|
|
|
| |
| | | | | |
Rolverdeeling.
Reeds vóór den 16en October 1637 was
‘Gijsbreght van Aemstel’ gereed. Op dien dag schreef Vondel
namelijk zijn opdracht aan
Hugo de Groot te Parijs,
welke brief steeds in de uitgaven van het stuk zou worden afgedrukt.
Het is niet meer na te gaan, wanneer met de instudeering een begin
kan zijn gemaakt.
Van de rolverdeeling der eerste opvoering is slechts zeer weinig
met zekerheid bekend. De medespelenden waren eigenlijk nog rederijkers, al
werden zij sinds de oprichting der ‘Academie’ voor hun medewerking betaald. Maar het
beroep van tooneelspeler vormde zich pas in den loop der 17e eeuw. Vooreerst
verrichtten de acteurs nog andere werkzaamheden naast hun tooneelspel. De een
was barbier, boekhandelaar en makelaar; een ander poortwachter en
steenhandelaar; weer een ander uitgever, bierleverancier en boekbinder; een
vierde kunsthandelaar en.... tamboer. Dikwijls stond hun neven-beroep in
verband met den schouwburg. Er waren tooneelspelers, die ook stukken schreven
en vertaalden; anderen maakten en verstelden de costuums; weer anderen waren
décorschilder, souffleur of pruikenmaker. Zooals reeds in de
middeleeuwen en in den Rederijkerstijd het geval was geweest, ontstond de
tooneelkunst uit de samenwerking van allen.
Het zullen ongetwijfeld ruwe kerels zijn geweest, die Vondel's
drama ten doop hielden. Zij traden niet zelden dronken op en maakten ook wel
eens scabreuze grappen.
| | | | Het 17e-eeuwsche tooneelleven was ruw, maar gezond en
vitaal. Uit de schaarsche bijzonderheden, die ons ervan bekend zijn, spreekt
eenzelfde geest als uit de schilderijen vanJan
Steen,
Van Ostade en
Adriaan Brouwer, en uit Breeroo's
kluchten!
Slechts van één rol is de bezetting met zekerheid
bekend: voor bisschop Gozewijn speelde
Willem Bartolsz. de Ruyter. In
Tengnagel's ‘D'Onbekende Voerman van 't Schouburgh’
(1652) wordt een anecdote van hem verteld: tijdens de repetitie haalde hij een
ongepast grapje uit, door zijn tekst te veranderen. In plaats van Vondel's
woorden: ‘Zet mij den mijter op, hij zal niet qualijck passen Op mijn
gezalfde kruin’, zeide hij (aldus Tengnagel):
‘Zet mij nu de...... pot op:
Want hij zal niet qualijck voegen,
Volgd' hij, op 't gezalfde hooft;
Dat dit Vondel kon genoegen,
Die het hoorde, is nooit gelooft’......
Blijkbaar woonde de auteur dus de repetitie bij.
De Ruyter was toen ruim 50 jaar oud; hij
is aan verschillende reizende troepen verbonden geweest.
Volgens de rekeningen (Zie Bijlage I) moet ook
Jan in de Harp een belangrijke rol
hebben vervuld, want hij werd met een even groot bedrag als de beroemde
Van Germez voor zijn spelen
betaald. Er bestaan echter te weinig nadere gegevens over dezen acteur, om te
kunnen veronderstellen, dat hij b.v. als Gijsbreght is opgetreden.
De acteur
Jan Pietersz. Meerhuysen, die
waarschijnlijk voor Egmond speelde, was een echt 17e-eeuwsch type, zooals
Breeroo ze in zijn blijspelen laat zien.
In het dagelijksche leven was hij kunsthandelaar en.... trommelslager, vandaar
zijn populaire bijnaam: Jan Tamboer. Meerhuysen speelde in den regel komische
rollen, zooals bv. Robbeknol in den ‘Spaanschen
Brabander’. Herhaaldelijk is hij dronken opgetreden; heftige
| | | | ruzies met de Regenten waren daarvan het gevolg. Het eenige
portret, dat van een 17e-eeuwsch acteur bestaat, is het zijne: een jolige kop,
die aan figuren van
Frans Hals doet denken
1.
Sinds de stichting van den schouwburg trad Meerhuysen in de meeste
stukken op; ook in den Gijsbreght speelde hij regelmatig mede.
