland’ en ‘Nederland en Indonesië’. Ook ‘Het sociale vraagstuk’, de situatie bij protestanten, katholieken en buitenkerkelijken en allerlei artistieke ontwikkelingen kwamen in dit nummer aan de orde. Opvallend is dat een overzicht van de ontwikkelingen in de poëzie - juist in een tijd waarin de Beweging van Vijftig luidruchtig de aandacht trok - achterwege bleef.


Tijdens de hierna volgende jaargang bleek dat uitgever W. de Haan, die de uitgave van De Gids sinds 1950 verzorgd had, er niet meer voor voelde het tijdschrift na 1953 verder te exploiteren: hij zag geen kans het aantal abonnees zo te vergroten dat ‘een normale, niet verliesgevende exploitatie’ mogelijk zou zijn. De Amsterdamse uitgever Van Kampen, die in 1949 niet zonder tegenzin afscheid van De Gids had genomen, bleek daarna snel bereid de uitgave van het tijdschrift - met ingang van januari 1954 - weer op zich te nemen. Bij deze gelegenheid werd de redactie - op verzoek van Bert Voeten, die het literaire element wilde versterken - uitgebreid met de dichter en essayist Ed. Hoornik. Een jaar later trad A.N. Molenaar, die sinds 1939 deel had uitgemaakt van de redactie en in die periode vele kronieken over de binnenlandse politiek had geschreven, af als redacteur. Zijn plaats werd ingenomen door K. Wiersma, secretaris van het College van Curatoren van de Leidse universiteit.
Tussen 1954 en 1960 - een periode waarin de invloed van

298 Ed. Hoornik aan E.J. Dijksterhuis, 27 augustus 1953. Hoornik is vereerd met de uitnodiging Gids-redacteur te worden maar wil eerst het oordeel van de redactie horen over zijn opvattingen over het blad.

297 Ed. Hoornik (1910-1970), redacteur van 1954 tot en met 1970, op Mallorca, 1951.

299 Harry Mulisch aan E.J. Dijksterhuis, 12 mei 1953. Fragmenten uit wat als boek Het mirakel. Episodes van troost en liederlijkheid uit het leven van de heer Tiennoppen (1955) zou gaan heten, verschenen in De Gids van juli 1953 en januari 1954.

300 Paul Rodenko aan Ed. Hoornik, 30 oktober 1953. Rodenko kan geen prozakroniek voor De Gids gaan verzorgen.
Ed. Hoornik tijdens de redactievergaderingen snel toenam - had De Gids een overwegend literair karakter. Er werd veel poëzie opgenomen, onder meer van A. Roland Holst, Pierre Kemp, Gerard den Brabander en Lucebert. Tot het verhalend proza dat in deze jaren in De Gids gepubliceerd werd, behoorden de verhalen ‘De daken’ van A. Alberts en ‘Mijn vriend, de moordenaar’ en ‘Kaddisj voor Sam Cohn’ van Marnix Gijsen. Ed. Hoornik droeg aan het tijdschrift zijn toneelstuk ‘Het water’ bij. Een poëziekroniek werd achtereenvolgens verzorgd door Hendrik de Vries en S. Vestdijk, een prozakroniek door Clara Eggink en J.W. Hofstra, terwijl Emmy van Lokhorst geregeld over toneel schreef. Ten gevolge van de sterke nadruk die in deze periode op het literaire aspect van De Gids gelegd werd, was het aandeel dat het wetenschappelijke essay kreeg - in de jaren voor 1950 nog overheersend -, sterk verminderd. Soms werden wetenschappelijke bijdragen in speciale nummers samengebracht, waardoor de vrijkomende ruimte in de rest van een jaargang grotendeels als speelterrein voor de literatuur kon worden ingericht. Dat redacteur Dijksterhuis, die als secretaris van de redactie

301 Marnix Gijsen (pseudoniem van J.A. Goris, 1899-1984), omstreeks 1950.
Foto door Charles Leirens.

302 Ed. Hoornik (l.) met Gerrit Achterberg (1905-1962) in Morzine, 1952.
Foto door W.S. Nijhoff.

303 E.J. Dijkjsterhuis (r.) houdt een inleiding op een Gids-avond in het Stedelijk Museum te Amsterdam, 16 april 1956. Achter de tafel v.l.n.r.: Bert Voeten met achter hem Adriaan van der Veen, Anna Blaman, Ed. Hoornik, A. Roland Holst, Herman van den Bergh en F.C. Gerretson.

