terug  begin  verderprepost
[p. 126]

Hoofdstuk 8
In de liberale beweging

Liberalisme in Nederland voor 1840

De Gids was van het begin af een liberaal tijdschrift, maar dan in een heel ruime zin van het woord. Liberalisme was in Nederland rond 1840 nog niet meer dan een algemene houding of een behoefte aan beweging en vernieuwing, een reactie op de maatschappelijke, politieke en intellectuele toestand van de jaren 1830. De Gids gaf stem aan dit mentale liberalisme, dat zich uitte in het beoefenen van kritiek en het stimuleren van individualiteit en ontwikkeling. Het ontleende zijn beginselen aan de Hervorming, het protestantisme, de Verlichting en de Romantiek. Het vond zijn gelijk in een dynamische en organische voorstelling van de geschiedenis.

Het bracht mee dat De Gids ruimte wilde geven aan een verhoudingsgewijs vrij en grondig onderzoek, en dus inzake de godsdienst neigde tot vrijzinnigheid. Met betrekking tot de maatschappij en de staatkunde leidde het intellectuele liberalisme tot het ‘republikeinse’ ideaal van een vrije associatie van zelfstandige en verantwoordelijke burgers, doordrongen van ‘publieke geest’. Concreet betekende dit dat De Gids na enkele jaren de roep om grondwetsherziening, om meer openbaarheid en om deelname van de burgerstand aan het landsbestuur kracht ging bijzetten. Hoewel zich uit het intellectuele liberalisme niet direct een principieel economisme laat afleiden, brachten het ideaal van een vrije en nijvere maatschappij en het geloof in de wijsheid van de natuur wel een voorkeur voor een vrij economisch verkeer mee. Ook het algemene streven naar een principiële, wetenschappelijke benadering maakte dat De Gids meer sympathiseerde met de heldere eenvoud van de economische vrijheidsleer dan met een louter pragmatisch beleid.

In de eerste jaren was de liberale gezindheid politiek en theologisch ongemarkeerd. Zij drukte zich, getuige het prospectus, uit in waarden als receptiviteit en ruimdenkendheid en in het vermijden van exclusiviteit en politiek en kerkelijk debat. Recensenten gingen een discussie over ideologische standpunten nog bij voorkeur uit de weg. Vreemd was deze neutrale liberaliteit niet, want er bestond voor 1840 in Nederland geen geestelijke stroming of beweging die zich met nadruk als ‘liberaal’ afficheerde, geen politieke partij of economische school die, althans in positieve zin, met dit woord werd aangeduid. Het woord kon van allerlei betekenen. Men gebruikte het bijvoorbeeld voor de zeer gematigde, bemiddelende Verlichtingstheologie die in Nederland door velen werd aangehangen, een gemoedelijk geloof dat een bevredigend midden

[p. 127]

zocht tussen rede en openbaring en noch scherp doordacht, noch diep gevoeld was.1 Rechtzinnigen en de gevoels-gereformeerden van het Réveil veroordeelden met de term ‘liberalisme’ zowel de religieuze lauwheid als elke vorm van vrijzinnigheid.

Vanouds had ‘vrijheid’ in Nederland een positieve klank, als men dacht aan de vrijheidsliefde van de vaderen, of aan de ‘ware vrijheid’ als garantie van burgerrechten.2 Het adjectief ‘liberaal’ stond ongeveer voor ruim denkend, redelijk, edelmoedig, mild en welwillend. ‘Liberaal’ kon ook betrekking hebben op het laisser faire-economisme, dat in de jaren twintig en dertig aan enkele Nederlandse universiteiten en door G.K. van Hogendorp wel bekeken werd, maar voorlopig weinig aanhang verwierf en geen systematisch karakter kreeg.3 De substantiefvorm liberalisme of ‘liberalismus’ dateerde pas van de jaren 1820. In een Geschiedkundig tafereel van het liberalismus van ouden en lateren tijd, de Nederlandse vertaling (Amsterdam 1823) van een Duits werk, presenteerden de Leipziger hoogleraar W.T. Krug en zijn vertaler een zeer bedaard liberalisme, wel te onderscheiden van allerlei verkeerd ‘Ultraïsmus’. Het omvatte vrijheid van meningsuiting en onderzoek, streven naar vervolmaking en afwijzing van zowel willekeur als losbandigheid; want de ware vrijheid was aan wet en orde gebonden en vroeg daarom een constitutioneel en vertegenwoordigend stelsel van bestuur. Hoewel noch dit boek, noch de term aanvankelijk veel opgang lijken te hebben gemaakt, bleek wel dat de vorming van een dergelijk substantief uitlokte tot een duidelijker positiebepaling. Omdat het begrip iets vertegenwoordigde, creëerde het voor- en tegenstanders; voorlopig waren degenen die er afstand van namen in de meerderheid. Ook auteurs die ‘vrijheidszin’ en ‘liberaal’ huldigden als hoge waarden, waren toch geneigd ‘liberalen’ en ‘liberalisme’ te associëren met een gevaarlijk soort vrijgeesterij, met de opstand van de mens tegen God, gezag en orde, met partij- en stelselzucht, met jacobinisme en, na de julirevolutie van 1830, met de Franse ‘tuimelgeest’ en de Belgische ‘muiterij’.4

Deze gebeurtenissen deden inderdaad de reputatie van het liberalisme geen goed. Maar al voor 1830 hanteerden de behoedzame voorstanders, die elke suggestie van ‘ultra-liberalismus’ verre van zich wensten te houden, het vrijheidsbegrip hoofdzakelijk in een verdedigende zin; de politieke connotaties bleven zwak. Zij dachten vooral aan een algemene geesteshouding, gekenmerkt door de waarden van de Hervorming en de Verlichting. Onder een liberale regering verstond men een billijk en terughoudend bestuur dat de burgerlijke rechten en vrijheden respecteerde, beschermde tegen willekeur en oog had voor het algemeen belang en vooruitgang. Een goed functionerende grondwet vormde de garantie van zo'n bestuur. Liberalisme impliceerde ontwikkeling van denkbeelden en instellingen naar de eisen van de tijd en een gematigde, welwillende kritiek of oppositie, die op politiek gebied niet verder ging dan tot toetsing van de regering aan de grondwet. Men hechtte aan een levendige publieke opinie of ‘constitutioneele geest’, dus aan betrokkenheid van de burgerij bij de publieke zaak, door de regering behartigd. De voorwaarden daartoe waren een verstandig gebruikte drukpersvrijheid en verster-

[p. 128]

king van de band tussen het ‘beschaafde deel der natie’ en de regering. Dit kon worden bereikt door verbeteringen in het kiesstelsel, openbaarheid in het staatsbestuur en bovenal in het financieel beheer, en een duidelijke ministeriële verantwoordelijkheid. Democratisch gedacht was dit alles niet; stilzwijgend veronderstelde elk van deze desiderata een ontwikkelde, bezadigde en verantwoordelijke maatschappelijke bovenlaag. Het vroege liberalisme was anti-oligarchisch en op een pragmatische manier monarchaal. Het uitte zich vooral als constitutionalisme, voor een groot deel gemotiveerd door onvrede over het ondoorzichtige financiële beleid van de regering.

In dit bestek is geen ruimte voor de vele onderlinge verschillen tussen personen en bladen. Maar zulke meningen klonken, nog incidenteel en doorgaans zonder urgentie, in periodieken als De Weegschaal (1818-1835), opgericht door ‘verlichte Nederlanders [...] ijverzuchtig op ware vrijheid’, De Noordstar (1829-1832, van een groep Amsterdamse juristen, onder wie C.A. den Tex en de broers F.A. en J. van Hall), De Bijenkorf (Den Haag 1828-1831) en De Standaard (Den Haag 1830-1832, van de neven D., B.F. en W. Donker Curtius); verder in brochures en redes van notabele figuren als G.K. van Hogendorp, J.G. van Nes van Meerkerk, E.W. van Dam van Isselt, D. Donker Curtius en L.C. Luzac en in min of meer liberaal gezinde bladen als het Algemeen Handelsblad (sinds 1828) en vooral de Arnhemsche Courant.5 Vanaf 1828 leek zich iets van een liberale oppositie te gaan vormen, in aansluiting - ofschoon met weinig sympathie - bij het in het Zuiden van het Koninkrijk al meer ontwikkelde, op Frankrijk georiënteerde oppositionele liberalisme binnen en buiten het parlement. Dit verschijnsel maakte deel uit van een internationale tendens.6 De voorzichtige vorming van een algemene liberale oppositiebeweging tegen het ‘systeem Willem I’ werd door de Belgische afscheiding doorkruist. In Nederland sloten zich voorlopig de rangen. In het midden van de jaren 1830 gold alleen de Arnhemsche Courant nog als een herkenbaar liberaal orgaan.

Vanaf 1837 nam in de pers en in brochures het openbare debat weer toe. De repressie van de Afgescheidenen en de machinaties tegen de onafhankelijke pers, het overheidsoptreden bij lokale belastingoproeren in het midden van de jaren dertig, de zinloze volhardingspolitiek, de verontrustende groei van de staatsschuld en het nauwelijks te controleren beheer van de overheidsfinanciën wekten geleidelijk aan een brede onvrede over het beleidloze en eenzelvige bestuur van de koning en zijn eeuwige minister Van Maanen. Er begon zich oppositie van allerlei aard en richting - katholieke, financiële en liberale - te manifesteren, die zich in 1839 ook binnen de Tweede Kamer deed gelden. Het liberalisme van de jaren twintig en dertig uitte zich nog overwegend in academische, staatsrechtelijke betogen en in het vocabulaire van de achttiende-eeuwse politieke theorie. Het is niet altijd duidelijk in welke mate of welke zin het eigenlijk modern was.7 Een stelsel was het volstrekt niet; meer een verzameling constitutionele desiderata die bij sommige auteurs een principieel karakter hadden, bij andere overwegend door de ontoegankelijke stijl van regeren en de toestand van de overheidsfinanciën werden ingegeven.