Adam Carelsz. van Germez wordt in
1658 als de Bode vermeld. Zeer waarschijnlijk heeft hij deze rol ook
reeds bij de première gespeeld. In de Academie was Van Germez immers al
de meest geziene acteur en tot aan zijn dood, in 1667, is hij de hoogst
betaalde tooneelspeler gebleven. Tijdgenooten noemen hem den grootsten
voordrachtkunstenaar van de 17e eeuw. De officieele lijkrede op
P.C. Hooft werd door hem uitgesproken, en,
naar het heet, is de latere hoogleeraar in de welsprekendheid,
Prof. Francius, zijn leerling geweest. Nog
aan het einde der 18e eeuw werd met waardeering over hem gesproken. Merkwaardig
is het intusschen, dat deze beroemde tooneelspeler niet als Gijsbreght, maar
als de Bode optrad. Misschien heeft Vondel hem er voor aangewezen, omdat goede
declamatie juist in deze rol een eerste vereischte was.
De titelrol, Gijsbreght van Aemstel zelf, kan door
Thomas de Keyser zijn vervuld. De
Keyser was met Van Germez de best betaalde acteur van den schouwburg. Hij
speelde meestal de groote heldenrollen. Volgens Tengnagel was De Keyser een
zeer goed acteur, ‘die de werelt soo verbeelde, stem noch uytspraeks
weerga had, zelfs ook met zijn wezen speelde, als hij maar 't tooneel
betrad’. Al in 1619 had
Coster een lofdichtje op hem
geschreven.
Wie als Badeloch optrad, is evenmin bekend. In ieder geval
moet het een man zijn geweest, want pas in 1648 wordt voor het eerst van
vrouwelijke artisten melding gemaakt
2. GeIijk in
Shakespeare's schouwburg te Londenwerden alle vrouwenrollen
| | | | in het begin der 17e eeuw ook hier door mannen vervuld. In 1638
was de belangrijkste acteur in dit genre
Pieter de Bray, die steeds de
partner van De Keyser is geweest en naast zijn Gijsbreght- de Badeloch-rol kan
hebben gespeeld.
Het is niet bekend, hoe de 17e-eeuwsche acteurs hebben
voorgedragen en gespeeld. De aanwijzingen voor standen en mimiek, welke
Carel van Mander (1548-1606)
1, met het oog op de schilderkunst in zijn
‘Schilderboeck’ geeft, kunnen misschien door de
beste van hen op de tooneelspeelkunst zijn toegepast. Anderzijds spreekt Van
Mander er van, dat de schilder het voorbeeld der
‘Histrionokaekunst’ moet navolgen. De leer der contrasten, welke in
de 18e eeuw, en aan het begin der 19e eeuw, den grondslag vormde voor de
theorie der tooneelspeelkunst, heeft misschien reeds in de 17e eeuw aanhangers
onder de acteurs gevonden.
| |
Tegenwerking.
De première van ‘Gijsbreght van Aemstel’ was
bepaald op 26 December 1637, hoewel de inrichting van den schouwburg nog niet
gereed was
2.
Maar - tenslotte vond de eerste voorstelling pas plaats op 3
Januari 1638. De Gereformeerde predikanten hadden namelijk het gerucht
vernomen, dat de Schouwburg zou worden geopend met een stuk, waarin een
‘verthooninge vande superstitien vande paperije als misse en andere
ceremonien’ heette voor te komen. Wellicht was de scène in het
Klarissenklooster, door niet-Katholieken voor een misvertooning gehouden. Het
lied van Simeon, dat in de R.K. liturgie voorkomt, (vg. bl. 20), kan tot deze
vergissing aanleiding hebben gegeven. De predikanten zonden kort voor Kerstmis
enkele afgevaardigden naar den President der Regenten | | | | van het
Weeshuis, en naar Burgemeester
Schaap, met het verzoek, de opvoering te
verbieden. Veel succes hadden zij niet; de heeren Burgemeesters waren van
meening, dat ‘de Kerke noch de politie niet gepiekeert of getraduceert
souden worden meijnende dat het gene soude mogen passeren meer souden strecken
tot bespottinge van het pausdom als tot onteeringe van de Christelijcke
religie’. Intusschen werd de première toch uitgesteld. Ook
Vondel's vrienden zaten echter niet stil, en drongen bij de Burgemeesters op de
vertooning van den ‘Gijsbreght’ aan. Toen de predikanten dat
hoorden, togen er weer twee afgevaardigden naar de Burgemeesters. Maar
intusschen was het stuk al opgevoerd; ‘hoewel, so geseyt wordt de
aenstootelijckste saken daeruit geroyeert te sijn’
1. Blijkbaar waren er, om de
predikanten tevreden te stellen, alleen maar enkele passages uit geschrapt.
