Langs kermissen en hoven


auteur: Ben Albach


bron: Ben Albach, Langs kermissen en hoven. De Walburg Pers, Zutphen 1977  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 42]

6. Vondel regisseert
1638-1641

Repertoire

Twee maal per week, op maandag en donderdag telkens om 4 uur, en in de eerste kermisweek (eind september) dagelijks, zijn er voorstellingen te zien op het toneel van Jacob van Campen: een treurspel of een tragi-komedie, ook wel eens een blijspel, steeds gevolgd door een korte klucht.72 Het repertoire is afkomstig van de opgeheven rederijkerskamers, en zo komen de belangrijkste werken van Hooft, Coster, Bredero, Starter, Rodenburg en Krul in de loop der jaren terug. Deze nieuwe opvoeringen zijn heel wat luisterrijker dan vroeger, zegt de jonge schouwburgbestuurder Geeraard Brandt (bijlage A). In de loop van één seizoen, tussen september en juli, worden 4 à 6 premières gegeven in een serie van een achttal (soms meer) voorstellingen. Het zijn bijna altijd vertalingen. Want Vondel is na 1638 de enige dichter van groot formaat die nieuwe spelen voor de schouwburg schrijft. Op Gijsbrecht van Amstel volgde nog wel een nieuw ‘historiael treur- blij-blijvend spel’, Vrouw Jacoba van Ridder Dirk Rodenburg, elegant gecostumeerd en versierd met schilderachtige vertoningen, hof- en jachtstoeten, maar het blijft niet lang op het repertoire. Ook de tragedies geschreven door magistraatsfiguren als Daniël Mostaert en Joan Six (een puur-klassieke Medea) worden niet populair. Minder geleerde auteurs beijveren zich om avonturenverhalen te dramatiseren ontleend aan de Decamerone of aan Franse romans; tragi-komedies met amoureuze verwikkelingen, duels, verraad en doodslag, of lieflijker pastorales. De titels kondigen liefdeshistories met poëtische namen aan: Clorimond en Gloriana, Clorinde en Dambise (Jan Soet, 1640), Chriseïde en Aramant (Heerman, 1639), Pellagia en Romilius (Fonteyn, 1644) (afb. 7). Dichtende toneelspelers zorgen voor aanvulling van het repertoire door het berijmen van prozavertalingen: Isaac Vos, Leon de Fuyter, Van Germez, Jan Soet, Pieter van Zeerijp. De favoriete toneelschrijver is Lope de Vega; enkele tragi-komedies komen uit Frankrijk; Engelse invloed werkt langs ingewikkelde omwegen door.

Vondel en het toneel

Als Jan Baptist van Fornenbergh in de herfst van 1640 naar Amsterdam komt, is er in en om de schouwburg in die twee jaar veel gebeurd.

Aan de luisterrijke ontvangst van Maria de Medici, september 1638, hadden alle magistraten en kunstenaars meegewerkt, om de moeder van drie vorstenhuizen de glorie van de machtige en fraaie koopmansstad te tonen.

[p. 43]

Het thema van macht en gezag kwam in deze jaren voortdurend aan de orde, zowel in de werkelijkheid van staat en stad als op en om het toneel: gezag in het groot, van God, vorsten en regenten, maar ook van de kleinere bestuurders. Toen na Gijsbrecht van Amstel Vondels nieuwe treurspel, dat handelde over een Romeinse vorstin, de ‘femme fatale’ Messalina, al in studie was, moest de opvoering afgelast worden omdat de schouwburghoofden vreesden dat men er toespelingen op de stadhouder en Amalia van Solms in zou zien. Opmerkingen van Vondel zelf die tijdens een repetitie om de situatie voor de toneelspelers te verduidelijken, een vergelijking in die richting maakte, had daartoe aanleiding gegeven.73 In de plaats van Messalina kwam Vondels vertaling naar het Latijn van Hugo de Groots Sofompaneas, christelijk-staatkundig leerstuk, dramatisch exempel voor vorsten en onderdanen. Jozef, de vernederde Joodse herdersjongen die het tot onderkoning van Egypte had gebracht, is hier de ideale, integere regent, vredelievend, tolerant, rechtvaardig. De voorstelling, schitterend geënsceneerd, werd een eerbetoon aan de verbannen Grotius.74 De burgemeesters lieten deze ‘vorstenschool’ vertonen voor de ambitieuze edelman Johan Wolfert van Brederode, wiens bruiloftsfeest kort tevoren had plaats gevonden in Den Haag, in de dagen dat de jonge Jan Baptist van Fornenbergh daar ook was getrouwd (p. 24). In het seizoen 1640/1641 zal het spel opnieuw worden opgevoerd ‘door last der Ed.Heren Burgemeesters’ voor de Ambassadeur van Frankrijk.

