|
|
|
| | | | | |
B. Albach
De schouwburg van Jacob van Campen
De schouwburg van
Jacob van Campen aan de Amsterdamse
Keizersgracht (nu nr. 384) is een van de merkwaardigste theaters
geweest in de internationale theatergeschiedenis. Niet alleen door zijn
centrale funktie in het culturele leven van de Hollandse bloeitijd, maar
evenzeer door de originele vormgeving van zaal en toneel staat het bekend als
monument van meer dan alleen nationale betekenis. In toenemende mate wordt in
buitenlandse handboeken en toneelhistorische overzichten aan Van Campens
schepping aandacht besteed
1. En ook in Nederland zelf is
er de laatste jaren veel over gepubliceerd
2.
Van weinig 17e-eeuwse theaters zijn zoveel gegevens bekend. Er
bestaan afbeeldingen van zaal en toneel, boekillustraties, een plattegrond,
vele teksten met toneelaanwijzingen, beschrijvingen door tijdgenoten en
tenslotte, zeer gedetailleerde rekeningen
3.
Toch blijven er nog vele vragen te beantwoorden, vooral wat het
gebruik van het toneel, de opvoeringswijze betreft. Wèl is het onderzoek
aanzienlijk gevorderd sinds
Wijbrands en
Worp het gebouw beschreven
4. De ontdekking door
Gudlaugsson van een schilderij van
Van Baden, dat een opvoering in de schouwburg toont,
opende belangrijke nieuwe perspectieven en deed tegelijk nieuwe vragen rijzen.
Hellinga legde verband tussen de tekst van Vondels
Gijsbrecht van Amstel en de
Nachtwacht; waarna Van de Waal kon aantonen dat
Rembrandt veel toneelfiguren en scènes, o.a. uit de
Gijsbrecht, heeft getekend
5.
Hunningher heeft grondig de mogelijke buitenlandse
invloeden geanalyseerd en | | | | kwam tot de conclusie dat
Van Campen toch vooral op nationale rederijkers-tradities
voortbouwde; Hummelen verraste tenslotte met nieuwe veronderstellingen
aangaande de flexibiliteit van de toneelbouw op grond van illustraties bij
gedrukte toneelteksten.
Helaas zijn de belangrijkste bronnen voor de toneelgeschiedenis: de
boeken van ontvangst en uitgifte van de schouwburg, nog niet in druk
gepubliceerd. Zowel voor de kennis van de bouw, als van het repertoire, de
belangstelling van het publiek, de toneelspelers en verdere medewerkers, en de
enscenering bevatten deze rekeningen, vooral uit de eerste jaren, veel
materiaal.
Wat ons nu in de eerste plaats bezig zal houden is het kasboek dat
betrekking heeft op de schouwburgbouw
6. Het loopt van 2 april 1637 tot 18
januari 1639, met aanvullingen uit mei/juni 1639 en nov. 1639. Daaruit blijkt
al, dat Van Campens schouwburg, die ingewijd zou worden op 3 januari 1638, pas
een jaar later is voltooid.
De administrateur
Claes Henrixsz opent zijn boekhouding onder de titel
Ontfangh Tot Timmeragie van de Amsterdamse kamer.
Het woord schouwburg was toen immers nog niet door
Vondel geïntroduceerd. Amsterdamse Kamer
heette sinds 1632 de combinatie van de drie rederijkerskamers: 1. de door dr.
Samuel Coster in 1617 aan de Keizersgracht
gestichte Nederduitse Academie, in 1622 verenigd met 2. de Brabantse Kamer
't Wit Lavendel; en 3. de zg. Oude Kamer (De
Eglantier, In Liefde Bloeiende)
7.
Al na 5 jaar had Coster gebouw, grond en inventaris van zijn
Academie aan het Burgerweeshuis verkocht; één van de regenten was
toen
Cornelis van Campen, oom van Jacob de architect. De
beoefening der wetenschappen-één van de oorspronkelijke
doelstellingen- werd tien jaar later overgenomen door het Atheneum Illustre
(voorganger van de Universiteit van Amsterdam). Omstreeks dat jaar begon, aldus
Tobias van Domselaer, de latere schouwburgregent
(1638/41; 1655/79; 1679/81)
8 het licht
opgetimmerde houten gebouw te vervallen, zodat de Regenten van het
Burgerweeshuis de Burgemeesters verzochten om een nieuwe plaats te mogen
bouwen
8. Deze verenigden toen
beide kamers (dwz. Academie/Brabantse Kamer èn Oude Kamer), ook om een
eind te maken aan het voortdurende twisten. Bovendien bepaalden zij dat het
Oudemannenhuis zou bekostigen: 1/3 van de grond- en bouwkosten, en het Weeshuis
2/3, gelijk ook het voordeel na zodanige gedeelten bij elk zou genomen
worden. Al sinds 1612 waren de netto-inkomsten van de Oude Kamer aan het
Oudemannenhuis afgedragen en
Coster sloot in 1617 een soortgelijke overeenkomst met
het Weeshuis
9. Volgens
Domselaer is er dus al in 1632 over nieuwbouw gesproken.
Vooral
Nicolaas van Campen heeft ervoor geijverd; sinds hij in
1631 regent van het Weeshuis was geworden; in 1634 stadsraad en in 1637
thesaurier-ordinarius, d.w.z. bezoldigd schatmeester van de stad. Het plan
diende in de eerste plaats de belangen der | | | | zg. godshuizen. Want het
benodigde geld (ruim ƒ. 30.000.-, in 1 jaar en 9 maanden) zou al binnen
enkele jaren terugverdiend zijn met de inkomsten der opvoeringen. Men maakte
immers een nettowinst van ƒ. 9000.- per jaar
10.
Maar niet alleen charitatieve overwegingen speelden een rol. De
gedachte om een ‘verzamelplaats’ te bouwen naar de wijze der
oude Roomse schouwplaatsen
11 kwam
voort uit de kring van humanistisch denkende magistraten èn door de
Oudheid geïnspireerde kunstenaars die zich één voelden met
stad en burgerij. Dit was wel een geheel ander uitgangspunt voor een
toneelcultuur dan in de naburige landen waar een koninklijk hof de dramatische
kunst begunstigde. Een democratischer beginsel inspireerde de typisch
stedelijke cultuur van Amsterdam dat het Rome van het Noorden
moest worden.
Als bouwheer kreeg
Nicolaas van Campen het beheer over de schouwburgbouw,
ontworpen door zijn achterneef Jacob.
Vondel zou dan ook zijn openingsstuk
Gijsbrecht van Amstel aan de Raadsheer opdragen;
‘Wij bootsen 't grote Rome na in 't kleen nu Kampen bezig is met bouwen
-’.
Maar Vondel deed meer: hij liet overal spreuken en citaten
aanbrengen die de toeschouwers aan de zin van de dramatische kunst bleven
herinneren
12.
Domselaer noemt de schouwburg de plaats tot oefeninge
van de Nederlandse rijmkonst waarin men naar 't oud gebruik der Romeinen door
sprekende en levende personages, 's mensen doen en wandel vertoont, om te
omhelzen wat eerlijk en te schuwen wat oneerlijk is. Het ging erom, de
daden van het voorgeslacht te verheerlijken en de taal te zuiveren
13. Ook voor
Jan Vos, meester van de ensceneringskunst,
schouwburgregent van 1647/52 en van 1653/67, wijkt de Schouwburg voor geen
Rooms noch Grieks toneel; is deze voor 't oog en oor van 't volk
gesticht; en leert het toneelspel het volk hun ijdelheden kennen
14. Vondel gaf het nieuwe instituut de naam: Schouwburg
15. In die vertaling van theatron/theatrum klinkt zowel het zien als
het bespiegelend overwegen, het be-schouwen mee. Burg kan zowel Stad als
Kasteel betekenen
16. Beide begrippen zouden een rol
spelen in het openings-treurspel
Gijsbrecht van Amstel. Het gebouw moest een tot nadenken
stemmende, feestelijke ontmoetingsplaats der burgerij worden, waar alle kunsten
samenwerkten - equivalent van het korte tijd later tot standgekomen
representatieve centrum van Amsterdam: het Raadhuis op de Dam.