Want Burgemeester
de Graeff, die het stuk met aandacht had
gelezen, vond in den ‘Gijsbreght’ niets, waaraan men zich met reden
zou kunnen ergeren. Dat er katholieke onderwerpen in werden aangeroerd, scheen
hem van weinig gewicht, want de personen moesten in overeenstemming zijn met
hun tijd, en niet met dien der hervorming. Aldus schreef
Vossius aan
Hugo de Groot, den 6en Januari 1638, en
verder: ‘Eergisteren (het was de 3de!) is dit drama het eerst vertoond,
en met zooveel te meer toejuiching, naarmate de verwachting van het publiek te
langer in spanning gehouden is’
2. Zooals gewoonlijk in
dergelijke gevallen, was het rumoer om de première een goede reclame
voor het stuk geweest.
Na de première zetten de predikanten hun actie nog voort,
doch voor het loopende tooneelseizoen was er niets meer aan te doen.
‘Gijsbreght van Aemstel’ werd gespeeld met een overweldigend
succes!
3
| | | | Het was niet de eenige tegenwerking, die de dichter
bij zijn werk voor het tooneel heeft ondervonden. Vooral hinderden de Akensche
predikanten
Badius en
Engelbrecht hem met hun intriges. Op den
schouwburgregent Engelbrecht slaat vermoedelijk het bekende hekelversje:
‘Wie wroet des Amstels Schouwburg om?
Een Akervarken, bot en dom’...
Zijn invloed bleek zelfs zoo groot te zijn, dat Vondel's
medewerking aan den Schouwburg door de Regenten later niet meer op prijs werd
gesteld.
| |
De inrichting van het tooneel.
Alvorens te spreken over de wijze, waarop ‘Gijsbreght van
Aemstel’ voor de eerste maal kan zijn vertoond, dienen enkele woorden aan
de inrichting van het tooneeI te worden gewijd.
Gelijk Savry's prent van 1658 laat zien (afbeelding 1), was het
tooneel in den eersten Amsterdamschen Schouwburg een vaste bouw, die
groote overeenkomst vertoont met de inrichting der rederijkerstooneelen. Het is
mogelijk, dat ltaliaansche voorbeelden | | | | zijn nagevolgd; vooral de
perspectivische inkijken achter de portalen doen aan het Italiaansche
Renaissance-décor denken.
Op den achtergrond in het midden bevond zich de troon:
daarboven was een balcon, dat den hemel voorstelde. De tooneelspelers
kwamen op door de linker- en rechter-prosceniumdeuren, en uit de portalen. Ook
de galerijen boven deze portalen waren bespeelbaar.
De beelden naast den troon waren geschilderd door den Hagenaar
Moses van Uyttenbroeck, hofschilder van
Frederik Hendrik. De
‘perspectieven aan de schermen’ links en rechts op den achtergrond
zijn uitgevoerd door
Pieter Jansz. Post, die juist in 1637
hofarchitect van den Stadhouder was geworden, en
Aelbert de Valck, een Haarlemsch
schilder.
De beelden waren grootendeels het werk van den beeldhouwer
Nicasius van Eykelsbeeck, die met een
nicht van den beroemden acteur de Keyser was getrouwd. Vele medewerkers aan de
inrichting waren trouwens aan de tooneelspelers, en ook onderling geparenteerd.
De Schouwburg moet het middelpunt van de Amsterdamsche kunstwereld zijn
geweest!
