terug  begin  verder
[p. 85]

10. Haags mondain vermaak
1654-1664

De familie Van Fornenbergh vestigt zich in Den Haag

Na het optreden voor de Amsterdamse magistraat vestigt Jan Baptist van Fornenbergh zich met zijn gezin weer in Den Haag. Uit alles blijkt dat hij zijn oude plan om in de diplomatenstad naast het Franse ook het Nederlandse toneel een plaats te geven, weer opneemt. De calvinistische tegenstand is nog groot maar toch schijnen er voorstellingen door hem gegeven te zijn in een kaatsbaan aan het Blijenburg. Behalve in 1656, maar dat jaar (oktober) is hij wel in Gent opgetreden in de ‘comediantenkamer’ van het Stadhuis. Leopold Willem was inmiddels vervangen door Don Juan van Oostenrijk zodat voortaan de ‘aartshertogelijke’ benaming van zijn troep verdwijnt. Die heet nu weer gewoon ‘Nederduits’ net als vroeger.127

Maar meer en meer richt zijn aandacht zich op het Haagse societyleven. Zijn beminnelijk voorkomen en zijn ervaring aan buitenlandse hoven maken Van Fornenbergh een geschikte figuur voor Den Haag. Hij weet aristocratische relaties aan te knopen, waarbij zijn fortuin een aantrekkelijk hulpmiddel is. Bij het huwelijk (februari 1656) van George de Hertoge, heer van Valckenburgh en Hogenhuysen, is een Bruiloftssang door hem gedicht en in druk uitgegeven. Ook verstrekt Jan Baptist geldleningen aan Haagse notabelen en weet hij winst te maken met huizen en obligaties.127a

Van 1657 af wordt er minder door de familie gereisd, want sinds dat jaar breidt het gezin zich verder uit en al die kinderen zijn in Den Haag gedoopt.83 Namen van vroegere confraters beginnen weer op te duiken. Met de weduwe van Bartholomeus van Velsen, die misschien tien jaar tevoren nog met haar man tot de troep had behoord, sluit Van Fornenbergh een contract; april 1658 associeert hij zich weer met Salomon Fino en met Carel van den Bergh, broer van Adriana en dus zwager van Gillis Nooseman. Bij zakelijke onderhandelingen zal hij als tussenpersoon fungeren.108

De ondernemende komediant Van Fornenbergh bezit nu genoeg geld om op 21 mei 1658 voor ƒ3.000,- een huis en erf tussen Denneweg, Speckstraatje en Hooigracht te kunnen kopen van zekere weduwe Speck. Het huis zelf wordt tot woning bestemd voor hem en zijn gezin; in de tuin laat hij een ‘Schouburgh ofte Theatrum’ bouwen met een uitgang aan de kade. Het theater bereikt men via de gang van het woonhuis, misschien met het oog op een ‘foyer’ waar wijn en bier geschonken worden voor de bezoekers, een blijvende bron van inkomsten. Jan Baptist is dus tegelijk directeur en kastelein van zijn particuliere schouwburg. De vorige eigenaar van het pand was schipper op Antwerpen geweest en aan de Hooigracht is nog een druk

[p. 86]

verkeer van hooischepen. Zo kon men van het theater uit gemakkelijk naar Vlaanderen reizen.

Terwijl de voorbereidingen worden getroffen tot de bouw en inrichting van de Haagse schouwburg, zijn er telkens contacten geweest tussen Haagse en Amsterdamse spelers. Al van 1657 af is Nooseman betrokken bij financiële transacties van Jan Baptists medewerkers, waarbij soms zijn zwager Carel van den Bergh als gemachtigde optreedt; een keer is Van Fornenbergh zelf aanwezig in de rol van getuige. Ook met Adam Karelsz. en zijn broer, een Haags koopman, doet Nooseman zaken. In maart 1659 is het gebeurd dat de twee Amsterdamse acteurs op straat zonder aanleiding door een dronken waard werden uitgescholden. Ze liepen waardig door, maar de meester der welsprekendheid achtte zich beledigd en liet het incident wel even notuleren door een Haagse notarisklerk, en Nooseman moest erbij getuigen.128 Van Germez heet in de akten makelaar, Nooseman laat zich koopman noemen. De ene keer worden Amsterdamse notarissen ingeschakeld als het gaat om de aankoop van stoffen door een Haags zakenman, een ander maal blijkt Nooseman in Den Haag tabak en wijn geleverd te hebben. Misschien waren die bestemd voor de tapnering van de schouwburg aan de Denneweg.129