Wanneer de plannen tot het ontwerpen van een Theater vaster vormen
beginnen aan te nemen is
Jacob van Campen (1595-1657) al een bekende
persoonlijkheid. In Den Haag is hij bezig met de bouw van paleizen
voor
Frederik Hendrik en
Amalia van Solms, met een woning voor diens secretaris
Constantijn Huygens; in Amsterdam - waar hij bevriend is
met magistraten en literatoren (Hooft,
Coster,
Vondel) - is sinds 1636 zijn Heiligewegs-stadspoort in
aanbouw, en worden het Accijnshuis en | | | | de voltooiing van de
Westertoren door hem voorbereid
17.
Hunningher
18
is uitvoerig nagegaan in hoever hij bij zijn schouwburg-ontwerp
geïnspireerd kan zijn door het Parijse Hôtel de Bourgogne, en door
wat hij in Italië kan hebben gezien; dus door Palladio, Scamozzi, Aleotti,
Guercino. Maar de conclusie is dat het toch vooral de rederijkerstraditie is
geweest waarop hij voortbouwde. Al bestudeerde
Van Campen in het bijzonder Vitruvius en Palladio.
Misschien speelde ook zijn belangstelling voor de zg. tempel van
Salomo al een rol
19.
Het bijzondere van het theaterontwerp ligt o.a. hierin dat Van
Campen, aansluitend bij rederijkerstradities, vanuit de eisen van het zeer
gevarieerde repertoire in een rijk genuanceerde architectuur de vele onderdelen
tot een monumentale eenheid wist te verbinden: een eenheid van zaal en toneel,
terwijl hij bovendien de zozeer populaire, spectaculaire ‘shows’
een funktioneel kader wist te geven.
Het houten gebouw van de Academie zou dus worden afgebroken. De
vraag in hoever van Campen toch iets van het oude toneel heeft gebruikt en of
hij rekening heeft gehouden met de maten van de aanwezige toneelschermen en
machineriëen is moeilijk te beantwoorden omdat de enige afbeelding van het
Academie-interieur een bijzondere vertoning voorstelt met een geschilderd doek
als achtergrond en niets van de eigenlijke toneelbouw laat zien
20.
De verkoopacte van de Academie (9 aug. 1622) vermeldt o.a.: drie
taeffels die het plein
21 omreycken met haer schragen ende bancken, en
noch een minder taeffel met 2 schragen
22. Blijkbaar dienden
die voor de toeschouwers
23. Verder
is er wel sprake van drie stucken daer het toneel mede vergroot wert
maar niet van het hoog stellagie zelf
24. Wanneer
alle de geschilderde omdraeyende doecken op het toneel synde (dus aan
twee kanten beschilderde schermen) ook na 1637 in gebruik bleven, moeten de
maten daarmee in overeenstemming zijn geweest. Hetzelfde geldt voor het
daelende hemelwerck, met syn kaapstangen, koorden ende blocks. De
uitgavenpost wegens betaling aan de Regenten en niet aan een leverancier,
wegens balken en ander hout zou er op kunnen wijzen dat het afkomstig was van
de Academie
25.
Blijkens de kaart van Amsterdam van
Balthasar Florisz (1e druk 1625) stond het oude gebouw,
evenals daarna de schouwburg, op een terrein achter de huizen aan de
Keizersgracht. Een smalle voorplaats leidde naar de ingangsdeur
van een vierkante grote schuur met een hoog schilddak; er was geen voorhuis
26. Deze situatie verschilt nogal van de
voorstelling op de 18e-eeuwse gravure van
C. Philip Jacobsz naar een tekening van
Schoemaker die leefde van 1660/1735 en de Academie dus
niet zelf gezien kan | | | | hebben. Het hoge spitse dak komt op alle
kaarten voor, ook als de schouwburg er al staat. Beide theaters hadden een hoog
dak nodig om de hemellift plaats te bieden. Het bouwterrein was zeer diep (42
m.) maar
Van Campen had meer ruimte nodig. Het gelukte de
regenten van het Weeshuis om er een stuk grond bij te kopen (Maart 1637);
weliswaar een smalle strook (± 1.40 × 20 m.), blijkbaar net
voldoende om de zaal iets groter te maken
27.
De achtertuin, 9 m. diep, blijft voorlopig onbebouwd; het voorplein
zal kleiner worden door het poortgebouw en het voorhuis met de regenten- en
toneelspelerskamers. De theaterruimte wordt nu: 70 × 20 m. zoals te zien
is op de plattegrond, getekend door
Philip Vingboons: (Vinkebooms, voor schouburgse
tekeningen f 58.- staat er op 14 maart 1642 in de rekeningen
28). De gravure welke naar een van die tekeningen
werd gemaakt door
Van der Laegh en door
Lescaille uitgegeven, verscheen in druk tegelijk met de
bekende prenten van
S. Savry in 1658. De situatie kan intussen wel wat
veranderd zijn. Nieuw waren in ieder geval de zg. personeerkamers voor de
vrouwen. Want pas na 1655 begonnen er vrouwen op te treden; voor die tijd
werden alle rollen door mannen en jongens vervuld. - In maart 1637 kon
men dus met de bouw beginnen.
2 april opent de kassier zijn rekening
29 met als eerste inkomst:
een bedrag van ƒ. 3050 : 4 : 0, de recettes van toneelvoorstellingen ten
bate van de nieuwbouw (2/3 vanwege het Weeshuis, 1/3 vanwege het Oude
Mannenhuis; voortaan zal maandelijks, later tweemaandelijks ƒ. 3000.- door
de Godshuizen worden geïnvesteerd). Wij weten dus welke stukken veel
publiek trokken en welke voor dit bijzondere doel zijn uitgezocht, nl.
Gerard van Velzen van
Hooft;
De Kuise Roelandijn van
Voskuyl en
Don Jeronimo maarschalk van Spanje, een bewerking
naar Kyds
Spanish Tragedy door
Adr. van den Bergh. In de loop van het jaar 1637 komen er
de revenuëen bij van twee series voorstellingen:
Breeroo's
Moortje (7×) en
Het Spel van Paris en Helena, (d.w.z.
Het Vonnis van Paris) van
Jan Harmensz. Krul. (8×)
30 (afgedragen op 17 oct. en 2 dec. 1637). Men speelde toen
tijdelijk in het Schermschool, d.w.z. in de vroegere toneelzaal van de
Oude Kamer in de Nes boven de Kleine Vleeshal. Vier regenten dragen die
inkomsten af, nl. van de kant van de voormalige Academie:
W.D. Hooft en
Steven Vennekool; en als vertegenwoordigers van de gewezen
Oude Kamer:
Jacob Block en
Simon Engelbrecht
31. Er blijkt uit dat er ondanks de verzoeningspogingen door de
Burgemeesters, in de Amsterdamse Kamer nog altijd twee partijen
bestonden; Block en Engelbrecht behoorden tot de conservatieve groep. Bovendien
waren zij (in 1634) ook met eigen geld, betrokken geweest bij de
Musyckkamer van
Jan Harmens Krul
32,
een instituut dat zich ondanks de fraaie ensceneringen, - of misschien juist
daardoor - , maar korte tijd heeft kunnen handhaven
33. De series toneelvoorstellingen ten bate
van het bouwfonds kort voor de | | | | inwijding van de schouwburg, van
Breeroo's oude successtuk
Moortje èn van een nieuw stuk van
Krul (Het vonnis van Paris) schijnen
te wijzen op het voortduren van de twee ‘richtingen’. Uit de
bouwrekening blijkt dat
Block en
Engelbrecht kans zagen door de verkoop van costuums die
zij blijkbaar als hun eigendom beschouwden en die zonder twijfel van de
Muziekkamer afkomstig waren, een oude schuld te vereffenen
34.