Men nam tot nu toe meestal aan, dat het tooneel slechts in geringe
mate kon worden veranderd. Nauwkeurige bestudeering van de beschikbare gegevens
doet echter het vermoeden sterker worden, dat er vele wijzigingen in den
vasten bouw konden worden aangebracht. Het is zelfs geenszins uitgesloten,
dat alleen de bovengalerijen, de zuilen aan de portalen, en de troon
vaststonden. De paneelen op den voorgrond links en rechts kunnen uitneembaar
zijn geweest. Het is voorts zeer wel mogelijk, dat men ook het onderste
gedeelte van den achtergrond kon wegnemen. De losse schermen, waarvan
herhaaldelijk sprake is in de schouwburgrekeningen, kunnen achter de zuilen der
portalen zijn geplaatst, en niet ervoor, zooals men meestal aannam
1.
| | | | Dapper deelt immers mede (in zijn
Historische Beschrijvinghe van Amsterdam, 1663), dat
het tooneel ‘als een Protheus gezwint, na gelegentheit met klene moeite
verandert wordt’. In stukken van
Rodenburg,
Jan Vos, e.a. is voortdurend sprake van
vertooningen, die verschijnen, en ‘verschieten’, die opengaan. Deze
kunnen ‘kijkkasten’ zijn geweest, welke tusschen twee zuilen werden
geplaatst. Dergelijke tooneelen staan afgebeeld in Savry's prenten van de
vertooningen bij den Vrede van Munster. Deze tooneelbouw bood het groote
voordeel, dat de verschillende stukken er bijna zonder onderbreking op konden
worden vertoond.
De groote gordijnen, waarmee het tooneel kon worden afgesloten,
waren vervaardigd van Delftsche saai, in rood en zwart, de stadskleuren. De
troon was met blauw fluweel en goudleer bekleed: daarvoor hingen gordijnen van
blauwe zijde.
Gelijk ook bij de rederijkerstooneelen dikwijls het geval was
geweest, bevond zich de hemel op een hooger plan, boven den troon. De
achtergrond van dit balcon werd ingenomen door een geschilderd doek of een
dubbele deur; daarachter moet nog een klein tooneel zijn geweest
1. Dit hemeldoek was het werk van
Cornelis Moeyaert (1592-1655). Hij is
lid van de oude Rederijkerskamer ‘In Liefde bloeyende’
geweest, en heeft in 1638 de allegorische versieringen van de triumfbogen voor
den Intocht van
Maria de Medicis ontworpen. Drie jaar
later wordt hij wederom voor een hoog bedrag in de schouwburgrekeningen
genoemd.
Er werd meestal bij daglicht gespeeld; de voorstellingen
begonnen om 3 of 4 uur in den namiddag. Tegenover het tooneel bevond zich een
zeer groot, halfrond raam; door een kokervormig gewelf, dat hierbij aansloot,
werd het daglicht naar het tooneel geleid. Zoodoende was alleen dit verlicht,
terwijl de rest van de zaal in het donker bleef. Bovendien viel het licht nog
door twee kleine vensters aan den rechterkant van het tooneel binnen. Maar
| | | | - in de donkere wintermaanden deden ook andere hulpmiddelen bij de
tooneelverlichting dienst: waskaarsen, fakkels, flambouwen en harslicht komen
herhaaldelijk in de schouwburgrekeningen voor. In het midden van de zaal hing
een groote koperen kaarsenkroon.
| |
Mise-en-scène van de eerste opvoering.
Hoe nu het tooneel bij de eerste opvoeringen van Vondel's
‘Gijsbreght van Aemstel’ werd gebruikt, laat zich slechts
gissen.
Enkele passages in Vondel's tekst geven weliswaar aanwijzingen
voor détails van de ensceneering, zooals bv. de volgende:
| I | r. 16. | Gijsbreght: | Alhier,
daer 't leger lagh, is 't veld alsins
bezaait |
| | | | Met wapens en geweer,
enz. |
| | r. 175. | Willebord: | Nu al uw
vijanden......... |
| | | | .........laeten
tenten, tuigh en hunne hutten staen, enz. |
| | r.
402. | Vosmeer: | ....'k wil liever voor uw poort,......
|
| | | | ......dit lastigh leven laeten,
dan...... enz. |
| II. | r. 451 | Egmond: | Wij
zijn bij 't klooster
weer...... |
| | r.462/4. | Egmond: | ......desen
nacht...... voor 't opgaen van de maen...... |
| | r.
499. | Egmond: | Vosmeer...... die ter gezette tijd komt
zwemmen |
| | r. 607. | Vosmeer: | ick koom al
heimelijck gezwommen door de
grachten |
| | | | 't Is doncker. Ick ben
nat, en klippertand van kou. |
| IV. | r. 977. | Rey:
| Dit outer is ons wijck. |
| V. | r.
