terug  begin  verderprepost
[p. 102]

Hoofdstuk 7
Geschiedenis als ideologie

De betekenis van de geschiedenis

De kritiek van De Gids werd gemotiveerd door een aantal historische voorstellingen. De plaats van de geschiedenis in het denken van deze periode en deze kring is nauwelijks te overschatten, juist omdat het historische aspect steeds impliciet, als vanzelfsprekend aanwezig was. Elk argument berustte uiteindelijk op een voorstelling van de geschiedenis of van de natuur, of van de geschiedenis die zich als natuur gedroeg. Allerlei wensen en meningen ontleenden hun kracht aan een onuitgesproken overtuiging omtrent de wil van de geschiedenis. Wat van het verleden wel en niet onderzocht of onderwerp van discussie mocht worden, hoe en waartoe men historisch onderzoek behoorde te doen, het waren kwesties van veel meer dan academisch belang. (In strikte zin waren het, vóór de professionalisering van het vak, zelfs helemaal geen academische vragen.) Ze raakten aan de kunst, de godsdienst, de politiek en de nationale gedachte. De geschiedenis vormde, ten eerste, een argument in de kunst: in De Gids stond ‘romantiek’ voor de erkenning van een tijdgebonden of met de tijd en de maatschappij veranderende esthetiek, tegenover de eeuwigheidspretentie van de ‘klassieke’ esthetiek. Een waardering van historische perioden bepaalde welke onderwerpen in bellettrie en schilderkunst de voorkeur genoten. De geschiedenis vormde, ten tweede, een argument inzake de kerk en het geloof. Zij rechtvaardigde het principe van protestantisme en hervorming tegenover de orthodoxie en de onbeweeglijkheid van de katholieke kerk. De opzienbarende Duitse theologie, die ook De Gids dwong tot een positiebepaling, betrof de radicale historisering van het Nieuwe Testament. Het waren, ten derde, historische argumenten die beslisten over de oorsprong, het bestaansrecht en de bestemming van Nederland als zelfstandige natie. En in nauwe samenhang daarmee werden staatkundige posities gekozen met behulp van historische argumenten: interpretaties van de Opstand, van de Republiek, van de Franse tijd en van 1813-1815 bepaalden de mening over de juiste staatkundige verhoudingen en legitimeerden de constitutionele en liberale wensen waaraan het tijdschrift vanaf 1840 uiting ging geven.

Nog fundamenteler was de verwevenheid van geschiedvoorstelling, natiegedachte en liberalisme als men kijkt naar de organicistische beeldspraak en de natuurmetaforiek die elk van deze drie vertogen stuurde. De natie en de geschiedenis werden als vanzelfsprekend beschouwd als organismen die een natuurlijke ontwikkeling doorleefden. De kunst, wijsbegeerte en staatkunde

[p. 103]

van de achttiende eeuw heetten steevast ‘kunstmatig’; de negentiende eeuw daarentegen richtte zich geheel naar de realiteit van de natuur. Het hele vocabulaire was doortrokken van tegenstellingen tussen kunstmatig en natuurlijk, ziekelijk en gezond, kwijnend en bloeiend, en van beelden van verdroging, ontwikkeling, rijping, wasdom, zaad, bloei, vrucht en oogst, stroming en stremming, bron en rivier.1 In het begrip ‘ontwikkeling’ vielen natuur, geschiedenis en liberalisme samen.

Wat er in De Gids geschreven werd over geschiedenis en geschiedbeoefening was over het algemeen niet diep en systematisch doordacht. Het was een geheel van gangbare geschiedfilosofische veronderstellingen, recent aan het buitenland ontleende inzichten en persoonlijke praktijkervaringen. Elementen van achttiende-eeuwse geschiedfilosofie en voorzienigheidsvertrouwen mengden zich met de tijdgeestgedachte en een vaag soort dialectiek. Naast het exemplarisch gebruik van de geschiedenis treft men er het begin van een belangeloos historisme, een toenemende waardering voor bronnenuitgaven en een wending naar sobere historische kritiek. Zeer aanwezig was de overtuiging dat de geschiedenis een dwingend vooruitgangsproces vormde en om een ‘wijsgeerige’ beschouwing vroeg - ‘die verhevener beschouwingswijze der Geschiedenis, welke in hare gebeurtenissen de afspiegeling der wetten van den menschelijken geest tracht te doorzien, en in dezelve óf de noodzakelijke aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen aanwijst, óf de trapsgewijze ontwikkeling van het plan van een verhevener wezen eerbiedigt’.2 Behalve de grote samenhang en richting van het proces maakte zo'n beschouwing ook de coherentie binnen elk tijdvak zichtbaar. Bakhuizen zelf, die zoals iedereen in deze kring van mening was dat de eigen tijd boven vroegere eeuwen stond in ‘verlichting en beschaving’, toonde oog en respect voor de eigenheid van dat verleden. Het was zijns inziens vooral aan de kunstenaar voorbehouden - Bakhuizen noemde in dit verband de historische roman ‘het voortreffelijkste produkt der Negentiende Eeuw’ - door een combinatie van studie en intuïtie door te dringen tot ‘het geheim verband, dat in de verloopene eeuw, daad en beschouwing, personen en zaken, handelingen en costuum in overeenstemming bragt.’ In dat verband lag tegelijk de wijsgerige meerwaarde van elk tijdperk of groot historisch feit, ‘zijne kern, zijne hoogere beteekenis, die achter den sluijer der verschijning verholen ligt; eene hoogere beteekenis, alleen in het boek der Voorzienigheid ontraadseld’.3

De werkelijk wijsgerige beschouwing deed dus juist recht aan het verleden en ontsloot daardoor tegelijk de zedelijke boodschap die erin school. Fortuijn paste dit inzicht toe in een bespreking van twee politiek-historische redevoeringen over de achttiende eeuw, die hij opende met een onderscheiding tussen de verkeerde en de goede opvatting van filosofische geschiedenis. In de oude, verkeerde traditie vond men altijd de politieke en zedelijke lessen die men zocht, omdat men ze ontleende aan een oppervlakkige, retorische vergelijking van historische toestanden. De ware beschouwing daarentegen zocht niet naar directe lessen, maar verplaatste zich door diepgaande studie geheel in een vroegere situatie en maakte zich ‘den geest van het verledene’ eigen. ‘Zoo zul-

[p. 104]

len wij, bij grondig nadenken, algemeene beginselen en waarheden ontdekken, en onwillekeurig zal het resultaat dier studie ook op onzen tijd van invloed zijn.’ De politieke lading van Fortuijns les in geschiedbeoefening was overigens evident. De beschouwing die hij verwierp leidde namelijk tot een politieke boodschap van ‘angstvallige voorzigtigheid’, terwijl de juiste beschouwing, vertegenwoordigd door de bewonderde Thorbecke, voor de tijdgenoot de les bevatte dat ‘ontwikkeling en vooruitgang’ geboden waren.4

Zeker als het om dit inzicht ging, leek men de ware geschiedbeschouwer eenzelfde divinatorisch vermogen toe te dichten als de romantische kunstenaar. Waar volgens De Gids de ‘Type-Hollander onzer dagen’ nog bevangen leek door koudwatervrees voor verandering, bestond het juiste begrip van de koers van de geschiedenis en de ‘eischen des tijds’ kennelijk maar bij enkele geesten, zoals Thorbecke en de eigen kring van medewerkers.5 Ook zonder dat deze pretentie duidelijk uitgesproken werd, was zij onmiskenbaar in dit tijdschrift. Zij vormde er de drijfveer van. In het volle besef dat men een kleine minderheid uitmaakte, beriep men zich in de jaren veertig met groeiend zelfvertrouwen op de progressieve wil van de geschiedenis, die telkens dwingender werd voorgesteld, nu eens als een natuurkracht, dan weer als hand Gods. De wijsgerige beschouwing leerde dat de staatsinrichting en wetgeving gelijke tred moesten houden met de ontwikkeling van de maatschappij (zelfs al was de meerderheid zich deze tendens nog niet bewust). Zij waarschuwde tijdig ‘de bedding te effenen waarlangs de stroom der beschaving moet voortspoeden’, aldus redacteur De Clercq in 1846, na zich in het vorige jaar vergeefs te hebben ingezet voor het grondwetsherzieningsvoorstel van negen Kamerleden; negeerde men de ‘teekenen des tijds’, dan zou de stroom zich met geweld baan breken.6 Grote heersers, als de Paus, Filips II, de Stuarts, de Bourbons en Napoleon hadden hun val aan zichzelf te wijten, heette het bij de jonge Vissering, ‘maar zij allen moesten vallen, omdat hun bestaan gegrond was op onderdrukking van den geest, op miskenning van vooruitgang. Zij moesten vallen, omdat Gods hand tegen hen was’.7

Hoewel De Gids vanaf het begin voor ‘ontwikkeling’ stond, was men toen nog niet zo bezield van het vooruitgangsdogma dat er geen plaats zou zijn voor een tegendraadse bijdrage als Hildebrands charmante protest tegen de ‘vooruitgangs-manie’ in oktober 1837. In deze half humoristische, half nostalgische beschouwing nam Beets het als romanticus op voor het sprookjesachtige, voor gevoel en verbeelding en voor het mooie van de onwetendheid, tegen het veldwinnende rationalisme en de kille verwetenschappelijking van de wereldbeschouwing. Het was een van de aardigste stukjes van de eerste jaargang en Potgieter was er wel mee ingenomen, hoewel Beijerinck vond ‘dat het geen genoegen geven moest, omdat het tegen het gezond verstand’ was en ook Bakhuizen zich geërgerd toonde. De boutade, onschuldig genoeg al raakte zij zeker de kern van Beets' persoonlijk gevoel, kreeg een ongezochte betekenis toen Geel haar aangreep om de romantiek van de Leidse student-auteurs te diskwalificeren als historische en literaire dwaalweg. Hij vond hierin een valse tegenstelling tussen wetenschappelijke vooruitgang en kunst, tussen ‘onder-

[p. 105]

zoek’ en ‘fantasie’.8 Beets' romantische cultuurprotest, dat door Potgieter blijkbaar meer beoordeeld was op zijn intrinsieke kwaliteit dan op zijn strekking, bleef een incident in het tijdschrift dat zich juist ontwikkelde tot exponent van die betreurde verwetenschappelijking.

Er was in de eerste paar jaren ook nog geen nadrukkelijk verband tussen de algemene, aan de geschiedenis ontleende boodschap van ontwikkeling en de interpretatie van de Nederlandse geschiedenis en de politieke toestand. Recensies van publicaties over de vaderlandse geschiedenis waren weinig polemisch gesteld en waardeerden ‘onpartijdigheid’, ‘bezadigdheid’ en ‘gematigdheid in het beoordeelen van zaken en personen’.9 Volgens een recensent wezen allerlei verschijnselen erop dat ‘het tijdperk eener onpartijdige beoordeeling van het verledene’ inderdaad was aangebroken.10 Men verheugde zich vooral over initiatieven om bronnen te ontsluiten en ‘bouwstoffen’ bijeen te brengen, zoals gebeurde in Groen van Prinsterers uitgave van de Archives ou correspondance inédite de la Maison d'Orange-Nassau en in Nijhoffs Bijdragen voor de vaderlandsche geschiedenis en oudheidkunde. Een enkele Duitse auteur mocht dan neerkijken op dit soort kleine ‘Holländerei’ - men lette in deze jaren angstvallig op het oordeel van Duitse historici over Nederland - ‘wij rekenen dit een hoofdvereischte tot eene grondige beoefening der Geschiedenis, en rekenen hierin ook op de goedkeuring van echte Duitsche Geleerden, die een Quellen-Studium steeds op den voorgrond stellen, in spijt van vele broodschrijvers, die zich liever bepalen, om over hetgeen door anderen is bijeenverzameld wat te keuvelen en te philosopheren.’11 Enkel door zulk voorwerk ‘kunnen wij hopen, eindelijk eens eene Geschiedenis des Vaderlands te zullen ontvangen, welke beantwoordt aan den stand der Wetenschap in deze eeuw’, verzuchtte de recensent van de Archives.12

De waardering voor dit soort werk, dat iedere historicus en belangstellende tot een eigen oordeel over het nationale verleden in staat stelde, nam niet af toen men in de jaren veertig de nationale geschiedenis uitdrukkelijker ging interpreteren in het kader van de vooruitgangsgedachte, waardoor zij een ideologischer lading kreeg. Auteurs als Bakhuizen, Thorbecke en De Clercq spraken zich duidelijk, zelfs uitdagend uit over beladen episoden van de Nederlandse geschiedenis, zoals het begin van de Opstand, de Franse tijd en de Belgische afscheiding, in studies en recensieartikelen die behoren tot de beste prestaties die in deze periode op historisch gebied zijn geleverd. Al vanaf het begin was in De Gids afstand genomen van de antirevolutionaire geschiedinterpretatie van Bilderdijk en Groen van Prinsterer, zij het nog terloops en zeker wat Groen betreft onder betuigingen van diep respect.13 De machtige partijdigheid van Bilderdijk verloor snel haar gezag, maar in de even deskundige als urbane Groen ontmoette De Gids een formidabele uitdaging voor de volgende vier decennia. In de jaren veertig ging het tijdschrift duidelijk een liberale geschiedinterpretatie tegenover de richting van Bilderdijk en Groen stellen. Zodoende brak het ook uitdrukkelijk met de sinds het begin van de eeuw obligate conventie van ‘conciliante’ geschiedschrijving.

