terug  begin  verderprepost
[p. 33]

Hoofdstuk 2
Nederland in de jaren 1830

Het is een mythe dat De Gids zou zijn ontstaan uit oppositie tegen de geest van de jaren dertig of het Nederland van Willem I, maar het is duidelijk uit zowel het prospectus als de inhoud van het tijdschrift dat zijn kring van auteurs geen hoge dunk had van het heersende culturele klimaat. Potgieter en anderen uit deze kring hebben de voorstelling in het leven geroepen van een suffend Nederland, gepersonifieerd door Jan Salie, een land dat na de zeventiende eeuw zijn energie verloren had, op de geldzak ingedut was, zich door Engelsen en Fransen had laten ringeloren en vervolgens onder het vaderlijk bewind van Willem I opnieuw tevreden in slaap was gesukkeld, ondertussen aan alle kanten voorbijgestreefd door het buitenland. Dit polemische beeld van stilstand, verslapping, achteruitgang en bekrompenheid is met de groeiende status van De Gids en de liberale overwinning na 1848 gecanoniseerd en de geschiedenis ingegaan. Door de beweging van Tachtig is het nog versterkt en heeft het in zekere zin zelfs gelding gekregen voor de rest van de eeuw tot 1885. De periode 1815-1840 heeft zich tot recente jaren nauwelijks kunnen herstellen van deze moralistische geschiedinterpretatie, die bij gebrek aan een betere verklaring de veranderde economische, culturele en politieke positie van Nederland toeschreef aan mentale verslapping. Dit oordeel was een voortzetting van het verval-discours uit de patriottentijd.

Inmiddels is de eerste helft van de negentiende eeuw aan een herijking toe, die overigens niet per se een kwalitatieve of esthetische herwaardering hoeft te betekenen. Niemand zal willen betogen dat dit een grootse tijd is geweest. De depreciatie van deze periode door kritische en vernieuwingsgezinde tijdgenoten en ook hun termen van beoordeling zijn niet irrelevant; deze representatie is immers zelf een historische realiteit. Maar ook niet meer dan dat. Op anderhalve eeuw afstand is het verhelderender buiten de contemporaine beeldvorming om en zonder bijgemengd nationalisme de eigen aard van de periode te bepalen. Sinds ongeveer 1980 gebeurt dat ook, in studies van de toenmalige geschiedopvatting, de structuur van de economie, het nationaal besef, de regering van Willem I en de betekenis van de maatschappelijke oppositie, en de organisatievormen van het letterkundige en culturele leven.1 Het klimaat van de jaren 1830 werd voor een goed deel bepaald door omstandigheden als de kleinsteedsheid, maatschappelijke afhankelijkheidsrelaties en de genootschappelijke organisatievorm van het culturele leven. Van belang waren nog steeds de traumatische ervaringen van de periode 1787-1813 en de noodzaak de tot stand gekomen eenheidsstaat ook psychologisch te realiseren.

[p. 34]

Daarbovenop kwam de ervaring van 1830, die opnieuw een schok gaf aan het nationaal gevoel en een heroriëntatie nodig maakte.

Kenmerkend voor de hele periode na 1815, of eigenlijk al vanaf 1801, was de behoefte aan orde en consensus. De toen heersende stemming laat zich typeren als een godsdienstig getint, gedepolitiseerd vaderlandgevoel.2 Zij kwam voort uit de noodzaak, in 1815 nog versterkt, om binnen nieuwe Europese verhoudingen een nationale eenheidsstaat te vormen uit een historisch, godsdienstig en staatkundig zeer verdeeld geheel, en uit de behoefte de oude partijschappen te neutraliseren die het land uiteindelijk aan Franse overheersing hadden uitgeleverd. ‘Zoo duur zijn onze jammerlijke verdeeldheden ons te staan gekomen! Maar tot dien prijs hebben wij ook de waarde der eensgezindheid leeren kennen [...] Verdwenen is de tweespalt der overheden, verdwenen de haat der burgeren! Verdwenen zijn de luchtkasteelen, de droomerijen der bespiegeling, door geene wijze ervarenis bekrachtigd! Ieder brengt op het altaar des Vaderlands het offer zijner bijzondere gevoelens [...] Eén hart ééne ziel is het hart en de ziel van allen!’, aldus de vooraanstaande hoogleraar en redenaar Van der Palm, die in deze ‘Vaderlandsche uitboezeming’ tot zijn landgenoten de stemming van na 1813 verwoordde, de behoefte aan rust en herstel na drie decennia van bestuurswisselingen.3 Het was overigens niet een bijzonder Nederlands verschijnsel. Overal in het post-napoleontische Westen Midden-Europa ontstond in meerdere of mindere mate de situatie van een (verlicht-)autocratisch bestuur en een weinig politiek gemotiveerde, zich in de particuliere levenssfeer terugtrekkende bevolking op zoek naar compromis en herstel.