In geen speeljaar is Vondel zo nauw bij de toneelpraktijk verbonden geweest als toen. Na Gijsbrecht van Amstel waren tot dusver alleen nog maar vertalingen van hem opgevoerd, behalve Sofompaneas ook nog Sophocles' Elektra. Messalina ging dus niet door, en een tragedie over de Italiaanse Rozemond die wraak neemt op de moordenaar van haar vader, de Longo-bardenkoning Alboin, bleef onvoltooid. De Maagden kwamen pas later op het toneel. Maar nu, binnen een half jaar, vinden achter elkaar drie premières plaats: Jozef in Dothan als kerstvoorstelling (26 december 1640) en kort daarop Jozef in Egypte (28 januari 1641). Sofompaneas wordt nu het sluitstuk van de trilogie. Na Gijsbrecht van Amstel zullen van al Vondels drama's deze Jozef-spelen voortaan het meest vertoond worden (afb. 11).

Het thema is zeer geliefd, het komt overal voor: in de literatuur, in de beeldende kunst, in de volkskunst en nu dus ook op het toneel. Het eerste deel laat zien hoe de broers de herdersjongen als slaaf verkopen; het tweede deel de valse aanklacht van Potifars vrouw waardoor hij in de gevangenis belandt. Dan blijken zijn bijzondere gaven als droomuitlegger, zodat de farao tenslotte Jozef als Sofompaneas tot onderkoning benoemt. Het derde deel (naar Hugo de Groot) heet voortaan Jozef aan het hof. De scènes in het verhaal die niet in de behandeling vóórkomen, verschijnen als tableau vivant tussen de drie delen en binnen de treurspelen zelf. Wanneer enkele jaren later de trilogie op één avond wordt opgevoerd, is de toeloop enorm.

[p. 44]

Gebroeders, 1641

Enkele maanden na de première van Jozef in Egypte (8 april 1641), kunnen de voorbijgangers aan de schouwburgpoort dit aanplakbiljet lezen:

 
‘J.v. Vondels Gebroeders, treurspel.
 
't Gerecht des hemels haat het gruwlijk bloedvergieten,
 
verdelgt al Sauls huis en zijn gedachtenis.
 
Al schijnt het aan den tijd hier jarenlang t'ontschieten,
 
hoe lang de wraak vertrekt, zij komt in't end gewis.
 
Ten vier ure presijs.’

Dezelfde versregels zullen in de voorstelling tijdens de ‘stomme vertoning’ van de executie worden uitgesproken door Thomas de Keyser. Dit tableau met deze toelichting demonstreert het thema van het stuk. Het zou bij wijze van spreken als een illustratie op het affiche geplaatst kunnen zijn.

Gebroeders is een sombere tragedie, zwaar van felle emoties: haat, wraakzucht, wanhoop en machteloze opstandigheid tegen Gods straffende hand. Het nog steeds niet vergeten onrecht door Saul, lang geleden begaan, zal alsnog gewroken moeten worden, dat eist de God der wrake van het Oude Testament, door mensenoffers te brengen. De menselijke koning David, zelf ook niet vrij van schuld, ziet zich genoodzaakt, wil hij zijn land redden van droogte en hongersnood, het godsgericht te voltrekken aan de onschuldige kleinzoons van Saul.

Het beeld van een onbarmhartig straffende justitie was de godvrezende 17de-eeuwers, gewend aan openbare terechtstellingen voor het stadhuis, niet vreemd. In het nieuwe Raadhuis zou binnen de door Jacob van Campen ontworpen vierschaar, met beeldhouwwerk van Quellinus, het gerechtelijk ritueel zich voltrekken als harde werkelijkheid vóór de marmeren achtergrond die in zijn structuur treffende overeenkomst vertonen zal met Van Campens toneel.75

In enkele aangrijpende scènes trachten Rispe, Sauls oude weduwe en grootmoeder van de veroordeelden, en Michol de koningin, David van zijn voornemen af te brengen, maar van genade kan geen sprake zijn. Psychologisch realisme, individueel uitgewerkte karakters moet men hier niet zoeken. De personages zijn representanten van groepen. Voor de wraakzuchtige Gabaonners, de Gebroeders zelf en de Levyten is telkens maar één stem nodig, de rest is figuratie.

De bode-figuur brengt in realistische bewoordingen verslag uit van de terechtstelling: mensen uit het volk die de jonge ‘gebroeders’ honen, worden sprekend ingevoerd. Op het publiek, dat zulke situaties kent en de executie zelf als toon-beeld te zien krijgt, moet het verhaal diepe indruk gemaakt hebben. Om de toeschouwers nog meer bij de handeling te betrek-

[p. 45]

ken vergelijkt de ooggetuige de woedende menigte op de berghelling met een volgepropte schouwburg. Zo houdt het toneel de mensen een spiegel voor.

Rolverdeling en tekstveranderingen

Uit Geeraard Brandts verhaal over Messalina blijkt dat Vondel tijdens een repetitie met de spelers hun rollen besprak. Maar hij deed hier meer dan alleen aan tekstverklaring.