In verband met de aangekondigde voorstelling van
Gijsbrecht van Amstel staat Engelbrecht bekend
als een vijand van
Vondel die hem een Akervarken, bot en dom noemt
35. Engelbrecht zou geprobeerd hebben de opvoering van Vondels
Kerstspel te verhinderen op grond van vermeende
paapse superstitiën
36. Zoals bekend mag worden verondersteld kon de opvoering
die op 26 dec. 1637 had moeten plaatsvinden, de 3e jan. 1638 doorgang vinden,
vooral dankzij het ingrijpen van Burgemeester
Cornelis de Graeff
37.
Merkwaardig genoeg blijkt, zoals
Wijngaards aantoont, een scène uit de Gijsbrecht
door Kruls
Helena te zijn beïnvloed. Maar in de nieuwe
schouwburg zouden Kruls stukken, zolang
W.D. Hooft regent was, geen kans meer krijgen. Pas na de
terugkeer van Block en Engelbrecht (1643/44) in het bestuur, verschenen ze weer
op het repertoire. Het is in ieder geval niet van ironie ontbloot dat de
Gijsbrecht misschien gespeeld is in costuums die van Kruls Muziekkamer
afkomstig waren
38.
Het is opmerkelijk dat
Vennekool en
W.D. Hooft (beide hoofden en penningmeesters van de
Amsterdamse Kamer) op 2 april 1637 de netto-inkomsten van de genoemde
stukken van
P.C. Hooft,
Voskuyl en
Van den Bergh afdragen (ruim ƒ. 3000.-) terwijl
Block op 10 october als penninckmeester ende
hooft voor Engelbrecht en hem van de opbrengst van
Moortje (ƒ. 814 : 13 : -) meteen ƒ.
330.-inhoudt, maar op 2 dec. de gehele opbrengst van Kruls spel van
Helena ende Paris aan de kassier overhandigt
d.w.z. ƒ. 650.-.
Er was nu veel kasgeld nodig want van 4 april 1637 af beginnen de
betalingen: 64000 stenen moppen, zand, kalk, en, in 3 weken 336 masten
(palen); zes zware sommers (balken); 166 grenen balken. Zandragers zijn
aan 't werk, kalkdragers, masten-ophalers, gravers, houtzagers. Eind april zijn
de heiers begonnen;
Dirk Houthaak (tevens uitgever en toneelspeler) levert
bier voor de arbeiders. Op 9 mei krijgen 43 heiers na 10 dagen heien van 200
palen hun loon. In mei beginnen de metselaars; er worden opnieuw grote
hoeveelheden stenen aangevoerd (43500 moppen); in totaal zal men er 368500
nodig hebben. Het metselwerk zal voor het grootste deel in 1637 verricht
worden. De timmerlieden doen er veel langer over, nl. tot in het najaar 1638.
Kort voor 8 augustus 1637 arriveert van de Zaagmolens een schuit met 1200
zolderdelen. Dat is, ook figuurlijk gesproken de hoogste post (ƒ. 1470.-).
In de na- | | | | zomer

(1). S. Savry, De Schouwburg van Jacob van Campen, naar
het toneel gezien. Gravure, 1658.
(2). S. Savry, De Schouwburg van Jacob van Campen, naar de
zaal gezien. Gravure, 1658.
| | | |

(3). W. van der Laegh, ‘Grontteekening van de
Schouburg 't Amsterdams’ Gravure, 1658.
(4). J. von Sandrart, Korporaalschap van C. Bicker, bij de
portretbuste van Maria de Medicis met een gedicht van Vondel. Schilderij,
Rijksmuseum, Amsterdam.
(5). Vergroot détail van de gravure van S. Savry,
1658, (afb. No. 1).
| | | |

(6). H. van Baden, Toneel in de Amsterdamse Schouwburg
Schilderij. Ringling Mus. Florida.
(7). ‘Het tooneel van d'Amsterdamsche Schouburg
gesticht in 't jaar 1637, en vertimmert in 1665’. Anonieme prent uit: J.
de Marre, Eeuwgetijde van den Amsterdamschen Schouwburg, 1738. De afbeelding
wijkt af van Savry's prent door de luikjes boven de deuren, en het ontbreken
van borstbeelden op de balustrades.
(8). P. Quast, Lof der zotheid. Schilderij,
Toneelmuseum, Amsterdam.
| | | |

(9). Rom. de Hooghe, De gelukte list, 1689.
Titelprent bij het blijspel van Andries Pels.
(10). H. de Winter, Binnenplaats van de Amsterdamse
Schouwburg, met het poortgebouw, naar de Keizersgracht gezien. Tekening
omstreeks 1740, in: De Schouwburg van Amsterdam, verzamelbundel uit de coll.
Hilman, no. 400, Universiteitsbibliotheek, Amsterdam.
(11). H. de Winter, Binnenplaats van de Schouwburg, naar
het voorhuis gezien. Tekening omstreeks 1740, in: De Schouwburg van Amsterdam,
verzamelbundel uit de coll. Hilman, no. 400. Universiteitsbibliotheek
Amsterdam. Het aanzicht zoals het was voor de verbouwingen van
1765/1771.
(12). Détail van de plattegrond van Amsterdam van
Balth. Florisz. met de ‘Academy’. (3e druk, 1658, identiek aan 1e
druk, 1625). Gemeente Archief, Amsterdam.
(13). Détail van een anonieme plattegrond van
Amsterdam, 1733. met de ‘Schouburg’. Gemeente Archief,
Amsterdam, cat. d'Ailly 265.
(14) Gereconstrueerd model van de schouwburg, met enkele
van de vertoningen van I. Isaacsz. (1648): ‘De gekroonde Vreede’ en
‘Gewenste Vrijheydt’, naar prenten van S. Savry. Foto: C.
Linssen.
| | | | van 1637 is dus de zoldering van de zaal
aangebracht en het tongewelf dat als een reusachtige schijnwerper een halfrond
raam op het noorden verbindt met het toneel aan de zuidkant. Er zullen meer
ramen komen in de buitenmuren maar op het toneel valt alleen wat indirect licht
binnen, achter de zuilengalerijen, en door het gevangenisraam rechtsboven (niet
in de buitenmuur). Aangezien men in de namiddag speelt, kan er aan deze
westzijde soms wat laat zonlicht binnenvallen. Maar 's winters is het spoedig
donker in de zaal; dan is er kunstlicht nodig. De grote koperen kaarsenkroon
zal pas in mei 1638 gereed zijn; intussen doet een van de Lutherse kerk
geleende kroon dienst
39. En dan zijn er
verder nog losse lampen, kaarsen, waslicht, flambouwen.