304 E.J. Dijksterhuis aan A.N. Molenaar en B.A. van Groningen, 26 februari 1954. Molenaar en Van Groningen distantiëren zich van Nationale snipperdag.

305 Omslag van ‘een gemeenschappelijke aflevering van de Nederlandse letterkundige en algemene tijdschriften, uitgegeven in plaats van de afzonderlijke Aprilnummers 1954 ter gelegenheid van de tiende Bevrijdingsdag 5 Mei 1945 - 5 Mei 1954’.

306 Verslag van een Gids-avond bij boekhandel Broese te Utrecht, verschenen in Het Vrije Volk, 30 januari 1958.

307 Nieuw omslagontwerp, januari 1956.
Door Theo Kurpershoek.
de lopende zaken behartigde, bij de wenselijkheid van deze ontwikkeling vraagtekens plaatste, kan wellicht worden opgemaakt uit een causerie die hij in april 1956 - bij gelegenheid van een zogenaamd ‘gesproken Gids-nummer’ - in het Stedelijk Museum te Amsterdam hield. In deze causerie, waarvan de tekst onder de titel ‘De Gids en de traditie’ kort daarna in het tijdschrift werd gepubliceerd, merkte hij weliswaar op dat De Gids in die jaren een ‘litteraire bloeitijd’ beleefde, maar hij constateerde ook: ‘Van 1893 af heeft in de redactie onafgebroken een vertegenwoordiger van de natuurwetenschap zitting gehad. De Gids zou bepaald met zijn traditie breken, als hij het natuurwetenschappelijke aspect van het moderne denken en het moderne leven veronachtzaamde en zich exclusief op een beperkt aantal facetten der cultuur, b.v. op geschiedenis of bellettrie, ging concentreren.’ (1956, i, 305)
Overigens waren in deze periode niet alleen wetenschappelijke essays schaars in het tijdschrift vertegenwoordigd, ook beschouwingen op het gebied van de actuele politiek en andere maatschappelijke kwesties werden nauwelijks opgenomen.
Een opmerkelijke publikatie in dit opzicht was de aflevering van april 1954, die in samenwerking met andere literaire tijdschriften werd uitgebracht en gericht was ‘tegen de disqualificatie van de 5de Mei, onze nationale feestdag, tot “nationale snipperdag”’.
Andere speciale nummers die in deze jaren werden uitgegeven, waren een aflevering, gewijd aan ‘Toneel’ (nr. 8/9, 1955), en een dubbelnummer (nr. 5/6, 1958) dat door De Gids en het literaire tijdschrift Maatstaf werd gepubliceerd bij gelegenheid van de zeventigste verjaardag van de dichter A. Roland Holst.
In het eerste nummer van jaargang 1960 werd vervolgens meegedeeld dat E.J. Dijksterhuis, die problemen met zijn gezondheid had, en K. Wiersma, die het te druk had met andere bezigheden, besloten hadden hun plaats in de redactie op te geven. Vooral Dijksterhuis, die vanaf 1934 redacteur was geweest en vele jaren lang het secretariaat had waargenomen, had veel voor het tijd-
*