[p. 129]

Rond 1840 tekenden zich binnen de kring die als ‘liberaal’ gold de volgende geledingen af. Voor ‘ultra-liberaal’ hield men de Arnhemsche Courant onder mr. Th. Roest van Limburg, de recent opgerichte Vlissingsche Courant (1834) en de Kamper Courant (1838), die de opvattingen steunden van de meest uitgesproken liberale publicist van de jaren dertig, de Haagse advocaat Dirk Donker Curtius. Radicaal was deze groep binnen de Nederlandse verhoudingen hoofdzakelijk door haar vrijmoedige en principiële toon. Men eiste in deze kring de eerbiediging van grondwettelijke burgerlijke vrijheden en een grondwetsherziening die de ministeriële verantwoordelijkheid, rechtstreekse verkiezingen en daardoor een voor de natie controleerbaar bestuur zou vestigen.8 Links van deze bladen, die in de jaren veertig soms zelf ook in deze richting opschoven, verscheen sinds 1840 de Groningse Tolk der Vrijheid (1840-1841), het eerste van een hele reeks even marginale als radicale periodieken die gedurende de jaren veertig een (sociaal-)democratisch en soms republikeins geluid lieten klinken. Deze satirische en agitatorische blaadjes, gericht tot de kleine burgerij en volksklasse maar waarschijnlijk ook bedoeld om het establishment te prikkelen, vertegenwoordigden in Nederland de internationale radicale beweging en vormden tevens een herleving van een nooit helemaal verdwenen patriots-republikeinse traditie. Deze richting wist zich overigens weinig invloed te verwerven en werd door de grootburgerlijke liberalen met succes gemarginaliseerd.9

Het merendeel van degenen die zich als liberaal beschouwden of die men daarvoor hield, behoorde tot een even brede als vage groep van pragmatische moderaten.10 Hun liberalisme was niet principieel en berustte niet op een bepaalde leer of levensbeschouwing. Zij waren in beginsel wel voorstanders van vrijhandel en huldigden verlichting, vooruitgang en godsdienstige gematigdheid met een protestants accent, maar hadden evenmin als conservatieven iets op met ‘stelselzucht’. Hun liberalisme impliceerde geen organiserende, op een langere termijn denkende staatkunde; eerder een bestuur zonder duidelijke leiding, dat zo weinig mogelijk probeerde te regelen. Hun streven was het autocratisch-monarchale initiatief - bij Willem I te energiek, bij Willem II te onberekenbaar - aan banden te leggen en de controle op de uitvoerende macht in de vertrouwde handen te brengen van ten minste de hogere maatschappelijke standen waartoe zij zelf behoorden. Ook moest die controle van het parlement en de publieke opinie effectiever worden dan onder de bestaande wetgeving mogelijk was. In meerderheid maakten deze moderate liberalen zelf deel uit van de notabelen-elite en daartoe wilden zij de politieke invloed wel beperkt houden. Hun streven naar aanpassing van de grondwet kwam vooral voort uit hun zorg over het oncontroleerbare financiële beleid, dat een gevaar werd voor het staatskrediet. Zij vertegenwoordigden de belangen van de belastingbetalers, renteniers en het Hollandse, vooral Amsterdamse handels- en bankiersmilieu. Het Algemeen Handelsblad, met enkele duizenden lezers, gold als de stem van de gematigde, pragmatische liberalen, voor wie verbetering van de bestaande, te onduidelijke grondwet en hervorming van 's lands financiën voldoende was.

[p. 130]

De politisering van het tijdschrift

De Gids laat zich niet goed situeren in dit tableau. Voor een letterkundig tijdschrift was het eer regel dan uitzondering dat het zich van politieke uitingen onthield. De tegen 1837 blijkbaar groeiende behoefte van intellectuelen om kritiek te uiten en het publieke debat te entameren, richtte zich aanvankelijk op de letterkunde en wetenschap, getuige de aard van Athenaeum, Drie-Maandelijksch Tijdschrift, De Gids en de ontworpen maar niet gerealiseerde Leidsche Wetenschappelijke Berigten. Het liberalisme van De Gids was een culturele vernieuwingsbeweging die de gewenste nationale regeneratie niet allereerst zocht in politieke hervormingen. Aanvankelijk had het blad ook nauwelijks banden met kringen van politiek, bestuur en gevestigde economische belangen. Zijn redacteuren en medewerkers waren voor het merendeel jonge letterkundigen en juist afgestudeerde juristen en theologen, die net hun maatschappelijke loopbaan begonnen en nog op afstand stonden van bestuurlijke functies. Gevestigde academici die eraan bijdroegen, waren van de generatie zonder politieke aspiraties. Tot 1845 bevatte De Gids weinig over staatkunde, staatsrecht, economie en maatschappelijke kwesties: in het mengelwerk nagenoeg niets, in de recensieafdeling gemiddeld twee bijdragen per jaar, met een uitschieter in het politiek belangrijke jaar 1840. In ruimte gemeten vulden zulke onderwerpen 2,5 procent.

De eerste jaargang telde niets dan een instemmende bespreking van het recent opgerichte tijdschrift Bijdragen tot de Staathuishoudkunde en Statistiek; een dergelijk initiatief strookte met het streven van De Gids kennis en openbaarheid te bevorderen. De recensent, de Utrechtse hoogleraar J. Ackersdijck, toonde een voorkeur voor het vrijhandelsstelsel en gaf zelfs in overweging of Nederland er economisch niet verstandig aan zou doen zich bij het Duitse tolverbond aan te sluiten. Een andere recensent waarschuwde dat een ‘handeldrijvende Natie’ zich internationaal beter geen vijanden kon maken.11 Jaargang 1838 bevatte een nog zeer terughoudende bespreking van een brochure getiteld Liberalismus (1837), waarin de voor Nederlandse begrippen als ‘ultraliberaal’ geldende publicist Roest van Limburg schetste hoe een onweerstaanbare liberalisering in de lijn van de Europese geschiedenis lag. De recensent voor De Gids, de jonge Amsterdamse advocaat Fortuijn, toen nog beginnend medewerker, beperkte zich tot een strikt zakelijke beoordeling en vond het zelfs nodig te verklaren dat hij enkel met het liberalisme instemde als garantie van de burgerlijke vrijheden, niet als ‘eene begeerte om deel te hebben aan het Staatsbestuur’.12

In 1839, toen het eindverdrag met België was geratificeerd en een grondwetsherziening dus onvermijdelijk werd, gaf dezelfde recensent wel een korte aanprijzing van een brochure waarin op bedaarde toon verbeteringen in de grondwet werden voorgesteld. Fortuijn permitteerde zich nu ook zelf kritiek op ‘de politieke (?) onzin onzer ministeriëele dagbladen’.13 Verder bevatte deze jaargang een terloops uitgesproken aanbeveling van ‘liberale begrippen’ op economisch gebied.14 Maar de meest geruchtmakende liberale publicatie

[p. 131]

van 1839, de brochure Orde, waarin D. Donker Curtius op krachtige toon het bestaande regeringsstelsel hekelde, ‘ontwikkeling en vooruitgang’ tegenover ‘stilstand’ plaatste en de noodzaak van een ingrijpende grondwetsherziening uiteenzette, werd in De Gids niet besproken, noch zelfs maar gesignaleerd. Evenmin mengde het tijdschrift zich in de reacties op dit voor ‘revolutionair’ gehouden geschrift, in de Arnhemsche Courant en het Handelsblad en in nieuwe pamfletten.15 Het distantieerde zich van publicaties die zich niet ‘wetenschappelijk’ lieten beoordelen. De Gids betrad het terrein van de staatkunde hoogstens omzichtig, naar aanleiding van een degelijke historische of staatsrechtelijke studie.

Zo'n studie was Thorbeckes Aanteekening op de Grondwet (1839), een kurkdroog wetenschappelijk commentaar op de grondwet, voortgekomen uit het college historisch staatsrecht over de Nederlandse staatsregelingen, dat hij in Leiden sinds 1836 gaf en dat hem tot een opvallende, door studenten gezochte figuur maakte. Thorbecke was in de jaren dertig nog een conservatief, die regelmatig publiceerde in de regeringsgezinde Journal de la Haye. Liberalen als Roest van Limburg en Donker Curtius beschouwden hem op grond van de Aanteekening nog niet als een medestander, ondanks de bewuste actualiteit van dit kritische grondwetscommentaar. Ook Fortuijn schijnt teleurgesteld te zijn geweest.16 Niettemin prees hij het werk begin 1840 zonder reserve en stemde volledig in met Thorbeckes bedoeling de interesse van de burger voor de grondwet en de publieke zaak te wekken. In zijn bespreking kregen de politieke uitspraken nu toch de overhand. Met behulp van Thorbeckes Aanteekening bekritiseerde Fortuijn het gebrek aan vaste beginselen in het Nederlandse staatsbestuur, het ‘systema [...] van stilstand - van niets doen’, een laisser faire dat nergens anders dan op economisch gebied behoorde te worden toegepast. Overtuigd dat de ‘geest der eeuw, de roeping der volken’ voortdurende vooruitgang eiste, meende Fortuijn dateen ingrijpender grondwetsherziening geboden was dan de regering voorstelde. Wel beklemtoonde hij, met Thorbecke, dat een nieuwe staatsregeling geen doel op zich kon zijn; zij had alleen zin als zij samenging met een herleving van ‘den publieken geest der natie’, of als middel daartoe fungeerde.17

Hoewel de redactie nog in 1844 aan een inzender liet weten dat in De Gids geen plaats was voor staatkundige bijdragen, begon in 1840 de politisering van het tijdschrift.18 Aanvankelijk manifesteerde zich een zekere spanning tussen de nieuwe dynamiek van Fortuijn en het conciliante onpartijdigheidsstreven van de oudere Van Hasselt. De laatste besprak in 1840 met opzet een al drie jaar eerder verschenen boek dat waarschuwde tegen de terugkeer van de vroegere partijzucht.19 Van dezelfde strekking was de huldigende oeuvrebespreking waarin de Groningse rechtsgeleerde Star Numan de staatsman Joan Melchior Kemper aan de eigen tijd ten voorbeeld stelde.20 Fortuijn kreeg echter vaste voet in De Gids: aan het einde van het jaar trad hij tot de redactie toe. Zoals zovelen uit deze kring had hij gestudeerd in Amsterdam en Leiden in de jaren 1830-1834. Hij had zich daarna kunnen vestigen als advocaat in Amsterdam - hij beschikte over belangrijke relaties -, publiceerde in verschillende bladen

[p. 132]

en deed rechtshistorisch onderzoek. Sinds 1838 recenseerde hij juridisch werk in De Gids, anoniem of onder de initialen A., C. of N.. Zijn carrière werd in de knop gebroken, want hij overleed in 1843, pas dertig jaar jong en al auteur van een degelijk werk over de Franse elementen in de Nederlandse wetgeving.21 Misschien is Fortuijn in deze eerste jaren de meest met Potgieter en Bakhuizen verwante geest geweest, in zijn jeugdig elan, zijn veroordeling van de nationale mentaliteit, zijn opvatting van kritiek en zijn streven om tegelijk beweging en wetenschappelijke degelijkheid te bevorderen. Vanaf 1840 bracht hij de kritiek op de nationale inertie en misplaatste zelfgenoegzaamheid over op het politieke bedrijf.