In de herfst van 1637 zijn zaal en toneel dus in eerste opbouw
gereed, maar de afwerking zal nog ruim een jaar duren. Hoe de theaterruimte
tenslotte geworden is, tonen: de plattegrond naar
Vingboons, en de gravures van zaal en toneel van
S. Savry uit 1658. Het toneel (1.40 m. hoog) is zeer
breed (even breed als het ruim), nl. 14 m. maar ondiep (maximumdiepte
4,60 m.) tegenover een parterre van ± 6 m. De hoogte van vloer tot
balken is 8½ m.; tot de nok van het gewelf 12 m. Er zijn drie soorten
plaatsen: staanplaatsen in het ruim (of de plaats); 2 rijen loges
(10 beneden, 11 boven) voor de notabelen; een amphitheater van vier rijen
banken daar weer boven. Zaal en toneel vormen een architectonisch geheel, als
een overdekte binnenplaats; men voelt zich verbonden in een gemeenschappelijke
monumentale speelruimte. De halve-ellips-vormige zaal (een vorm die aan het
Teatro Olimpico te Vicenza herinnert) maakt dat iedereen goed kan zien wat er
op het ondiepe toneel wordt getoond. Het gehele interieur is van hout,
waarschijnlijk licht geschilderd
40. Iedere zuil, elk kapiteel is fijn bewerkt. Voor
de versiering van de bogen boven de loges gebruikt
Van Campen hetzelfde verenmotief als boven de ramen in
het tegelijkertijd gebouwde huis van
Constantijn Huygens in de Haag
41.
Op 16 october 1637 dateert
Vondel zijn brief aan
Hugo de Groot om hem zijn
Gijsbrecht van Amstel op te dragen. En in het
voorspel aan Schout, Burgemeesters, Schepenen en Raad van
Amsterdam schrijft hij
‘De trotse Schouwburg heft zijn spitse kap
Nu op, en gaat de starren naderen, - ’
Ook de bouwrekeningen vermelden de voltooiing van het dak. Tegen 17
october (de betalingsdatum) arriveren uit Kampen 15000 dakpannen
en 500 vorstpannen. Zo komt nu letterlijk en figuurlijk de Schouwburg onder de
Kampense pannen.
Hoe zag nu die spitse kap er precies uit? De stadskaarten
laten, als gezegd, ook na 1637 de afbeelding van de Academie staan. Dit kan een
slordigheid zijn. Maar het oudste prentje waarop het exterieur van de
schouwburg voorkomt - een titelprent van
Romein de Hooghe bij het toneelstuk
De gelukte list dat in toneelkringen speelt
42 - toont een
soortgelijk dak als dat van de Academie. Het uiterlijk van de toneelzaal zal
dus niet veel veranderd zijn in aanzien, zelfs niet na 1665. (In dat jaar
immers, | | | | werd van Campens interieur afgebroken. Zaal en toneel
naar Italiaanse trant komen dan in de lengte- as van het terrein te
liggen). De eerste stadskaart waar eindelijk ook het in 1637/38 gebouwde
voorhuis met het schuin oplopende, tegen de zaal aangebouwde dak en het poortje
te zien zijn, toont dezelfde traditionele spitse kap
43.
In october en november is er puin geruimd; en dan komen er weer
schuiten met stenen (moppen), in totaal 50.000. Ook de heiers zijn weer drie
dagen met 44 man bezig. Dit alles moet bestemd zijn geweest om het voorhuis te
bouwen, waar de regenten en de toneelspelers hun kamers krijgen. Het wordt even
breed als het theatergebouw, maar slechts voor een deel van de gracht af te
zien. Nog later, nl. in october 1638, te oordelen naar de betaling op 25/10 aan
steenhouwers, is het poortgebouw geplaatst
44. Daar bevonden zich de loketten voor de plaatsverkoop. Thans is
alleen nog de toegangspoort over; maar oorspronkelijk stonden er twee poorten;
de achterste was na 1665 met borstbeelden van Heracliet en Democriet versierd
45.
Maar wat ons het meeste interesseert is het aandeel van beeldhouwers
en schilders in de nieuwe schouwburg. Voor 1638 is dat er nog nauwelijks. De
eerste die genoemd wordt, is de beeldhouwer
Thomas Gerritsz; hij krijgt 15 october een
voorschot van ƒ. 100.-. Uit de dode cijfers spreekt nu een stukje
menselijke tragiek want na die ene keer komt zijn weduwe iedere drie weken een
bedrag incasseren dat haar toekomt wegens het werk van haar man. Dit zal totaal
ƒ. 547 : 6 : - zijn. Helaas is niet meer na te gaan wat dit beeldhouwwerk
geweest kan zijn. Zeker niet de beelden op het toneel want die waren
geschilderd. In october 1637 is ook een schildersknecht, zekere
Jan Harp onder toezicht van mr. schilder
Reynier Jorisz. Berchouwer begonnen met het
schilderen van het gehele interieur waar hij mee door gaat tot in mei 1638.
Zijn loon bedraagt ƒ. 1.- per dag. Als acteur verdient hij iets meer, nl.
ƒ. 1.50 per speelavond. Ook hij heeft het theater niet voltooid
aanschouwd. Zijn meester
46 zorgde blijkbaar voor het fijnere
werk, vooral vergulden en misschien ook de wapens van de stad en van de
regenten. Later komt zijn naam herhaaldelijk terug als schilder van
toneelschermen
47. Intussen werken de timmerlieden hard door in die
winter van 1637. Tegen Kerstmis zijn de regenten in een goede stemming: op
Kerstavond krijgen zij voor haer kloeck wercken een kroech 12 L Vlaems
(bier). Dan hebben ook de stratemakers de plaets gelegd, dwz. de vloer
van de zaal: ook de latere schouwburgen hadden immers een stenen vloer. De
ramen worden ingezet door regent-glazenmaker
W.D. Hooft en nu kan men tenminste spelen.
Het moet een indrukwekkende gebeurtenis geweest zijn voor de
Amsterdamse burgerij om, na het geruchtmakende uitstel, op 3 januari 1638 hun
legendarische held
Gijsbrecht van Amstel te zien ver- | | | | schijnen in
Van Campens monumentale speelruimte. Hoe het toneel er bij die eerste opvoering
uitzag, is onduidelijk. Het schilderwerk (de beelden, de perspectieven) dat
Savry's gravure toont, was er zeker nog niet; evenmin de balustrades boven de
galerijen; noch het houtsnijwerk der panelen noch de kroon, noch de gordijnen
48. Het is niet
onmogelijk dat de vier ronde zuilen er al stonden, d.w.z. de twee van het
middenportaal en de twee op de hoeken van de galerijen
49.
Voor de verschijning van Rafäel kan het oude hemelwerck gebruikt
zijn; en misschien deden de omdrayende doecken nog dienst. Want in
Rodenburg's
Vrou Jacoba, na de
Gijsbrecht vertoond, (23/3 1638) komt een dergelijke
decorverandering voor
50. Ook de zg. stomme vertoning (van de moord in het
Klarissenklooster) was er al, blijkens Vondels vermelding, onder de stomme
personages van Witte van Haamstee.
Op 18 maart 1638 ontvangt Nicasius van Eyckelsbeeck
51 ƒ. 252.- voor het snijden van verscheide wercken.
Men denkt daarbij in de eerste plaats aan de panelen met de schilden en
festoenen op het toneel, ook omdat er een vergoeding wegens wagenschot en
klaphout (dunne planken) op volgt. Een jaar later (10 juni 1639) komt zijn naam
weer voor wegens het maken van de troon.
In april 1638 is er draaiwerk betaald, van 30 pijlers en in
mei nog eens 13. Daar kunnen de pilaren van de balustrades mee bedoeld zijn als
men aanneemt dat er aan de zijkanten geen 12 maar 6 pilaren stonden op de
balcons. De rest was dan mogelijk bestemd voor losse balustrades in de
zijportalen of op het middenbalcon zoals bij
Pieter Quast te zien is
52.
Wanneer in april 1638 de bouwheer overlijdt, wordt hij vervangen
door zijn zoon
Willem van Campen.
Block en
Engelbrecht treden af. Twee keer komen de nieuwe
bestuurders bijeen (4 en 5 juni), bij welke gelegenheid de heren zich
materiële genoegens niet ontzegden: de twee comparitiën kostten de
bouwkas ƒ. 97 : 6 : -; en kort daarna is er nog eens voor ƒ. 264.-
bier aan het Weeshuis geleverd. Waarschijnlijk is
Jacob van Campen bij die belangrijke besprekingen
geweest om de opdrachten aan schilders en beeldhouwers aan de orde te stellen.