schrift betekend. Enkele maanden later trad de jurist H. Schadee, die raadsheer-plaatsvervanger was in het Gerechtshof te 's-Gravenhage, tot de redactie toe, begin 1961 gevolgd door A. de Froe, hoogleraar in de antropobiologie en menselijke erfelijkheidsleer aan de Universiteit van Amsterdam. Al eerder - in 1959 - was de tekstverzorger K. Lekkerkerker redactiesecretaris geworden.
Intussen was bij een deel van de redactie - met name Ed. Hoornik en Bert Voeten - ontevredenheid ontstaan over het karakter van De Gids in die periode. Hoornik en Voeten meenden dat het tijdschrift onvoldoende aansloot bij wat er in die tijd leefde, en dat het blad dringend vernieuwd moest worden. Daartoe zou niet alleen de redactie ingrijpend gewijzigd moeten worden - de invloed van vooral Van Duinkerken zou moeten worden beperkt -, maar ook moest de redactie meer financiële armslag krijgen dan uitgever Van Kampen bereid of in staat was te geven. De nieuwe redacteur De Froe was het in dit opzicht met hen eens. In 1961 werd daarom contact opgenomen met uitgeverij J.M. Meulenhoff te Amsterdam. Tijdens de besprekingen die ver-
volgens met Meulenhoff gevoerd werden, werd afgesproken dat met ingang van 1962 De Gids zou worden uitgegeven door een nieuw te vormen Stichting De Gids, terwijl de administratie en exploitatie van het tijdschrift door Meulenhoff zouden worden verzorgd. Het blad zou voortaan niet maandelijks, maar tien maal per jaar verschijnen. De redactie zou gevormd worden door A. de Froe, Ed. Hoornik en Bert Voeten, bijgestaan door een ‘raad van redactie’ - die geen medebeslissings-bevoegdheid zou krijgen! -, bestaande uit Anton van Duinkerken, E.J. Dijksterhuis - hij zou weer bij De Gids betrokken worden -, B.A. van Groningen, de

313 Aankondiging van een Gids-avond ter gelegenheid van het honderdvijfentwintigjarig bestaan van het blad, te houden op 8 juni 1962 in Rotterdam.
Vlaamse schrijver Karel Jonckheere, Emmy van Lokhorst en H. Schadee.
Na uitvoerige besprekingen bleek de rest van de redactie met de voorstellen van Hoornik, Voeten en De Froe akkoord te kunnen gaan. Voor uitgeverij Van Kampen was de overgang van De Gids naar een andere uitgever des te pijnlijker, omdat juist in 1962 het honderdvijfentwintigjarig bestaan van het tijdschrift, dat op enkele korte perioden na steeds door Van Kampen was uitgegeven, gevierd zou worden.
Bij gelegenheid van dit jubileum schreef Anton van Duinkerken over De Gids onder meer: ‘Binnen de snelheid van de technische moderniteit werkt een maandblad traag, doch selectief. Het kan zich veroorloven oud te zijn. De Gids is zo oud als de eerste spoorweg in ons land. Potgieter heeft nooit met Busken Huet getelefoneerd en nooit gefietst. Het is misschien aan hun nalatenschap te merken. Dit is het dan echter niet uitsluitend in het nadeel van dit erfbezit. Zelfs al zou het moderne maandschrift meer tot aandachtige volgzaamheid genoopt zijn dan dat het kans krijgt op vurig leiderschap, dan nog blijft het een noodzakelijk en onmisbaar orgaan voor het bijhouden van de algemene cultuur. Waar alles en iedereen zoekt te verrassen, heeft het waarde op te vallen door traditietrouw. Gelijk iedere levende trouw verheugt zij zich oprecht bij de geboorte van het nieuwe. De beginselen van een algemene cultuur vragen in elk geval verheldering en in menig geval verdediging. Dit blijft bestaansrecht schenken aan een tijdschrift, dat honderdvijfentwintig jaar geleden werd gesticht.’ (1962, i, 61-62)
Vermeldenswaard is dat in de jaren hierna de aandacht die in De Gids besteed werd aan politieke en sociale ontwikkelingen, duidelijk groter werd. Een uiting hiervan was de Kroniek van de buitenlandse politiek, die vanaf 1962 verzorgd werd door de journalist A.L. Constandse, die al in de jaren twintig sterk geboeid was door anarchistische bewegingen en sinds 1945 bij het Algemeen Handelsblad werkte. In 1963 begon Han Lammers - toen redacteur van het Algemeen Dagblad, kort