De Zuidelijke Nederlanden vertoonden op velerlei gebied meer dynamiek dan het noordelijk deel van het Koninkrijk. Hier ontstond in de jaren 1820 ook iets van een politieke oppositie. De voorzichtige ontwikkeling daarvan in het Noorden, in de late jaren twintig, werd doorkruist en voor bijna tien jaar stilgelegd door de Belgische afscheiding, die elke oppositie na 1830 direct het odium gaf van een onvaderlandslievende, subversieve daad.4 De ervaring van 1830-1832 was een zware slag voor de nationale trots en bracht voor jaren de nationale zelfwaardering nog verder uit het evenwicht. Hoewel men in het Noorden geen warme gevoelens voor de Belgen had ontwikkeld, was hun afscheiding en het verlies van de helft van het rijk toch kwetsend voor de nationale eer, omdat men zich het Verenigd Koninkrijk vooral als een vergroot Nederland had voorgesteld, dat in deze vorm nog een middelgrote mogendheid kon lijken. Toen bleek dat de grote mogendheden, die in 1815 het staatsverband hadden gecreëerd, nu hun macht niet gebruikten om het recht te herstellen maar om de deling te bestendigen en zelfs toelieten dat de Fransen de opstandige Belgen te hulp kwamen, drong de harde waarheid door dat Nederland definitief niet meer in tel was in de wereld. Juist in de jaren dertig moest het contrast met vroegere grootheid zich opdringen. In eerste instantie echter was de reactie een andere. De publieke opinie stelde zich op achter de koning en trok zich terug op een klein-Nederlands, protestants nationaal zelfbeeld, dat inspiratie vond in de glorietijd van de Republiek. Het leverde

[p. 35]

een onevenwichtig, gekwetst en defensief nationaal gevoel op, dat zich uitte in een retorisch gloriëren in langvervlogen roem en een wrokkige afwijzing van buitenlandse invloed.

Aanvankelijk, in 1830-1832, stonden alle geledingen van de Nederlandse samenleving pal voor vorst en vaderland, maar toen deze kippendrift geluwd was nam met de jaren ook de publieke steun af voor de halsstarrige status-quopolitiek van Willem I, die ondanks de internationale druk weigerde de scheiding te aanvaarden. Na de opwinding volgden jaren van teleurstelling, aldus De Bosch Kemper, de chroniqueur van dit tijdvak.5 Door het internationale isolement en de enorme kosten van de permanente mobilisatie vormde de volhardingspolitiek een zware last voor het door de scheiding toch al verzwakte land. De Nederlandse economie was traditioneel en weinig dynamisch. De Amsterdamse geldmarkt, die met leningen de dure politiek financierde, voer er wel bij, maar de toch al ondoorzichtige staatsbegroting raakte voor jaren uit het lood.6