Er is toen ook weer beeldhouwwerk geleverd (Koen
Hillebrantsz (3/7 : ƒ. 120.-) en twee paar posten en twee grote
nissen (24/7 : ƒ. 52.-). Waar die beelden in nissen hebben gestaan, is
niet duidelijk; op het toneel was vermoedelijk slechts één kleine
nis (achter de troon)
53.
Het is zomer 1638. Weldra geraakt heel Amsterdam in
beroering. Want begin september komt een vorstelijk personage op bezoek: Maria
de Médicis, moeder van de koning van Frankrijk en van de | | | | koninginnen van Engeland en Spanje. In allerijl worden erepoorten
opgericht; de schutterij bereidt een grootse cavalcade voor. Er zal een
waterspel komen op het Rokin en een spiegelgevecht op het
IJ.
Samuel Coster en andere letterkundigen ontwerpen
vertoningen;
Vondel schrijft er teksten voor om door de acteurs van
de schouwburg te worden voorgedragen.
Claes Moeyaert maakt de decoratieve opzet.
Het is voor het eerst dat een Europese vorstin het gloednieuwe
Amsterdam bezoekt en men grijpt de gelegenheid aan om de
schoonheid van het machtige nieuwe Rome te tonen. In de Amstel
wordt een eiland gelegd en daar bouwt men een toneel waar de ene vertoning na
de andere zal te zien zijn.
Enkele dagen later zijn die vertoningen in de schouwburg herhaald,
eerst voor de Magistraat, daarna voor de Admiraliteit
54. Een
ervan stelt voor hoe Maximiliaan van Oostenrijk, voorvader van de koningin, in
aanwezigheid van de Duitse keurvorsten de Amsterdamse stedemaagd de
keizerskroon aanbiedt; een hoogst actueel thema want juist is de
Westertoren voltooid, fier symbool van de stad die als keizerin
de kroon draagt van Europa. De scène is twee keer afgebeeld: op een
prent van het Rokin-spel en als Vertoning. De afmetingen van het Rokin-toneel
lijken nogal overdreven wanneer men ze met de andere afbeelding vergelijkt. Men
vraagt zich zelfs af, of men op het Rokin van toneelonderdelen gebruik gemaakt
heeft. De straat- vertoningen werden immers altijd in de Schouwburg herhaald en
tonen dikwijls grote overeenkomsten met de indeling op het toneel.
Hummelen is van mening, - en hij bewijst dit aan de hand
van titelprenten van toneelstukken - dat het middenportaal op Van Campens
toneel verwijderd kon worden
55.
Wanneer Vondel een lijst maakt van requisieten, nodig voor zijn
Gebroeders
56 vermeldt hij o.a. 't Soldertjen op
de troon. Wanneer de dichter daarmee de troon-hemel, d.w.z. de
voorste zuilen en het dak van het portaal bedoelt, dan zou ook dit er op kunnen
wijzen dat het niet altijd aanwezig was. Bovendien ondersteunt deze
mogelijkheid Hellinga's hypothese volgens welke de achtergrond van de
Nachtwacht op reminiscenties aan de Schouwburg is gebaseerd
57. In
ieder geval bevonden zich triomfbogen en triomfwagens onder de inventaris van
de Schouwburg. Na de verbouwing van 1665 waren ze niet meer nodig en zijn ze
verkocht
58.
Het bezoek van Maria de Medicis heeft zeer vele kunstenaars
opdrachten bezorgd en geïnspireerd, in hetzelfde najaar van 1638 dat de
Schouwburg werd voltooid. Niet alleen letterkundigen, als
Coster,
Hooft,
Vondel,
Van Baerle, maar ook talrijke schilders en tekenaars:
Moeyaert,
Nolpe,
Thomas de Keyser,
Simon de Vlieger,
Martsen de Jonge,
Emmanuel de Witte
60,
Honthorst en
Sandrart. | | | | De pas verbouwde Kloveniersdoelen
kwam vol te hangen met schilderijen (o.a. de Nachtwacht). -
Van Campen had niet alleen de architectonische opbouw
van het toneel ontworpen, maar gaf ook aan hoe hij zich de geschilderde
afwerking voorstelde: het waren voor een deel dezelfde kunstenaars die in den
Haag met hem samenwerkten.
De interessantste uitgavenposten in de bouwrekening zijn de laatste
twee kolommen voor de afsluiting op 18 januari 1639. De timmerlieden krijgen
hun (laatste) loon uitgekeerd voor werkzaamheden tot en met de 9e october
61. Intussen is er een enorm doek geleverd voor het schilderen van de
schermen: 37½ × 13 ellen breed, d.w.z. 27 × 9 meter
62. Het toneel
is 14 m. breed; het moet dus dubbel gebruikt zijn voor alle schermen en
perspectieven - een aanwijzing dat ze aan twee kanten beschilderd
werden. Op 10 november krijgt Steven Jansz. van Goor de som
van ƒ. 536 uitgekeerd voor het schilderen van de landschappen aan de
schermen
63. Het zijn zonder twijfel de
schilderingen die op Van Badens schilderij te zien zijn
64. In
hoever
Van Baden exact de werkelijkheid heeft weergegeven is
een punt van discussie. Er zijn nogal wat verschillen met de plattegrond en de
prenten van
Savry: andere balustrades, geen uitspringende hoeken
boven de galerijen, doorlopen van het amphitheater en van de kroonlijsten; meer
ronde zuilen dan de vier kolommen in de rekening genoemd (twee ronde en
twee zeskantige op de plattegrond). Dat in ieder geval de voorgrond fantasie
is, mag men wel aannemen. In het algemeen kunnen schilderijen niet zonder meer
als betrouwbaar document gelden, en in het bijzonder niet wanneer er prenten en
vooral een plattegrond in dit geval zelfs met de naam van de architect
tegenover staan
65.
Opmerkelijk is ook de aanwezigheid van toeschouwers op de
zijgalerij. Maar wat in Van Badens schilderij
66 vooral de aandacht trekt, zijn de schilderingen tussen
de zuilen: de landschappen van Van Goor, in plaats van de panelen en de
perspectieven op de prent van Savry. Men kon die panelen dus wegnemen en door
schilderingen op doek vervangen.
Dapper zegt
67 dat het toneel als een Proteus gezwind,
met kleine moeite veranderd werd. De Academie bezat omdraaiende
doeken en in
Vrou Jacoba is een dergelijke decorwisseling
beschreven (zie noot 50). Het witte kader om Van Goor's landschappen zou dan
hieruit verklaard kunnen worden dat dit nodig was om het omkeren mogelijk te
maken zonder last te ondervinden van de uitsteeksels van kapitelen en
basementen der zuilen en pilasters.
Steven Jansz van Goor, in zijn tijd zeer gewaardeerd schilder, is
getrouwd met een nicht van Jacob van Campen
68.
Er zijn meer relaties van de architect als toneeldecorateur werkzaam: in de
eerste | | | | plaats zijn naaste medewerker bij de bouw van de Haagse
paleizen; de ontwerper van het Mauritshuis:
Peter Post, hofarchitect van Frederik Hendrik. In
opdracht van
Van Campen maakt hij, samen met een andere Haarlemmer,
Aelbert de Valck de bij
Savry afgebeelde perspectieven links en rechts onder de
galerijen
69. Deze Italianiserende paleisfantasiëen met koepels en
beelden op de daken, tegen een blauwe lucht met enkele witte wolken, versterken
de monumentaliteit van het toneel door hun verrassende ruimtewerking, als
achtergrond voor groepen fraai geklede personen.