De als te mager beschouwde aanpassing van de grondwet in 1840 verscherpte niet alleen bij Thorbecke de behoefte aan een ingrijpender staatkundige vernieuwing, maar bracht ook De Gids en het voorzichtige Handelsblad dichter bij de hervormingsgezinde Arnhemsche Courant.22 Groen van Prinsterers Bijdrage tot herziening der grondwet in Nederlandschen zin (1840), die scherpe kritiek op de bestaande praktijk maar tevens een afwijzing van een ingrijpende staatshervorming bevatte, werd in De Gids niet besproken. Daarentegen was Fortuijn met Donker Curtius van mening dat ‘eene algeheele Revisie’ nodig bleef.23 Hij toonde zich in de loop van het jaar, meer in aansluiting bij Donker Curtius dan bij Thorbecke, voorstander van een stelsel van directe verkiezingen.24 Daarnaast verwierp hij de gedachte dat de vorst een zelfstandig gezag buiten de grondwet zou bezitten. Toch verklaarde Fortuijn dat De Gids zich niet wenste te voegen in het koor van verguizers van de zojuist afgetreden Willem I. Nu er een nieuwe koning was aangetreden van wie de natie nog ‘schoone verwachtingen’ mocht koesteren, achtte hij het een ‘pligt [...] alleen op de toekomst te zien, en, door het vestigen van echte beginsels, de kracht der constitutionele monarchij te versterken’.25 In veel uitingen toonde De Gids in de jaren na 1840 een gespannen mengeling van teleurgestelde verwachtingen en vooruitgangsenthousiasme.

De redactie ging in Thorbecke, de degelijke geleerde die in 1840 als tijdelijk lid van de dubbele kamer uit principe tegen de beperkte grondwetsherziening gestemd had, de man van de toekomst zien. Vanaf 1840 volgde De Gids de politieke ontwikkeling van Thorbecke en in hoofdzaak is het blad hem tot zijn dood toe trouw gebleven. Het herkende in hem het ‘doctrinaire’, dat wil zeggen het methodische, het streven naar vaste, maar ruimte scheppende en praktische beginselen. Hartelijk is de relatie overigens nooit geweest, eerder stroef, net zoals met de al even bewonderde Geel. Aan De Gids heeft het niet gelegen. In 1841 huldigde Fortuijn Thorbecke als de nieuwe Van Slingelandt, de staatsman die Nederland nodig had voor het doorvoeren van een hervorming in bestuur en beleid. Hij roemde hem om zijn inzicht als de man ‘die zijne eeuw vooruit - neen! bij wien zijne eeuw ten achter is’. Geel vond de lof die De Gids hemzelf en Thorbecke toezwaaide bespottelijk, ‘jongens-geschreeuw’ van ‘piep-jonge menschen, die eeuwig van de eeuw praten’. Thorbecke, die zonder twijfel gevleid was door de vergelijking met Van Slingelandt, waarop hij enigszins had aangestuurd, antwoordde Geel quasi-onverschillig

[p. 133]

dat jaloezie hem even weinig deed als de lof van onbevoegden.26

Hij had tot dan toe nauwelijks notitie genomen van De Gids. In het eerste nummer had hij ‘gebladerd’ maar er ‘geen heil in gezien’. Hij dacht toen dat het een blad was van ‘Beets, Hazenbroek en Kneppelhout’, dus van de romantische Leidse studenten, wat kennelijk zijn dunk niet verhoogde.27 Hoewel in 1841 de redactie nog steeds anoniem was, wist hij inmiddels waarschijnlijk wel beter. Toen de redactie hem in april 1841 tot medewerking uitnodigde, toonde hij zich daartoe in beginsel wel genegen, al kwam het er nog niet van. Het contact verliep via Van Hasselt, die met Thorbecke op goede voet stond. Van 1842 tot 1848 heeft Thorbecke zes bijdragen geleverd, die de ontwikkeling van zijn politieke denken documenteren en tot de belangrijkste van deze jaren behoren; De Gids wijdde eveneens zes besprekingen aan zijn werk.28

Drie thema's domineerden na 1840. Net als in de wetenschappelijke recensies ging De Gids nadrukkelijk aandringen op stelselmatigheid in het bestuur, tegenover wat men zag als een in Nederland institutioneel geworden ‘beginselloosheid’. Daarnaast ijverde het blad voor de vorming van een onafhankelijke, goed geïnformeerde publieke opinie. Ten derde bleef het vragen om een grondwetsherziening en kiesrechtregeling die recht zouden doen aan het ontwikkelde nationale verantwoordelijkheidsbesef van de burgerstand. Door zijn ‘doctrinaire’ nadruk op vaste beginselen verwijderde De Gids zich in 1843 en 1844 van de moderate liberalen. In deze jaren leefde het openbare debat op, toen een staatsbankroet dreigde en duidelijk werd waartoe het gebrek aan controle op de openbare financiën had geleid. In de Kamer nam het verzet tegen de regering toe; daarbuiten groeide de ontevredenheid over de Kamer en allerlei auteurs ventileerden hun mening over de juiste maatregelen om de rampzalige staatsfinanciën weer op orde te krijgen.29 De Gids gaf in deze kwestie twee zuiver principiële antwoorden. Aan de basis van alle verbetering lag de toepassing van de liberale economische theorie - kortweg aangeduid als ‘de lessen der staathuishoudkunde’. Als het wezenlijke probleem van Nederland zag men de achteruitgang van de handel en de nijverheid, veroorzaakt door de belastingdruk, allerlei belemmerende regelingen en averechtse bemoeienis van de overheid met bepaalde bedrijfstakken.30 Daarnaast was een grondwetsherziening nodig, die een beter functionerend bestel in het leven zou roepen en het vertrouwen tussen burgerij en overheid zou terugbrengen.

Naar aanleiding van een van de vele brochures over het financiële probleem leverde Thorbecke het eerste zelfstandige actuele politieke artikel in dit tijdschrift. Het was direct de principieelste bijdrage aan de hele discussie.31 Anders dan de meeste auteurs buiten De Gids bepleitte hij niet een reeks noodoplossingen en minder of meer ingrijpende bezuinigingen op het staatsapparaat, maar een ander beginsel van staatshuishouding. Niet de vermeende noodzaak van bepaalde uitgaven moest de maatstaf zijn van het financieel beleid, maar enkel en alleen de economische draagkracht van de maatschappij. Te lang had de regering namelijk het feit genegeerd dat het verlies van België een ander land had gemaakt van Nederland. Daar lag de taak van een onverzettelijke volksvertegenwoordiging: zij behoorde de regering ervan te

[p. 134]

weerhouden een onverantwoord beroep te doen op het volksinkomen. Zolang dit besef niet bestond zag Thorbecke weinig in alle goedbedoelde voorstellen ‘een ongeregeld huishouden’ beter of zuiniger te besturen. Een duurzame oplossing was alleen te verwachten van ‘algemeene hervorming onzer staatsinstellingen, van de Grondwet tot op de laagste trappen der administratie’. Hij bespeurde echter binnen noch buiten de Staten-Generaal de hiertoe vereiste consensus en daadkracht. Juist met het oog hierop zinspeelde Thorbecke op een nieuw voorstel tot grondwetsherziening: zo'n kunstmatige ‘krisis’ zou heilzaam kunnen zijn om de publieke opinie en de politiek tot duidelijke keuzen te prikkelen. Een ‘schok’ was soms het enige middel ‘om in een zwak, voos, lijdend ligchaam de nog overige kracht te wekken’, suggereerde hij in dit pregnante, enigszins dreigende betoog dat vooral het gebrek aan scheppende kracht in de Nederlandse staatkunde tot thema had.32

De afgedwongen staatslening-Van Hall, die het bankroet afwendde maar geen verandering in het bestel deed verwachten, inspireerde Potgieter tot zijn tijdzang ‘Maart mdcccxliv’. Hiermee deed de politieke actualiteit haar intrede in het mengelwerk. Hoewel de zeer omstreden lening maar moeizaam en ten slotte alleen door een bijdrage van de koning voltekend werd, stelde Potgieter haar bewust geïdealiseerd voor als een veelbelovende nationale inspanning van de koning en ‘de burgerij’ samen. Hij spoorde die burgerij aan vanaf nu naar verbetering te blijven streven, en de vorst nu zijn volk naast zich tot medeverantwoordelijkheid te roepen.33 De Gids zag in het slagen van de noodgreep geen reden om af te zien van een nieuwe grondwetsherziening. Integendeel, de hele zaak had alleen maar duidelijk gemaakt dat de regering zich niet meer uit haar beleidsfouten kon redden zonder de steun van de bevolking.34 De liberaal-oppositionele geest begon zich mee te delen in gedichten waarin het Haagse establishment bespot en de vrijheid bejubeld werd.35

De Clercq en de organisatie van de liberale beweging

Een ondubbelzinnig liberale koers ging De Gids pas in 1845 volgen, een ontwikkeling die zich tegelijkertijd ook bij het Handelsblad onder de nieuwe leiding van mr. Louis Keyzer voordeed. In dat jaar manifesteerde zich binnen de liberale groepering een bredere radicalisering, een scheiding tussen principiële constitutionelen en afwachtende moderaten.36 In De Gids van februari kreeg een principieel pleidooi voor de toepassing van de liberale economische leer een warm onthaal; liberaal stond inmiddels gelijk met ‘onbevooroordeeld’ en wetenschappelijk.37 In de volgende maanden mengde Bakhuizen zich met zijn Brederode-recensie in de actualiteit. Maar ook het mengelwerk kwam nu voor het eerst in het teken van actuele vragen te staan. Vijf van de twaalf poëtische bijdragen getuigden van maatschappelijk engagement en in februari bevatte deze afdeling voor de eerste keer een uitgebreid politiek hoofdartikel onder verantwoordelijkheid van de redactie.38 Het was een ondersteuning van het voorstel tot grondwetsherziening dat in december 1844 door Thorbecke

[p. 135]

- inmiddels weer Kamerlid - en acht andere liberalen aan de Tweede Kamer werd voorgelegd. Dit was de ‘schok’ die Thorbecke een jaar eerder gesuggereerd had: het Negenmannen-voorstel dwong tot een positiebepaling en maakte ook De Gids definitief tot een liberaal tijdschrift.