Parkar was intussen al verhuisd. Vóór 1659 moet Margriet de Baer gestorven zijn want in dat jaar hertrouwt hij in Den Haag met Hanna Boonefaes.82

Inmiddels heeft Van Fornenbergh ook de strijd aangebonden met het Amsterdamse toneel. Of het toeval is dan wel opzet, hij is Jan Vos nèt iets voor met een nieuwe bewerking van het populaire spel van Bontius, over het beleg en het ontzet van Leiden. Beide versies, die van Jan Vos en de zijne werden in 1659 gedrukt. De bewerking, zoals Van Fornenbergh die speelt, is te danken aan Mr. Jan Moens, een achterneef van Magdalena Moens, de vriendin van Valdez. Zij komt in deze versie voor als ‘een deugdzame, edele jonkvrou’ terwijl ze altijd was voorgesteld als een volgens 17de-eeuws-Hollandse begrippen frivole maîtresse van de Spaanse krijgsman. Van Fornenberghs vertoning krijgt zo de pretentie van een eerherstel voor de oudtante van de bewerker. De relatie met Jan Moens, pensionaris van Rotterdam, kwam goed van pas om het stuk daar opgevoerd te krijgen,130 en misschien ook in Leiden.

Jan Vos heeft er zich ongetwijfeld kwaad over gemaakt, maar er zouden nog meer incidenten volgen. Niet tussen de Amsterdamse en Haagse collega's onderling. Die komen elkaar wel eens tegen in Haarlem, waar beide troepen geregeld optreden in de kermismaand (juni 1658, 1659, 1660): Gillis en Ariaan spelen dan met hun gezelschap op Heemsteeds gebied. Van Fornenbergh in de Pikeurschuur buiten de Grote Houtpoort. Tussen de autoriteiten rijzen er voortdurend conflicten over competentiekwesties, waarvan de acteurs het slachtoffer worden.131

[p. 87]

De Haagse schouwburg geopend

Tegen eind 1659 betrekt de familie Van Fornenbergh de nieuwe woning aan de Denneweg en waarschijnlijk tegen mei 1660 krijgt Jan Baptist toestemming zijn theater te openen. Het tijdstip is bijzonder gunstig. Want juist dan vinden in Den Haag grote feesten plaats ter ere van Karel II Stuart (1630-1685), de broer van Maria Stuart (weduwe van Willem II), die als balling in Nederland gewoond had en nu met groot enthousiasme in Londen als de nieuwe monarch was begroet. Op 30 mei wordt hij in het Mauritshuis feestelijk onthaald. In het nieuwe theater van Jan Baptist zijn balletten te zien, in en na een gelegenheidsspel De Getemde Mars, ontworpen door Jan Soet. Bovendien maakt deze ‘Vertooningen, gepast op de Blijde en Staatcrijke Inkomsten van D'Alderdoorluchtigste Majesteit Carolus II’. Daarin worden de betrekkingen tussen Nederland en Engeland weergegeven door een reeks historische en allegorische personages; de tonelen stellen jaargetijden voor zodat men kan aannemen dat er decorschilders aan te pas gekomen zijn, misschien Parkar.132



illustratie



illustratie
Fragmenten van plattegronden van Den Haag, 1681 en 1682, ongewijzigde herdrukken naar de uitgaven van 1665 en 1666 door C. Elandts.