Het staatsbestuur maakte een gesloten, weinig toegankelijke indruk. De door Willem I gedomineerde regering vormde van nabij gezien een subtiel geheel van krachten, als landsbestuur stond zij echter op grote afstand van de maatschappij. De Staten-Generaal, gevormd door een vaste bestuurselite, waren in hoofdzaak zeer volgzaam; de hele stijl van het landsbestuur was aristocratisch en naar binnen gekeerd. Maatschappelijke belangstelling voor zijn handelingen werd nauwelijks op prijs gesteld. De regering en andere overheden reageerden over het algemeen geprikkeld op kritiek. Willem I beschouwde geheel in verlicht-absolutistische zin de pers als een instrument ter verspreiding van nuttige kennis, vooruitgang en verdraagzaamheid; kritische beoordeling van de regering was niet haar taak.7 Hij werd in die opvatting gesteund door het burgerlijk publiek, dat zich over het algemeen afkerig toonde van elke vorm van twistgeschrijf en politiek engagement. ‘Vitten’, ‘bedillen’ en het beoordelen van gezagsdragers golden als ongepast. Afgezien van klachten over de financiële toestand, drukkende belastingen en de vrij strenge vervolging van de Afgescheidenen was er tot het einde van de jaren dertig nauwelijks een publiek debat over politiek en evenmin iets van een georganiseerde oppositie. Zo daaraan al behoefte zou hebben bestaan, werd de vorming ervan verijdeld door de overheid, die haar toevlucht nam tot intimidatie, omkoping en het oprichten van regeringsgezinde bladen om de publieke opinie te beheersen.8 Zo ontstonden, uit een geheim regeringsfonds gefinancierd, bladen als de Journal de la Haye (1830-1849), De Waakzame (1834-1836) en De Avondbode (1837-1841), die bedoeld waren om de mogelijke invloed van onafhankelijke kranten als de Arnhemsche Courant (sinds 1811) en de Nieuwe Amsterdamsche Courant en Algemeen Handelsblad (sinds 1828) te neutraliseren.9 Blijkbaar kon men zich in deze jaren nog geen voorstelling maken van een constructieve oppositie.

Het is in het algemeen opvallend hoe kleinzerig men op kritiek reageerde. Van een afstand bezien is het begrijpelijk dat een gemeenschap die vooral in beslag genomen werd door de zorg om behoud van eenheid, herstel van zelf-

[p. 36]

vertrouwen en aanpassing aan een nieuwe, gereduceerde status, in eerste instantie geen behoefte had zich te begeven in grote politieke en maatschappelijke discussies. In een land dat nauwelijks een openbare sfeer creëerde en waar het leven zich vooral in kleinere, halfbesloten kringen afspeelde, kreeg elk debat en elke kritiek als vanzelf een particulier karakter. Althans, zij werden zo opgevat. Men lijkt grote moeite te hebben gehad het persoonlijke en zakelijke te scheiden. Zij kwamen inderdaad samen in de reputatie of het aanzien, waarden die van moeilijk te overschatten betekenis waren in de informele, fijnmazige standensamenleving die Nederland was. Aanzien was een belangrijk sociaal kapitaal. Kritiek, veroordeling of spot vormden een bedreiging van de opgebouwde waardigheid en daarmee van het gezag, dat immers juist berustte op wederzijdse erkenning van een stelsel van imponderabilia. Men schikte zich dus in een collectieve beleefdheidsdwang die een strenge kritiek onmogelijk en ongepast maakte. Men matigde zich, probeerde elkaar te ontzien, hulde zich in anonimiteit of liet uit piëteit lofprijzing prevaleren boven kritische aanmerking. De retorische stijl van de periode was niet die van de kritiek, maar die van de bevestiging en herhaling.

De sociale ruimte was verhoudingsgewijs klein. Het toenmalige Nederland was in elk opzicht weinig dynamisch.10 De infrastructuur was relatief goed, maar berekend op traditionele verkeersmiddelen als de trekschuit, de diligence en de veerpont. Er waren enkele stoomvaartverbindingen, maar de aanleg van een eerste spoorweg, van Amsterdam naar Keulen, kwam ondanks de steun van de koning in 1834 niet tot stand bij gebrek aan bereidheid om hierin te investeren.11 Een fijnmazig spoorwegnet zou pas na 1860 worden aangelegd. Zo speelde het leven zich af in de tamelijk besloten ruimte van een groot aantal stadjes en dorpen.12 Veel plaatsen lagen nog binnen hun oude wallen, omgeven door platteland. Binnen deze kleinschalige leefsituatie bestonden traditionele, vaste verhoudingen en allerlei sociaal-economische afhankelijkheids-relaties. Het maatschappelijk verkeer was sterk geritualiseerd en kende vele verplichtingen en regels van orde.