hierna werkzaam bij De Groene Amsterdammer - de Binnenlandse kroniek voor zijn rekening te nemen. Ook in de Gids-commentaren, die in deze periode geregeld werden opgenomen, werd vaak stelling genomen in actuele politieke en maatschappelijke kwesties.
Over het standpunt van De Gids schreef Gabriël Smit, die in het literaire maandblad Roeping (april 1963) een interview met De Froe, Hoornik, Lammers en Voeten publiceerde, onder meer: ‘Voeten verklaart dat “De Gids” sinds Potgieter niet alléén liberaal is, maar vooral ook het standpunt van de liberaliteit handhaaft. Dat wil zeggen: in één nummer kan men bijdragen aantreffen van prof. Geyl en de communist Theun de Vries, gedichten van Keuls en van de experimentelen.’ (1963, jg. 38, nr. 12, p. 658)
Opvallend in literair opzicht was dat er in deze tijd verscheidene verhalen van de jonge beeldhouwer-schrijver Jan Wolkers in De Gids werden gepubliceerd. Tot deze verhalen behoorden ‘Dominee met strooien hoed’, ‘Gesponnen suiker’ en ‘Zwarte advent’.
Intussen was Ed. Hoornik, die het politieke en sociale engagement van het tijdschrift verder wilde versterken, in de loop van 1964 begonnen het pad te effenen voor een meer radicale vernieuwing van het tijdschrift. Zijn pogingen hadden succes. In 1965 opende de nieuwe jaargang onder de kop ‘Veranderingen bij De Gids’ met een spectaculaire mededeling: ‘Opnieuw is thans een redactiewijziging doorgevoerd, waarbij vertegenwoordigers van een jongere generatie aan het blad worden verbonden.
De in 1962 ingestelde raad van redactie, waarin zitting hadden Emmy van Lokhorst, Anton van Duinkerken, E.J. Dijksterhuis, B.A. van Groningen, Karel Jonckheere en H. Schadee, van wie de meesten daarvoor ge-
durende een lange reeks van jaren De Gids hadden geredigeerd, is afgetreden. Dit lichaam komt hiermee te vervallen. De eveneens in 1962 door het stichtingsbestuur benoemde redactie, bestaande uit A. de Froe, Ed. Hoornik en Bert Voeten, wordt uitgebreid met W.L. Brugsma, A.L. Constandse, Sybren R. de Groot en Han Lammers; de door Bert Voeten ter beschikking gestelde redacteursplaats wordt thans ingenomen door Harry Mulisch. K. Lekkerkerker heeft zijn functie van secretaris van de redactie, die hij sinds 1959 waarnam, neergelegd. Ed. Hoornik zal voortaan als redacteursecretaris optreden.
Het blad blijft een uitgave van de Stichting De Gids, terwijl voor de produktie en exploitatie ervan, sedert 1962 in handen van J.M. Meulenhoff te Amsterdam, met ingang van januari 1965 mede Uitgeverij De Bezige Bij te Amsterdam verantwoordelijk zal zijn.
Wij zeggen de raad van redactie dank voor het werk dat hij in het belang van De Gids heeft verricht. In het bijzonder danken wij Bert Voeten en K. Lekkerkerker voor de vele uren die zij, maand in maand uit, hebben geofferd, opdat De Gids zijn plaats in het culturele leven van Nederland kon blijven innemen.’ (1965, i, 2) Ook al werd over het aftreden van de volledige raad van redactie in deze mededeling uiterst laconiek geconstateerd: ‘Dit lichaam komt hiermee te vervallen’, de con-


sequenties ervan waren ingrijpend. Vooral Anton van Duinkerken had immers meer dan dertig jaar als redacteur of als lid van de redactieraad het beleid van De Gids van dichtbij mee bepaald en daardoor een belangrijk stempel op het tijdschrift gedrukt. Met zijn verdwijnen uit de raad van redactie kwam voor De Gids het einde aan een tijdperk.
Een ander gevolg van de wijzigingen bij De Gids was dat het academische milieu, dat altijd sterk in het tijdschrift vertegenwoordigd was geweest - het meest recent door Dijksterhuis, Van Duinkerken, Van Groningen en De Froe - duidelijk aan belang inboette. Na de ‘coup van 1965’ - precies honderd jaar na de bekende breuk in de