De auteur namens De Gids was de vierentwintigjarige mr. Gerrit de Clercq. Hij verdient enige aandacht, want hij zou in de volgende jaren zijn stempel op het tijdschrift drukken, door zowel de vorm als de richting ervan te veranderen. Daarnaast is De Clercq in de tweede helft van de jaren veertig een van de belangrijkste publicisten en organisatoren van de prille liberale beweging geweest.39 Hij was de zoon van een bekende vader, Willem de Clercq, secretaris van de Nederlandsche Handelmaatschappij, beroemd improvisator en een van de voormannen van het Réveil. Hij groeide op in een vrij deftig milieu dat toegang had tot de Amsterdamse elite en waarbinnen enerzijds het geloof intens beleden werd en anderzijds een brede, ook internationale belangstelling bestond voor de literatuur. De dichter Da Costa bijvoorbeeld begeleidde de jonge Gerrit in zijn literaire ontwikkeling en deed dat ruimhartig. Maar het was al vroeg duidelijk dat deze zich zou gaan losmaken uit de sfeer van het piëtisme; ‘de eeuw werkt van alle kanten in hem’, noteerde de vader zorgelijk in zijn dagboek, waarin hij de innerlijke ontwikkeling van zijn eigenzinnige zoon vastlegde.40 Dat was een juiste observatie, want Gerrit de Clercq werd bij uitstek ‘de moderne man’.41 Hij had een rusteloze behoefte om dingen te leren kennen, een voortdurende en onbevooroordeelde belangstelling voor het nieuwe. Hij hield van debat en discussie.

De Clercq studeerde in Leiden tussen 1839 en 1843, te midden van de generatie die van de jaren vijftig tot en met zeventig het Nederlandse intellectuele leven zou gaan beheersen - Opzoomer, Fruin, Van Vloten, De Vries, Jonckbloet, Vissering. Van Vloten bracht hem tot de lectuur van Strauss en ook Jonckbloet en Bakhuizen, die hij al enigszins uit Amsterdam kende en met wie hij in 1842 omging, versterkten zijn vrijzinnigheid. Hij studeerde tamelijk voorspoedig, hoewel zijn eigen dagboek vol is van klachten over zijn gebrek aan discipline in leven en belangstellingen. Net als Van Vloten en Bakhuizen werkte hij veel op zichzelf, omdat de colleges en veel hoogleraren, misschien met uitzondering van Thorbecke, hem ‘schrikkelijk’ tegenstonden. Hij stortte zich op allerlei vakken, overwoog een poosje de geneeskunde maar studeerde uiteindelijk af in de rechten, zonder er een speciale belangstelling voor te koesteren. Daarnaast deed hij veel aan literatuur. Hij las klassieke schrijvers en moderne Franse, Engelse en Duitse - vooral Goethe en Heine bevielen hem - en volgde de buitenlandse tijdschriften. In 1841 kwam hij via zijn vader in contact met de literaire vriendenkring van Heiloo, rond Hasebroek en Beets; in Leiden raakte hij goed bevriend met Kneppelhout, die evenals de anderen inmiddels de romantiek vaarwel had gezegd en nu werkte aan zijn Studentenschetsen. Ook De Clercq leverde daaraan een bijdrage.42 Hij leidde allerlei studentenverenigingen en de Studenten-Almanak. Hij bewoog zich gemakkelijk. Men vond hem elegant en scherpzinnig. Van jongs af aan was hij in elk gezelschap facile princeps. Hoewel hij een sterke behoefte had aan nauwe

[p. 136]

vriendschappen, was De Clercq - en hij zou dat ook zijn hele leven blijven - vooral een briljante en graag geziene figuur met veel losse contacten in allerlei kringen.

In oktober 1843 sloot hij zijn studie af met een Latijnse dissertatie over de Handelmaatschappij, een onderwerp dat zijn vader hem had aangereikt met het oog op zijn loopbaan. Daarna probeerde hij zich, zoals zoveel afgestudeerde juristen en met even weinig succes, te vestigen als advocaat in Amsterdam. Dat was een typische parkeerfunctie in afwachting van een betrekking waarvoor enige protectie noodzakelijk was. Inmiddels had hij de religie achter zich gelaten en begon hij de politiek met een kritisch oog te bezien. Hij maakte deel uit van een liberaal Haags juristenclubje rond Donker Curtius.43 Hij was een overtuigd tegenstander van de dwanglening-Van Hall, omdat het slagen ervan juist het ‘wanbestuur en een verkeerd regeringsstelsel’ in stand zou houden die voor de hele toestand verantwoordelijk waren.44 Zijn lectuur van de buitenlandse tijdschriften overtuigde hem ervan dat Nederland ‘achterlijk [was] in staatkundige en maatschappelijke ontwikkeling’. Het ontbrak het land aan vaardige politieke auteurs, aan een geïnformeerde publieke opinie, aan een werkelijk constitutioneel bestel en aan een parlement waarin partijen elkaar door inhoudelijk debat probeerden te overtuigen.45 Toen de Negenmannen in december 1844 hun voorstel tot grondwetsherziening deden, behoorde De Clercq dus tot de enthousiaste voorstanders. Hij sloot zich aan bij een initiatief van zijn Leidse studievriend Piet Blussé om een landelijke petitieactie ter ondersteuning van het voorstel te organiseren en probeerde in het conservatieve Amsterdam iedereen die liberaal was te mobiliseren. Daarnaast zette hij zich aan een bewerking van een concept-brochure die Blussé had opgesteld.

In januari 1845 vroeg Potgieter hem het voorstel te bespreken in de mengelingen van De Gids.46 Fortuijn, de redacteur voor politieke zaken, was in 1843 overleden. Via Van Hasselt had de redactie toen bij Thorbecke geïnformeerd of hij ‘een kras, fiks, flink, helder, cordaat mensch’ kon aanbevelen als politiek medewerker. Thorbecke wees, voorlopig, op de jonge advocaten P.L.F. Blussé (de vriend van De Clercq) en J.C. Reepmaker, die deel uitmaakten van het juristenclubje rond Donker Curtius. Zij hebben echter nooit meer dan incidenteel aan het tijdschrift bijgedragen.47 De Clercq kende Potgieter van afstand, Bakhuizen meer van nabij sinds diens terugkeer naar Leiden. Hij had zijn Gids-debuutal gemaakt, een brede bespreking van Kneppelhout Studentenleven, waarbij hij zelf zo nauw betrokken was geweest.48 Toen Potgieter hem vroeg liet hij de brochure varen en zette zich aan ‘Het voorstel ter Grondwetsherziening’ voor De Gids. In februari, toen het stuk verscheen, nodigde Potgieter hem uit redacteur te worden voor juridische en politieke onderwerpen, als opvolger van Van Hasselt, die vanwege een persoonlijk conflict met Van Geuns besloten had de redactiekring te verlaten.49

In zijn bespreking van het herzieningsontwerp wees hij, met de voorstellers, volkssoevereiniteit en democratie af, als deze een republikeinse staatsvorm impliceerden. Ook De Clercq sprak zich uit voor een waarlijk constitu-

[p. 137]

tionele monarchie met een controlerende, jaarlijks over de begroting beslissende volksvertegenwoordiging, samengesteld door rechtstreekse verkiezingen waarvoor een niet te hoge censusdrempel gold. De koning behoorde onschendbaar te zijn, de ministers volledig verantwoordelijk en de Kamer ontbindbaar. De koloniale aangelegenheden moesten onder de wetgever worden gebracht. Anders dan in Thorbeckes ontwerp bepleitte De Clercq ook het stelsel van juryrechtspraak, als vorm van democratische controle op de magistratuur. Vrij uitgesproken richtte hij zich tegen de zittende Staten-Generaal die door het bestaande kiesstelsel ver verwijderd waren geraakt van ‘de Natie’. Het beeld dat hij in zijn artikel ontwierp herinnerde aan de polemische achttiende-eeuwse voorstelling van een behoudzuchtige ‘aristokratische faktie’ die zich tussen de vorst en ‘de natie’ gedrongen had en beiden van hun invloed beroofde. De kern van de zaak was voor hem dat het verantwoordelijk deel der natie inmiddels directe invloed behoorde te krijgen op de wetgeving.