In tegenstelling tot bv. bij Rodenburg en Krul staan er in de gedrukte uitgaven nooit toneelaanwijzingen. Wel bewijst soms een lijst van ‘stomme personagieën’ zoals in Gijsbrecht van Amstel dat de dichter zelf een ‘vertoning’ bedoeld heeft als een geïntegreerd onderdeel van de voorstelling. Ook uit later tijd zijn bewijzen te vinden van door hem zelf ontworpen show-elementen, optochten, dansen. Maar over de opvoering van Gebroeders zijn toevallig meer bijzonderheden bekend door een exemplaar van het treurspel met aantekeningen over de rolverdeling, de benodigde rekwisieten en kostuums in Vondels handschrift (afb. 10).

Ook voor de relatie tussen Vondel en de spelers zijn deze notities van belang. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de nieuw-aangekomen jonge acteurs Triael Parkar, misschien ook Van Fornenbergh en Gillis Nooseman rollen toebedeeld hadden gekregen in de nieuwe Vondelvoorstellingen Jozef in Dothan en Jozef in Egypte. Maar bij Gebroeders werden zij in ieder geval actief betrokken (afb. 9).

Voor de centrale rollen beschikt de dichter over oudere, ervaren toneelspelers. De Keyser met zijn zware stem en indrukwekkend voorkomen wordt aangewezen voor de rol van de op wraak beluste Gabaonners; Adam Karelsz. draagt het bodeverhaal voor; Jan Lemmers, zelf ook toneeldichter, krijgt de rol van de tragische koning David. Jacob de Viele is Rispe, steunend op haar stok, één hand geleund op de schouder van een kamenier; Isaac Verbiest speelt Michol de koningin, Davids vrouw. Harmen van Ilt, de man die de kostuums voor de schouwburg verzorgt, speelt Abjathar de strenge aartspriester. Vondel helpt hem zich zo authentiek mogelijk te kleden en geeft uitvoerige aanwijzingen voor het Joodse priestergewaad: een wit onder- en een blauw bovenkleed, rijk geborduurd; op zijn hoofd een witte tulband met een blauw snoer en Hebreeuwse tekens. De liturgische borstlap met juwelen bezet wordt in details beschreven.

De kleine rol van Mefiboseth, Jonathans zoon, de enige die gespaard blijft, zou eerst gespeeld worden door Triael Parkar. Maar Vondel heeft van alles veranderd en verschoven in de rolverdeling. Isaac Vos neemt de Mefiboseth van Triael over; in plaats van Frans Schuylings moet Parkar de Rey van priesters zeggen (zingen?). Bovendien ontneemt Vondel Paulus Pierson de rol van Benajas, de ‘overste der hofbenden’ en geeft die ook aan Triael. Om de jonge Jan Baptist te laten meedoen, maakte de dichter er zelfs een personage bij: de veldheer Joab. Diens tekst wordt voor een deel samenge-

[p. 46]

steld uit wat voor Benajas bestemd was plus enkele regels van Abjathar. De taak van ‘executeur’, oorspronkelijk Benajas alleen toegedacht, wordt dus nu over twee spelers verdeeld: Triael Parkar en Jan Baptist en dat nog wel ten koste van de meer ervaren Pierson, gewezen voogd van de 17-jarige Van Fornenbergh.

Naar de redenen waarom Vondel deze veranderingen heeft aangebracht kan men slechts gissen. Waarom gaf hij de voorkeur aan deze twee jonge spelers? Dezelfden zou hij twaalf jaar later als zijn ‘toneelbroeders’ verwelkomen na hun succesrijke buitenlandse tournee. Als Vondel de tekst gewijzigd heeft omdat hij hun talenten in dit vroege stadium had ontdekt, zou blijken dat hij goed had gezien. Niet alleen om hun stem maar ook om hun fysieke dramatische vaardigheden kunnen ze hem opgevallen zijn. De nieuwe versie beviel de dichter in elk geval zo goed dat hij deze in latere uitgaven handhaafde.

Als zangers van de Rey van priesters vermeldt Vondels handschrift de namen van Barend van Hoorn, Jacob Willemse en Jan en Jelis Nooseman. De laatstgenoemde toen 14-jarige jongen zou de derde compagnon van Parkar en Jan Baptist worden.

Behalve de rolveranderingen bevat het regieboek gedetailleerde beschrijvingen van de kostuums en van enkele rekwisieten. Vondel geeft precies aan hoe de Ark, de gouden verbondskist, er uit zag, hoe de priesters en de hogepriesters gekleed moesten zijn. Een lijst van de benodigde voorwerpen onder de titel ‘Toestel in de gebroeders’ werd toegevoegd, evenals de gespeelde muziek, maar die is helaas verloren gegaan.

Negen keer achtereen is het treurspel Gebroeders vertoond. Ook de magistraat kwam de opvoering zien. Misschien verscheen toen de dichter na afloop zelf op het toneel om zijn ‘dankoffer’ uit te spreken voor de aandacht die de ‘wijze Raad van Amsterdam’ aan de dramatische kunst had besteed.



illustratie
Vondel, naar de prent van Jan Lievens. Fragment.