1552. | Vooren: | Wij staen voor deze graft tot storremen
gereed. |
En dan komen er nog vele locale aanduidingen in den
‘Gijsbreght’ voor. Maar - evenals bij
't Is doncker. Ick ben nat, en klippertand van
kou. Shakespeare - ging het scenisch visioen van den dichter ver uit
boven de mogelijkheden | | | | van het tooneel in zijn tijd. De
verschillende plaatsen der handeling zullen in den Schouwburg hoogstens met
enkele losse schermen tusschen de zuilen van den vasten bouw en met eenige
requisieten zijn aangeduid.
De eenvoudige tooneelbouw bood echter het groote voordeel, dat het
stuk zonder lange onderbrekingen kon worden doorgespeeld.
De proloog werd misschien gezegd vóór het gesloten
gordijn, dat den voorgrond van het eigenlijke tooneel scheidde. Een der
prosceniumdeuren kan het Karthuizerklooster hebben aangeduid. Bij het tooneel
in het Klarissenklooster gebruikte men een altaar, waarop een
altaarkaars stond
1. Vermoedelijk deed het altaar dienst, dat tot de requisieten
van de Academie had behoord.
Het kan op de plaats van den troonzetel neergezet zijn. In de
burchtzaal, of misschien ook in de kerkscène, werd een tapijt
gebruikt, dat speciaal voor de opvoeringen van ‘Gijsbreght van
Aemstel’ was gehuurd.
Na het zeggen van r. 850: ‘Ick zal terstond om hoogh gaen
zien van Schreiers toren’ beklom Gijsbreght waarschijnlijk een trap naar
een zijbalcon, vanwaar hij zegt, ‘'t geklicklack en 't rammelen van 't
stael’ te kunnen hooren. De Reyen werden wellicht ook op deze balcons
gezongen; tijdens de Rey van Burghzaten moet Badeloch dan beneden zichtbaar
gebleven zijn, want de Rey geeft aanwijzingen voor haar stille spel. (r. 1275:
zoo treurt nu Aemstels vrouw, r. 1285 - die uitziet met verlangen).
De heer van Vooren zal vermoedelijk beneden gesproken hebben,
terwijl Gijsbreght hem van een der zijbalcons af antwoordde (r. 1551 e.v.), om
na r. 1655 af te dalen en beneden tot Badeloch te zeggen: ‘Wij gaven
Vooren kort en duidelijck bescheed. Ghij hoort, hoe 't krijghsvolck staet tot
storremen gereed’. Er was dus blijkbaar lawaai achter het tooneel.
Rafaël is ongetwijfeld op het kleine middenbalcon, in den
‘hemel’ verschenen.
| | | | De Reyen werden gezongen; in 1641 door
vier speciaal hiervoor geëngageerde zangers. Waarschijnlijk traden er
telkens twee tegelijk op, om beurtelings een couplet van de Rey te zingen.
In 1638 werkten verder aan de voorstellingen drie muzikanten mede.
Het waren:
Thomas Frans de Speelman, violist;
Frans Ducert of Dusart, een bassist en
Aernt Aernts of Arent de Fluyter,
fluitist. Het trio diende zeker tot begeleiding van de Reyzangen. De muzikanten
waren achter de linker prosceniumdeur gezeten.
De heer van Vooren trad op ‘met den trompetter’; die
wellicht zijn komst meldde; in de rekeningen worden er zelfs drie genoemd.
De melodie, waarop de Rey van Klaerissen werd gezongen, is ons
bekend. In een liederboekje uit 1643: ‘Sparens Vreughdestroom’
wordt voor een liedje als ‘Stemme’: ‘O Kersnacht’
aangegeven. Deze wijze is zeer populair geworden; zij komt tot aan het einde
der 18de eeuw in tallooze liederboeken voor. Het is niet uitgesloten, dat de
componist ervan de Haarlemmer
Cornelis Tymenszoon Padbrué is
geweest, die in deze jaren ook bij andere gedichten van Vondel en bij de Reyen
van Peter en Pauwels muziek heeft gecomponeerd.
De Rey van Amsterdamsche Maeghden (Nu stelt het puick van zoete
keelen, r. 415) werd op dezelfde wijs gezongen als ‘O
Kersnacht’.