Op plattegronden van Den Haag is ‘de huysinge en erve alhier op den Dennewegh, wesende de wooninge voor de Schouburgh met de tuyn en schuyr daar beseyden’, wel te zien. Aan de Hooigracht staan twee hoge langwerpige schuren; een latere kaart lijkt een vierkant gebouw achter de huizen weer te geven. Waarschijnlijk had het theater de gebruikelijke langwerpige kaatsbaanvorm met een toneel aan de smalle kant. Dat er loges en zitbanken, een voordoek en veranderbare decors zijn geweest, blijkt uit passages in Westerbaens Avondschool voor vrijers en vrijsters (1665).136 De decorwisseling gaf immers tijd om een praatje te maken en een relatie aan te knopen met een ‘soete maeghd’. Eerder dan de Amsterdamse schouwburg bezat de Haagse van Jan Baptist dus een coulissensysteem zoals hij het in Zweden had gezien (p. 67).

[p. 88]

Over hoeveel decors het theater beschikte is niet bekend, evenmin met welke techniek het gehele toneel snel veranderd kon worden (p. 93). Volgens een inventaris na Noosemans dood (in 1682, opgemaakt in 1690) zouden er maar vier ‘tiaters’ (d.w.z. standaardtypen, bijeenpassende schermen en achtergronden) zijn geweest: een bos-, een tuin-, een hof- en een wit kluchttoneel (waarschijnlijk een kamer); voorts twee ‘tenten’ (geschilderde zetstukken?), zeven friezen, maar ook een ‘voortiater’ (toneelmantel) en wat lijsten en pilaren. Laatstgenoemde onderdelen schijnen eerder te wijzen op een reistheater. Voor de tragedies, blijspelen, kluchten, balletten en vertoningen was deze voorraad zeker niet toereikend.133

Als ‘speelklederen’ worden in diezelfde inventaris vermeld: ‘poolse, moderne, spaanse ende romeinse’ kostuums, benevens ‘bootsgeselle- ende boerekluchtklederen’ en boeketten pluimen ‘van alderhande koleuren’. De ‘poolse’ kleren waren nodig voor o.a. Calderons Sigismond, prins van Polen, of het leven is een droom; ‘spaanse’ (16de-eeuwse) dienden voor historiestukken en spaanse comedias; ‘romeinse’ voor tragedies; ‘bootsgeselle- ende boerekluchtklederen’ deden dienst in de matrozen- en volkskluchten. Van Fornenberghs kostuumcollectie (in 1682 voor veel geld verkocht) was zeker toen opvallend fraai.

In elk geval moet in Den Haag al in 1660 beweeglijke barok-theaterkunst te zien zijn geweest, terwijl men in Amsterdam nog speelde op het vaste toneel van Jacob van Campen. Binnen perspectivisch geschilderde decors kreeg ook de mise en scène het karakter van statige hoftheaterkunst, symmetrisch met een opstelling in een halve cirkel, de held en de heldin in het midden bij opvoeringen van tragedies naar Frans model, de balletten gereglementeerd als hofceremonieel. Alleen binnen het kluchtige spel was meer vrijheid mogelijk.

Er wordt gemusiceerd met strijkinstrumenten, men krijgt balletten te zien, geleid door de dansmeester Joseph; zangspelen zoals de oude allegorie Iemand en Niemand, maar ook elegante tragedies in zwierige verzen. Bij de ‘Compagnie van Jan Baptista van Fornenburg’ debuteert in 1661 als toneelschrijver de 19-jarige rechtsgeleerde zoon van een Haagse burgemeester, Jacob van der Does (later stads-thesaurier) met zijn Tragedie ofte ongeluckige liefde van de Koninginne Dido. Het statige klassicistische treurspel dat letterlijke citaten uit Vergilius bevat, werd blijkbaar in aristocratische kringen wel gewaardeerd. Prins Willem en zijn grootmoeder lieten het zelfs een keer opvoeren door jonge amateurs voor een bevriend edelman op het Loo. De dichter, bevriend met Constantijn Huygens, de secretaris van de prins, schrijft twee jaar later een blij eindigend treurspel, eveneens naar een motief uit Aeneis: Het huwelijk van Aeneas en Lavina (1663).134

De leiding van het toneelgezelschap hebben, behalve Jan Baptist zelf en Triael Parkar, nog twee ‘medemeesters’: Salomon Fino, die op 29 mei 1661 trouwt met Anna van Fornenbergh, en Hendrik van Ackersloot. Deze jonge-