Men kan zich voorstellen dat een dergelijk détail schilders
inspireerde wanneer ze een decoratieve achtergrond zochten voor een
portretgroep. Dan moet ook het geval zijn geweest toen Joachim von
Sandrart de opdracht had gekregen om het Korporaalschap van
Cornelis Bicker te schilderen in de dagen dat
Maria de Médicis Amsterdam bezocht.
Want de gelijkenis met het compartiment op het toneel is evident, al
werd de architectuur enigszins gewijzigd; het rechter scherm van Post lijkt er
iets meer op.
Sandrart was bevriend met
Vondel; hij heeft ook zijn portret geschilderd. Bij het
borstbeeld van de koningin ligt een blad papier met enkele versregels van de
dichter
70. Wanneer nu
inderdaad de schutters op het toneel geposeerd hebben, zou men kunnen
veronderstellen dat ze van een trap gebruik maakten die naar de bovengalerij
leidde, een losse trap die niet op de plattegrond is aangegeven. Herhaaldelijk
komen in de toneelstukken scènes voor waaruit blijkt dat men de
personages een trap naar de galerij ziet bestijgen
71.
Kort na Pieter Post gaat een andere medewerker van Jacob van Campen
aan het werk:
Moses Uyttenbroeck. Eerst moet er nog doek
geleverd worden (‘betteeckt’, d.i. beddetijk), en maakt
Antony Beiërs de schermen gereed zodat Uyttenbroeck
er de beelden op kan schilderen
72.
Men vindt op de prent van Savry zes beelden: links en rechts de
Griekse filosofen Herakliet en Demokriet, en op de achtergrond, boven:
Melpomene en Thalia, beneden Hercules (niet Apollo) en Mercurius. Kort tevoren,
nl. in maart 1638 had Uyttenbroeck in een zaal van het paleis Honselaarsdijk
deuren beschilderd met, zoals in de rekening staat vier stenen beelden,
waarvoor hij ƒ. 400.- ontving
73. Hieruit
moet volgen dat alle beelden op het toneel geschilderd waren (ƒ. 100.- per
stuk). Het kunnen platte beelden geweest zijn, die soms weggenomen werden
volgens
Hummelen. Het zou ook uit van Badens schilderij waar ze
ontbreken, op te maken zijn. In ieder geval kwamen ze later in de Regentenkamer
terecht
74. Zo nadert, eind 1638, een jaar na de opening het toneel zijn
voltooiing.
| | | |
Op 9 december kunnen ook de nieuwe gordijnen betaald
worden. Voor het eerst is er nu sprake van een vrouwelijke medewerker:
Anna Jansz, huisvrouw van
Hans van Nessen krijgt voor 138 ellen Delfts saai (95
m.) en het maken van de gordijnen: ƒ. 203 : 8 : -. Haar gordijnen, - in de
stadskleuren rood en zwart - zouden vooral nodig zijn bij het verbergen en
onthullen van de vele vertoningen op het middentoneel
75.
De bouwrekening wordt afgesloten op 18 januari 1639 na accoord te
zijn bevonden door de regenten van Wees- en Oudenmannenhuizen. De bouwkosten
bedroegen totaal: ƒ. 30.138 : 5 : - Er volgen dan eind mei, begin juni
1639 nog enkele nagekomen posten: 29 mei wegens ses schepen zoden
ƒ. 24.-; waarschijnlijk voor de tuin achter de schouwburg; de weduwe van
de loodgieter komt nog met een nota (ƒ. 250 : 11 : 8 per 1 juni
75a). Ook de timmerman heeft voor het laatst nog wat te vorderen (346
: 0 : 12, 9 juni). Dan blijkt kort tevoren de regentenkamer ingericht te zijn:
de lakenverkoper heeft 13 ellen groen laken geleverd (3 juni) en dezelfde Anna
Jansz die de toneelgordijnen had gemaakt, zorgt voor stoelen, gordijnen en een
kroon
76. Naar
uit het kasboek blijkt, is in diezelfde tijd de troon voltooid: de zetel door
Nicasius van Eyckelsbeeck de beeldsnijder; verguld en
met blauw fluweel bekleed. Tegelijk kwamen in het portaal blauwzijden gordijnen
te hangen
77.
Ook
Henrick Meurs is klaar met het tekenen en schrijven
van verscheyde spreucken en rijmen op d'schouburgh (ƒ. 40.-, 11 juni)
soms in vergulde letters
78. Na nog een laatste postje van de steenkoper kunnen de nieuwe
hoofden feestvieren. Met een maal voor ƒ. 120.- en driekwart aem
wijn (dus 108 L), wordt op 15 november 1639 de bouwrekening definitief
afgesloten.
Wat nu nog ontbreekt, is de hemel. Die zal pas later gereedkomen,
nl. omstreeks Kerstmis 1639. Men speelt dan niet
Gijsbrecht van Amstel maar een ander kerstspel:
De moord der onnozelen van de stadssecretaris
Daniël Mostart en besteedt veel zorg aan de
enscenering. Het treurspel eindigt met een scène in de hemel waarheen de
gestorven kinderzielen opstijgen om verwelkomd te worden door de profeet
David die spreekt van naderende morgenstond. Het blijkt dat voor
dit doel een nieuwe hemel - apparatuur is gemaakt door
Claes Moeyaert, want op 23 januari 1640 krijgt hij
voor het schilderen van de hemel en twee schermen ƒ. 140.-. Maar
het gehele hemelse toestel kostte veel meer. Er kwamen verschillende
medewerkers aan te pas: de timmerman, een leverancier van zeildoek, een smid,
de | | | | schilder
Berchouwer en tenslotte de blikslager
79. In ander verband wordt deze genoemd, wegens het verstellen
van lampen
80. Er zijn in het
theater niet alleen kaarsen, flambouwen, spiegelglas, spiegelballen, maar
evenzeer olielampen gebruikt. Ook bij het oude hemelwerck behoorden
blaffeturen, d.w.z. doorschijnende schermen om de lichtbron te temperen.
Het kerstspel van
Mostaert eindigde dus met een fraai lichteffect van
naderende morgen. Totdat de luiken dichtgingen, want de hemel kon volgens
Fokkens gesloten worden door twee deuren
81. De daarop geschilderde voorstelling is het
Paris-oordeel: Jupiter, Mercurius en Paris met de drie godinnen Juno,
Pallas, Venus onder het opschrift Jupiter omnibus idem. Dit - zonder
twijfel kleurige - tafereel van
Claes Moeyaert zal in de gehele compositie van de
toneelarchitectuur sterk de aandacht hebben getrokken door het invallend
daglicht van het grote raam er recht tegenover. Moeyaert is in hetzelfde jaar
(tot 1641) schouwburgregent geweest.
Waarom
Van Campen juist dit mythologische thema als centraal
motief van zijn toneel koos, kan samenhangen met de invloed van
Jacob Block, regent tijdens de bouw en opnieuw een van
de hoofden in 1641 (tot '44) en zoals gezegd een vurig bewonderaar van
Jan Harmens Krul. Diens
Vonnis van Paris was in 1637 ten bate van de
schouwburgbouw gespeeld, maar
W.D. Hooft zou steeds verhinderd hebben dat het werk van
Krul na 1637 op het toneel kwam
82. Pas in januari 1648,
toen hij geen bestuurder meer was, kreeg men eindelijk
't Vonnis van Paris en d'ontschaeckinghe van
Helena in het toepasselijke decor te zien
83. Cupido verscheen in
de hemel, spreckende uyt de Wolcken, die sacht in 't neder dalen zijn
84. Hoe dit neerdalen
zich kon voltrekken terwijl het personage bleef doorspelen, blijft een vraag.