Evenmin als Thorbecke zelf geloofde De Clercq dat het voorstel werkelijk een kans maakte; zij beschouwden de poging vooral als een waarschuwend signaal voor de gevestigde orde en als een middel om de publieke opinie te activeren. Daarom steunde De Clercq ook via De Gids het petitionnement dat in diverse steden werd georganiseerd. Dit moest de Staten-Generaal duidelijk maken dat de negen voorstellers namens de gezeten burgerij spraken; tegelijk vormde het een uitnodiging van ‘de natie’ aan ‘onzen geëerbiedigden Vorst [...] zich aan het hoofd te stellen der beweging [...] en zijn volk voor te gaan’.50 In allerlei Gids-bijdragen van deze periode vertoonde zich een aangezet burgerlijk en anti-aristocratisch sentiment, Volk en Natie voerden een hoofdletter en men herinnerde de koning aan de rol van Willem van Oranje. Het artikel besloot met het dreigende perspectief dat in deze jaren vaker werd opgeroepen. ‘Zonder staatkundige ontwikkeling is voor een volk geene enkele ontwikkeling op den duur mogelijk. De karavaan der menschheid rukt voort: wee den volken die achterblijven in de woestijn.’51

Na dit politieke hoofdartikel en het gedicht ‘De Stilstaanders’ (april 1845), waarin Potgieter de vele halve en hele tegenstanders van grondwetsherziening hekelde, markeerden drie recensies van allerlei vlugschriften over het voorstel en het petitionnement de positie van De Gids in de liberale beweging.52 Illustratief voor de mate waarin nu de actualiteit ook de literatuur binnendrong was de uitgebreide kritiek die Potgieter wijdde aan het gedicht ‘Staatshervormen’ van de conservatief A.W. Engelen. De persoonlijk ondertekende recensie had geheel een politiek karakter en toonde Potgieter als een van de petitionarissen en als voorstander van een kritische publieke opinie en burgerlijke invloed op het landsbestuur.53 Dat was ook de strekking van de recensies waarin De Clercq namens De Gids de vlugschriften besprak. Hij was zelfs veel nauwer bij dit onderwerp betrokken dan hij hier deed voorkomen: de anoniem verschenen brochure Nu of Nooit was het werkje van Blussé waaraan hij nog zelf had gesleuteld; hij had de exemplaren, die achterin een modelpetitie bevatten, persoonlijk in de Amsterdamse koffiehuizen, logementen en winkels verspreid.54

[p. 138]

De Gids was inmiddels ver afgeraakt van de terughoudendheid van 1838: nu heette het, tegenover de conservatieven en moderaten, dat burgerlijke vrijheid zonder politieke medezeggenschap een illusie was.55 Het hoofdthema van De Clercqs besprekingen - die voor een deel verschenen toen de Kamer het Negenmannen-voorstel al terzijde gelegd had - was het belang van een degelijke politieke pers. In een vergelijking met de grote buitenlandse tijdschriften leek het hem dat de Nederlandse pers als politieke factor onderontwikkeld was. De belangstelling voor de openbare zaak had geen duurzaam karakter en geen ideologische kleuring, maar leefde alleen incidenteel op en bediende zich dan van heftige pamfletten, die meer een polariserende dan een informerende werking hadden. Evenmin functioneel vond De Clercq het ophitsende preken voor eigen parochie in de radicale ‘lilliputter-pers’. Een degelijk blad met een vast publiek zou veel meer moreel gezag bezitten en daardoor meer invloed uitoefenen, ook buiten de eigen kring. Nu de publieke opinie niettemin gewekt leek, was het zaak haar tot een voortdurende controlerende instantie te maken. Daartoe was nodig dat de brede, politiek nog weinig belangstellende burgerij met zachte hand geleid werd. Hoewel hij zelf stukjes schreef voor de linkse Vlissingsche Courant vond hij dergelijke geavanceerde provinciale kranten voor dat doel minder geschikt. ‘Aan de schepping en krachtige ondersteuning van een wèl onderricht, populair, beschaafd en bezadigd orgaan kan voor den eerstvolgenden tijd de toekomst der vrijzinnige partij in ons vaderland hangen.’56

De Clercq liet het niet bij woorden, want hij was op dat moment met onder anderen de Gids-medewerkers Veth en Vissering betrokken bij plannen om het Handelsblad over te nemen of ‘een nieuw handelsblad in echt liberalen zin’ te beginnen.57 Deze poging liep op niets uit, evenals een soortgelijk initiatief in de volgende jaren.58 Maar De Clercq was nog op andere manieren bezig de publieke opinie en vooral de liberale beweging te organiseren. Met de andere leden van het Amsterdamse petitie-comité, waartoe behalve een neef van Donker Curtius ook Bakhuizens vertrouwde vriend P.M.G. van Hees en Gids-medewerkers als Portielje en Berg van Dussen Muilkerk behoorden, probeerde hij een vaste politieke club te stichten. Dit initiatief resulteerde in 1846 in de oprichting van de Amstelsociëteit, een besloten vereniging die zich, om de autoriteiten te misleiden, presenteerde als een discussiegezelschap, maar die in de praktijk ging functioneren als een liberale kiesvereniging. Het Amsterdamse voorbeeld vond in andere steden navolging en de Amstelsociëteit mag dan ook gelden als de eerste liberale organisatie in Nederland.59

In 1846 stond De Clercq ook aan de basis van de Vrijdagsche Vereeniging, de eerste Nederlandse debating society, een nieuw genootschapstype naar Brits voorbeeld en een typisch product van liberaal-burgerlijke cultuur. De debatvereniging bood de gelegenheid binnen de veilige kring van de eigen stand in grote vrijheid en met overgave te debatteren over kwesties van algemeen belang. Zo kon de Vrijdagsche Vereeniging heren van allerlei confessie of politieke voorkeur omvatten, die elkaar vonden in de behoefte zich te oefenen in de vaardigheid om anderen langs redelijke weg te overtuigen. De vereniging had

[p. 139]

geen politiek karakter, maar wel een liberale strekking. De Clercq beschouwde het ontbreken van een dergelijke debatcultuur in het parlement als een teken van de politieke onderontwikkeling van Nederland.60 De kringen van de Amstelsociëteit, de Vrijdagsche Vereeniging en De Gids overlapten elkaar ten dele. Van de in totaal tweehonderd leden van de Amstelsociëteit zijn er drie redacteur van het tijdschrift geweest, onder wie de oprichters De Clercq en Veth, en hebben er zeker vijfentwintig aan bijgedragen als auteur. Onder de leden van de debatvereniging in de eerste vijf jaren waren tien redacteuren en een groot aantal medewerkers.

Binnen De Gids ging De Clercq direct een prominente plaats innemen. Potgieter meende in de vlugge en gedecideerde jongere de medestander te herkennen die hij in Bakhuizen had verloren. In hun correspondentie ontstond al snel een vertrouwelijke toon. Potgieter vroeg De Clercq de bijdragen van medewerkers te bewerken en liet hem zelfs het binnenkomende werk van Bakhuizen corrigeren, ook op de stijl, ‘waar deze U minder bevallen mogt’.61 Zoals eerder met Bakhuizen en later met Busken Huet ging Potgieter allerlei redactionele zaken en de samenstelling van de nummers in klein overleg met De Clercq afhandelen. Potgieter, die anders altijd degene was die mopperend zijn mederedacteuren tot werken aanvuurde, deed nu de geheel nieuwe ervaring op zelf tot meer ijver te worden aangespoord. De Clercq trad ook op als penvoerder.

In deze functie liet hij in november 1845 een verontruste medewerker weten dat De Gids inmiddels geen uitsluitend partijorgaan was geworden dat van al zijn auteurs een gelijke gezindheid eiste; maar het was geen geheim ‘dat wij persoonlijk de liberale beginselen met warmte zijn toegedaan, en eene geheele hervorming onzer staatsinstellingen van harte wenschen’. Het tijdschrift schreef dus zijn politieke artikelen in deze zin of liet ze door ‘gelijkgezinden’ verzorgen. Hoewel de redactie zich in deze brief nog beriep op de vroegere liberaliteit, erkende zij ernaar te streven ‘bij de behandeling van elk vak in ons Tijdschrift eene zekere eenheid van richting te bewaren’.62 Onder invloed van De Clercq riskeerde zij op dit punt zelfs een conflict met Thorbecke. Deze informeerde in juli 1845 bij Van Hasselt of de geruchten klopten dat de Gids-redactie bijdragen bewerkte of afwees als zij niet instemde met de strekking ervan. Hij kondigde aan geen ‘pen aan te zetten voor een Tijdschrift, welks redactie zich zulk eene censuur veroorloofde’. Enigszins in strijd met zijn eigen vroegere plannen voor een tijdschrift ‘door eenparigen geest bezield’63 stelde hij zich een blad als De Gids nu voor als een open tribune, waar auteurs voor eigen verantwoordelijkheid optraden en de redactie hoogstens bepaalde wie zij daartoe uitnodigde. Namens De Gids antwoordde De Clercq dat de leiding ‘van een Tijdschrift, dat in Staatkunde, letterkunde, wetenschap een bepaalde richting volgen, een bepaalde kleur dragen, een' bepaalden invloed oefenen wil’, een actievere rol impliceerde. Enkel door ‘planmatig’ te werk te gaan en elke recensie ter zijde te leggen ‘die, in dit of dat opzicht, met de door haar gekozen richting in strijd was’, had de redactie De Gids kunnen behoeden ‘voor de kleurloosheid en halfheid [...] die in zoo vele andere Ned. Tijd-

[p. 140]

schriften ten troon zit’. Zij hechtte echter zo'n belang aan de medewerking van Thorbecke, dat zij in zijn geval bereid was afstand te doen ‘van een recht, dat wij anders stellig meenen te moeten handhaven’.64

Doctrinaire liberaliteit

Naast de actieve liberalen Veth en De Clercq kwam in 1846 ook Vissering, die al vanaf ten minste 1845 bij het blad betrokken was, de politieke richting nog versterken.65 Hoewel iedereen in deze kring de letterkunde zeer nabij stond, begon nu de leiding duidelijk van karakter te veranderen. Door uiteenlopende oorzaken verloor de redactie in 1845 de predikant-dichter Ter Haar, de romanschrijver Oltmans en de letterkundige Pol. Vanaf dat moment was Potgieter de enige schrijver in het gezelschap en hij raakte juist in een fase waarin hij zich teleurgesteld van de literatuur afwendde. De zevenentwintigjarige Simon Vissering ontbrak het niet aan elan. Hij kwam uit een doopsgezinde Amsterdamse handelsfamilie en was na de gebruikelijke studie in Amsterdam en Leiden in 1842 gepromoveerd in de letteren en de rechten, op een proefschrift over het recht in het Rome van Plautus. Evenals De Clercq had hij zich daarna als advocaat laten registreren, in de hoop op iets anders. Hij begon in liberale zin over economie te schrijven in het Handelsblad en vestigde daarmee de aandacht op zich. Vissering is misschien de overtuigdste liberaal geweest die Nederland gekend heeft. Hoewel hij zeer pragmatisch kon zijn als het uitkwam, had het liberalisme voor hem de glans van een levensbeschouwing. Ook in zijn geval wortelde het in een optimistisch protestantisme. Zijn bespreking van twee politiek-historische studies in jaargang 1846 was een uitbundige liberale geloofsbelijdenis.66 Zo zeker als iemand die weet dat bij een volgende ommegang Jericho moet vallen, wist Vissering dat grondwetsherziening en hervorming slechts een kwestie van tijd waren. De recensie is een model van de liberale retoriek van deze jaren en van de geschiedfilosofie waarop het liberale vertrouwen gebaseerd was.