In de kerkscène zongen de nonnen, volgens Vondel's tekst,
het lied van Simeon, nadat Gozewijn heeft gezegd: ‘Nu kinders zet U hier,
en dat een yeder non met mij den lofzang zing van oude Simeon,’(r. 1005).
Dit lied is aan de R.K. liturgie ontleend. Het Canticum Simeonis wordt gezongen
in het officie der plechtige kaarsenwijding op Maria-Zuivering (Lichtmis, 2
Februari), de sluiting van den liturgischen Kersttijd. In een liederboek uit
1650 wordt echter een 16e-eeuwsche melodie aangegeven, welke o.a. ook voor het
bekende ‘Slaet op den trommele’ werd gebruikt
1.
| | | | De costuums waren voor een deel vervaardigd
door den tooneelspeler
Harmen van Ilt. Begrip voor historische
juistheid

Afb. 2 Muziek voor de Rey van Klaerissen uit ‘het
Amsteldams Minne-Boeckje’ (editie 1648).
had men destijds nog niet: de vrouwelijke personages
waren in 17e-eeuwsche pronkkleedij gekleed; de mannen zullen sierharnassen
hebben gedragen, zooals die, waarin hooggeplaatste personen zich dikwijls bij
feestelijke gelegenheden vertoonden. Daarbij behoorden helmen met groote
pluimen. De Bode zegt immers ook (r. 1402): ‘.... ontwapende ick den
doode, en zette helm en pluimen/van Borsselen op 't hoofd en toogh zijn rusting
aen/En bond het zwaard op zij;....’ Gijsbreght had bij zijn harnas
handschoenen aan; Badeloch droeg haar ‘pronck en
Kersnachtskleeren’. Een onderdeel van Rafaël's costuum waren
| | | | twee zwanenvleugels. Gozewijn werd op het tooneel gekleed in zijn
‘prachtigste gewaed, gelijck een Bisschop voeght, (r. 990); hij droeg den
mijter op het hoofd, (r. 992) en ringen over zijn handschoenen, (r. 993); in de
hand had de Bisschop den ‘harderstaf’, (r. 996). De nonnen droegen
linnen begijnenkappen; ook broer Peter was in een linnen costuum gekleed
1.
Voor de costuums, die vaak uit kostbare stoffen waren vervaardigd,
gaf men destijds hooge bedragen uit. In later jaren schijnt aan dit deel der
vertooning echter minder zorg te zijn besteed.
Reeds aan de eerste opvoering werkte een aantal figuranten
mede
2. Dit blijkt o.m. uit r.
600, waar Diedrick zegt:
‘T'sa mannen, vaert vrij voort, en steeckt het klooster
aen,
't Is koud, zoo mogen wij ons bij de kolen warmen’,
terwijl hij, ondanks het gejammer van Willebord, vervolgt:
‘Nu mannen, treckt vrij in, treckt voor, ick blijf de
leste’ (r. 606).
Men vertoonde dus de inneming van het Karthuizer
Klooster!
Gijsbreght werd bij zijn vlucht uit het brandende Amsterdam door
een groote menigte gevolgd. Reeds in r. 1390 spreekt hij van ‘een' sleep
van menschen arm en rijck’, die toevlucht zoeken in het kasteel; en in r.
1665 is sprake van ‘dit gevlughte volck’.
Onder de opgave van ‘Spreeckende personagien’ noemt
Vondel bovendien zelf als ‘Stomme’: Katuizer, Egmonds soldaeten,
Gijsbreght van Aemstel's dienaers, en: Witte van Haemstee, graef Floris'
onechte zoon.
Uit Vondel's eigen vermelding van dezen laatsten krijgsman, en uit
Gijsbreght's woorden: ‘Daer is de vijand zelf, ick vliegh na boven
toe....’ (r. 1070) blijkt, dat men al in 1638 de vermoording van Gozewijn
en de nonnen heeft laten zien. Men hield destijds | | | | van
dergelijke gruwelijke vertooningen, en later zou vooral
Jan Vos er een meester in
worden.
De realistische voorstelling van het gevecht in het
Klarissenklooster is zelfs zulk een traditioneel onderdeel van de jaarlijksche
Gijsbreght-opvoeringen gebleven, dat men tot in onzen tijd nog van dit
gruwelijk moordtooneel heeft kunnen genieten!
| |
Het publiek.