[p. 106]

De verhouding tot het verleden: de achttiende eeuw

De visie van De Gids op het verleden stond onder invloed van een gevoel van malaise en teleurstelling in de jaren rond 1840. Hoe breed zulke gevoelens gedeeld werden, laat zich hier niet bepalen; zij leefden in elk geval in de kring van dit tijdschrift. Het was duidelijk dat de volhardingspolitiek het land zinloos belastte. De laatste jaren van Willem I wierpen een sombere schaduw over het zo veelbelovend begonnen koningschap. De staatsschuld nam een bedreigende omvang aan. De beperkte grondwetsherziening van 1840 werd ervaren als een gemiste kans om het bestuur beter te regelen en daardoor het land wat nieuw leven in te blazen. En telkens opnieuw was het pijnlijk te bemerken hoezeer het aanzien van Nederland in het buitenland gedaald was. Wat men daar ook tegenin wilde brengen, aldus de recensent van een brochure over de toestand van het onderwijs, ‘wij zijn niet au niveau van andere natiën.’14 Bij elke terugblik op de kwarteeuw sinds het herstel van de onafhankelijkheid ervoer men teleurstelling over wat er sindsdien gedaan was met de mogelijkheden die toen voor het nieuwe koninkrijk geopend leken. Waar men ook keek, Nederland verscheen als een achterblijvend, zwak, geïsoleerd en internationaal miskend land; een land met een afgeleide cultuur die alleen tweederangs imitaties voortbracht van werk dat elders eerder en beter gedaan was.

Deze recente geschiedenis werd nu in een veel ruimer perspectief bezien. De stilstand of achteruitgang dateerde eigenlijk al van de achttiende eeuw, van 1713, of zelfs al van de late zeventiende eeuw, zo leek het. ‘o Die Achttiende Eeuw, waarin al onze naburen vooruitgingen en ons op zijde streefden, terwijl slechts wij stilstonden, stilstonden zelfs, wanneer het scheen, dat wij ons bewogen!’15 De mogelijkheden van 1815 hadden een keerpunt kunnen vormen; dat daarvan geen gebruik gemaakt was, leek te passen in een patroon van zeker een eeuw. De tijdkritiek van De Gids greep terug op het oudere vervaldiscours van de achttiende-eeuwse spectatorschrijvers en patriotten.16 Men vond hier niet alleen de bevestiging dat het verval van Nederland al van de achttiende eeuw dateerde, maar ook het verklaringsschema. Recente studies van de achttiende- en negentiende-eeuwse receptie van de zeventiende-eeuwse literatuur, de visie van de negentiende eeuw op de achttiende, het achttiende-eeuwse vervaldiscours en het complexe nationaal besef van de late achttiende en vroege negentiende eeuw moeten tot de conclusie leiden dat Potgieter en De Gids eerder aan het einde van een lange traditie stonden dan dat zij met hun verwerping van de achttiende eeuw en verheerlijking van de zeventiende iets geheel nieuws brachten.17 Wel gaf De Gids rond 1840 deze traditie van nationale zelfkritiek een nieuwe wending, al herinnerde ook deze aan de patriottenbeweging van de jaren 1780. Want hoezeer Potgieter de zeventiende eeuw ook verhief en de achttiende eeuw verafschuwde, hij was - juist hierin - eigenlijk een verlate Zwolse patriot. Dat was de sfeer waarin hij was opgegroeid.18

Het achttiende-eeuwse vervaldiscours dat De Gids deed herleven, was zelf

[p. 107]

een samengesteld geheel van traditionele redeneringen. In fasen drong zich aan eigentijdse beschouwers het besef op dat de Republiek economisch en in de internationale politiek niet meer was wat zij geweest was. Over specifieke oorzaken van deze relatieve achteruitgang konden zij van mening verschillen, maar een algemene verklaring werd gezocht in moreel verval. Men kon hier teruggrijpen op het klassiek-republikeinse vertoog over de corruptie en het verval van vrije republieken, als de burgers hun oude deugdzaamheid lieten varen en zich overgaven aan weelde en hoogmoed. Dit verval van oud-vaderlandse deugd en weerbaarheid werd ook toegeschreven aan de vermeende ‘verfransing’, vooral onder de hoogste standen.19 De publicist Van Effen ging in de vroege jaren 1730 in De Hollandsche Spectator stelling nemen tegen het internationaal oprukkende Franse beschaafdheidsideaal, dat hij in strijd achtte met de attitudes en deugden die de burgers van een vrije republiek betaamden.20 Hoewel in de achttiende eeuw soms de koophandel medeverantwoordelijk werd gehouden voor het zedelijk verval, brachten Van Effen en zijn vele navolgers de economische achteruitgang juist in verband met hun indruk dat de Republiek zich tot een land van rijke renteniers ontwikkelde, in plaats van dat het aanwezige kapitaal productief werd gemaakt via de aloude koophandel. Moralisaties in de trant van Van Effen, over verfransing en de teloorgang van oud-vaderlandse burgerdeugd en de productieve koophandel, zijn tussen 1750 en 1780 talloze keren herhaald in de vele spectatoriale blaadjes, en klemmender naarmate de relatieve achteruitgang van de Republiek zich duidelijker manifesteerde. Ook de genootschappen die in deze periode ontstonden, bogen zich over de ‘middelen tot redres’.21 Overigens waren de spectators en genootschappen nog wel zo vervuld van Verlichtingsoptimisme dat zij herstel door een morele regeneratie mogelijk achtten.

Met de zorg over achteruitgang nam het aanzien van de zeventiende eeuw toe. Deze kreeg eerst impliciet, vervolgens expliciet de status van bloeitijd, waarnaar de eigentijdse toestand gemeten werd. Aanvankelijk dacht men daarbij vooral aan de vroegere economische bloei en politieke macht. De patriottenbeweging van de jaren 1780, toen de Vierde Engelse Oorlog het verval van de Republiek evident maakte, werd gemotiveerd door het pijnlijke contrast tussen de eigen tijd en de voormalige grootheid. Hoewel zij politieker van karakter was dan de vroegere spectatoriale vertogen bleef ook de patriottenbeweging de schuld zoeken in morele achteruitgang en de remedie in herstel van oud-vaderlandse, republikeinse burgerdeugd en van de koophandel.

In cultureel opzicht kreeg de zeventiende eeuw minder vanzelfsprekend een modelstatus.22 Hoewel het gezag van de classicistische regelpoëtica in de achttiende eeuw verzwakte, stond zij lange tijd zo'n waardering in de weg, ook als men ontevreden was over het peil van de eigentijdse literatuur. De achttiende eeuw beschouwde zichzelf als beschaafder dan de zeventiende geweest was, maar vanaf het midden van de eeuw groeide de erkenning dat de literatuur aan natura (expressiviteit, oorspronkelijkheid) had ingeboet naarmate zij in ars (techniek, vormbeheersing) vooruitgegaan was. Daarmee werd de zeventiende-eeuwse literatuur niet in elk opzicht tot model; wel kon haar

[p. 108]

voorbeeld ertoe bijdragen het verval van de eigen literatuur te keren. Gedurende de achttiende eeuw werden klachten over literair verval niet direct gerelateerd aan de algemene achteruitgang van de Republiek. Als men ten tijde van de patriotten toch aan literatuur uit de zeventiende eeuw een voorbeeldstatus ging toekennen, was dat minder op esthetische gronden dan vanwege haar morele kwaliteiten of haar ideologische strekking. Het was pas in het eerste decennium van de negentiende eeuw dat Jeronimo de Vries in zijn Proeve eener geschiedenis der Nederduitsche dichtkunde (1804-1810) in de lijn van de patriotse cultuurkritiek de achttiende eeuw schetste als een geheel van staatkundig, economisch en cultureel verval, veroorzaakt door de toegenomen weelde en een verkeerde opvatting van beschaving. De zeventiende eeuw verrees nu als de in elk opzicht - dus ook literair - voorbeeldige periode, de achttiende als die van het verval op elk gebied. De Vries' evaluatie en canonvorming zijn in de negentiende eeuw tot model geworden.23

Eerder en duidelijker dan de literatuur werd de zeventiende-eeuwse schilderkunst gebruikt in een kritische herwaardering van de nationale cultuur. Vanaf de jaren 1760 gingen auteurs de Hollands-burgerlijke traditie van het alledaagse onderwerp trots als ‘nationale smaak’ verdedigen tegenover de (ook in eigen land) dominerende esthetiek van het Franse classicisme.24 Naarmate de waardering van ‘nationaliteit’ steeg, kreeg ‘navolging’, dat wil zeggen conformering aan de heersende internationale esthetiek, de connotatie van karakterloosheid. De nationalisering van de smaak was eigenlijk een uitvloeisel van de achttiende-eeuwse erkenning dat nationale factoren een bepaalde invloed op de kunst uitoefenden. Deze vaststelling werd geleidelijk aan omgezet in een voorschrift. In het debat over de verdiensten van de zeventiende-eeuwse schilderkunst kreeg de nationalisering van de smaak tegelijk een morele strekking, omdat zij verzet impliceerde tegen de ‘verfransing’ en het daarmee geassocieerde zedelijk verval van de natie.