Het was het (in het vorige hoofdstuk besproken) geloof in een natuurwet van vooruitgang en vervolmaking, en in een leiding van de geschiedenis door een immanent werkende voorzienigheid. Gestage ontwikkeling, deels naar universele, deels naar nationale beginselen, was in deze voorstelling de plicht van de nationale staten. Langdurige stremming was zinloos en leidde slechts tot revolutie, maar men moest evenmin vooruitlopen op de behoeften van ‘de natie’, waarmee gewoonlijk de verlichte burgerij bedoeld werd. Met een beroep op deze aan natuur en geschiedenis ontleende argumenten durfden de liberalen tegenover de conservatieve kritiek te verzekeren dat hun hervormingswensen niet voortkwamen uit ijle theorie of een ‘stelsel’ van ‘afgetrokken regels’. Niet anders dan conservatieven meenden de liberalen rond De Gids dat instellingen bij voorkeur moesten wortelen in nationale tradities of omstandigheden. Voor Bakhuizen, Thorbecke, Fortuijn, De Clercq en Vissering was hervorming aanpassing van de algemene historische tendens aan de

[p. 141]

nationale aard, situatie en traditie. Hun positie laat zich inderdaad vergelijken met die van de eerdere Franse doctrinairen.67 De Gids-liberalen waren van mening dat staatsinrichting en bestuur niet eenzijdig door hetzij historisch gegroeide toestanden, hetzij abstracte theorieën, hetzij de omstandigheden van het moment mochten worden gedicteerd. Wat hun voor ogen stond was een bestel dat berustte op erkenning van historisch voldongen feiten, inzicht in historische tendenties en een wijze samenvoeging van nationale tradities met een praktische benadering van eigentijdse problemen. Om te voorkomen dat zo'n gefundeerd pragmatisme tot opportunisme zou kunnen vervallen, hechtten zij aan stelselmatigheid in beleid en opzet: de politiek behoorde vanuit een algemeen beginsel kaders, instituties en voorzieningen te scheppen, die de maatschappij in staat stelden zoveel mogelijk haar eigen zaken te regelen.

Het is steeds een kenmerk van dit ‘doctrinaire’ liberalisme geweest dat het zich, ook als het een oppositionele beweging was, ‘gouvernementeel’ opstelde, bereid om de nationale verantwoordelijkheid op zich te nemen. In De Gids presenteerden auteurs zich als de stem van de bezadigde publieke opinie, die invloed wenste uit te oefenen ‘langs den weg der bewijsvoering’, niet door onbekookte retoriek.68 Nadrukkelijk onderscheidden zij hun eigen ‘wettige, eerlijke oppositie’, die slechts ‘uit gevoel van pligt’ op verbeteringen aandrong, van allerlei ‘kwaadwillige uitspattingen der drukpers’.69 Onder dreigende verwijzing naar de historische les van eerdere revoluties, de progressieve wil van de geschiedenis of het gevaar van radicalere bewegingen boden zij hun constitutionele hervormingswensen aan als enig ordelijk alternatief en zichzelf als betrouwbare middenpartij. Een regering die het land zo slecht bestuurde, zo luidde de telkens terugkerende boodschap, mocht zich geenszins beklagen dat de natie haar misnoegen nog slechts uitte ‘op schuldelooze wijze, door het lezen van vinnige oppositieblaadjes, door den roem der voorvaderen op te halen, en door te klagen en te morren over den slechten tijd’; maar zij deed er verstandig aan haar gezag niet te misbruiken tegen de ‘gerechtvaardigde eisen’ van ‘het beste deel der natie’, dat nu tot volwassenheid gekomen was.70 Zo bediende de Gids-retoriek zich in de jaren voor 1848 van een zorgvuldig gedoseerde dreiging en geruststelling.

In de decennia na 1848 zou doctrinair steeds meer synoniem worden met dogmatisch. In de jaren veertig was dat nog niet het geval. Het liberalisme was noch een ‘partij’, noch een stelsel. Het was een beweging voor discussie en opinievorming, vernieuwing van vormen en mentaliteitsverandering. Vrijer dan later mogelijk bleek, uitte De Clercq in De Gids zich bijvoorbeeld over de sociale vraag. Hij deed dat in een aantal opzienbarende bijdragen waarin hij als eerste een zakelijke behandeling gaf van de ideeën van de Franse socialisten, met name Louis Blanc. Tot dan toe had de belangstelling voor maatschappelijke problemen zich beperkt tot wat korte, technische besprekingen van brochures over armoedebestrijding en het voor en tegen van bedeling, werkinrichtingen en emigratie. In 1844 was een woord gewijd aan een brochure over de utopist Fourier.71

Daarnaast schreef Potgieter een aantal gedichten en novellistische schetsen

[p. 142]

met de uitdrukkelijke bedoeling om ‘de gebreken in onzen maatschappelijken en huiselijken toestand’ te gispen en het sociale mededogen te bevorderen.72 Hij was volstrekt geen radicale hervormer, die de hiërarchische maatschappijorde wilde aantasten, maar hij vond veel onrechtvaardigs in de stroeve, harde standensamenleving waarin ook hijzelf zo'n moeizame start had gekend, met haar egoïsme, vooroordeel, standspedanterie, gebrek aan werkgelegenheid en mobiliteit. Vooral het lot van kleine burgers, de ‘fatsoenlijke armen’ ging hem ter harte; met de volksklasse had hij niet meer op dan zijn standsgenoten, en zelf was hij uiterst standsbewust en deelde hij de ambivalentie van de opgeklommen burgerman jegens de gefortuneerden en grote namen. Met zijn didactische schetsen, vol van zedenkritiek en biedermeiersentiment, wilde hij vooral de christelijke zin versterken - opgevat als humaniteit - en de leden van de maatschappij wijzen op hun verantwoordelijkheden. Wat hem voor ogen stond was een maatschappij die mensen de gelegenheid gaf vooruit te komen en hen naar hun verdiensten huldigde. Met de andere recensenten deelde Potgieter de overtuiging dat het scheppen van voldoende werkgelegenheid de oplossing vormde van het armoedeprobleem. Daartoe was het nodig dat de nijverheid zo min mogelijk gehinderd werd door allerlei belastingen. Onder de titel ‘Eerlijke Armoe's Klachte en Kreet’ (1845) vertaalde hij twee maatschappijkritische gedichten van Thomas Hood. Zulke literatuur, verklaarde hij in een toelichting, deed meer goeds voor de werkende klasse ‘dan honderd romans, vol pracht en praal van fashionable life’.73

De Clercq was al een stap verder. In deze nog voorzichtig liberale kring ging hij al in 1846 en 1847 belangstelling vragen voor het sociaal-democratische ideaal, waarbij hij overigens zelf de liberale zienswijze niet verliet.74 Door zijn uitgebreide kennismaking met buitenlandse literatuur begreep hij namelijk dat de armoede in Nederland een andere oorzaak had dan in meer geïndustrialiseerde landen. In eigen land was het ‘pauperisme’ geen resultaat van een ongebonden laisser faire maar van economische stilstand, veroorzaakt door een gebrek aan ontplooiingsmogelijkheden voor handel en nijverheid. Dat nam niet weg, waarschuwde hij, dat in het algemeen een volledig liberalisme in een industriële samenleving leidde tot grote sociale ongelijkheid. Terwijl ook in De Gids alle auteurs armoede nog beschouwden als een probleem van zedelijkheid en filantropie, zag De Clercq dat zij een structureel bijproduct was van een economisch stelsel. Deze massale verpaupering was niet alleen gevaarlijk maar ook onmenselijk en afzichtelijk, in strijd met christelijke beginselen en met de historische tendens naar uitbreiding van beschaving en burgerlijke en politieke gelijkheid. Het economisme, voor Nederland nog een nuttige strategie, kon dus naar zijn mening geen algemeen dogma zijn. Hoewel De Clercq het communisme afwees en weinig realiteitszin vond in de utopische stelsels van Saint-Simon, Fourier en Owen leek het hem nuttig om onpartijdig studie te maken van de scherpzinnige maatschappijkritiek en de bruikbaarder voorstellen van een socialist als Blanc. ‘Wij vragen eerbied voor elke overtuiging, en gehoor, zoowel voor eene apologie onzer tegenwoordige maatschappij, als voor eene ontwikkeling der gebreken, die haar aankleven.’75

[p. 143]

De Clercqs stukken over het socialisme vormen het begin van een lange Gids-traditie van artikelen waarin gedistantieerd en objectiverend aandacht geschonken werd aan een controversieel onderwerp. Een kenmerk van deze traditie is dat zich moeilijk laat bepalen waar de auteur stond. In haar beste vorm duidde deze distantie op ware liberaliteit: de bespreker erkende het belang van een verschijnsel waarmee hij persoonlijk niet of maar ten dele kon sympathiseren. Maar zij kon ook duiden op een wat schrale behoedzaamheid om zich toch vooral niet te compromitteren. De Clercq stond hier zeker aan de goede kant. Het was gedurfd om onder eigen naam met begrip over het socialisme te schrijven. Typerend voor deze traditie is ook De Clercqs internationale oriëntatie: hij boog zich, zoals veel auteurs na hem, over een belangrijk probleem dat in Nederland nog helemaal geen actualiteit bezat. Wat was zijn motief? Zijn belangstelling voor het socialisme werd voor een deel ingegeven door het sociale mededogen dat hij van huis uit had meegekregen. Maar zij was toch vooral academisch. Voor De Clercq waren deze tijdschriftbijdragen niet anders dan discussiestukken of stellingen van hetzelfde soort als hij verdedigde in de besloten kring van de Vrijdagsche debatvereniging, alleen nu voor een ruimer publiek.76 De liberale cultuur was er een van vrij, maar ook vrijblijvend debat. De ambitieuze De Clercq, werkloos advocaat op zoek naar een passend ambt, doorzag scherp hoe het maatschappelijke standenstelsel functioneerde; hij verzette zich er niet tegen. Bij al zijn ‘democratische Bestrebungen’ deed hij geen afstand van zijn ‘aristocratische sympathiën’ en zorgde hij ervoor lid te blijven van alle gezelschappen die hem vooruit zouden kunnen helpen.77