De première van ‘Gijsbreght van Aemstel’ op
Zondagmiddag 3 Januari 1638 zal ongetwijfeld door Vondel's vrienden, en
misschien zelfs door enkele leden van den Muiderkring zijn bijgewoond. Het
publiek, dat voor het eerst Vondel's onsterfelijk treurspel aanschouwde,
heeft zich vermoedelijk niet beter gedragen dan de toeschouwers van de
voorstellingen in de Oude Kamer en in de Academie, of
de bezoekers van den schouwburg in de 18e eeuw. Er werd gegeten en gedronken;
gerookt, geschreeuwd en.... gevrijd; het laatste zelfs zoo openlijk, dat al
spoedig de gordijnen voor de loges zedelijkheidshalve moesten worden
weggenomen!
Vondel's opschrift in de zaal:
‘Geen kind, den Schouburgh lastigh sij,
Tobackspijp, bierkan, snoeperij,
Nocht geenerley baldadigheyd.
Wie anders doet, wordt uytgeleyd,’
was zeker niet overbodig!
|
1Gereproduceerd in Kossmann, Nieuwe bijdragen, t.
o. bl. 92.
2Nl. als anonieme zangeressen.
1Evenals Vondel's ouders was Van Mander een
uitgeweken Zuid-Nederlander. Hij vestigde zich te Haarlem. In 1618 verscheen
een uitgave van zijn Schilderboeck met een biografie, die aan
Breeroo wordt
toegeschreven.
2De rekeningen loopen tot 18 Januari
1639.
1De tekst van de notulen der
predikantenvergaderingen is gepubliceerd in: Dr. J.F.M. Sterck, Oud en Nieuw
over Joost van den Vondel, bl. 35 e.v.
2Vertaling van den Latijnschen brief in: Dr.
P. Leendertz Jr., Het leven van Vondel, bl. 172.
3Dr. J.F.M. Sterck veronderstelt (in Oud en
Nieuw over Joost van den Vondel), dat in den ‘Gijsbreght’
oorspronkelijk een mis-vertooning zou hebben gestaan. Deze zou er door de
tegenwerking der predikanten uit zijn geschrapt. Ik meen dit te mogen
betwijfelen. M.i. is er in de notulen der predikantenvergadering slechts sprake
van een gerucht (also men verstaat). Bovendien moet het stuk, zooals wij
het kennen, reeds vóór de tegenwerking der predikanten zijn
gedrukt. Hun eerste bezoek bij de Regenten en bij de Burgemeesters (dat
blijkens dezelfde notulen niet veel uitwerking had!) vond pas kort voor
Kerstmis plaats. Verder dateert Vondel zijn opdracht aan De Groot reeds 16
October. Bovendien draagt de eerste uitgave het jaartal 1637. Tenslotte
schrijft Vossius 6 Januari aan De Groot: ‘Gij hebt nu, vermoed ik,
Vondel's Gijsbrecht reeds gelezen.’ De uitgave moet dus al eenigen tijd
eerder aan Hugo de Groot te Parijs zijn opgestuurd, zoodat Vossius met recht
kon veronderstellen, dat De Groot het boekje ontvangen èn gelezen had!
Uit e.e.a. blijkt, dat het treurspel, zooals wij het kennen, al
vóór die tegenwerking moet zijn uitgegeven. Men zal slechts
enkele passages hebben geschrapt, zooals later door den invloed van N.V.A. nog
veel meer anti-Katholieke veranderingen zouden worden aangebracht.
1Deze nieuwe hypothese omtrent de inrichting
van het tooneel in den Schouwburg van
Jacob van Campen is een vondst van den
kunsthistoricus Dr.Arn. Noach, die haar binnenkort
uitvoerig zal publiceeren en verantwoorden.
1Het schilderij van
Pieter Quast, De triomf der zotheid
(1643), in het Haagsche Gemeentemuseum, laat zien hoe het boventooneel werd
gebruikt.
1Zie de uitgave voor de eerste opvoering:
Bijlage I.
1Zie F. van Duyse, Het oude Nederlandsche
lied. 's-Grav. 1903/07.
1Zie de uitgaven voor de eerste voorstelling
(Bijlage I).
|
|