Had men voor 1800, bij alle klachten over het eigentijdse verval, nog altijd geloofd in de mogelijkheid van een nationale regeneratie en een terugkeer van de vroegere grootheid, in het eerste decennium van de negentiende eeuw leek alle hoop daarop vervlogen en ging het enkel nog om behoud van het bestaande, om het overleven als natie. In deze omstandigheden en nu ook de Republiek was omgevormd tot een eenheidsstaat verloren de voormalige partijtegenstellingen hun betekenis. Er trad een verzoenend, gelaten vaderlandgevoel voor in de plaats, dat opbeuring zocht in een gedepolitiseerde voorstelling van een heldhaftige en glorieuze of juist een huiselijk-burgerlijke zeventiende eeuw. De achttiende eeuw werd, meer impliciet dan met nadruk, het voorbeeld van nationaal verval door verslapping, vreemde navolging en partijzucht. Het waren deze beeldvorming en de traditie van spectatoriaal, patriots en vroeg-negentiende-eeuws vervaldenken die tegen 1840 herleefden, zij het met een enigszins gewijzigde strekking. Nergens drukte Potgieter zijn hele visie op dit tijdvak pregnanter uit dan in de weerzin waarmee hij de achttiende-eeuwse kunst in het Trippenhuis volgde, ‘dalende tot zij ons portretten van vorsten en vorstinnen uit het Huis van oranje levert - in pastel!’25

[p. 109]

Aan deze traditie van kritiek voegde Thorbecke in de jaren veertig een nieuwe, politieke analyse toe. In zijn rede over Slingelandt (1841), door Fortuijn met de grootste instemming besproken in De Gids, en in twee recensie-artikelen over het einde van de Republiek en de Bataafse tijd wees hij op de gebreken van de achttiende-eeuwse Republiek en schetste hij de desintegratie en corrumperende werking van een verkalkt staatsbestel.26 Te lang, aldus Thorbecke, was men ontwend eens iets doortastend te regelen en een kader te scheppen voor verdere ontwikkeling. ‘Niets doen had ons ontzenuwd. De middelmatige, brave, voorzigtige menschen, vlijtig in betrachting van dagelijkschen en huisselijken pligt, groot in kleinigheden, geneigd om te zoeken, te wikken en te wegen, maar, zoodra moest worden beslist, zonder wil, zonder het geloof en de stoutheid, die alleen nieuwe en treffelijke dingen onderneemt, waren het hart, de ziel en toon der maatschappij geworden. In zaken van regering, als in die van wetenschap en andere.’27 Het was in de jaren veertig nog schokkend dat Thorbecke het Franse ingrijpen in 1795 en 1806 durfde te waarderen als een heilzame beëindiging van een bestel dat zich volledig overleefd had maar zelf de kracht miste om zich te regenereren. Het leverde hem de haat van het oude establishment en de kwalificatie ‘lofredenaar van de ergste Jacobijnen’ op.28 Erger nog was de kritiek die uit Thorbeckes analyse voortvloeide: niet alleen had men een revolutie en de Fransen nodig gehad om tot de noodzakelijke hervorming te komen, men had in feite ook déze gelegenheid gemist om op eigen kracht het politieke stelsel duurzaam voor een nieuwe tijd in te richten. ‘In Frankrijk werd de stroom der volkskracht vrij, en een nieuwe Staat kwam er uit te voorschijn. [...] Wij daarentegen schenen, als de Regering die ons verliet, versleten en uitgeput.’ En dit gebrek, zo luidde de boodschap, verbond het verleden met het heden: ‘Ik wil nu niet nagaan, welk een wijden, verderfelijken invloed de toenmalige karakterloosheid heeft gehad op ons volgend lot, ja nog op onzen hedendaagschen geest en toestand. Wat wij toen nalieten, is niet weder ingehaald’, oordeelde de Leidse hoogleraar hard.29

Zo stond de achttiende eeuw drievoudig in het teken van het verval: cultureel, als de periode van verfransing, zielloos classicisme en genootschappelijk dilettantisme; moreel, als een tijd van verslapping en gemakzucht; staatkundig, als een eeuw van besluiteloosheid en verstarring. Want uitdrukkelijk weet De Gids het politieke verval van de achttiende eeuw niet, zoals de oudere generatie, aan de toenmalige partijzucht. Integendeel. Vier decennia van opgelegde conciliantie hadden duidelijk het land niet vooruitgebracht. Zeker na 1840 verdedigde het blad het principe van constructieve partijschap als voorwaarde tot beweging en ontwikkeling, als teken van nationaal leven. Als het tijdschrift hechtte aan onpartijdigheid, dan bedoelde het (althans in zijn eerste jaren) dat het zelf niet het orgaan was van een bepaalde coterie, noch in zijn beoordelingen van een kerkgebonden of vast staatkundig standpunt zou uitgaan. Er bestond op dat moment trouwens helemaal geen duidelijke staatkundige partijgroepering.

In cultureel opzicht stond men niet louter afwijzend tegenover de acht-

[p. 110]

tiende eeuw. Men beschouwde de eigen eeuw als gemiddeld beschaafder dan de zeventiende geweest was. De achttiende eeuw had in menig opzicht bijgedragen aan de algemene vooruitgang, ook in Nederland. Alleen was Nederland sinds de zeventiende eeuw in nationaliteit, in karakter, in betekenis achteruitgegaan. Zo'n dubbele maatstaf ter waardering van het verleden was overigens niet typisch voor De Gids in deze periode. Was het merkwaardig dat De Gids zo weinig ophad met de achttiende eeuw?30 Op het eerste gezicht wel. Het tijdschrift maakt toch de indruk een erfgenaam te zijn van de Verlichting. Het was kritisch, rationalistisch ingesteld en vol van de vooruitgangsgedachte. Zijn liberalisme had een dissenterse, humanistische en patriotse inslag. Het propageerde een republikeinse moraal van actief burgerschap. Alleen lijkt men zich deze geestelijke schatplichtigheid aan de achttiende eeuw niet nadrukkelijk te hebben gerealiseerd. Men zocht de herkomst van zulke waarden verder terug, in de Hervorming en de Opstand of beschouwde ze meer als algemene verworvenheden van de geschiedenis dan als vruchten van de Nederlandse achttiende eeuw.

Wel duidelijk voelbaar was de afstand tot de toenmalige vormen, tot het uiterlijk en de toon van de vorige eeuw. Alles wat nog vanuit de achttiende eeuw voortbestond, maakte de indruk zich overleefd te hebben. Rond 1840 zag men nog enkel een tot angstvalligheid vergrijsde tolerantie, een zoetsappige theologie en filosofie, een slap classicisme, een inteeltachtige genootschapscultuur, de deftige oppervlakkigheid van de universitaire wetenschap en de improductieve rijkdom van kapitaalbezitters die slechts in staatsschulden belegden. Hiermee verdween ook het begrip voor de oorspronkelijke betekenis van deze waarden en vormen. ‘Pruiken’, ‘pruikerig’ en ‘pruikerij’ waren levenslang Potgieters favoriete scheldwoorden. Zij verwierpen in één beeld de stijl van een hele cultuur.31 Als De Gids iets in de achttiende eeuw herkende, dan was het de spectatoriale en patriotse kritiek; maar deze bevestigde juist dat over die eeuw de schaduw lag van het verval.

De betekenis van de zeventiende eeuw

In zijn verwerping van de achttiende eeuw was De Gids niet uniek. Het waren vooraanstaande vertegenwoordigers van de vorige generatie, zoals Jer. de Vries en na hem N.G. van Kampen, die met gezag het beeld hadden neergezet van de achttiende eeuw als letterkundige vervalperiode. Ook zij prefereerden de karaktervolle zeventiende eeuw boven de ‘flaauwe’ achttiende. Het verschil was dat de generatie van De Vries en Van Kampen meende dat tenminste de letterkunde al in de late achttiende eeuw haar inzinking te boven gekomen was en in de eerste decennia van de negentiende zelfs weer naar een hoogte had gereikt waarop ‘zij naauwelijks in het schitterendste tijdvak der zeventiende Eeuw had gestaan’.32 De Gids deelde dat vleiende oordeel niet en betrok integendeel juist de bestaande toestand bij het generale verval dat in de late zeventiende eeuw had ingezet en waaraan slechts enkele personen of korte

[p. 111]

perioden zich hadden weten te onttrekken.

Een tweede verschil lag in de manier waarop de oudere en de jongere generatie zich bedienden van de zeventiende eeuw. Het mag zijn dat vooral de scheiding van 1830 een heroriëntatie op en vervolgens werkelijk historisch onderzoek van de zeventiende eeuw met zich meebracht, al vanaf het begin van de eeuw gold het tijdperk van Vondel en de zeehelden onomstreden als een glorietijd.33 Na de gedrukte stemming in het begin van de eeuw begonnen vanaf 1815 allerlei auteurs met hernieuwd optimisme te geloven dat een herleving van oude glorie mogelijk was, omdat zij in de herwonnen onafhankelijkheid na jaren van Franse bezetting een veelbelovende herhaling zagen van de dagen toen het Spaanse juk was afgeworpen. Zij verzekerden zichzelf en elkaar dan ook graag dat deze vergelijkbare omstandigheden - nieuw staatkundig elan, tolerantie, humanisme - een nieuwe bloeitijd moesten inleiden.34 Als Verenigd Koninkrijk keerde Nederland inderdaad groter terug dan het voorheen geweest was. De achttiende eeuw werd zo gereduceerd tot een ongelukkig intermezzo. Toch maakt het rituele aanroepen van ‘onze eigen glorierijke zestiende en zeventiende eeuw, waarin wij de Castilliaan, Gauler en Brit smadelijk deden afdruipen’ onmiskenbaar de indruk van een labiel nationaal vertrouwen.35 Het nostalgisch gloriëren in voorbije roem was ten dele een retoriek, die gewoon de traditionele regels van de opwekkende gelegenheidstoespraak volgde, maar ook de onevenwichtige uiting van een samenleving onder Franse overheersing eerst, onder de indruk van de onverwachts herkregen zelfstandigheid vervolgens en in een stemming van gekwetste trots na 1830.

Voor De Gids vormde de zeventiende eeuw niet het onbeperkt krediet van de natie, maar haar verplichting. De Nederlanders, bespotte een recensent de obligate retoriek van de oudere generatie, ‘zijn al zoo lang gezwollen geweest van dien ouden roem, dat zij er opgeblazen van geworden zijn, en wij hebben onze oude beroemdheid al zoo getravailleerd, dat zij er magtig versleten begint uit te zien, bijna als de costumes van Plattelands-tooneelisten, en het

illustratie
E.J. Potgieter (1808-1875), redacteur van 1837 tot januari 1865

[p. 112]

wordt hoog tijd, dat wij ze door nieuwen roem wat opfrisschen.’36 Ten onrechte staat juist De Gids bekend om zijn dwepen met de Gouden Eeuw. In feite taxeerde het tijdschrift de toestand van de nationale cultuur en de verhouding van de eigen tijd tot de zeventiende eeuw realistischer dan tot dan toe gebruikelijk was. Het betoogde niet dat de glorie van weleer zich liet herhalen, en nog minder dat die glorie al weer bereikt was. Ook niet dat men het verleden moest navolgen of dat de natie tot vroegere toestanden zou moeten terugkeren. Juist om de reactionaire strekking ervan wees De Gids bijvoorbeeld de cultuurkritiek uit de kring van het Réveil af. Het blad betoogde enkel dat het grote verleden het heden voor ogen moest staan als een tegelijk aansporend en verwijtend voorbeeld. Potgieter noemde de ‘vergoding onzer voorouders’ een reactie die een functie had gehad in de dagen van de Franse overheersing maar inmiddels voorbij moest zijn. De Gids wees zelfbewust op het verleden, ‘beurtelings ter beschaming en ter opwekking’.37 Het blad erkende over het algemeen de gewijzigde positie van Nederland in de wereld. Wat het land restte, was een waardige plaats te midden van grotere naties te blijven innemen. De grootheid van weleer behoorde samen met de buitenlandse norm van kwaliteit de maatstaf te vormen voor de nationale zelfkritiek. Zij toonde dat een klein Nederland niet bij voorbaat zijn normen lager hoefde te stellen. Het ging De Gids overigens minder om die grootheid als zodanig dan om de morele kwaliteiten en het actieve burgerschap waarvan zij, naar men meende, het resultaat was geweest.