Dat De Gids het liberalisme voorlopig meer beschouwde als een mentaliteit dan als een stelsel, bleek ook uit de nadruk waarmee Vissering nog in 1847 bleef waarschuwen tegen een verabsolutering van de constitutionele hervorming. Men verbeterde geen natie met stelsels alleen, betoogde hij in een bespreking van allerlei politieke brochures. De gewenste grondwetsherziening was een middel, maar niet meer dan dat. ‘Men leere inzien, dat niet slechts, niet vooral, hervorming der staatsregeling dienstig is, dat hervorming van het wezen des volks, opwekking der daar verborgene krachten, koestering der daar sluimerende kiemen het meest noodig is en de rijkste vruchten belooft’.78

1Over dit ‘oud-liberalisme’, zie: Roessingh, Moderne theologie, 6-14.
2Over het vroege liberalisme in Nederland, zie: het waardevolle materiaal in de onuitgegeven doctoraalscriptie van Bieringa, Traditie en vernieuwing; Boschloo, Productiemaatschappij, 159-182; Van der Hoeven, Hogendorp, 75-92; Hooykaas, ‘Politieke ontwikkeling’, 306-314; Van Sas, ‘Politiek klimaat’; Stuurman, Wacht op onze daden, hfdst. III.
3Boschloo, Productiemaatschappij, 162.
4Voorbeelden van deze ambivalentie in: De Bosch Kemper, Geschiedenis na 1830, II LA 13-16, 199.
5Over deze bladen, zie: Bieringa, Traditie en vernieuwing; Van Sas, ‘Politiek klimaat’; Hooykaas, ‘Politisering’; Beekelaar, ‘Arnhemsche Courant’; Stuurman, Wacht op onze daden, 112-123.
6Stuurman, Wacht op onze daden, 111-112.
7Bieringa, Traditie en vernieuwing; Stuurman, Wacht op onze daden, 118.
8Voor een contemporaine ordening van oppositionele groepen, zie: De Valk, ‘Politiek tableau’. Ik volg deze indeling maar ten dele. Over Donker Curtius, zie: Stuurman, Wacht op onze daden, 130-134.
9De meest uitgebreide behandeling vindt men in: Robijns, Radicalen.
10Voor typeringen van deze groep, zie: Boogman, Rondom 1848, 26-30; Kossmann, Lage Landen, 128-129; en de contemporaine memories van Handelsblad-redacteur J.W. van der Biesen: De Valk, ‘Politiek tableau’.
11Ackersdijck rec. Bijdragen tot de Staatshuishoudkunde en Statistiek, ed. G. Wttewaal I (1836) nr. 1-2, 1837, B. 217-227, vooral 221; Candore et ardore [=Van Hasselt] rec. Verdediging der regten van Nederland tegen de aanmatigingen van Groot-Brittanniën, met betrekking tot het tractaat op den 17den maart 1824 gesloten (Amsterdam 1836), 1837, B. 39-41, aldaar 41.
12C. [=Fortuijn] rec. Th. M. Roest van Limburg, Liberalismus (Leiden 1837), 1838, B. 303-313, vooral 308-309.
13N. [=Fortuijn] rec. [W.T. Gevers Deynoot], Iets over de vroegere Staatsregelingen en de tegenwoordige Grondwet van Nederland (Dordrecht 1839), B. 451-542. Het betrof eigenlijk maar een kort signalement in de boekaankondigingsrubriek Album.
14....E [=D.A. Portielje?] rec. Grondbeginselen der staathuishoudkunde, uit lessen van Prof. N.W. Senior, te Oxford, opgesteld door den Graaf Arrivabene, vertaald en geannoteerd door H.W.Tydeman (Leiden 1839), 1839, B. 418-424, 463-473.
15Over de ‘geweldige beweging’ die Orde in Nederland losmaakte, zie: De Bosch Kemper, Nederland na 1830, III 37-41; ook Stuurman, Wacht op onze daden, 130-131.
16Over de reacties en waardering, zie: De Bosch Kemper, Nederland na 1830, III 43-49 en LA 40.
17N. [=Fortuijn] rec. J.R. Thorbecke, Aanteekening op de Grondwet (Leiden 1839), 1840, B. 72-79, aldaar 76-77, 79.
18Redactie aan J.F.S., 10-6-1844, AG A kopieboek 1843-1856. Het ging om een inzending ‘Wat beteekent bij ons het woord regeering?’.
19[Van Hasselt] rec. [ J. de Bosch Kemper], De staatkundige partijen in Noord-Nederland, geschetst in een historisch overzigt van deszelfs binnenlandsche staatsgesteldheid van het einde der grafelijke regering tot op het jaar 1813 (Amsterdam 1837), 1840, B. 449-457 en 516-525, vooral 451. De Bosch Kemper had deze schets inderdaad bedoeld als waarschuwing tegen herlevende partijzucht, maar had daarbij in 1837 vooral Bilderdijks vervorming van de vaderlandse geschiedenis op het oog gehad. Zie: De Bosch Kemper, Nederland na 1830, III LA 21-23.
20C. Star Numan rec. J.M. Kemper, Verhandelingen, redevoeringen en staatkundige geschriften, ed. J. de Bosch Kemper (Amsterdam 1835), 1840, B. 177-197 en 277-292, vooral 180.
21Over Fortuijn: Dyserinck, ‘Verleden van de Gids’.
22De Bosch Kemper, Nederland na 1830, III LA 38 en IV LA 25; Stuurman, Wacht op onze daden, 138-144.
23[Fortuijn] rec. D. Donker Curtius, Proeve eener nieuwe grondwet (Arnhem 1840), 1840, B. 370-371.
24Donker Curtius' Proeve, door Fortuijn met instemming besproken, was een antwoord op Thorbeckes Proeve van herziening der Grondwet, volgens de aanteekening van Mr. J.R. Thorbecke uit januari 1840, waarin Thorbecke het stelsel van directe verkiezingen nog afwees. Thorbeckes Proeve bleef onbesproken. Voor een vergelijking van standpunten, zie: Stuurman, Wacht op onze daden, 132.
25Fortuijns opvatting over de ondergeschiktheid van de vorst aan de grondwet, in: A. [=Fortuijn] rec. J.G. de Fremery, Disquisitio inauguralis de vi juris publici patrii antiqui et intermedii in legem de imperio anni 1815 (Groningen 1840), 1840, B. 547-559. aldaar 547, 557.
26Geel aan Thorbecke, 9-6-1841 en Thorbecke aan Geel, 10-6-1841, in: Hooykaas ed.. Briefwisseling Thorbecke, III (71). N.a.v. [Fortuijn] rec. De Jonge, Redevoering en Thorbecke, Oratio, 1841, B. 291.
27Thorbecke aan C.J. van Assen, 3-1-1837 en 15-10-1838, in: Hooykaas ed., Briefwisseling Thorbecke, III (28) en (258).
28Over Thorbeckes relatie met De Gids, zie: Verkade, ‘Thorbecke, Potgieter en De Gids’.
29De Bosch Kemper, Nederland na 1830, IV hfdst. 9; Boogman, Rondom 1848, 40-48.
30P. [=waarschijnlijk D.A. Portielje] rec. B. Albarda, Het heil van den staat de hoogste wet. Bijdragen tot eene verbeterde staatshuishouding in Nederland (Leeuwarden 1843) en [A. Heemskerk], Het crediet alleen kan den staat behouden, of onderzoek naar de middelen ter verbetering der financiën (Amsterdam 1843), 1843, B. 654-655; Dixi rec. P.W. Alstorphius Grevelink; Korte bedenkingen op het werk van den Heer G. Luttenberg. Proeve van onderzoek omtrent het armwezen in ons vaderland (Assen 1842), 1843, B. 55-57; Ackersdijck rec. Tijdschrift voor Staatshuishoudkunde en Statistiek, ed. B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis, I (1841,1842), 1843. B. 149-150.
31Thorbecke rec. J.H. graaf van Rechteren, Beschouwingen over eene vereenvoudigde huishouding van staat (Zwolle 1843), 1843, B. 326-333. Over de positie van dit stuk in het debat, zie: De Bosch Kemper, Nederland na 1830, IV 153-155, 291.
32Thorbecke rec. Van Rechteren, Beschouwingen, 1843, B. 330-333.
33W.D-s [=Potgieter], ‘Maart MDCCCXLIV’, 1844, M. 274-278. Over de reacties op de maatregel, zie: De Bosch Kemper, Nederland na 1830, IV 281-291.
34P. [=waarschijnlijk D.A. Portielje] rec. J.H. graaf van Rechteren, De staatkundige strekking van de verwerping der wet tot regeling van 's rijks openbare schuld (Den Haag 1843) en A. Vogelsang, Eerlijkheid het heil van Nederland, eene wederlegging der bijdragen van mr. B. Albarda [...] tot eene verbeterde staatshuishouding in Nederland (Dordrecht 1843), 1844, B. 180-183.
35H.B. [=P.T.L. Helvetius van den Bergh], ‘De vaderlandslievende edelmogende’, 1844, M. 492-494; S.J. van den Bergh, ‘De vrijheid’ (naar W.C. Bryant), 1844, M. 651-654.