Ook in artistiek en intellectueel opzicht toonden de jaren dertig geen behoefte aan verkenning, vernieuwing en invloed van buitenaf. Voor een deel was het intellectuele en culturele leven besloten binnen de gemeenschap van de drie kleine universiteiten Leiden, Utrecht en Groningen, en van de athenea in Amsterdam, Deventer en Franeker. Besloten inderdaad: de eerste universiteit van het land, Leiden, telde een dertigtal hoogleraren en zo'n vijfhonderd studenten, totaal anderhalf procent van de Leidse bevolking.13 De Nederlandse universiteiten waren wat hun vorming betreft ouderwets humanistisch en naar hun doel utilitair van karakter. Zij waren niet bedoeld om er baanbrekend onderzoek te verrichten en de wetenschap vooruit te brengen, maar om studenten ‘tot eenen geleerden stand in de maatschappij voor te bereiden’. Zij waren er om een leidende stand van nuttige en vaderlandslievende beroepsbeoefenaars ten dienste van staat en maatschappij te vormen: juristen, predikanten, geneeskundigen, leraren en geleerden om het culturele erfgoed te beheren. De athenea, instellingen van hoger onderwijs maar zonder promotie-

[p. 37]

recht, hadden officieel tot taak ‘zooveel mogelijk algemeene verspreiding van smaak, beschaving, geleerdheid’.14 Voor de meeste hoogleraren was wetenschap niet exploratie van nieuwe gebieden, geen Forschung, maar geleerdheid, het beheren en bewerken en overdragen van een bestaand fonds van kennis of corpus van teksten. Zij dachten nog in achttiende-eeuwse trant over wetenschap als een harmonische encyclopedie, die een afspiegeling vormde van de wezenlijke samenhang en orde van de werkelijkheid als schepping Gods.

Men hechtte bovendien aan tradities die golden als bij uitstek Nederlands, zoals de klassieke en semitische filologie, de rechtswetenschap en de theologie. De filologisch-historische benadering stempelde trouwens de hele academische vakbeoefening. Conserverend en afsluitend werkte ook het vasthouden aan het Latijn als officiële taal van de wetenschap en het onderwijs. In vorige eeuwen was de Nederlandse wetenschap daardoor deelnemer geweest aan het internationale verkeer; inmiddels had het Latijn die functie verloren en was het voor de ontwikkeling van de meeste wetenschappen een belemmering geworden. Door dit alles had de academische wetenschapsbeoefening, erudiet als zij was, in sommige vakken iets dilettantisch, in haar oppervlakkige beschouwelijkheid en encyclopedisme en in haar gemoedelijkheid zonder strenge methode; in andere vakken had zij juist iets beperkts, door de gehechtheid bijvoorbeeld aan de nationale traditie van strenge filologie, die in het buitenland wel geëerd werd, maar daar als niet meer dan een middel gold. Enkele individuele geleerden uitgezonderd stond de Nederlandse wetenschap in deze periode weinig open voor ontwikkelingen elders. Vooral de zich indrukwekkend uitbreidende Duitse wetenschap, filosofisch van inslag, gedurfd-speculatief en synthetisch, werd met wantrouwen bejegend of eenvoudig genegeerd. De filologen vonden de brede Altertumswissenschaft oppervlakkig, de grote concepties van de idealistische filosofie golden als hersenschimmen, ongeschikt voor het gezond verstand, en de academische godgeleerden, die er geen behoefte aan hadden hun gematigde godsdienstleer in twijfel te trekken, gingen voorbij aan de in hun ogen subversieve theologie van Schleiermacher en de jonghegelianen.