Binnen De Gids, zelfs tussen Potgieter en Bakhuizen, verschilde de omgang met de zeventiende eeuw. Voor Potgieter betekende zij meer dan enkel een historische periode. Hij wist er geweldig veel van, hij kende de literatuur en de oude geschiedschrijvers. Maar zij was voor hem uiteindelijk een middel, geen belangeloze interesse. Hij bezat een enorme antiquarische kennis, maar hij had niet de bedoeling historicus te zijn. Hij was dichter en moralist en zijn omgang met de geschiedenis was lyrisch en moralistisch. Potgieters geschiedbeeld werd gevormd door de lectuur van zijn jeugd - de voorbeeldige-figurengeschiedenissen en natuurlijk de historische roman Maurits Lijnslager van Adriaan Loosjes (1808), het model van morele didactiek, Gouden-Eeuwverheerlijking en nationale-opwekkingsliteratuur. Hij was opgegroeid in de sfeer van de deels verwijtende, deels opbeurende verzetsliteratuur van de Franse tijd.38 Zijn eigen werk stond nog in deze traditie van opvoeding met behulp van nationale deugd- en karakterhelden, een genre dat een pendant had in de historieschilderkunst.39 Potgieters werk is niet goed te begrijpen zonder voortdurende blik op de toenmalige historieschilderkunst: zijn karakterportretten zijn gewoon de literaire vorm daarvan. Hij maakte geen onderscheid tussen schilderkunst en literatuur.40 Ook literatuur en historische schets gingen in elkaar over. Al direct in 1837 gaf hij een aantal korte, uit historische lectuur bijeengelezen karakterportretten van zeventiende-eeuwse vorstinnen, een novellistische schets van Frans Hals, een romantisch verhaalfragment over de jonge Tromp en een aantal schetsen bij prenten, die hem telkens aanleiding gaven de schilders van zijn dagen aan te sporen tot het verbeelden van verhe-

[p. 113]

ven en bij voorkeur vaderlandse onderwerpen.41

Het verhaal over Tromp is een goed voorbeeld van zijn werkwijze.42 De verteller leidt er, voortdurend commentariërend en moraliserend, de lezer langs een reeks pathetische ‘tafereeltjes’ vol toneelmatige gestiek, helder en kleurig van tekening en met een nadrukkelijk aangebrachte couleur locale. De dramatische gebeurtenissen dienen vooral om karakter, deugd, Hollandse trots, godsvrucht en grootmoedigheid aan het licht te brengen en telkens houdt de verteller de lezer staande om hem nog ergens op te attenderen of hem wat historische wetenswaardigheden bij te brengen. Hier toont zich de aard van Potgieters historische interesse. Hij wilde heel veel van het verleden weten, maar op de manier van de decorateur, die alle details wil kennen om een zo echt mogelijke aankleding te kunnen realiseren. Anderzijds stond hij in de traditie van de exemplarische en filosofische geschiedenis, waarin het verleden vooral stof bood voor allerlei lessen en strekkingen. Potgieter bestudeerde het verleden niet in zijn eigen samenhang, maar zweefde met zijn toespelingen en beschouwingen een eind boven de al bekende feiten, in een bijna metaforische of symbolische duiding van de geschiedenis. Het was hem te doen om een inspirerende verbeelding van het ‘goede en groote in onze geschiedenis’.43 Deze bewust mythologiserende benadering kwam al snel op gespannen voet te staan met een tegengestelde tendens in De Gids, de opkomst van de nuchtere historische kritiek. Het was met het oog hierop dat Potgieter zijn afkeurende opmerking maakte over de ‘historische critici’ die eropuit schenen om ‘het stoute, het groote, het reine’ in de geschiedenis ‘te ontzenuwen tot fabels’.44

Hij schreef dit om bij voorbaat het ‘wonder’ van de Opstand en de Gouden Eeuw veilig te stellen. Voor Potgieter was deze historische samenloop van omstandigheden, talent en wilskracht niet minder dan een goddelijke beschikking: ‘een klein volk, dat eene groote zending vervullen mogt’ onder aanvoering van Willem van Oranje als het instrument van de voorzienigheid. ‘Holland had zijne grootheid slechts dank te weten aan zijne burgers en aan oranje’.45 In zijn providentiële geschiedvisie stond hij dus niet ver af van Bilderdijk en Groen, alleen maakte hij anders dan zij niet het calvinisme tot de toetssteen van de vaderlandse geschiedenis. Wat de zeventiende eeuw voor Potgieter betekende, komt tot uiting in veel van zijn schetsen en recensies, maar het nadrukkelijkst in zijn bespreking van Constantijn Huygens' Cluys-Werck (1842), zijn klassiek geworden allegorie ‘Jan, Jannetje en hun jongste Kind’ (1842) - oorspronkelijk waarschijnlijk niet voor De Gids bedoeld46 - en zijn nationaal vertoog ‘Het Rijks-Museum te Amsterdam’ (1844). Alledrie de stukken dateren van na 1840 en lijken tot stand gekomen in de sfeer van teleurstelling over de grondwetsherziening van dat jaar, die niet benut was om het land van nieuw elan te voorzien. Hun thema was onveranderlijk het contrast tussen de Gouden Eeuw van Nederland en het verval sedertdien. Sonoor en verwijtend klonk de steeds herhaalde aanhef ‘Er was een tijd’, waarmee Potgieter de wandeling door zijn ‘Rijks-Museum’ opende, een formule die telkens gevolgd werd door een schets van de teloorgang van de vroegere

[p. 114]

grootheid en verdienste op elk gebied. Het eindpunt was het eigentijdse Nederland, gepersonifieerd door de klassiek geworden allegorische figuur van Jan Salie, ‘de patroon aller slaapmutsen, aller soepjurken, aller sloffen ten onzent’, de belichaming van de mentale verslapping die het land zichzelf had toegestaan.47

Wat Potgieter in de zestiende en zeventiende eeuw bovenal zocht was het inspirerende voorbeeld, ten eerste van een mentaliteit en ten tweede van een model-burgermaatschappij - een maatschappij gevormd door ondernemende, nijvere, vrome, praktische, bij de publieke zaak betrokken, zichzelf besturende, trotse, onafhankelijke, belangstellende en kunstlievende burgers. Zijn Gouden Eeuw liep ongeveer van Willem van Oranje tot Willem III en had haar hoogtepunt in de periode van stadhouder Frederik Hendrik, het tweede kwart van de zeventiende eeuw. De Hollandse Gouden Eeuw toonde zijns inziens wat een kleine burgermaatschappij met inspanning van alle krachten en ontwikkeling van alle talent kon bereiken. Zijn kritiek berustte op een besef van nationale verplichting jegens het voorgeslacht dat niet alleen het land tot zelfstandigheid had gebracht maar ook direct een sedertdien ongeëvenaarde standaard van kunstvermogen en burgerschap had gesteld.

‘Het Rijks-Museum te Amsterdam’ is misschien de volledigste uitdrukking van Potgieters opvattingen over geschiedenis en kunst. Deze in afleveringen geplaatste beschouwing lijkt te beginnen als een wandeling door het Trippenhuis aan de Kloveniersburgwal, dat toen nog als rijksmuseum in gebruik was. Maar al snel blijkt dat Potgieter vooral oog had voor wat daar niet, en maar ten dele voor wat er wel te zien was. Eigenlijk voerde hij zijn lezers door een imaginair museum. Het rijksmuseum dat hem voor ogen stond was geen nationale schilderijencollectie of een representatieve verzameling van nationale meesters en meesterstukken, maar een portrettengalerij van vaderlandse helden, bestuurders, burgers, geleerden en kunstenaars, aangevuld met evocaties van grote momenten uit de vaderlandse geschiedenis. Net zoals in zijn literaire kritieken verstrekte hij in het voorbijgaan de ene opdracht na de andere, om de lacunes te vullen in dit imaginaire museum, dat eigenlijk een opwekkende geïllustreerde geschiedenis des vaderlands was. In plaats van tafereeltjes van musicerende gezelschappen had hij graag de verbeelding van veelbetekenende historische momenten gezien, zoals een onheilszwangere Troonsafstand van Karel V of een Verzoening van Tromp en De Ruyter bereikt door Willem III, maar ook portretten van verdienstelijke vaderlanders die nu ontbraken of scènes uit het nijvere leven van de vroegere walvisvaarders en ontdekkingsreizigers. Hij riep eventuele bezitters van dergelijk werk op het aan het museum af te staan.

Artistieke kwaliteit was voor Potgieter duidelijk van secundair belang, of beter: hij had er weinig oog voor. Zijn kwaliteitsoordelen waren vrij obligaat en hadden meestal toch weer betrekking op de keuze en presentatie van het onderwerp. Het Trippenhuis vond hij als rijksmuseum vooral ongeschikt omdat de portretten er zo ongelukkig hingen. Want om de portretten was het Potgieter te doen. Hij bezag ze niet als artistieke prestatie van een bepaalde

[p. 115]

meester maar als een catalogus van Nederlandse karakters. Karakters inderdaad, want Potgieter keek vooral naar wat de geportretteerden (of in de collectie ontbrekende personages) voor de natie hadden gepresteerd en wat zij uitstraalden. Portretten waren voor hem eigenlijk alleen maar representaties van karakterkwaliteiten, zoals moed, verdraagzaamheid, levenslust, kracht, of indicatoren van een algemene karakterachteruitgang, zoals in de achttiende eeuw. Of zij waren dragers van een boodschap: zo schetste Potgieter een Willem III die wijsheid en inspiratie zocht in de beschouwing van de portretten van de vier voorafgaande stadhouders, die hem elk iets leerden. Potgieter liet zijn Willem III dus doen wat hijzelf in het Trippenhuis deed. Overigens beschreef hij nauwelijks een van de tentoongestelde portretten: zij vormden slechts de aanleiding tot zijn eigen bespiegelingen over historische figuren en hun tijd.

Het langst stond hij stil bij de portretten van de vier schrijvers die inmiddels gecanoniseerd waren tot de representanten van de zeventiende-eeuwse literatuur: Cats, Huygens, Hooft en Vondel. Al vanaf de eerste jaargang had Potgieter duidelijk gemaakt dat wat hem betrof de nog immer populaire Cats, wiens populariteit sinds de vroege negentiende eeuw zelfs nog toenam, deze rang niet verdiende.48 Zeker, hij waardeerde Cats als dichter van het eenvoudige en huiselijke, maar verzette zich, eigenlijk als eerste, openlijk tegen de ‘onoordeelkundige ophemeling zijner talenten, welke aan verhevener vernuften te kort doet; vernuften, welker karakter en kunst mannelijker waren dan de zijne, welker leven en lied om strijd getuigden van kracht.’49 In Cats veroordeelde hij een zwakke, laffe persoonlijkheid en een exclusieve gerichtheid op het huiselijke die sinds de zeventiende eeuw de Nederlandse burger geleidelijk aan vervreemd had van zijn levendige betrokkenheid bij de openbare zaak. Het was juist deze sinds het begin van de eeuw dominerende huiselijkheidsmoraal die De Gids bestreed. Omdat Potgieter geloofde in de maatschappelijke macht van de literatuur meende hij dat de populariteit van Cats' poezie wel moest bijdragen tot een verkeerde mentaliteit en een verkeerde voorstelling van de zeventiende-eeuwse burger. Cats, zo had hij al in 1842 betoogd, was juist de dichter die Nederland tot de jansaliegeest had gebracht.50

Een heilzamer voorbeeld ging uit van Constantijn Huygens, de veelzijdige schrijver en secretaris van drie Oranjes, de harmonische burger, ‘een degelijk, een geheel, een waar man51 - ‘vijftig jaren hollandsch, hervormd, verstandelijk, vrolijk, vrij leven!’52 Waar Cats keuvelde, toonde Huygens in zijn werk en leven pit en wijsheid. Nog hoger stelde Potgieter Hooft en boven allen Vondel, de onafhankelijke geest, de man van het vrije geweten en de onbekrompen godsdienstzin, de warme vaderlander, de veelzijdige dichter en dichterlijke beschouwer van het leven van zijn tijd. Het was dus weer vooral om hun eigenschappen, hun opvatting van dichterschap en hun actief burgerschap dat Potgieter deze schrijvers bewonderde en voorbeeldig achtte. Zonder twijfel vatte hijzelf zijn schrijverschap in deze geest op, of maakte hij deze zeventiende-eeuwers tot modellen van zijn eigen ideaal. ‘[B]ij de teleurstellingen der laatste vijf en twintig jaren ten onzent [...], in zoo menig opzigt te wijten aan

[p. 116]

de onverschilligheid der natie, bij dat alles wenschte ik vorst en volk beide te kunnen brengen tot meêgevoel voor alles, dat bij hooft meêgevoel wekte: vaderland, vrijheid, vooruitgang!’53