Hunningher meent - (Domselaer spreekt van
voor uyt schieten) - dat een ingewikkelde machinerie zoals
Sabattini beschrijft - de Wolken omlaag bracht.
Maar - Domselaer bedoelt kennelijk een andere machinerie
85. Bovendien was het toneel met
het middenbalcon te ondiep voor een dergelijke handeling. Hummelens oplossing
is eenvoudiger:
86 door het wegnemen van
het portaal en de wand daarachter kon het hemeltoestel rechtstandig, langzaam
neerdalen en zichtbaar blijven voor de verrukte toeschouwers. Na terugkeer
sloten zich dan Moeyaerts luiken.
De plotseling door de lucht zwevende verschijningen (de Faam bv)
hingen volgens een hypothese van Hummelen
87 aan een kabel. Een
dergelijk toestel bezat de schouwburg nog tot voor de brand | | | | van
1772
88.
Er waren luiken in het dak van de galerij waardoor bv. Aran (in
Aran en Titus van
Jan Vos) in een vuurpoel stortte
89. Achter de
intrigerende uitbouwen in de linker- en rechterbovenhoeken van het toneel
(volgens
Savry) kan een takelinstallatie gestaan hebben
90. En dan waren
er tenslotte nog zinkluiken in de toneelvloer, om met katrollen onderaardse
geesten te laten verrijzen en afdalen
91.
Behalve door dit, dankzij de
schouwburgregent-dichter-‘regisseur’ Jan Vos spreekwoordelijk
bekendgeworden kunst- en vliegwerk trok de schouwburg enorme
belangstelling door de soms schitterende stomme vertoningen
92. Typische uiting van
rederijkerskunst al sinds de late Middeleeuwen, vond men de tableaux vivants
overal in de Nederlanden: in erepoorten bij vorstelijke intochten, op wagens in
de rederijkersoptochten; als levende versiering van straattonelen; en in de
toneelzalen als onderdeel van toneelvoorstellingen. Terwijl in Engeland de
dumb-shows een meer pantomimisch karakter vertoonden
93 en zich ontwikkelden tot ‘masques’,
voorloper van de show-opera, bleef in Nederland het statisch-picturale karakter
gehandhaafd van levend zinnebeeld, visuele illustratie van een verhaalde of nog
te verhalen gebeurtenis (zoals de nonnenmoord in
Gijsbrecht van Amstel); of als apotheose. Deze
wonderlijk-starre droombeeldachtige groepen, opzettelijk contrast met de
heftige werkelijkheid van het voorgestelde is in de 17e eeuw een karakteristiek
kenmerk van de Hollandse barok-toneelkunst. De grote populariteit ervan is te
vergelijken met de nog altijd veel publiek trekkende ‘net-echte’
wassenbeeldengroepen in Musée Grévin of Mme Tussaud's. De
17e-eeuwse tableaux-vivants moeten soms bijzonder mooi zijn geweest, vooral
wanneer meesters als
Moeyaert (1638) of
Isaacz (1648) ze ontwierpen.
Hier zijn dan ook belangrijke, nog niet grondig onderzochte
aanknopingspunten met de beeldende kunst.
Het schilderij van
Pieter Quast, bekend onder de naam De lof der
zotheid, stelt er waarschijnlijk een voor. Heppner heeft indertijd
aangetoond
94 dat hier hetzelfde thema uitgebeeld is dat
P.C. Hooft inspireerde tot zijn reeks ‘tableaux
vivants’ bij het Bestand in 1609, nl. de geschiedenis van Lucretia,
Tarquinius en Brutus, zinnebeeld van de strijd tussen de Republiek en Spanje
95.
Het ‘tableau’ op de voorgrond zou een toelichting op het
thema van het stuk kunnen voorstellen; een soort spiegelbeeld met een politieke
toespeling: de Capitano-figuur Tarquinius stelt volgens Heppner de spaanse
tirannie voor. De groep is geflankeerd door een jongen en een oude man,
repre- | | | | sentanten van Weeshuis en Oudemannenhuis. Dit alles wordt
getoond op het middentoneel. De ‘hemel’ is vervangen door een
scherm met een poortje; het balcon afgesloten door een balustrade met bollen en
een draperie. De beelden zijn niet dezelfde als die van
Uyttenbroeck en ook de afmetingen zijn veranderd: het
werkelijke toneel was groter.
Het middentoneel werd het meest gebruikt voor de grote vertoningen.
En aangezien ze meestal een gruwelijke gebeurtenis voorstellen (zoals de
nonnenmoord) is het vergulde opschrift boven de troon zeer toepasselijk:
Mentem mortalia tangunt
96.
Maar het middentoneel was niet de enige ruimte waar levende beelden
werden opgesteld en onthuld. Want in de vele beschrijvingen van vertoningen,
b.v. door
Jan Vos,
Boelens,
Gerard Brandt is er steeds sprake van één
grote vertoning die dan gevolgd wordt door telkens vijf, zoals men dat noemde,
verschieten. D.w.z. er wordt genoemd: een groot tableau aan de
rechterzijde en daarnaast een kleiner; een klein tableau links en daarnaast een
groter en dan weer een in het midden, dus in het troonportaal, en soms daar
weer een achter
97. Het portaal zelf was niet
groot (± 2.70 m × 1 m.) maar op die kleine ruimte konden wel 10
personen worden samengepropt.
Jacob van Campen had dus in zijn toneel de mogelijkheid
opgenomen om zes tableaux vivants achter elkaar te vertonen. Als de panelen
tussen de zuilen van de galerijen weggenomen waren, konden in al deze
‘kijkkastjes’ groepen opgesteld worden en telkens onthuld, na het
openen van gordijnen. Een van de redenen waarom de bouwmeester zijn toneel
breed en ondiep maakte, moet de wens geweest zijn de vertoningen zo goed
mogelijk aan iedereen te laten zien.
Bijzonder mooie voorbeelden van dergelijke kleinere
levende-beeldengroepen zijn de vertoningen op de Dam in 1648, bij
de vrede van Munster, ontworpen door
Coster,
Boelens, en geschilderd door
Isaac Isaacsz. Zij zijn afgebeeld in fraaie prenten
98 waarvan het Prentenkabinet
een gekleurde serie bezit. De allegorische voorstellingen, omlijst door zuilen
en opgenomen gordijnen, passen zonder meer in Van Campens kijkkastjes.
Inderdaad zijn zij dan ook in de schouwburg vertoond, nl. op 8 juni 1648 en
volgende dagen
99. De uitzonderlijk hoge recettes
100 wijzen op een enorme toeloop. Er moet iets bijzonders te zien
geweest zijn. In dezelfde tijd, nl. op 29 juni 1648 komt een groot bedrag voor,
aan uitgaven voor de toneelverlichting; alleen aan kaarsen en olie ƒ. 322
: 11 : -
101. Méer dan bij vroegere vertoningen moet
er met lichteffecten gewerkt zijn. Waarschijnlijk heeft de decorateur, evenals
in Moeyaerts hemel, gedeeltelijk transparante schermen gebruikt.
Hoe funktioneerde nu Van Campens toneel verder? Hier rijzen nog vele
onopgeloste vragen al | | | | hebben door nauwgezette analyse van
beschikbare afbeeldingen Hunninger, Hellinga en Hummelen getracht de opbouw van
het toneel en de vertoonwijze te reconstrueren
102. De ontwerper
moest (al voor 1637) rekening houden met een zeer gevarieerd repertoire,
geschreven voor andere tonelen: in het buitenland: Frankrijk, Spanje, Engeland,
of ontstaan binnen de verschillende rederijkerskamers met waarschijnlijk
uiteenlopende toneelvormen. (Oude Kamer, Brabantse Kamer, Academie,
Muziekkamer). Als er beschrijvingen verschijnen van het toneel, (na 1660)
begint de ‘eenheid van plaats’ een dramaturgische eis te worden.