redactie, waarbij Potgieter en Busken Huet het tijdschrift hadden verlaten - telde de Gids-redactie nog slechts twee leden die met dit milieu nauw verbonden waren: De Froe en de nieuwe redacteur Sybren de Groot, die hoogleraar in de theoretische natuurkunde aan de Universiteit van Amsterdam was. In plaats daarvan kwam een groep journalisten de redactionele gelederen versterken: Brugsma - hij had vooral de aandacht getrokken met zijn reisreportages uit diverse conflicthaarden, waarbij hij een indrukwekkende reeks van vooraanstaande politici, onder wie Chroesjtsjov, Nasser, Nehru en Soekarno, had weten te interviewen -, Constandse en Lammers. Kenmerkend voor alle drie was dat zij in het algemeen kritisch stonden tegenover het politieke establishment - sinds 1958 regeringen van confessioneel-liberale snit - en tegenover vele politieke activiteiten van het westers bondgenootschap, met name van de Verenigde Staten. De invloed van Constandse zou - mede doordat Brugsma en Lammers in 1966 de redactie van De Gids weer zouden verlaten - in dit opzicht het sterkst blijken te zijn. De grote bewondering die Constandse in de kring van De Gids genoot, zou onmiskenbaar tot uiting komen in 1969 en 1979, toen bij gelegenheid van zijn zeventigste en tachtigste verjaardag een speciale aflevering aan hem werd gewijd.
De oriëntatie in linkse richting werd nog versterkt doordat een van de nieuwe redacteuren, de schrijver Harry Mulisch, zich in deze jaren duidelijk engageerde met politiek-radicale groeperingen - zijn boek Bericht aan de rattenkoning (1966), waarin hij de provo-beweging verdedigde, was er een uiting van - en met bevrijdingsbewegingen in de zogenaamde Derde Wereld, waarbij vooral Cuba zijn belangstelling wekte. Ook zijn vriend Ed. Hoornik, die als redacteur-secretaris ontzaglijk veel werk voor het tijdschrift verzette en wiens huis aan de Amsterdamse Prinsengracht een befaamde ontmoetingsplaats voor diverse medewerkers van De Gids werd, trad in deze periode geregeld bij politieke manifestaties naar voren.
De verandering die De Gids bij de redactiewisseling van 1965 doormaakte, was door dit alles ingrijpend. Het blad, dat de afgelopen jaren het politieke en culturele debat eerder had gevolgd dan gestimuleerd, kwam door het versterkte engagement van de redactie in de voorhoede terecht. Velen zagen in deze woelige jaren, waarin de binnenlandse verhoudingen door het optreden van de provo-beweging en van nieuwe stromingen als D'66 en Nieuw Links in de Partij van de Arbeid sterk werden gewijzigd, met belangstelling naar elk nieuw nummer van De Gids uit. Het was dan ook niet verbazingwekkend dat de oplage, die in 1965 ongeveer zestienhonderd abonnementen had bedragen, in de jaren daarna opvallend steeg.
Sterk de aandacht trokken dikwijls de Gids-commentaren, die voorzien waren van de letter G - ontleend aan