Zo vond hij in de zeventiende eeuw de kern van zijn politieke overtuiging, die overigens weinig specifiek was en waarvoor hij zich misschien nog beter op de achttiende-eeuwse patriotten had kunnen beroepen. Potgieter was niet bijzonder in politiek geïnteresseerd en heeft zich nooit op dat terrein begeven. In de grond leek hem de zaak eenvoudig; hetzelfde gold trouwens voor de godsdienst. Waar het hem en de andere liberalen in deze kring om ging, was het herstellen of vestigen van een geëngageerd burgerschap. Zij wilden dit niet beschouwen als een politieke positie; het was, naar hun mening, een echtvaderlandse gezindheid. Hun opvatting van het burgerschap was republikeins, ook als zij zich konden vinden in de monarchale staatsvorm. Potgieter nam doorlopend afstand van het theocratisch en monarchaal absolutisme dat de strekking vormde van Bilderdijks Geschiedenis des vaderlands. ‘oranje en de burgerij’ - in deze eenvoudige formule drukte hij zijn constitutionele overtuiging uit.54 Voor Potgieter was dit beginsel van machtsdeling en samenwerking een wezenstrek van de nationale geschiedenis sinds de Opstand. Hij prees Willem I erom dat deze in 1814 slechts constitutioneel monarch had willen zijn.55 Waar het vaderlandse verleden een diepe politieke verdeeldheid had getoond - die Potgieter op zichzelf betreurde - koos hij, zijn bewondering voor de eerste vier stadhouders ten spijt, voor de Loevesteinse partij. Als hij in zijn rijksmuseum graag taferelen van nationale verzoening had gezien, was dat beslist niet omdat hij evenals de oudere generatie de vroegere partijtegenstellingen wilde toedekken. Voor Potgieter vormden zulke taferelen, waarin de partijen elkaar de hand toestaken, de uitdrukking van de constitutionele gedachte. Hij had geen monarchaal sentiment; hij was een republikeinse orangist, omdat voor hem het stamhuis onverbrekelijk verbonden was met de wording van de natie.

 

Zo dacht ook Bakhuizen van den Brink erover. Hij ondersteunde Potgieters streven eigentijdse kunstenaars te wijzen op hun plicht de kunst tot een bron van nationale inspiratie te maken door behandeling van onderwerpen ontleend aan de beste dagen van de natie, de late zestiende en driekwart van de zeventiende eeuw. Toch betekende voor hem het verleden iets anders dan voor Potgieter. Hij lijkt er nog nauwer mee verbonden te zijn geweest en juist daardoor kon hij het meer voor zichzelf laten spreken. Beter, natuurlijker slaagde Bakhuizen erin zijn gevoel voor het verleden over te brengen. Maakt bij Potgieter de zeventiende eeuw vooral de indruk van een groots decor waartegen de eigen tijd pover afstak, Bakhuizen voelde zich werkelijk met de Gouden Eeuw verbonden. Ten eerste als Amsterdammer. Zijn familie was inderdaad al eeuwen in de hoofdstad gevestigd en Bakhuizen bezat een ongereserveerde hoofdstedelijke trots. Hij sprak plat Amsterdams. Hij ervoer hier de continuïteit met het verleden. Amsterdam was voor hem, en ook voor Potgieter, een lieu de mêmoire. Daarbij herkende hij zich waarschijnlijk ook

[p. 117]

persoonlijk, gevoelsmatig, in de bruisende, ongelikte vitaliteit en het mentale extremisme van de zeventiende eeuw. Niet toevallig vormden voor Bakhuizen de hekeldichten, kluchtspelen en komedies, juist genres die weinig meer in aanzien stonden, de sleutel tot deze cultuur. De verdediging van deze genres gaf hem enkele van zijn meest geïnspireerde stukken in de pen, de cultuurhistorische studie ‘Vondel met roskam en rommelpot’ (1837) en de literatuurhistorische studie over het zeventiende-eeuwse blijspel (1843).56

Hij manifesteerde zich hier volledig als historist. Hij vond, ten eerste, dat men de kunstuitingen van het verleden inderdaad naar de toenmalige opvattingen hoorde te beoordelen, ‘in verband met den letterkundigen en maatschappelijken toestand des tijds’. Bakhuizen vestigde hiermee niet alleen een nieuwe vorm van literatuurgeschiedenis, waarin de literatuur in een brede maatschappelijke en culturele context werd gevat en verklaard, maar ook een norm voor de literaire kritiek: men mocht kunstwerken alleen veroordelen als zij evident het product waren ‘eener eeuw, eener natie, in verval, in kwijning, in krachteloosheid wegzinkend’ of als zij ‘vreemd’ waren ‘aan de ontwikkeling en den toestand der natie, van buiten als een uiterlijk toevoegsel daaraan opgedrongen’, dus niet gestempeld door ‘de individualiteit des volks’.57 Deze ‘individualiteit des volks’ had een duurzaam, diachroon karakter en verbond het verleden met het heden. Voor Bakhuizen waren het kluchtige blijspel, Vondels hekeldichten en de geëngageerde pamfletliteratuur geen voltooid, maar levend, herkenbaar verleden. Zij maakten ‘een lid uit van dat ligchaam, dat misschien in zijnen groei gestuit, misschien niet volwassen, echter nog steeds de verschijnselen van ziekte en herstel, en daarmede van leven, openbaart. Die letterkunde was de uitwendige vorm van de gevoelens en gezindheden eens volks, dat eene verhevene toekomst te gemoet rijpte; eens volks, waarvan het bloed nog in onze aderen vloeit, en hetwelk wij onregt zouden doen, indien wij ons zijnen roem zouden aanmatigen, en ons over onze verwantschap met zijne gemeene afkomst schamen. Voor ons, nog eens, leeft dat blijspel, zoolang onze oude stadhuizen met hunne dood eenvoudige regentenstukken prijken; zoolang van de torentjes onzer Doelens het smalle vergulde vaantje wappert; zoolang Amsterdams oude zijde overeind staat, om ons door hare karakteristieke kleur te boeijen’, zolang ook de negentiende-eeuwse preutsheid de smaak nog niet vervreemdde van de Jan Steens en Ostades en zolang Nederland een burgerlijk volk was.58

Ook voor Bakhuizen was de Gouden Eeuw voorbeeldig en inspirerend, maar hij had minder dan Potgieter de expliciete contrastering nodig, omdat hij het verleden voor zichzelf kon laten getuigen. In plaats van nadrukkelijk het exemplarische te zoeken, evoceerde hij de kleurige wereld van het Amsterdam van rond 1600 en maakte hij de vitaliteit zichtbaar van de toenmalige taal en cultuur. En daarin lag het voorbeeld: in die levendigheid, de felle debatten, de betrokkenheid van de literatuur bij de kwesties van de dag en haar zoeken naar treffende uitdrukkingen en adequate vormen. Hij bediende zich in zijn briljante studie over Vondels hekeldichten van een methode die erin bestond de lezer inderdaad eerst terug te voeren naar de locaties van het zeventiende-

[p. 118]

eeuwse Amsterdam waar zich dan vervolgens de toenmalige affaires ontrolden. Zo bood Bakhuizen zijn lezers de mogelijkheid het contact te hervinden met het eigen verleden. Na 1843 ging hij dat op nog een andere manier doen.

Historische kritiek en de terugkeer van de geëngageerde geschiedenis

Tot en met Potgieters ‘Rijksmuseum’ fungeerde de zeventiende eeuw vooral als model van een geslaagde burgerlijke cultuur of maatschappij. In deze voorstelling lag een politieke boodschap, die in 1844 door Potgieter inderdaad enigszins geaccentueerd werd. In hoofdzaak echter diende de zeventiende eeuw ertoe een bepaalde mentaliteit en een nationaal gevoel over te brengen. Na 1840 en vooral vanaf het midden van dat decennium kreeg de historische belangstelling een directere politieke lading. Deze kwam tot uiting in recensie-artikelen van Fortuijn en Thorbecke en in de historische studies van Bakhuizen en De Clercq.

Hoewel Bakhuizen al vaak over de geschiedbeoefening had nagedacht en op dit terrein al een paar belangrijke studies had geleverd, maakte het toeval na 1843 de theoloog, letterkundige en classicus volledig tot historicus - gelijk tot de beste van zijn generatie. Het toeval bepaalde ook zijn onderwerp voor de volgende jaren.59 Na zijn vlucht over de grens, in oktober 1843, kwam hij terecht in Luik, zonder duidelijk vooruitzicht, zonder taak en voorlopig zonder zijn boeken. Om zijn hongerige geest bezig te houden, nu hij afgesneden was van zijn eerdere werkzaamheden, ging hij onderzoek doen in de relatief ruim toegankelijke Luikse archieven, die allerlei materiaal bevatten dat nieuw licht wierp op een episode aan het begin van de Opstand, namelijk de tocht van Willem van Oranje over de Maas in 1568 en zijn poging om Luik tot afval van Alva te brengen. Bakhuizen was een bewonderaar van Hoofts Historiën en vond hier gelegenheid als geschiedschrijver in het spoor van de meester te treden. In een paar maanden schreef hij voor De Gids de volkomen professionele studie ‘Andries Bourlette. Een hoofdstuk uit de geheime geschiedenis van den vrijheidsoorlog’, over het Luikse avontuur van 1568. Het opstel verscheen gedeeltelijk in dezelfde afleveringen van jaargang 1844 als Potgieters ‘Rijksmuseum’.60 Vanaf dat moment was het begin van de Opstand het terrein van Bakhuizens werkzaamheid. Als geschoold filoloog bediende hij zich van de methode van kritische bronnenvergelijking die ook Niebuhr en Ranke toepasten, zodat hij in de Nederlandse verhoudingen al direct naar voren trad als de professionele evenknie van Groen van Prinsterer. Dat werd hij ook door zijn studiereis langs de archieven van de Duitse landen en zijn archiefonderzoek in Wenen, in de jaren 1844 tot 1846. Een polemiek tussen Groen en M.C. van Hall, geschiedschrijver van de oude stempel, zette hem aan tot zijn opstel over Brederode (1845) en daarna volgde nog het opstel over ‘De adel’ (1846), bedoeld als eerste van vier portretten van de standen ten tijde van de Opstand.

Het belang van deze bijdragen ligt in Bakhuizens benadering en in hun politieke strekking. Bakhuizen neigde tot de positie van de ‘historische critici’

[p. 119]

waarmee Potgieter in 1843 en 1844 zo'n moeite had. Nu hij zich van de wijsbegeerte en theologie tot de geschiedenis wendde, trad hij op als de kritische onderzoeker die onbevangen - in zijn eigen woorden ‘wetenschappelijk’ - wilde oordelen over de bij de Opstand betrokken partijen en personen. Zijn drie opstellen vormden allesbehalve heroïserende vaderlandse geschiedenis. Bakhuizen toonde Willem van Oranje, zijn leger, zijn bondgenoten en de hoge adel niet als helden die een wereldhistorische missie verwezenlijkten maar als gewone mensen met hun gebreken en belangen, weifelend en fouten makend, baatzuchtig of kortzichtig, mensen die behoorden tot hun tijd en omstandigheden. Hij maakte van Willem van Oranje geen onberispelijke deugd- en geloofsheld en van de Nederlanders geen gesloten front van vrijheidshelden. Hij erkende op onderdelen het gelijk van Alva. Onpartijdig, in de zin van neutraal, was Bakhuizen niet; wel durfde hij zeer genuanceerd te zijn en was hij bereid alle historische waarderingen opnieuw te toetsen. ‘Eer de geschiedenis tot de heiligspreking overga’, schreef hij over de terechtstelling van Egmond en Hoorne en de andere edelen, ‘hoore zij des duivels advokaat.’61 Van deze bewonderenswaardige objectiviteit was ook Potgieter onder de indruk. Dit was een nieuw, grondiger historisch onderzoek dan men in Nederland kende. Hoewel na 1843 de vroegere vriendschap tussen Potgieter en Bakhuizen zich nooit meer helemaal hersteld heeft, lijkt het er niet op dat Potgieter op historisch gebied een verwijdering bespeurde.