[p. 89]

man zou later in Amsterdam de ‘jeunes amoureux’ spelen tegen een hoog salaris en later nog gememoreerd worden als een van de beste spelers van zijn tijd. Deze directie sluit nu contracten met vijf acteurs.135

‘Het Schouwburgh ofte Theatrum’ van Jan Baptist is een mondain centrum voor de Haagse beau monde. Men komt er om te zien en gezien te worden, of met het doel mooie meisjes te ontmoeten. De aristocratische Hagenaar Jacob Westerbaen, bewoner van de buitenplaats Ockenburg, vertelt daarover:

 
‘Op't Schouwburgh van Baptist, en daer de Fransse speelen
 
Daer valt de beste jaght: De blij'en treur-toneelen
 
Die locken meenighte van vrouw-volk derwaerts heen.
 
Dit is de rechte plaets (of daer en is' er geen)
 
Die u kan dienen om wat aerdigs uyt te kippen’.136

Van de vele chique bezoekers is bekend dat prins Philip van Hessen er (na 1678) herhaaldelijk voorstellingen kwam zien. Het was dus allerminst een volkstheater zoals de Amsterdamse schouwburg. Daarvoor waren ook de entreeprijzen te hoog: ƒ1,20 voor een plaats in het parterre.

‘Susannetje Batist’

De familie Van Fornenbergh kreeg nu bekendheid in Den Haag, vooral onder de jonge notabelen. Meer dan een halve eeuw later sprak men nog ‘over de vriendelijke Jan Baptist, gerenommeert door vaerdige antwoorden en engelachtige dochters’.137 Vooral Susanna wordt door minnaars omringd. In zijn jeugdherinneringen vertelt Ridder Coenraad Droste van zijn verliefdheid op ‘Susannetje Batist, een schoon en aerdig dier’, tijdens de Delftse kermis van 1661. Als hij bij zijn oom, de griffier Ruysch, op diens buiten logeert, gaat de jonge edelman dagelijks naar het theater in Den Haag om haar te zien spelen. Het volgend jaar, juli 1662, maken ze kennis in Dordrecht, waar hij ‘van haer wedermin veel teekenen ontfing’. Maar de vader begint argwaan te krijgen. Als die naar Den Haag wil vertrekken en zij mee moet, doet Coenraad het voorkomen, naar zijn zeggen op haar voorstel, of hij ook die kant uitgaat, ‘soodat wij toen gerust daer bij malkanderen bleven’. De handige theaterman heeft intussen maar al te graag gebruik gemaakt van de relatie. Want door de bemiddeling van Droste komt er een vergunning om in Dordrecht op te treden, tot woede van de kerkeraad.138

Een volgende minnaar doet het wat onstuimiger. Begin 1663 ontsnapt Susanna een ogenblik aan de vaderlijke aandacht. Ze wordt ontvoerd door de 24-jarige Willem Ripperda, reist met hem naar Gent en trouwt daar. Maar dan blijkt dat de jonge edelman al eerder getrouwd is met een Française, die in Parijs woont met hun zoontje. Als Ripperda sr. erachter komt

[p. 90]

dat zijn zoon bigamie heeft gepleegd met een actrice, brengt hij in maart 1663 de zaak voor het Hof van Holland met het verzoek dit huwelijk ongeldig te verklaren. De advocaat van de andere vader, Jan Baptist van Fornenbergh, deelt namens deze mee dat het huwelijk ‘genoechsaem tegens desselfs danck en naer een voorgaende rapt bij Wilhem Ripperda aen de persoon van des gedaegde dochter buyten zijn kennisse aengevangen en tegen desselfs wille volvoert’ is en hij laat de beslissing graag aan het Hof over. Susanna negeert de dagvaardingen om ter zitting te verschijnen, dus wordt het huwelijk als nietig beschouwd.