320 V.l.n.r.: Ed. Hoornik, Jan Hein Donner en Han Lammers tijdens een feestje ten huize van Hoornik, 1966.
het eerste nummer in 1837 - en die gewoonlijk van een van de drie secties in de redactie afkomstig waren. Zoals in de aflevering van september 1965 van De Gids werd meegedeeld, waren deze drie secties: een literaire (Hoornik, Mulisch), een politieke (Brugsma, Constandse, Lammers) en een wetenschappelijke (De Froe, De Groot). Aan deze mededeling werd toegevoegd: ‘Van meet af aan was het nu zo, dat een commentaar op een bepaald terrein in de eerste plaats de mening van de desbetreffende groep uitdrukt. Dit kan in sommige gevallen natuurlijk inhouden, dat een redacteur van een andere sectie het er niet mee eens is.’ (1965, ii, 141)
Het opvallendste commentaar in deze periode van De Gids werd opgenomen in de aflevering van juni 1965 en betrof de mogelijkheid dat kroonrinses Beatrix een huwelijk zou sluiten met de Duitse diplomaat Claus von Amsberg. Met een verwijzing naar de Spaanse prins Carlos Hugo van Bourbon Parma, die met prinses Irene getrouwd was - hetgeen haar ertoe gebracht had haar aanspraken op de Nederlandse troon op te geven -, merkte De Gids met betrekking tot een eventueel huwelijk van prinses Beatrix onder meer op: ‘We zien maar één mogelijkheid. Deze: dat prinses Beatrix, indien zij haar hart aan de heer von Amsberg gegeven heeft, ervan afziet om voor haar huwelijk de toestemming van de volksvertegenwoordiging te vragen. Zodat hetgeen voor de heer Hugo heeft gegolden, ook geldt voor de heer Claus. Dat houdt in dat wij prinses Margriet en haar toekomstige echtgenoot Pieter van Vollenhoven kandidaat stellen voor de positie van de onschendbaren in ons midden. Zij hebben tot nu toe een uitermate be-

scheiden, nuchtere indruk gemaakt. Geheel in overeenstemming met de signatuur van onze samenleving.’ (1965, ii, 2)
Dat niet alle redacteuren het met dit commentaar eens waren bleek uit de aflevering van september 1965, waarin uit een brief van de redacteur Sybren de Groot onder meer het volgende werd geciteerd: ‘[...] eerst over dat redactiecommentaar in het juni-nummer. Nu berichten die ik bij terugkomst vond, de schijn wekken dat ik daarover geraadpleegd ben, moet mij (wat anders nooit gebeurd zou zijn) het volgende van het hart. Ik kan niet akkoord gaan met een verklaring, die lijnrecht ingaat tegen enige van mijn principes. Ik wil nooit iemand voor wat dan ook ongeschikt achten alleen omdat hij een bepaalde nationaliteit bezit (met inbegrip van alles wat dat, buiten iemands verantwoordelijkheid, inhoudt) en ik wil nooit veronderstellen of suggereren dat iemand bepaalde meningen heeft, als hij die niet zelf verklaart te bezitten. Ik wil iemand de kans geven te zeg-

322 Han Lammers aan Ed. Hoornik, 23 juni 1967. Hij stuurt een bijdrage over Israël, ‘Nederland in het Midden-Oosten’, die wordt opgenomen in De Gids van juli/augustus 1967.
gen wat hij is en wat hij vindt, alvorens ik hem beoordeel. De verklaringen van de prinses en haar aanstaande, die ik inmiddels las, zijn voor mij geheel bevredigend, en ik vind dat de regering van ons koninkrijk de zaak op juiste en efficiënte wijze heeft behandeld.’ (1965, ii, 162)
Behalve in de Gids-commentaren werden ook in de kronieken - waarvan het aantal met ingang van januari 1965 sterk werd uitgebreid - geregeld controversiële onderwerpen behandeld. Constandse en Lammers zetten hun buitenlandse respectievelijk binnenlandse kroniek, die zij sinds enige jaren verzorgden, voort, waarbij zij de gelegenheid hadden scherpe kanttekeningen bij actuele ontwikkelingen te plaatsen. Vooral Constandse nam daarbij fel stelling tegen de Amerikaanse inmenging in de Vietnamese oorlog. Hans Andreus en J. Bernlef schreven geregeld over nieuw verschenen poëzie, Paul de Wispelaere verzorgde kronieken over het proza, Reinbert de Leeuw en Louis Andriessen over muziek, Hans Keller over film en Peter Lohr en David Koning over toneel. De laatste stelde in een van zijn bijdragen de jaarlijkse traditie van de opvoering van Gysbreght van Aemstel van Joost van den Vondel ter discussie. Het begin van Konings bijdrage, getiteld ‘De Gysbreght van heden’ en opgenomen in de aflevering van december 1965, luidde: ‘Nederland kent welgeteld één theatertraditie of liever: een tot zinloosheid verstarde gewoonte. Dat is de steeds terugkerende opvoering in de Amsterdamse Stadsschouwburg op de eerste januari van de Gysbreght van Aemstel door Joost van den Vondel, gevolgd door een boerenbruiloft van opgeschroefde vrolijkheid uit de nalatenschap van “spullebaas” De Vries, met als oubolligheidshoogtepunt een nieuwjaarswens in beuzelrijm. De combinatie is afschuwelijk. Maar erger nog is dat men een pronkstuk uit een tijdperk van onze culturele ontwikkeling op Europees niveau meer en meer van glans berooft en daarna kennelijk genoegen neemt met een stupide pastorale uit een burgerlijke vervalperiode zonder weerga. Er gaan dan ook vele stemmen op, zij het niet zo erg doordringend, om die onwaardige vertoning te staken.’ (1965, ii, 339)