Daarvan was inderdaad geen sprake. Bakhuizen kon zich een schijnbaar gedistantieerde beoordeling veroorloven juist omdat hij eigenlijk vast overtuigd was van de grote betekenis van de Opstand. Hij bezat een ongegeneerd, geheel gevoelsmatig vaderlands enthousiasme dat ook voor hem de zestiende en zeventiende eeuw als vanzelf met een halo omgaf. Zijn kritisch onderzoek noch de eventuele tekortkomingen van de historische actoren tastten die glans wezenlijk aan. Bovendien bleef ook hij de gebeurtenissen uiteindelijk steeds in een hoger historisch verband zien: het leed voor Bakhuizen geen twijfel dat met de Hervorming, de Opstand en de Nederlandse onafhankelijkheid in hogere zin vooruitgang en recht hadden gezegevierd. Ook liet zijn historische kritiek ruimte om nieuwe helden te huldigen. Zijn held was de burgerij, de ‘koopmansstand’, waarvan ook Willem van Oranje en zijn kring de groeiende betekenis ‘voor het vaderland’ nog niet hadden ingezien. Men begreep niet, schreef Bakhuizen aan het slot van het opstel waarin hij had getoond dat de adel zichzelf bij het begin van de Opstand had gediskwalificeerd als nationale factor, ‘dat het zwaartepunt van den staat, van monarchie en adel, op de burgerij begon verplaatst te worden.’ Uit zijn historische kritiek op de adel bouwde hij een klein monument voor de burgerstand. (De bedoelde afzonderlijke studie van de burgerij is in de pen gebleven.) ‘Eere derhalve den Nederlandschen koopmansstand! Wie de kleingeestige baatzucht van dien stand in latere dagen laakt, vergete niet, wat bij de geboorte van de Nederlandsche republiek de grootmoedigheid en zelfopoffering van dien stand heeft gewrocht; wie bewonderend in latere dagen den bloei gadeslaat, waartoe de handel den staat verhief, en de magt, welke hij in het aangezigt der wereld ontwikkelde, hij

[p. 120]

verklare zich het verbazende verschijnsel ten deel uit het zedelijk beginsel, dat in de burgerij, te midden van de worstelingen van den tegenspoed, was ontwaakt en gesterkt, en burgerlijke en godsdienstige vrijheid tot de eerste vruchten zijner werking, tot de onmisbare voorwaarden van zijn voortbestaan had gemaakt.’62

Toen hij dit schreef, was de republikeinse en liberale strekking van zijn historische kritiek al geen geheim meer. In 1845, het jaar waarin De Gids zich openlijk engageerde met de liberale beweging, was zijn bijna 130 bladzijden grote artikel over Hendrik van Brederode, Willem van Oranje en het Verbond der Edelen verschenen. Het stuk is, behalve om zijn kwaliteit, van belang als uitdrukking van allerlei overtuigingen die ook door andere auteurs in De Gids gehuldigd werden. Bakhuizen presenteerde hier zijn strenge bronnenkritiek als niets minder dan een zaak van historische ethiek en nationale oriëntatie. Het artikel was een tweevoudige uitdaging, enerzijds aan het ‘Kemperianisme’, anderzijds aan het ‘Groen-van-Prinstererianisme’.63 Met het eerste doelde Bakhuizen op de ‘slijmgasterij’ van de oudere generatie, die sinds 1801 omwille van de lieve vrede elk nader onderzoek van het verleden uit de weg ging. Na 1815 was de behoefte om de geschiedenis tot 1795 te laten rusten alleen nog versterkt. De tweede naam stond voor de nieuwere monarchaal-antirevolutionaire richting, waartoe hij verder Bilderdijk, Tydeman, Van der Kemp en Van Groningen rekende. Bakhuizens studie werd ook gevoed door een tweevoudige ergernis. Op zijn rondreis door Duitsland was hij ervan overtuigd geraakt dat Nederland op den duur alleen aan een inlijving door Pruisen zou kunnen ontkomen door een strijdbare vrijheidszin levend te houden. De Nederlandse nationaliteit lag voor hem in het republikeinse besef van burgerlijke rechten en vrijheden en hij veroordeelde daarom ‘iedere politiek als onnationaal, die de oude herinneringen verdringt, die lijdelijkheid predikt, die elke beweging gevaarlijk acht.’64 Vanuit deze overtuiging mengde hij zich met zijn besprekingsartikel - want de studie verscheen in de afdeling Boekbeoordeelingen - in een pennenstrijd tussen staatsraad M.C. van Hall en Groen van Prinsterer.

Inzet van het debat waren het recht en de vrijheid van het historisch onderzoek. Van Hall was van mening dat Groen in zijn uitgave van de Archives de la Maison d'Orange-Nassau afweek van het gangbare beeld van het vaderlands verleden. Hij probeerde daarom, meer op grond van de traditie dan van argumenten, tegenover Groen de figuur van Hendrik van Brederode als ‘mede-grondlegger der Nederlandsche vrijheid’ in ere te herstellen. Het belang van Van Halls boek zou gering zijn geweest als er niet de duidelijke dreiging in doorklonk dat de invloedrijke staatsraad weinig ophad met nieuw onderzoek van het verleden en liever zou zien dat de koning beperkingen zou opleggen aan de verdere uitgave van de Archives.65 Groen reageerde daarom met een stevig Antwoord aan Mr. M.C. van Hall, waarin hij niet alleen zijn oordeel over de rol van Brederode verdedigde, maar ook het recht van de geschiedschrijving om te kunnen beschikken over al het relevante materiaal. Op dit punt sloot Bakhuizen zich geheel aan bij Groen, die hij als deskundig historicus hoogachtte. Zijn eigen belang was met de zaak gemoeid, want hij was in

[p. 121]

mei en juni 1845 juist bezig officiële steun van de Nederlandse regering te verwerven die hem toegang moest verschaffen tot de keizerlijke archieven in Wenen, waar hij materiaal over de vaderlandse geschiedenis verwachtte te vinden. Daarom pleitte hij voor openbaarmaking van alle soorten historische bronnen, ook de persoonlijkste en schijnbaar onbelangrijkste, aangezien voor het wetenschappelijk onderzoek elke informatie relevant kon zijn. Het was een wens die ook Potgieter, Fortuijn en Thorbecke herhaaldelijk lieten horen.66

Steunde hij op dit punt Groen, in zijn oordeel over de historische kwestie zelf, de rol van Oranje en van Brederode in het Verbond der Edelen, stelde hij zich met Van Hall tegenover Groen. Zoals hij zelf aangaf was deze kwestie voor hem eigenlijk alleen een casus aan de hand waarvan hij wilde tonen dat Groens onderzoek, hoe degelijk het ook leek, toch vooringenomen was door een calvinistische en monarchale overtuiging. Refererend aan het felomstreden onderzoek van D.F. Strauss naar de geloofwaardigheid van de evangeliën daagde hij de orthodoxe Groen uit tot een kritisch onderzoek van de vaderlandse geschiedenis op basis van zo'n ‘volslagene Strausziaansche Voraussetzungslosigkeit’. Zijn bespreking was bedoeld als een demonstratie van de ‘meestmogelijke striktheid’ in de behandeling van historische bronnen en ‘billijkheid’ van oordeel.67 Maar de hele exercitie werd gemotiveerd door Bakhuizens groeiende ergernis over het veldwinnen van de monarchaal-antirevolutionaire visie op de vaderlandse geschiedenis. Het leek hem dat deze richting, die in Bilderdijk een autoritaire en in Groen en anderen kundige protagonisten gevonden had, nauwelijks serieuze tegenstand ontmoette, omdat de oude garde het conflict meed of, zoals Van Hall, niet bekwaam was om de democratisch-republikeinse traditie met gezag te verdedigen. Want uit naam van deze traditie nam Bakhuizen de handschoen op. Hij had er alle vertrouwen in dat juist het vrijmoedigste onderzoek uiteindelijk deze visie - zijn eigen ‘vooroordeel’ - zou bevestigen.68 Hij was daar zo zeker van dat hij de kritische en republikeinse geschiedbeschouwing van hemzelf en Potgieter aanduidde als de ‘nationale’. Hij meende dat dit de eigenlijke nationale traditie was, die echter sinds 1815 geleidelijk aan verdrongen werd onder invloed van monarchisme en Bilderdijkianisme.69

De peroratie van het artikel bracht de onmiddellijke actualiteit en de politieke lading aan het licht. In de Allgemeine Zeitung had Bakhuizen met grote ergernis gelezen dat de hoogleraar staatsrecht C.A. den Tex in de Tweede Kamer, in het debat van mei 1845 over het voorstel tot grondwetsherziening van de negenmannen, beweerd had dat het democratisch beginsel ‘revolutionnair en niet Nederlandsch’ was. Hoezo ‘niet Nederlandsch’, stoof Bakhuizen op. Ja, als men in Nederland uit angstvallige verdraagzaamheid elke overtuiging opgaf en uit slaafs respect voor ‘den staatsvorm, die ons het Congres van Weenen opdrong’ de Unie van Utrecht, Oldenbarnevelt en De Witt begon te verloochenen, dan kon het beste uit de nationale geschiedenis als on-Nederlands worden gekwalificeerd. Nu liep zijn opstel, tegelijk het product van verontwaardiging en van het degelijkste onderzoek, uit op de vraag ‘wat nationaal Hollandsch is, wat niet’. Hij had zelf geen twijfel: in weerwil van de

[p. 122]

heersende conciliante en monarchale geest was voor Bakhuizen niet de grondwet van 1815 maatgevend, maar de apologie van 1581, waarin de prins de Staten-Generaal als ‘zijne Heeren en Meesters’ had erkend.70 Als weerlegging van Den Tex was dit argument ongelukkig gekozen, want de knieval van Oranje voor de Staten impliceerde natuurlijk geen erkenning van de volkssoevereiniteit in de moderne zin, zoals Bakhuizen werd ingepeperd door de Amsterdamse jurist De Bosch Kemper.71 Bakhuizen berustte in deze terechtwijzing, maar het was duidelijk genoeg wat hij bedoeld had: dat voor hem de staatkundige wijsheid niet pas in 1815 was uitgevonden, dat de constitutionele, zelfs parlementaire regeringsvorm in de lijn van de vaderlandse geschiedenis lag en dat Nederland zijn bestaan dankte aan een opstand, geleid door een pragmatische prins en een zelfbewuste burgerij. Laten wij elkaar nu niet wijsmaken dat de deftige monarchie van 1815 de bestemming is van de nationale geschiedenis - dat was de boodschap van Bakhuizen.

Hier blijkt ook wat de geschiedenis voor hem en zijn tijdgenoten betekende. Zij bood een volk ‘een’ getrouwen spiegel [...] niet alleen van zijnen aard, zijne ontwikkeling en zijn lot’, maar behoorde het ook ‘eerlijk en onpartijdig’ aan te wijzen ‘waar het zijne bestemming bereikte, waar het daarvan afweek’.72 De vaderlandse geschiedenis vormde een richtlijn voor de hele natie. Wat die strekking was, kon alleen door een grondig en onvoorwaardelijk onderzoek en in een debat met andere visies - dus niet door tegenstellingen te negeren - worden bepaald. Dat was precies wat ook auteurs als Fortuijn, Thorbecke en De Clercq in deze jaren betoogden. Bakhuizen noemde zichzelf geen liberaal; net zo min als Potgieter voelde hij zich een homo politicus. Bij liberaliteit dacht hij vooral aan een elementaire, robuuste vrijheidszin, aan het vrije, kritische onderzoek dat voor hem ‘wetenschap’ was. In deze vrijheid lag voor hem ‘het heiligste beginsel van Holland’.73 Hij behoorde tot de oppositie omdat het toenmalige Nederland zulk onderzoek belemmerde. Het is kenmerkend voor zijn door en door historische beschouwingswijze dat hij actuele posities nog aanduidde met de vroegere partijbenamingen. Zo waardeerde hij in de goede Lulofs de ‘oude Hollandsche republikein’74 en omschreef hij zichzelf bij voorkeur als ‘Loevesteiner’. Toen de regering weinig genegen bleek zijn Weense onderzoeksplannen te steunen, dreigde hij woedend ‘een geregelden historischen oorlog’ te zullen ontketenen en de oude ‘Loevesteinsche factie’ te doen herleven, ‘als historische oppositie naast alle vrome, radicale, finantieele, staatsregtelijke oppositie’.75 Het feit dat de regering inderdaad niet gecharmeerd was van zulk vrij historisch onderzoek, toont overigens hoe serieus men het nam.