Of Jan Baptist nu werkelijk van niets geweten heeft, dan wel een huwelijk van zijn dochter met een aristocraat eerst wel aanmoedigde maar naderhand heeft ingezien dat er teveel complicaties aan vast zaten, is niet duidelijk. Bij een volgende affaire van de voortvarende jongeman zou zijn eerste huwelijk inderdaad ongeldig worden verklaard.139 Het is bovendien opmerkelijk dat het zogenaamd voortvluchtige paar te Gent trouwde waar Jan Baptist en zijn familietroep herhaaldelijk waren opgetreden, waarschijnlijk nog in januari-februari 1663. Susanna zat tijdens of na het proces (maart-april) waarschijnlijk alweer veilig in de ouderlijke woning. Jaren later (in 1670) is ze opnieuw getrouwd met Augustin Hindricks Ludeman, een koopman uit Hamburg. Daar is twee jaar later in tegenwoordigheid van Helena van Fornenbergh, een dochter gedoopt83 en in 1673 was Susanna zelf peettante van een neefje Nooseman.159 Later blijkt ze in Den Haag te zijn, waar de gefortuneerde vader het echtpaar geld leent. Tenslotte vestigt Susanna zich in Kassel, met een van haar zusters en hun broer (p. 132).

Concurrentie met Amsterdam

Niet alleen zijn eigen toneelspelende dochter, maar ook een andere Susanna veroorzaakt problemen voor de Haagse toneeldirecteur.

De troep treedt in deze jaren herhaaldelijk in Amsterdam op tijdens de septemberkermis en de toeloop is enorm, tot profijt van het spinhuis maar tot ergernis van de schouwburg. De eerzuchtige Jan Baptist heeft stoutmoedige plannen. Hij begint met onder de duiven te schieten van de Amsterdamse toneelmachthebbers, die nu zien aankomen dat de gevaarlijke concurrent zijn oog heeft laten vallen op hun beste acteurs. Met Gillis Nooseman is hij steeds bevriend gebleven, maar ook andere spelers weten dat er onder de nu zeer geziene en veelbereisde Van Fornenbergh meer geld en eer te behalen valt dan in Amsterdam.

Na de dood van Adriana Nooseman (december 1661) verwachten de regenten dat Susanna Eekhout haar rollen overneemt. Vóór de kermis van 1662 maakt de magistraat bekend dat wie van de Amsterdamse acteurs het waagt zich te verbinden aan de troep van ‘de Meesters Comedianten uit Den Haag, onmiddellijk ontslagen en nooit meer geadmitteerd’ zal worden.

[p. 91]

Maar Susanna Eekhout en haar man, de stadsmusicus Mr. Rockus (Rochus) Conradi Eekhout, trotseren het verbod en sluiten een contract met de Haagse compagnie.139a De gevolgen blijven niet uit. Het Haagse gezelschap, dus mèt de Eekhouts, treedt met groot succes op tijdens de Amsterdamse kermis van 1662. De regenten van het spinhuis kunnen nu ook eens profiteren van hoge recettes want de voorstellingen brengen niet minder dan ƒ234,- en ƒ379,- op, hogere bedragen dan de gebruikelijke inkomsten van de schouwburg.140 Er lijken zelfs geruchten te zijn geweest dat Amsterdamse en Haagse komedianten samenwerkten: een Engelse reiziger die in juni 1663 aan de Keizersgracht een opvoering van Serwouters' Tamerlan zag, beweert dat ‘these comedians are two days in the week at this city and two days at The Hague’.141 De regenten van de schouwburg grijpen in en sommeren Susanna Eekhout naar Amsterdam terug te keren. Maar Van Fornenbergh kan zich op het gesloten contract beroepen en eist schadevergoeding. Juli 1663 tekenen de Amsterdamse spelers een verklaring, daartoe gedwongen door het schouwburgbestuur. Ze nemen de wanhopige Susanna in bescherming en beloven samen de boete te zullen betalen. Zij kon het niet helpen want haar ‘man en voogd’ Rockus Eekhout (die n.b. zelf het stuk mede ondertekent!) had haar tegen haar ‘zinlijkheit’ dat contract met Jan Baptist opgedrongen. De Amsterdamse spelers onder wie ook Gillis Nooseman beloven tot de kermis van 1664 bij elkaar te blijven en niet naar de Haagse theaterdirecteur over te gaan. Wie dat toch in zijn of haar hoofd mocht halen kan een boete van 100 carolusguldens betalen.

Maar de ondernemende Van Fornenbergh laat het er niet bij zitten. Hij heeft andere plannen en waagt een aanval op het hoogste niveau.

