begin  verder
[p. 6]


illustratie
Rembrandt, toneelspeler.

[p. 7]

Een comediant

 
Hij is een alleman, altijd en allerwegen
 
waar't hem de honger maakt; een bed'ler met een degen;
 
een papegaai om Go', een lacher van gebrek;
 
een meerkat in een mens, een meesterlijke gek;
 
een schilderij die spreekt; een spook van weinig uren;
 
een levendige print van 's werelds kort verduren;
 
een hypocriet om't jok; een schaduw die men tast;
 
een drollig Aristip, die alle kleding past.
 
Hij is dat iedereen behoort te konnen wezen:
 
verandering van staat verandert naar zijn wezen
 
na't nodig wezen moet: geraakt hij op een troon,
 
zijn hert ontstijgt hem niet na 't stijgen van de kroon;
 
vervalt hij van zo hoog tot op het bedelbidden
 
't gelaat past op 't geluk; 't hert drijft in't gulde midden
 
en onder't mommenhoofd steekt nog dezelve man
 
die op en nedergaan, en niet bewegen kan.
 
De Wereld is't toneel daarop de mensen mommen.
 
Veel staan op sprekensrol, veel dienender voor stommen;
 
veel draven, veel staan stil, veel dalen, veel gaan op,
 
veel zweten om gewin, veel scheppen't met de schop.
 
Gelukkig hij alleen die krijgen kan en houwen,
 
en missen dat hij moet en matelijken rouwen,
 
en lachen matelijk in zuur of zoet gelag,
 
en zeggen, is't nu zo, God kent de naaste dag.
 
 
 
Constantijn Huygens
 
uit: Zedeprinten, 1623

om Go' =om een godspenning, d.w.z. fooi.
Aristippos =filosoof van de levensgenieting.

 begin  verder