De schrijver heeft mij verzocht met een kort voorwoord zijn boek over den Gijsbreght van Aemstel en de vertooning van dit merkwaardige treurspel in te leiden. Gaarne heb ik aan dat verzoek voldaan, omdat het onderzoek en de stof daarvan altijd mijn bijzondere belangstelling heeft gehad.
De Gijsbreght van Aemstel heeft van den aanvang af zijn bijzondere beteekenis gehad voor Vondel, voor Amsterdam en voor Nederland. Voor Vondel, omdat eigenlijk eerst met dit treurspel zijn poëtische werkzaamheid als dramatisch dichter inzet. Voor Amsterdam, omdat het het klassieke treurspel van de Amstelstad is geworden. Voor Nederland, omdat de Gijsbreght het best gekende en meest geziene tooneelstuk der vaderlandsche letterkunde is geworden. Daarom is het waardevol te herdenken, hoe deze tragedie voor drie eeuwen haar première had, die bovendien diende tot opening van den nieuwen schouwburg aan de Keizersgracht.
Wij weten, dat de bouw van den nieuwen schouwburg, die den ouden van 1617 zou vervangen, Vondel's zeer bijzondere belangstelling had. Dat blijkt reeds uit de kleine versjes, die hij voor den schouwburg dichtte en die zeer bekend zijn gebleven. Maar dat blijkt vooral uit den Gijsbreght, het stuk, waarmede de nieuwe kunsttempel zou worden geopend. Maar er blijkt ook nog iets anders uit: de opdracht van de regenten van den schouwburg aan Vondel bewijst ten duidelijkste, dat deze reeds toen werd beschouwd als de grootste treurspeldichter van dien tijd. En dat is wel zeer opmerkelijk, aangezien de dichter in 1637 nog betrekkelijk weinig voor het tooneel had geschreven en men dus wel uit ande-
ren hoofde groot vertrouwen moest hebben op zijn dichterlijke gaven. Hoe Vondel daarin is geslaagd, bewijst het succes van het treurspel en de traditie, die zich eraan heeft gehecht.
De Gijsbreght is blijkens den inhoud bestemd geweest om op Kerstavond te worden gespeeld; het stuk speelt zich af in den Kerstnacht ‘schooner dan de daghen’. Maar er kwam verzet van den kerkeraad, die zich tot burgemeesteren wendde, omdat het stuk ergernis dreigde te geven. Burgemeesteren gaven in zooverre toe, dat de opvoering werd uitgesteld en dat het stuk eerst den 3en Januari 1638 werd vertoond. Daarmede was de traditie gevestigd, die in Amsterdam sedert drie eeuwen trouw door alle opvolgende schouwburgbesturen is in eere gehouden. Dat kon ook hierom, omdat het stuk niemand aanstoot gaf op den duur: het was noch katholiek, noch protestantsch, maar als de koningsstukken van Shakespeare, eenvoudig historisch en wel Amsterdamsch-historisch.
Inderdaad, Vondel heeft ‘d'ondergangh van zijn stadt en zijn ballingschap’ in den persoon van Gijsbreght van Aemstel ten tooneele gebracht. Het is van belang na te gaan, hoe hij dat heeft gedaan. Wij zullen hier niet spreken van Vondel's bronnen, die hem de feitelijke gegevens aan de hand hebben gedaan. Maar hoe stelt Vondel zich het Amsterdam van 1304 voor? Natuurlijk wist niemand, ook in die dagen, hoe de stad er toen had uitgezien. De dichter moest dus een stad fantaseeren, maar zoo, dat zijn Amsterdamsch publiek deze stad als de hare herkende en erkende. Hij bereikte zijn doel volkomen door het drama te laten spelen in het Amsterdam, dat de befaamde kaart van Cornelis Antonisz van 1536 en 1544 ons te zien geeft; dat was wel de oude stad, maar niet zoo oud, of de tijdgenoot van Vondel vond er zich geheel in thuis. Op deze kaart laat hij het drama dus spelen. En stelt men zich dat helder voor oogen, dan wordt het verloop van de tragedie, ook topographisch, ons volkomen duidelijk. Dan kan men het geheele stuk door de gangen van den heer van Aemstel nagaan, van de Haarlemmerpoort tot het kasteel bij den Schreierstoren.
Niet alleen daarom is het stuk zoo door en door Amsterdamsch en ons daarom zoo dierbaar. De geheele tragedie is geschreven uit de volle liefde van den grooten dichter voor Amsterdam, zijn prachtige stad.
Zeker: de stad wordt verwoest, maar, zegt de aartsengel:
Er zullen oorlogen komen en omwentelingen, maar:
En ziehier uit het verhaal van Arent, hoe Vondel zijn Amsterdam zag, als
Zoo zag Vondel vol diepe liefde zijn grootsche en prachtige stad. Zoo liet hij zijn medeburgers hun Amsterdam zien. Zoo hebben duizenden Amsterdammers na Vondel hun stad aanschouwd bij de jaarlijksche opvoering van Gijsbreght van Aemstel.
Maar hoe werd de tragedie in die drie eeuwen aan de Amsterdammers vertoond? Op die vraag geeft het boek van Ben Albach een soliede en afdoend antwoord.
H. BRUGMANS.