De universitaire gemeenschappen vormden echter zeker niet de enige centra van cultureel leven, al beoefenden hoogleraren, soms ook studenten en in elk geval de academisch gevormde predikanten, letterkundigen en juristen ijverig de schone letteren, wat nauwelijks verbaast bij de toenmalige nadruk op welsprekendheid in de opleiding. Zij deden dat in de vele lokaal of landelijk georganiseerde genootschappen, maatschappijen, verenigingen, rederijkerskamers en leesgezelschappen waarmee Nederland als met een net overdekt was: de organisatievormen van de burgerlijke sociabiliteit. Het is pas van vrij recente datum dat historici en neerlandici de enorme betekenis van deze organisatievormen voor het begrip van de toenmalige letterkunde en de formatie van de burgerlijke maatschappij hebben herontdekt. Het literatuur- en cultuurhistorisch onderzoek heeft zich verbreed tot de studie van de concrete ‘culturele infrastructuur’, het geheel van instellingen waardoor of waarbinnen de productie, verspreiding en receptie van kunst, literatuur en ideeën kan

[p. 38]

plaatsvinden.15 Dit is inderdaad een verrijking. Historische cultuurvormen kunnen pas begrepen en naar waarde geschat worden als men uitgaat van hun functie, hun communicatiesituatie, de zin van hun organisatie- en presentatievorm.

De organisatie van burgerlijke cultuurbeoefening en maatschappelijke werkzaamheid in instellingen als de maatschappij, het genootschap, de rederijkerskamer en het leesgezelschap was een verschijnsel dat dateerde van de achttiende eeuw. Het berustte op de gedachte dat burgers zich beter in ‘gezellig verkeer’ met anderen dan in afzondering konden ontplooien en oefenen in kennis en deugd, en alleen door aaneensluiting konden bijdragen tot maatschappelijke verbeteringen en het verbreiden van beschaving. Zeker tot het midden van de negentiende eeuw hielden deze organisatievormen hun functie en aantrekkelijkheid. Sommige achttiende-eeuwse maatschappijen en genootschappen werden in de negentiende eeuw zelfs uitgeproken prestigieus en daardoor nog meer dan voorheen officieel en gezaghebbend.16 Dergelijke instellingen waren zonder sterke kerkelijke kleur en met uitzondering van de late achttiende eeuw ook apolitiek. Hier heerste dezelfde praktisch bepaalde neutraliteit als binnen de tijdschriften. Sinds het laatste kwart van de achttiende eeuw waren er organisaties die naar buiten traden met een sociale, hervormende of beschavende taak. De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen is daarvan wel de bekendste. Hoewel zich allerlei gradaties van openbaarheid laten onderscheiden, waren zowel de lokaal als de landelijk georganiseerde genootschappen hoofdzakelijk naar binnen gekeerd. Binnen zo'n verband oefenden de leden zich in dichtkunst, taal- en letterkunde, welsprekendheid en het onderzoek van historie en natuur. Zij probeerden in deze kring hun werk uit en bespraken het onderling, bediscussieerden vraagstukken van algemeen belang en traden voor elkaar of een iets ruimere kring van genodigden of betalend publiek op met verhandelingen en bellettrie. Hier werden reputaties gemaakt en de letterkundige hiërarchie bepaald, nog voor het werk in druk verschenen was. Een plaatselijk gevierd dichter of spreker kon via het genootschapscircuit, vooral via de landelijke organisaties, die overal hun departementen hadden, nationale vermaardheid bereiken. Sterren van het genootschapscircuit waren bijvoorbeeld Van der Palm, Geel, De Clercq, Tollens en Van Lennep.