36Schneider en Hemels, Nederlandse krant, 155; Van Tijn, ‘Tien jaren liberale oppositie’, 192; Stuurman, Wacht op onze daden, 138-141; Boogman, Rondom 1848, 43-45.
37X. [=jhr. W.E.J. Berg van Dussen Muilkerk] rec. D.A. Portielje, De handel in Nederland in 1844 (Amsterdam 1844), 1845, B. 105-112, vooral 107-108.
38[G. de Clercq], ‘Het voorstel ter grondwetsherziening’, 1845, M. 61-96.
39Over Gerrit de Clercq: Heemskerk, ‘Levensberigt De Clercq’ en vooral het uitstekende biografische portret van Quack, ‘De Clercq’; verder Meertens, ‘Jeugd van De Clercq’. Een recente, niet overal betrouwbare hoeveelheid gegevens vindt men in: Verkroost, De Genestet, De Clercq. Boeiend zijn de (helaas gemutileerde) Dagboekfragmenten 1839-1857 van De Clercq, bewaard in UBA, Réveil-archief F.f.1.
40Geciteerd in: Meertens, ‘Jeugd van De Clercq’, 29.
41Quack, ‘De Clercq’, 449.
42Klikspaan, Studenten-typen, ed. Stapert-Eggen, 574-575.
43Von Santen, ‘Amstelsociëteit’, 144 (nt. 23).
44Dagboek De Clercq 16-20 maart 1844, UBA, Réveil archief F.f.1.
45Ibidem, februari-maart 1844 en januari 1845.
46Ibidem, maart 1845; De Clercq aan Potgieter, ongedateerd, UBA, Hss Ah 15 f.
47Thorbecke aan Van Hasselt, 12-10-1844, in: Hooykaas ed., Briefwisseling Thorbecke, IV (427).
48G. [=De Clercq] rec. Klikspaan, Studentenleven (Leiden 1844), 1844, B. 717-741.
49Dagboek De Clercq, maart 1845; Potgieter aan Bakhuizen, 8-6-1845, in: Muller ed., Nalezing briefwisseling Bakhuizen (3).
50[De Clercq], ‘Voorstel’, 1845, M. 94-95.
51[De Clercq], ‘Voorstel’, 96.
52W.D-s [=E. J. Potgieter], ‘De stilstaanders’, 1845, M. 218-220; [De Clercq] rec. [H. Box], Staatkundige brieven aan een Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nrs. 3-5 (Den Haag 1844-1845) en [P.L.F. Blussé], Nu of nooit; een ernstig woord aan alle gezeten burgers van Nederland (Dordrecht 1845) en Een woord aan den Koning (Amsterdam 1845), 1845, B. 392-400; [De Clercq] rec. [H. Box], Staatkundige brieven. Aan de negen Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, die het voorstel tot herziening der Grondwet deden, nr. 6 (Den Haag 1845), 1845, B. 639-643; [De Clercq] rec. De Staatkundige Tooverlantaarn, of Utopisch Politische Snelwagen, I (Kampen 1845), 1845, B. 897-898. Het auteurschap van De Clercq blijkt uit: De Clercq aan Potgieter, 18-3-1845, 10-4-1845, 28-7-1845, UBA, Hss Ah 15 i, j en Ah 16 c.
53[Potgieter] rec. A.W. Engelen, Staatshervormen. Dichterlijk vertoog. Horatius nagebootst (Groningen 1845), 1845, B. 793-810, 875-893.
54Dagboek De Clercq, maart 1845; UBA, Réveil archief F.f.1. Vgl. [De Clercq] rec. [Box], Staatkundige brieven, [Blussé], Nu of nooit, en Een woord aan den Koning, 1845, B. 398-399.
55[De Clercq] rec. [Box], Staatkundige brieven, nr. 6, 1845, B. 641.
56[De Clercq] rec. [Box], Staatkundige brieven, nr. 6, 1845, B. 642-643.
57Over deze plannen: P.J. Veth aan S. Vissering, 21-7-1845 en G. aan Vissering, Den Haag 13-8-1845, ARA, archief Vissering nr. 10. De jonge jurist Vissering, die in Amsterdam gold als een overtuigde liberaal, was redacteur van het Algemeen Handelsblad, maar werd in juli 1845 gepasseerd voor het hoofdredacteurschap.
58Over de gestrande poging tot oprichting van het blad De Atlas, waarvan De Clercq de redactie zou voeren, zie: Von Santen, ‘Amstelsociëteit’, 123.
59Over de Amstelsociëteit, zie: Von Santen, ‘Amstelsociëteit’, vooral 115-120 (oprichting).
60Dagboek De Clercq, februari 1844, UBA, Réveil archief F.f.1. Over de Vrijdagsche Vereeniging: A. Kruizenga, De Vrijdagsche Vereeniging. Debating society te Amsterdam in de negentiende eeuw. Ongepubliceerde doctoraalscriptie Rijksuniversiteit Groningen 1996. Over de functie van de debatverenigingen in het algemeen, zie: De Haan en Te Velde, ‘Vormen van politiek’, 171-173.
61Potgieter aan De Clercq, april 1845, UBA, Hss Ah 36 g.
62Redactie aan D. Veegens, 18-11-1845, AG A kopieboek 1843-1856; De Clercq aan Potgieter, 18-5-1845, [10 of 20]-7-1845, 5-11-1845, UBA, Hss Ah 15 m, 16 b en 16 l. Veegens leverde bijdragen op historisch gebied.
63Thorbecke aan Geel, begin 1837, gecit. in: Van den Berg en Hooykaas, ‘Leidsche Wetenschappelijke Berigten’, 83.
64Thorbecke aan Van Hasselt, 16-6-1845, in: Hooykaas ed., Briefwisseling Thorbecke, IV (521); Van Hasselt aan Gids-redactie, 18-7-1845, UBA, Hss An 39 c; De Clercq aan P.N. van Kampen, 3 of 4-8-1845 (verzoek om de originele brief te kopiëren en in deze vorm naar Thorbecke te sturen), UBA, Hss Ah 14; Redactie aan Thorbecke, 8-8-1845, AG A kopieboek 1843-1856. De Clercq ontwierp dit antwoord in overleg met Potgieter: De Clercq aan Potgieter, 28-7-1845 en [juli 1845], UBA, Hss Ah 16 c, d.

65De status van Vissering is niet helemaal duidelijk. Al begin 1845 gold hij als een man van De Gids (A. Elink Sterk aan Vissering, begin 1845, ARA, archief Vissering nr. 10). Van Hasselt introduceerde hem in januari in deze kring. Op 2 december 1845 aanvaardde hij dankbaar een uitnodiging van de redactie om vast medewerker te worden (S.V. aan Gids-redactie, 2-12-1845, UBA, Hss Am 113). De correspondentie van De Clercq met Potgieter wekt de indruk dat Vissering al in 1846 als redacteur functioneerde; in oktober 1846 was hij in elk geval al meebeoordelend redacteur, getuige De Clercq aan Potgieter, 1-10-[1846], UBA, Hss Ak 43. Officieel geldt hij pas vanaf 1847 als redacteur.
66Vissering rec. [J. de Bosch Kemper], Beginselen van Nederlandsch staatsbestuur (Amsterdam 1845) en G.W. Vreede, De regering en de natie sedert 1672 tot 1795 (Ontwikkeling van staatsregtelijke theorieën) (Amsterdam 1845), 1846, B. 142-173.
67Kossmann (Lage Landen, 132-133) presenteert De Gids en Thorbecke als de representanten van het doctrinaire liberalisme in Nederland.
68[De Clercq] rec. De Staatkundige Tooverlantaarn, 1845, B. 898.
69Ackersdijck rec. G.W. Vreede, Beschouwingen van de openbare meening (Amsterdam 1846), 1846, B. 903-904 (Album), aldaar 903.
70Vissering rec. [De Bosch Kemper], Beginselen en Vreede, Regering, 1846, B. 171-173.
71Ackersdijck rec. Beknopt overzicht van het leerstelsel van Charles Fourrier (Rotterdam 1841), 1844, B. 609-610 (Album).
72W.D-s, [=E.J. Potgieter], ‘De ezelinnen. (Eene schets uit mijn venster)’, 1842, M. 491-499, aldaar 499. Verder: [Potgieter], ‘Als een visch op het drooge. Aert, Sicco, Ernst’, 1841, M. 413-445; [Idem], ‘'t Is maar een pennelikker!’, 1842, M. 561-585 en 621-654; W.D-s, ‘Hanna. (Een studiebeeld uit het volksleven)’, 1843, M. 40-52; [Potgieter], ‘Leuchtstein’, 1843, M. 262-275; W.D-s, ‘De Zusters’, 1844, M. 298-336, 350-375, 509-533 en 610-650; Idem, ‘Blaauw bes, blaauw bes! Een studiebeeld uit ons volksleven’, 1845, M. 361-376. Over het maatschappelijk engagement in Potgieters schetsen, zie: Smit, Potgieter, hfdst 7; en De Vooys, ‘Potgieter en het liberalisme’.
73Potgieter, ‘Eerlijke Armoe's Klagte en Kreet’ (‘Het lied van het hemd’ en ‘Des Daglooners Eisch’), naar Thomas Hood, 1845, M. 173-180.
74De Clercq, ‘Louis Blanc’, 1846, M. 1-33, 48-78, 131-162; Idem, ‘Arnold Ruge over de Fransche socialisten’, 1847, M. 313-346; [De Clercq?] rec. M. Cabet, Communistische geloofsbelijdenis. Naar het Fransch, met de belijdenis des vertalers (z.p. 1846), 1846, B. 620-625 (Album). Al sinds 1844 verdiepte De Clercq zich in het socialisme. Einde 1846 overwoog hij nog artikelen over arbeidsorganisatie en over Proudhons Les juifs, rois de l'époque. Dagboek De Clercq, november 1846, UBA, Réveil archief F.f.1.
75De Clercq, ‘Blanc’, 1846, B. 5. Ook: Idem, ‘Ruge’, 1847, M. 314-315.
76De Clercqs verdediging van het socialisme in de Vrijdagsche Vereeniging, 1 oktober 1847: Quack, ‘De Clercq’, 471-472.
77Dagboek De Clercq, 23 en 29-11-1846, UBA, Réveil archief F.f.1.
78[Vissering] rec. Onschendbaarheid des Konings (Den Haag 1847), J.H.G. Boissevain, Proeve van onderzoek naar den aard der Koninklijke onschendbaarheid (Utrecht 1847), Alethophilus, Een woord van herinnering, bemoediging en raad bij den aanvang van het jaar 1847 (Amsterdam 1847), H.C.A. Thieme, Grondwetsherziening. Vereenigingen van voorstanders van maatschappelijken en constitutionnelen vooruitgang (Utrecht 1847), F.W. von Mauvillon, Wat heeft Nederland noodig? of het voorstel tot herziening der grondwet van de heeren Thorbecke, Luzac enz. getoetst aan den geest des tijds (Amsterdam 1846) en Idem, De oppositie en hare organen in Nederland (Gouda 1847), 1847, B. 774-785, aldaar 785.
prepostterug  begin  verder