127Schrickx p. 36.
127aKossmann I p. 106, n. 3. Jan Baptist leent in 1658/59: aan een Engelse ritmeester ƒ1000,-; aan een baljuw van Oegstgeest ƒ400,-; aan Charles de Boetzeler en d'Asperen, hoogbaljuw van Strijen ƒ1000,-. Kossmann Aant.: Not. v. Medemblik 253 fol. 203, 217, 396. G.A.H.
128Kossmann Aant.: 2-3-1659. Not. Annocqué 184 fol. 53. G.A.H.
129Kossmann I p. 124, n. 2 en 3. Kossmann Aant.: 12-10-1660. Not. P. van Swieten 389 fol. 75/76. G.A.H.
130Fruin p. 382. De andere versie is gespeeld door ‘het college der Baptisize of Nederduytze comedianten’.
131Koster p. 104 e.v.
132Beschrijving van de vertoningen in het artikel van Zuidema. Een vergelijkend onderzoek van deze en andere voor de Haagse schouwburg geschreven teksten zou wellicht meer informatie kunnen verschaffen over decors en requisieten die voor de opvoeringen nodig waren. Zeker in latere jaren moeten er machinerieën gebruikt zijn. Een ‘wolk’ in de Tragedie van Dido opende zich maar er blijkt niet uit of deze ook neerdaalde. Later bezat Jan Baptist zeker vliegtoestellen, ook op reis (vgl. noot 184).
133Kossmann I p. 126, II p. 14/15.
134De tragedie van koningin Dido van Jacob van der Does (1641-1680) werd in het paleis Het Loo opgevoerd voor graaf d'Ossery in oktober 1670. Worp II p. 27. In de Haagse schouwburg heeft de prins zich nooit vertoond. Ook zijn secretaris niet. Uit dezelfde tijd dateert een spotversje van Huygens op de ‘zielen-sorgers’ die ‘camerspelen’ van vreemdelingen hadden verboden, maar nu hun eigen burgers deze zonden zagen bedrijven. Kossmann II p. 5. Huygens' aardige klucht Trijntje Cornelisdr (1653) werd bij zijn leven nooit vertoond. Over het bezoek van Huygens' dochter Susanna aan het theater van Jan Baptist zie p. 124/125. Van Fornenbergh hield Koningin Dido op zijn repertoire in het buitenland en speelde de tragedie nog in 1675 te Gent (noot 184).
135J. Backer, H. Bosch, G. Nachtglas, J.J. van Rijndorp en A. van Velzen. Hun salaris bedraagt 4 carolusguldens per week; bij twee keer per week spelen 6 gulden. Kossmann I p. 109; Kossmann Aant.: 1-3-1660. Not. P. van Medemblik G.A.H. Een carolusgulden was 1 1/2 gulden waard. Dit salaris was dus hoger dan het Amsterdamse.
136Bij Kossmann I p. 110 uitvoeriger geciteerd.

137Kossmann II p. 1. Rotterdamse Hermes = J.C. Weyerman (1644-1747): Kossmann II p. 26.
138Droste, Overblijfsels vs. 503 e.v.
139Witt Huberts, Schrickx p. 38.

139a5 april 1663 sluit Jan Baptist een contract met Eekhout en zijn vrouw. Kossmann Aant.: Not. P. van Swieten. G.A.H. Dat ze al eerder tot de troep hadden behoord, blijkt uit de aanwezigheid in Hamburg van Gillis Nooseman als getuige bij de doop van hun zoontje Nicolaus Conradi, 27-1-1653. Staatsarchiv Hamburg. Meester Rockus Coenraad Eekhout (= Claes Rockus?) stadsmusicus, en Susanna hielden een muziekherberg (in de Runstraat?). Bij zijn dood bezat hij een grote verzameling muziekinstrumenten. Vriendelijke informatie S.A.C. Dudok van Heel, G.A.A. Zie verder Kossmann II p. 8, p. 107/108.
140Oldewelt p. 130. Archief Spinhuis 224. G.A.A.
141Jensen cit. Skippon p. 46.
terug  begin  verder