Deze organisatievorm verklaart een aantal eigenaardigheden van het toenmalige letterkundige en intellectuele leven. Hij kon gemakkelijk leiden tot een zekere afsluiting en een gebrek aan kritische zin. Binnen letterkundige genootschappen bestond wel competitie en onderlinge beoordeling, maar geheel binnen de doelstelling van ontplooiing in vriendschappelijk verkeer. Of men nu lid was van een klein genootschap of optrad in het grotere circuit, men zocht erkenning en status binnen een kring van min of meer gelijkgezinden die dezelfde waarden en esthetiek onderschreven. Er was in dit besloten gezelschap een ruime plaats voor de middelmaat en het geringe talent. Gewoonlijk erkende men ronduit dat het genootschapsleven slechts een uitbreiding vormde van de huiselijke kring en dat derhalve de aspiraties en het kwaliteitsniveau

[p. 39]

bescheiden mochten zijn.17 Van der Palm, een van de gevierdste sprekers van dit tijdvak, kon in een klassieke redevoering voor het meest prestigieuze letterkundige genootschap, de Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen, optreden als pleitbezorger van het middelmatige, al beschouwde hij dit niet als het ideaal van de kunst. Zo'n apologie van het middelmatige vond steun in het vanzelfsprekende standsbesef, in het ideaal van maatschappelijk evenwicht en in het christelijk gebod van liefde. Een andere vooraanstaande auteur nam het op voor de middelmaat met het argument dat ook tweede- en derderangs dichters ‘in hunnen stand nuttig en noodzakelijk’ waren. Onder een nationale en christelijke kritiek verstond men een broederlijke aanmoediging die verder alle ruimte liet aan verscheidenheid en alle gradaties van talent.18

Het was er deze instellingen immers niet om te doen literatuur en kunst vooruit te brengen door voortdurende vernieuwing, maar hen volgens conventionele regels in gezelschap te beoefenen en in vertrouwde kring waardering te verwerven. Verbetering van de literatuur was een zaak van emulatie binnen dezelfde esthetiek. Eventueel bediscussieerde men, in de vorm van verhandelingen en prijsvragen, nieuwe buitenlandse ontwikkelingen op esthetisch gebied. In dit collectieve en conventionele verband werd bepaald in hoeverre men zich zou openstellen voor nieuwe culturele tendenties.19 Nog in 1830 vormden genootschapsreeksen 21 procent van de in Nederland bestaande periodieken,20 maar ook veel zelfstandige tijdschriften waren alleen al in personele zin nauw verbonden met het genootschapscircuit en weerspiegelden dus grotendeels de hier gevormde oordelen.

In hoofdzaak had de genootschappelijkheid een conservatieve strekking. Men oefende zich en wedijverde in de toepassing van geijkte regels op het gebied van de dichtkunst, welsprekendheid en verhandeling. Het hele genootschapsleven was een formalistisch spel, gebonden aan tal van regels, bepalingen, wetten, toelatingsprocedures en vergaderingen. Alleen al deze ‘Verlichte’ en gereglementeerde organisatievorm van het culturele leven bepaalde de opvatting van het kunstenaarschap: hij was weinig geschikt om de romantische conceptie van het kunstenaarschap te accepteren, met haar ongebonden genie, grootse aspiraties en volledige overgave aan de kunst. Of beter, deze vorm domesticeerde het romantische kunstenaarschap. Ook de jonge dichters die zich in romantische trant gingen uiten of een profetenfiguur als Da Costa lieten zich in dit circuit opnemen, waardoor de literaire en in zekere zin ook de levensbeschouwelijke geschillen gedempt werden. Het absorptievermogen van het genootschapscircuit was zo groot, dat het ook het sterk afwijkende reduceerde tot een onschuldig smaakverschil. Juist omdat auteurs hier in hun ‘burgerlijke’ hoedanigheid aanwezig waren, hielden zij iets vertrouwds. Het dagboek van de jonge Beets toont hoe gemakkelijk en welwillend de romantiserende jongeren in deze gevestigde orde werden opgenomen en vriendschappelijk verkeerden met oudere coryfeeën en gelegenheidsdichters.