Ook in De Gids zelf werd nu scherper gelet op historische posities. De redactie vond nog niet dat gewaardeerde medewerkers die moeite hadden met de liberale strekking het blad voortaan maar moesten mijden.76 Maar Potgieter uitte in zijn correspondentie met andere redacteuren wel zijn irritatie over Van Hasselt en diens bijdrage ‘De Loevesteinsche gevangenschap’, die gelijk met Bakhuizens studie verscheen in het mengelwerk. Deze wat oudere medewerker, die vanouds al naar het conciliante en monarchistische standpunt

[p. 123]

neigde, had hierin namelijk voorzichtig de wens geuit dat stadhouder Willem II na zijn coup d'état van 1650 meer tijd had gekregen om de zaken naar zijn hand te zetten, waardoor de hele opkomst van de broers De Witt zou zijn voorkomen en hun gruwelijk einde ‘het boek onzer geschiedenis niet zou bezoedelen’. Van Hasselt nam duidelijk afstand van de Loevesteinse factie toen hij in zijn slotbladzijde de veronderstelde democratische gezindheid van deze partij als een mythe ter zijde schoof. Hij had zich op het moment dat zijn bijdrage verscheen ook al teruggetrokken uit de redactie, overigens vanwege een heel andere kwestie die niet direct De Gids betrof. Bakhuizen en Potgieter beschouwden hem inmiddels als een afwijkende stem en de laatste maakte er geen geheim van Van Hasselt graag kwijt te zijn.77

Eigenlijk maakte elk aspect van Bakhuizens werk deel uit van het beginnende politieke liberalisme. Zijn erkenning van het revolutionaire karakter van de Opstand tegen de Spaanse monarchie sloot aan bij de bijdragen van Thorbecke, die het historische gelijk van de Franse en Bataafse revoluties durfde te verdedigen en bij de opzienbarende opstellen van de jonge Gerrit de Clercq, die met begrip oordeelde over de Franse revoluties van 1789 en 1830 en de Belgische afscheiding. Thorbeckes kernachtige historische analyses, in De Gids geplaatst of besproken, waren duidelijk politiek geladen. De Clercq, die als lid van de redactie vanaf 1845 De Gids een onmiskenbaar politiek gezicht ging geven, bracht geschiedenis en actualiteit nog dichter bijeen. Hij opende zijn 143 bladzijden grote studie van de Belgische afscheiding (1847) met een uitdrukkelijke verdediging van de eigentijdse geschiedenis als onderzoeksobject.78 Een jaar eerder had hij de mogelijkheden daarvan al getoond in zijn bespreking van Louis Blancs Histoire de dix ans, 1830-1840.79 Inderdaad behandelde hij het recente en zo beladen verleden, het tijdvak van 1815 tot 1845, met een superieure objectiviteit. Het was een geschiedschrijving die niet enkel vaststelde wat er gebeurd was, maar die ook steeds overwoog welke mogelijkheden er in elke situatie aanwezig geweest waren. Tegelijk klonk in het hele stuk zijn progressieve engagement door. Want de som van zijn onderzoek was een veroordeling van de manier waarop het Congres van Wenen in 1815 had gemeend de zaken in Europa te moeten regelen, een veroordeling ook van een constitutionalisme zonder inhoud, dat aan de persoonlijkheid van Willem I veel te veel ruimte had gelaten, en een veroordeling van een halfslachtige, ‘weifelende staatkunde’ zonder visie. Doorlopend klonk zijn kritiek op de onderontwikkeling van de Nederlandse publieke opinie. Hoe meesterlijk De Clercq ook toonde dat de Belgische opstand zelf meer een ongelukkige samenloop van omstandigheden dan een beraamde opzet was geweest, de strekking van zijn beschouwing was dat de gecombineerde eis van nationaliteit en constitutionalisme, die overal in Europa te horen was, zich niet straffeloos liet negeren.80

 

De betekenis van de vaderlandse geschiedenis in De Gids laat zich in enkele trekken samenvatten. Het tijdschrift vormt de uitdrukking van een behoefte aan een nieuwe nationale en politieke positiebepaling met behulp van de ge-

[p. 124]

schiedenis, waaraan een bijzondere waarde werd toegekend. Aan het einde van de jaren 1830 erkende De Gids dat het grote verleden voorbij en onherhaalbaar was. De omstandigheden waren gewijzigd, de zeventiende eeuw was voltooid verleden tijd geworden. In potentie moest de natie echter nog over de kwaliteiten beschikken om op elk gebied hoog te reiken. Het ging er dus om deze latente kwaliteiten te activeren, zodat Nederland tenminste internationaal de erkenning zou terugverdienen die het aan zijn grote verleden verplicht was.

Daar kwam bij, dat voor De Gids het nationale verleden niet in elk opzicht tot geschiedenis was geworden. De wens een actief burgerschap te herstellen gaf de kring van dit blad aansluiting bij constitutionele en liberale aspiraties in binnen- en buitenland. Deze voorzichtig politieke richting bracht een heroriëntatie op het nationale verleden mee, dat nu opnieuw actualiteit kreeg. Het bood namelijk niet alleen een inspirerend voorbeeld van een actieve burgerlijke maatschappij, maar leerde ook dat debat en partijstrijd daartoe behoorden. De nieuwe dialectische opvatting van de geschiedenis impliceerde dat een duidelijke stellingname niet per se ten koste ging van een strengere wetenschappelijkheid, maar zich daarmee goed liet combineren. Zo konden kritiek en debat weer in ere hersteld worden en ging De Gids op zoek naar de hervormingsgezinde, liberaal-burgerlijke en constitutionele tradities in het nationale verleden. Het tijdschrift brak uitdrukkelijk met de opgelegde musealisering en de-ideologisering van het vaderlands verleden sinds het begin van de eeuw. Het greep terug op de partijen ten tijde van de republiek en stelde de regeling van 1815 ter discussie, zonder overigens de monarchie te verwerpen. Zich bewust van de historische plaats waarin zij leefden, het Amsterdam dat overal aan het verleden herinnerde, cultiveerden Potgieter en Bakhuizen hun gevoel van verbondenheid met wat zij hielden voor de trotse, vrije en burgerlijke mentaliteit van weleer. Van geschiedenis werd het verleden van voor 1795 weer geladen herinnering.81 Bakhuizen meende dat hij enkel het zuivere zicht op het nationale verleden herstelde.

Toch heeft de wederopwekking van de Loevesteinse traditie door Potgieter en Bakhuizen geen opgang gemaakt. Het nieuwe liberalisme had al snel deze dekmantel niet meer nodig. De Gids lijkt eigenlijk ook meer een herleving van de patriottenbeweging dan van een ‘Loevesteinse partij’. Hij toonde een progressief historisme, dat wel kracht en steun zocht in het verleden, en aansluiting bij nationale tradities, maar dat het verleden niet tot norm maakte.82 Vernieuwing was natuurlijk en noodzakelijk. Elke tijd had de opdracht zich op elk gebied adequate vormen te scheppen. Die vormen en de ruimte die men had om ze tot stand te brengen werden deels bepaald door het verleden, deels door de eigentijdse problemen en omstandigheden. De mate waarin een natie zich in staat toonde passende beginselen en instellingen te scheppen, maakte zichtbaar of zij nog een eigen levensbeginsel bezat. Na 1845, toen De Gids door auteurs als De Clercq, Vissering en Van Limburg Brouwer een duidelijk liberale signatuur kreeg, trad een verandering op in het gebruik van de geschiedenis. Geleidelijk aan ontleende men de liberale tendens in de Nederlandse ge-

[p. 125]

schiedenis minder aan de vroegere partijen; in plaats daarvan werd de Nederlandse geschiedenis zelf opgenomen in een progressieve opvatting van de algemene geschiedenis. Door de Nederlandse geschiedenis te reduceren tot de Hervorming en de Opstand verhieven de liberalen haar tot wereldhistorisch moment in een onweerstaanbaar vooruitgangsproces.

1Over het gebruik van deze sturende metaforiek, zie: Demandt, Metaphern für Geschichte.
2V.S. [=Bakhuizen van den Brink] rec. Van Lennep, De roos van Dekama, 1837, B. 336.
3[Bakhuizen van den Brink], ‘Personeel en Profaan’ (Vierde brief), 1841, M. 454. Hetzelfde historisme in S. [=Bakhuizen van den Brink] rec. P. van Limburg Brouwer, Verhandelingen en losse geschriften (Groningen 1836), 1837, B. 2, 3.
4[Fortuijn] rec. De Jonge, Redevoering en Thorbecke, Oratio, 1841, B. 289-291.
5Ibidem, 291.
6De Clercq, ‘Louis Blanc’, 1846, M. 4
7Vissering rec. [J. de Bosch Kemper], Beginselen van Nederlandsch staatsbestuur (Amsterdam 1845) en G.W. Vreede, De regering en de natie sedert 1672 tot 1795 (Amsterdam 1845), 1846, B. 146-147.
8Hildebrand [=Beets], ‘Vooruitgang’, 1837, M. 345-351; Beets, Potgieter, 45. Geel reageerde in de voorrede van zijn bundel Onderzoek en phantasie (Leiden 1838). Zie over deze affaire: Van den Berg, ‘Leiden in last’; Praamstra, ‘Derde voetstap’, 391.
9A. rec. A.J. Lastdrager, Geschiedenis des vaderlands voor jonge lieden (Haarlem z.j.), 1838, B. 275; Ardore et candore [=Van Hasselt] rec. Bijdragen, ed. Nijhoff (1836), 1837, B. 86.
10(Anon) rec. A.P. van Groningen, Geschiedenis der watergeuzen (Leiden 1840), 1842, B. 147.
11Ibidem, 148.
12[J.Ab Utrecht Dresselhuys] rec. G. Groen van Prinsterer, Archives ou correspondance inédite de la maison d'Orange-Nassau (Leiden 1835), 1842, B. 2.
13Ardore et candore [=Van Hasselt] rec. Bijdragen, ed. Nijhoff, 1837, B. 81-86 en 1839. B. 236-237; A. rec. Lastdrager, Geschiedenis des vaderlands, 1838, B. 275; [Bakhuizen van den Brink] rec. B.H. Lulofs, J. van den Vondel (Groningen 1838), 1839, B. 203.
14(Anon.) rec. De mutandae academicae disciplinae in patria nostra necessitate (Dordrecht 1840), 1842, B. 136.
15[Potgieter] rec. Huygens, Cluys-Werck, 1842, B. 232.
16Van de Sande, ‘Achttiende eeuw’, 161; Buijnsters, Spectatoriale geschriften, 70-72; Van Sas, ‘Vaderlandsliefde’, 474-475; Koolhaas-Grosfeld, ‘Nationale versus goede smaak’; Mijnhardt, Tot heil van 't menschdom, 78-124.
17Zie: Wiskerke, Waardering, Koolhaas-Grosfeld, ‘Nationale versus goede smaak’; Mijnhardt, Tot heil van 't menschdom, 78-124; Van de Sande, ‘Achttiende eeuw’; Van den Berg, ‘Achttiende-eeuwse letterkunde’; Van Sas, ‘Vaderlandsliefde’.
18Zijn ‘geestelijk fonds’, aldus zijn biograaf, lag ‘omstreeks 1780 grotendeels al klaar’: Smit, Potgieter, 10.
19Over het thema van de ‘verfransing’, zie: Frijhoff, ‘Verfransing’.
20Zie hierover: W.R.E. Velema, ‘Beschaafde republikeinen: burgers in de achttiende eeuw’. Te verschijnen in: Remieg Aerts en Henk te Velde ed., De stijl van de burger. Over burgerlijke cultuur in Nederland (1997).
21Buijnsters, Spectatoriale geschriften, 70-72; Mijnhardt, Tot heil van't menschdom, 78-124.
22Wat betreft de literatuur, zie: Wiskerke, Waardering.
23Wiskerke, Waardering, 223-267; Van den Berg, ‘Achttiende-eeuwse letterkunde’, 171-173.
24Zie hierover: Koolhaas-Grosfeld, ‘Nationale versus goede smaak’.
25Potgieter, ‘Rijks-Museum’, 1844, M. 608.
26[Fortuijn] rec. De Jonge, Redevoering en Thorbecke, Oratio, 1841, B. 289-299; Thorbecke rec. Schimmelpenninck, Schimmelpenninck en Van Limburg Brouwer, Leven van Wiselius, 1846, B. 413-444; Idem, ‘Ver Huell en Schimmelpenninck’, 1848, I 1-35.
27Thorbecke rec. Schimmelpenninck, Schimmelpenninck en Van Limburg Brouwer, Leven van Wiselius, 1846, B. 431.
28‘Schimmelpenninck's Notanda’, 192.
29Thorbecke rec. Schimmelpenninck, Schimmelpenninck en Van Limburg Brouwer, Leven van Wiselius, 1846, B. 430-431.
30Vgl. Mijnhardt, ‘Nederlandse Verlichting’, 3.
31Vgl. over de connotaties van deze woorden: Van de Sande, ‘Achttiende eeuw’, 166-168 en Van den Berg, ‘Achttiende-eeuwse letterkunde’, 174-176.