Mede naar aanleiding van deze bijdrage van David Koning ontstond in latere afleveringen van De Gids een uitvoerige discussie over de Gysbreght van Aemstel-traditie - en in verband daarmee over de hele situatie van het Nederlandse toneel -, waarin zich ook Johan de Meester, W. Ph. Pos en Lo van Hensbergen mengden. In dezelfde periode begon de Actiegroep Tomaat met bedorven ooft en scherpe verwijten over het gebrek aan artistieke en maatschappelijke betrokkenheid dat het Nederlandse toneel aan de dag zou leggen, haar aanval op de traditionele toneelcultuur in ons land, wat in 1969 mede zou leiden tot het einde van de Gysbreght van Aemstel-traditie.
Ook in afzonderlijke essays-zelfs in speciale uitgaven die als ‘Vlugschrift van De Gids’ de aandacht trokkenwerden in deze periode allerlei omstreden kwesties aan de orde gesteld. Zo schreef C. van Emde Boas over ‘De positie van de homoseksueel in Nederland’, B.V.A. Röling over ‘Oorlogsvormen en vredeswetenschap’ en L.H.C. Hulsman over ‘Provo en de handhaving van de openbare orde’. De provo-beweging kwam overigens in deze jaren geregeld ter sprake in De Gids, onder meer in een interview dat Constandse en Mulisch hadden met een van de meest op de voorgrond tredende provo's, Roel van Duyn, en in een reeks kronieken, in het bijzonder gewijd aan ‘Amsterdam’ en verzorgd door de Parool-journalist Aad van der Mijn. De essayist G. van Benthem van den Bergh, die in die tijd in Berkeley studeerde, schreef onder de titel ‘De uilenspiegels van Amerika’ een beschouwing over de Free Speech Movement en andere groeperingen in de Verenigde Staten die streefden naar radicale verandering van de maatschappelijke orde.
Daarnaast werden enkele afleveringen aan speciale onderwerpen gewijd, waaronder een dubbelnummer over de dood (nr. 4/5, 1966), dat in ieder geval aan deze zijde van dit fenomeen grote belangstelling wekte, en een dubbelnummer over de tien jaren sinds de opstand in Hongarije (nr. 7/8, 1966), waarin vooral een essay van Max Nord, getiteld ‘Hongarije 1956 en de Nederlandse schrijvers’, tot verhitte discussies leidde. Dat laatste was ook het geval met een Gids-nummer over ‘Onbehagen’ (nr. 9/10, 1967): hierin werd onder meer het essay ‘Het onbehagen bij de vrouw’ van Joke Kool-Smit gepubliceerd, dat door velen in Nederland wordt beschouwd als het begin van ‘de tweede feministische golf’.
Door het sterke accent dat na de redactiewijziging in januari 1965 werd gelegd op allerlei maatschappelijke en