Suggereert de organisatievorm al een overwegende verwantschap met het classicisme, de ‘orale communicatiesituatie’ waarbinnen de letterkunde beoe-

[p. 40]

fend werd - men richtte zich tot toehoorders, niet tot lezers - biedt een verklaring voor de retorische stijl van de toenmalige literatuur en de preoccupatie met welsprekendheid.21 Ook de in deze kring gebruikelijke onderlinge bewieroking kan men beschouwen als een humanistische conventie.22

 

Al vaak is voorgesteld de Nederlandse cultuur van ongeveer de periode 1815-1850 te karakteriseren met de term biedermeier.23 Deze suggesties ten spijt lijkt deze typering nog niet algemeen ingang te hebben gevonden. Inderdaad vormen de reikwijdte en het bepalen van een einddatum een probleem. Toch is er veel voor te zeggen en niet alleen omdat deze typering een elegant einde maakt aan de vruchteloze discussie over de vraag of Nederland de verlichting en de romantiek wel op de juiste tijd en wijze heeft doorgemaakt. De term biedermeier impliceert precies deze afgezwakte receptie of verwerking van de radicale aspecten van beide cultuurbewegingen. Hij erkent het eigen levensgevoel van de burgerijen in het Europa van de restauratie. In levensbeschouwelijk opzicht deelde de Nederlandse culturele bovenlaag de overwegende attitude van de Duitse en Oostenrijkse middenklasse waarvoor deze term is gemunt. De bij uitstek nationale kwaliteiten die in redevoering na verhandeling werden gehuldigd, zoals eenvoud, huiselijkheid, bezadigdheid, werkelijkheidszin, praktische vroomheid, deugdzaamheid en degelijke, kalme vaderlandsliefde, waren helemaal niet nationaal; het waren de waarden van de burgerij in het post-napoleontische Europa.24 Overal zocht men weer de particuliere of halfbesloten sfeer binnen een voorstelling van de maatschappij als een geheel van kringen die tezamen een ‘huishouding’ vormden onder de vaderlijke leiding van de vorst. Men streefde naar consensus en orde, neigde tot verinnerlijking en prees het nuchtere realisme en het zachte sentiment als correctief op elke vorm van radicalisme. Als de periode iets eigens gehad heeft, dan is het dat men toentertijd blijkbaar redenen had de middelmatigheid te waarderen op een manier die later ondenkbaar werd.