32Aldus N.G. van Kampen in 1832, gecit. in: Van den Berg, ‘Achttiende-eeuwse letterkunde’, 174.
33Vgl. Blaas, ‘Prikkelbaarheid’, 275 en Idem, ‘Gouden Eeuw’, 113, met Wiskerke, ‘“Van onzen Vondel”’, 178-181.
34Wiskerke, ‘“Van onzen Vondel”’, 181,
35Het citaat is uit B.H. Lulofs' inaugurele rede Over de noodzakelijkheid van de beoefening der eigene taal en letterkunde voor de zelfstandigheid en de roem van eene natie (Groningen 1815), gecit. in: Aerts, ‘Pallas-zoon’, 9-10.
36Scheltema rec. H.A. Spandaw, De invloed des gevoels, op den geest en de verstandelijke vermogens (Groningen 1842), 1843, B. 521-522.
37[Potgieter] rec. Huygens, Cluys-Werck, 1842, B. 164.
38Over de indruk die Loosjes' Maurits Lijnslager maakte, zie: Smit, Potgieter, 13; hierover en over de literatuur van deze jaren: De Vooys, ‘Nederlandsche letterkundigen’; Kloek, ‘16 december 1812’ en Van Sas, ‘Vaderlandsliefde’, 487-491.
39Zie: Catalogus Het Vaderlandsch Gevoel.
40Zie: Brom, Hollandse schilders, hfdst. I.
41Zie: Groenewegen, Bibliographie, nrs. 201, 204, 205, 207, 222, 224, 228.
42[Potgieter], ‘Marten Harpertsz. 1607-1609’, 1837, M. 60-69,106-111,136-154.
43Potgieter, ‘Rijks-Museum’, 1844, M. 607.
44Ibidem, 208.
45Ibidem, 209-210.
46Zie de beschouwing van Smit, in: Potgieter, Jan, 58.
47W.D-s [=Potgieter], ‘Jan’, 1842, M. 29.
48[Potgieter] rec. Staring, Gedichten, 1837, B. 237. Over de receptie van Cats, zie: Luger, ‘Gezicht en vergezicht’ en J.J. Kloek, ‘Burgerdeugd of burgermansdeugd? Het beeld van Jacob Cats als nationaal zedemeester’. Verschijnt in 1997 in Remieg Aerts en Henk te Velde ed., De stijl van de burger. Over burgerlijke cultuur in Nederland.
49Potgieter, ‘Rijks-Museum’, 1844, M. 394-400, vooral 400.
50W.D-s [=Potgieter], ‘Jan’, 1842, M. 35.
51[Potgieter] rec. Huygens, Cluys-Werck, 1842, B. 166.
52Potgieter, ‘Rijks-Museum’, 1844, M. 403.
53Ibidem, 415.
54Ibidem, 607.
55Ibidem, 414.
56[Bakhuizen van den Brink], ‘Vondel met Roskam en Rommelpot’, 1837, M. 161-175, 197-217, 277-288, 407-423; B.v.d.B. rec. P.C. Hooft, Warenar, ed. M. de Vries (Leiden 1843), 1843, B. 554-579.
57B.v.d.B. rec. Hooft, Warenar, ed. De Vries, 1843, B. 556.
58B.v.d.B. rec. Hooft, Warenar, ed. De Vries, 1843, B. 554-555. In deze bespreking ging het eigenlijk om twee benaderingen van oudere letterkunde. Bakhuizen wees de filologische tekstuitgave van De Vries af. Voor De Vries dienden de oude blijspelen en kluchten alleen als verzameling voorbeelden van vroegere woordbetekenissen en antiquarische bijzonderheden. Voor Bakhuizen vormden zij levende getuigen van de toenmalige samenleving en cultuur. De Vries gaf aantekeningen bij een dood stuk; Bakhuizen situeerde het in zijn historische context.

59S. Muller Fzn. (in zijn inleiding bij de Briefwisseling Bakhuizen), Kernkamp (‘Bakhuizen’) en Romein (‘Inleiding’) hebben zich de vraag gesteld wanneer hij in eigenlijke zin historicus is geworden. Beslissend is natuurlijk niet dat hij na 1843 van cultuurhistoricus (vanuit de letterkunde) tot militair-politiek historicus werd, maar dat hij zich door de omstandigheden geheel ging bezighouden met archiefonderzoek, geschiedvorsing en historische kritiek.
60[Bakhuizen van den Brink], ‘Andries Bourlette’, 1844, M. 131-158, 175-191, 223-243.
61[Bakhuizen van den Brink], ‘Cartons’, 1846, M. 424.
62[Bakhuizen van den Brink], ‘Cartons’, 1846, M. 626.
63Zie: B.v.d.B. rec Hendrick Graaf van Brederode, mede-grondlegger der Nederlandsche vrijheid, verdedigd door Mr. M.C. van Hall (Amsterdam 1844) en G. Groen van Prinsterer, Antwoord aan Mr. M.C. van Hall (Leiden 1844), 1845. B. 556-557; Bakhuizen aan P.M.G. van Hees, Breslau 2-3-1845 en Idem aan Potgieter, Wenen 11-5-1845,16-5-1845 en 10-6-1845, in: Muller ed., Briefwisseling Bakhuizen, nrs. 13, 15, 16, 17; Potgieter aan Bakhuizen, 8-6-1845, in: Muller ed., Nalezing briefwisseling Bakhuizen (3); Kernkamp, ‘Bakhuizen van den Brink’, passim. Aanvankelijk had de redactie aan de predikant en historicus A.P. van Groningen gevraagd de ‘Wetenschap en de Historie’ te verdedigen tegen Van Hall en Groen. Dat is saillant, omdat Bakhuizen, toen hij de zaak in handen had genomen, Van Groningen rekende tot het kamp van Groen. Redactie aan ds. A.P. van Groningen, 14-12-1844, AG kopieboek 1843-1856.
64Bakhuizen aan Van Hees, 2-3-1845, in: Muller ed., Briefwisseling Bakhuizen (13).
65Volgens Potgieter was de familie Van Hall op een hoogtepunt van politieke invloed sinds minister F.A. van Hall in maart 1844 het staatsbankroet had weten af te wenden. Potgieter aan Bakhuizen, 8-6-1845, in: Muller ed., Nalezing briefwisseling Bakhuizen (3).
66‘Is het wonder, dat zoo menige bladzijde onzer geschiedenis nog onverklaarbaar blijft; dat onze nakomelingen van de Patriotten b.v. een ongeveer even helder denkbeeld zullen hebben, als wij van de Caninefaten?’, mopperde Potgieter (rec. van Huygens, Cluys-Werck, 1842, B. 162). En Thorbecke, in dezelfde geest: ‘Wij duchten het licht; het zou iemand kunnen krenken. [...] Miskennen wij niet het regt aller op hetgeen aan de geschiedenis des publieken levens behoort?’ (rec. van Schimmelpenninck, Schimmelpenninck, 1846, B. 432).
67B.v.d.B. rec. Brederode etc, 1845, B. 313, 540,551, 557.
68B.v.d.B. rec. Brederode etc, 1845 B. 557.
69Bakhuizen aan Potgieter, 11-5-1845, in: Muller ed., Briefwisseling Bakhuizen (15); zie ook [Bakhuizen van den Brink] rec. Lulofs, Vondel, 1839, B. 203.
70B.v.d.B. rec. Brederode etc., 1845, B. 556.
71‘Volkssouvereiniteit of zij een Nederlandsch beginsel is onderzocht’, in De Bosch Kempers tijdschrift De Tijdgenoot (22-7-1845). Herdrukt in: De Bosch Kemper, Nederland na 1830, V LA 57-71. Zie: Kernkamp, ‘Bakhuizen van den Brink’, 224-226.
72B.v.d.B. rec. Brederode etc, 1845, B. 557.
73Bakhuizen aan Potgieter, Wenen 18-6-1845, in: Muller ed., Briefwisseling Bakhuizen (20).
74[Bakhuizen van den Brink] rec. Lulofs, Vondel, 1839, B. 203.
75Bakhuizen aan J. Bake, Wenen 29-6-1845, in: Muller ed., Briefwisseling Bakhuizen (21).
76Bijvoorbeeld: Redactie aan D. Veegens, 18-11-1845, AG A kopieboek 1843-1856.
77Van Hasselt, ‘Loevesteinsche gevangenschap’, 1845, M. 285-286. Over Van Hasselt en zijn bijdrage: Potgieter aan De Clercq, [maart/april] 1845 en [mei 1845], UBA, Hss Ah 36 c,j; Bakhuizen aan Potgieter, Wenen 11-5-1845, in: Muller ed., Briefwisseling Bakhuizen (15); Potgieter aan Bakhuizen, 8-6-1845, in: Muller ed., Nalezing briefwisseling Bakhuizen (3).
78[De Clercq] rec. G. Engelberts Gerrits, Het leven en de regering van Z.M. Willem I (Amsterdam 1845). A.J. Lastdrager, Nieuwste geschiedenissen van Nederland in jaarlijksche overzigten (Amsterdam 1839-1844), Idem, Belegeringen verdediging des Kasteels van Antwerpen (Amsterdam 1846) en I. Kuranda, België sedert de omwenteling in 1830 (Amsterdam 1846), 1847, B. 257-258.
79De Clercq, ‘Louis Blanc’, 1846, M. 1-33, 48-78, 131-162. Over Louis Blanc, Histoire des dix ans, 1830-1840 (Parijs 1842-1843) en Idem, Organisation du travail (vierde editie, Parijs 1845).
80[De Clercq] rec. Engelberts Gerrits, Leven etc., 1847, B. 276-279, 298, 303, 875, 889, 893-894, 899, 936.
81Vgl. Van Sas, Talen van het vaderland, 16-21. In Van Sas' beschouwing over geschiedenis en nationaliteitsbesef rond 1800 ligt enigszins de suggestie dat vanaf die tijd de musealisering van het nationale verleden definitief is begonnen. Over bijna twee eeuwen bezien mag die tendens juist zijn, binnen die tijdsspanne vertoont zich een afwisseling van perioden waarin beurtelings een historisch georiënteerd engagement en musealisering op de voorgrond trad.
82Dit historisme is het diepgaandst onderzocht in het werk van Thorbecke: Kossmann, ‘Thorbecke en het historisme’; en Poortinga, Scheiding, vooral 39-54.
prepostterug  begin  verder