1De bedoelde studies komen in het hiernavolgende aan bod. Materiaal voor een herijking bieden onder anderen: Kossmann, ‘Is het Nederlandse volk door de scheiding van 1830 “wakker geschud”?’; Blaas, ‘De Gouden Eeuw: overleefd en herleefd. Kanttekeningen bij het beeldvormingsproces in de 19de eeuw’ en de overige bijdragen aan het themanummer over de receptie van de zeventiende eeuw in de negentiende, NE 9 (1985) nr. 3; Van den Berg, ‘De uitvinding van de negentiende eeuw’; Griffiths, Achterlijk, achter of anders. Aspecten van de economische ontwikkeling van Nederland in de 19de eeuw; de bundel Staats- en natievorming in Willem I's Koninkrijk (1815-1830), ed. Tamse en Witte; Van Sas, ‘Het politieke klimaat in Noord-Nederland tijdens de crisis van het Verenigd Koninkrijk, 1828-1830’; Hooykaas, ‘De politisering van de Nederlandse pers’; Van den Berg, ‘Het literaire genootschapsleven in de eerste helft van de negentiende eeuw’ en de overige bijdragen aan het themanummer ‘Genootschapsleven in Nederland 1800-1850’, NE 7 (1983).
2De Groot, ‘Sociocultureel en godsdienstig leven’, 84; Van Sas heeft ten aanzien van de periode 1800-1813 gesproken van een ‘End of ideology’-stemming, waarin een niet-politiek geladen vaderlandgevoel gedijde; deze typering leent zich ook voor de volgende vijfentwintig jaren. Van Sas, ‘Vaderlandsliefde’, 494.
3Van der Palm, ‘Vaderlandsche uitboezeming’, 109.
4Van Sas, ‘Politieke klimaat’; Hooykaas, ‘Politisering van de pers’.
5De Bosch Kemper, Nederland na 1830, II 213.
6Kossmann, Lage Landen, 111-112.
7Tamse en Witte, ‘Inleiding’, 49-50.
8Tamse en Witte, ‘Inleiding’, 50; Hooykaas, ‘Politisering’; Beekelaar, ‘Arnhemsche Courant’.
9Over deze bladen: Schneider en Hemels, Nederlandse krant, 125-130, 152-160, 290; Hooykaas, ‘Politisering’, 129-130; Beekelaar, ‘Arnhemsche Courant’; Visser, Papieren spiegel.
10Over infrastructuur en mobiliteit in Nederland, zie: Knippenberg en De Pater, Eenwording, vooral 38-60.
11De Bosch Kemper, Nederland na 1830, II 215.
12Knippenberg en De Pater, Eenwording, 38.
13Van Zonneveld, Romantische Club, 13.
14Volgens de wettelijke regeling van 1815, gecit. in: Otterspeer, Wiekslag, 5; over het hoger onderwijs in de negentiende eeuw, zie verder: Huizinga, ‘Geschiedenis der universiteit’ en Idem, ‘De wetenschappen’; en Wachelder, Universiteit.
15Te noemen zijn hier, van de Nederlandse publicaties vooral over de negentiende eeuw: Themanummer ‘Genootschapsleven in Nederland 1800-1850’ van NE 7 (1983); Van den Berg, ‘Sociabiliteit, genootschappelijkheid en de orale cultus’ (1984) en Idem, ‘Het literaire genootschapsleven in de eerste helft van de negentiende eeuw’ (1986); Mathijsen, Het literaire leven in de negentiende eeuw (1987); Mijnhardt, Tot heil van 't menschdom. De culturele genootschappen in Nederland 1750-1815 (1988); Hanou, Sluiers van Isis. Johannes Kinker als voorvechter van de Verlichting, in de vrijmetselarij en andere Nederlandse genootschappen, 1790-1845 (1988); Kloek en Mijnhardt ed., De productie, distributie en consumptie van cultuur (1991); Themanummer ‘Negentiende-eeuwse leescultuur’, NE 14 (1990); Brouwer, ‘De vele geschiedenissen van het boek. Bij wijze van inleiding’ (1994); Idem, Lezen en schrijven in de provincie. De boeken van Zwolse boekverkopers 1777-1849 (1995); Bijvoet e.a. ed., Bladeren in andermans hoofd; en het sinds 1994 verschijnende Jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis.
16Van den Berg, ‘Het literaire genootschapsleven’, 16-17.
17Ibidem, 22-23.
18Van der Palm, ‘Over het middelmatige’ (1822). De andere auteur was Jeronimo de Vries, ‘Het nationale in onze dichtkunst’ (1839), 625-645, vooral 630-631 en Idem, ‘Gebrek aan gematigdheid’, 177-195, vooral 178, 188. Over deze biedermeierkritiek, zie: Streng, ‘Drieërlei opvatting’, 103-107. Meer in het algemeen: Kossmann, ‘Hollandse middelmaat’, 49-51.
19Van den Berg, ‘Het literaire genootschapsleven’, 21.
20Johannes, Barometer, 39.
21Deze laatste verklaring en de term zijn van Van den Berg, ‘Het literaire genootschapsleven’, 26; uitgebreider in: Idem, ‘1848: B.H. Lulofs publiceert “De declamatie”’; zie ook Mathijsen, Literaire leven, 51-54.
22Zie bijvoorbeeld De Groot, Van der Palm, 120-122, 143-149.
23Van Rossum, ‘Das Biedermeier als europäische Kulturerscheinung’; Buitendijk, ‘De jonge Da Costa’; Kossmann, ‘Is Nederland door 1830 “wakker geschud”?’, 372; De Groot, ‘Sociocultureel en godsdienstig leven’, 86; Van Zonneveld, ‘Verlichting, Biedermeier en Romantiek’.
24Aerts, ‘Nationale cultuur’, 241.
prepostterug  begin  verder