Fokkens (1662) zegt alleen dat het toneel groot is,
met grote hoge zuilen, en een hemel;
Dapper (1663) spreekt van een koninklijk toneel.
Alleen
Domselaer (1665) die ook het meer veranderlijke
coulissentoneel aankondigt, meent dat Van Campens toneel een
Koninklijk Paleis of Hof uitbeeldt. Er voltrok zich een langzame evolutie
van ‘polytopie’ naar ‘monotopie’ van: veel plaatsen van
handeling, naar eenheid van streek, tenslotte eenheid van plaats: een
ontwikkeling die b.v. ook het Hôtel de Bourgogne doormaakte
103.
Voor de hand ligt het gebruik van onderdelen van de gevarieerde
opbouw die tegelijk als architectonisch geheel was geconcipieerd. De galerijen
konden dienen voor stadsmuren of transen; het middenportaal werd gebruikt als
troon, kapel, hemelbed, of, als de nis verwijderd was, als poort. Want het
podium achter het poortje is even hoog als dat ervoor
104. De afstanden tussen
de pilasters waren gelijk en de panelen konden vervangen worden (door een
gevangenisraam, of een deur). Onder de galerijen zijn interieurscènes
denkbaar.
Het eerste zijscherm links en rechts bij
Savry heeft door de ontdekking van Van Badens
voorstelling van zaken vragen opgeroepen. Maar aangezien de plattegrond
overeenstemt met Savry en het plaatsen van een scherm met ongeveer dezelfde
funktie als wat er dan achter stond, (bovendien technisch moeilijk
realiseerbaar) niet zeer waarschijnlijk is, moet men aannemen dat
Van Baden gefantaseerd heeft. Misschien wilde
Van Campen door een van de zaal afwijkende architectuur
juist een scheiding bewerkstelligen om een zekere dieptewerking te geven
105. Er bestaat nog een tweede, latere versie naar de prent van
Savry, nl. met luikjes boven de deuren in plaats van beelden. Losse panelen met
de beelden van
Uyttenbroeck kunnen daar dan voorgehangen zijn. Er was
in ieder geval in die zijwand soms een opening nodig want hierachter was de
plaats voor de musicanten in een afzonderlijke kamer.
De dagelijkse rekeningen van ontvangst en uitgifte vermelden tot
1652 gedetailleerd alle recettes en alle onkosten. Bijzonder veel informatie
over het repertoire en de rolverdelingen kon
C.N. Wijbrands bijeenbrengen van het seizoen 1658/9
106. De posten die betrekking hebben op schilderwerk zijn in de regel
slechts kleine bedragen
107. Twee keer is er veel
werk gemaakt van de enscenering, nl. door
Claes | | | | Moeyaert in de tijd dat
Corneille's
Cid werd vertoond
108, en door
Jan Buesem of Boezem
109 in 1644.
Dezelfde schilder had twee jaar eerder (5 febr. 1640) een bedrag van ƒ.
25.- ontvangen voor 't schilderen van 't perspectief. Verder komen er
telkens uitgaven voor wegens levend groen: bomen, graszoden
110. Voor Vondels groene speeltoneel (het
boerenlandpriëel) in het landspel
De Leeuwendalers (1648) zijn zelfs levende
bloemen in de versiering verwerkt
111.
Ook is wel eens een echte fontein te bewonderen geweest
112. Zeker niet uit
zucht naar realisme; nog altijd hadden de requisieten in de eerste plaats een
zinnebeeldige, poëtische funktie.
Grote bedragen zijn ook uitgegeven aan de costumering. In
één seizoen (1638/9) is ± ƒ. 560.- uitgegeven aan
zijden stoffen
113. Aangezien er
ditmaal niet bij wordt vermeld dat ze voor gordijnen bestemd waren, moet men
aannemen dat er veel nieuwe costuums zijn vervaardigd. Verder vermelden de
kasboeken uitgaven wegens passement, zilverkant, zilverlaken, goudleer,
pluimen, laarzen, handschoenen, ringen, parels, wapens, vaandels, harnassen
114 en natuurlijk, omdat de
vrouwenrollen door mannen of jongens werden vervuld: pruiken, wrongen en
lokken.
Samenvattend kan men op grond van de rekeningen vaststellen dat de
volgende houtsnijders en beeldhouwers aan de inrichting en decoratie van de
schouwburg hebben meegewerkt:
Nicasius van Eyckelsbeeck,
Thomas Gerritsz,
Koen Hillebrantsz,
Hendrick Jansz, en de schilders:
Reynier Jorisz Berchouwer,
Steven Jansz van Goor,
Pieter Post,
Aelbert de Valck,
Moses Uyttenbroeck,
Claes Moeyaert,
Jan Buesem,
Isaac Isaacsz. Van de acteurs zijn
Triael Parker,
Leon de Fuyter,
Guilliam de Viele als schilder werkzaam geweest
115. Voegt men daarbij de namen van
Van Baden en
Pieter Quast die scènes in de schouwburg
afbeeldden en acht men het mogelijk dat
Rembrandt en
Sandrart direct door het toneel zijn geïnspireerd
dan moet de conclusie luiden dat er meer contact tussen de 17e-eeuwse beeldende
kunstenaars en de schouwburg is geweest dan men meestal aanneemt.
Een toneelvoorstelling in Jacob van Campens schouwburg moet een
schitterend schouwspel zijn geweest: weelderige zijden costuums in glanzende
kleuren, glinsterende helmen en harnassen; wappe- | | | | rende vaandels en
pluimen - en dat alles binnen een indrukwekkende monumentale speelruimte in het
geheimzinnige licht van kaarsen, flambouwen en olielampen; veel personages - in
beweging of decoratief gegroepeerd als levende schilderijen, omlijst door hoge
zuilen en draperiëen. In het midden trok boven het kleurige speelse
tafreel van
Moeyaert de aandacht; daaronder de gebeeldhouwde
vergulde troon, beekleed met goudleer en blauw fluweel, onder gordijnen van
blauw satijn. Muziek van klankrijke poëzie, van gezang, van
muziekinstrumenten
116 vulden de
grootse en toch intieme ruimte
117. Van de
acteurs werden velen geroemd:
Adam Carelsz van Germez om zijn mooie stem en
aangrijpende voordracht;
Thomas de Keyser om zijn ‘majesteit’ en zijn
sterk inlevingsvermogen;
Gillis Noozeman en
Jan Baptist van Fornenbergh
118 verwierven faam aan het Zweedse hof. Talrijke verzen en
wijsgerige citaten accentueerden de sfeer van schouwend bespiegelen
waarin deze dramatische kunst zich voltrok.
Uit die sfeer van 17e-eeuwse levenswijsheid en burgerzin is na de
Vrede van Munster de bouw van het Raadhuis op de Dam begonnen, met
zijn imposante Burgerzaal, ontmoetingscentrum van overheid en burgerij van het
machtige, zelfbewuste Amsterdam; en zijn Vierschaar, ingericht
voor een wreed godsdienstig ritueel. Miss Fremantle heeft dat ritueel boeiend
beschreven
119 en
gewezen op de overeenkomst tussen de door
Van Campen ontworpen en door
Quellinus gebeeldhouwde westmuur van de Vierschaar en
het toneel van de schouwburg. Men herkent de troon (van Salomo)
in het midden en aan weerskanten tafrelen die herinneren aan tableaux-vivants
in de schouwburg: Seleucus offert een oog voor zijn zoon; Brutus vonnist zijn
eigen zonen, scène uit het Lucretia-verhaal van Livius, (door
P.C. Hooft vertoond in 1609 en op het toneel aan de
Keizersgracht afgebeeld door
Pieter Quast). De achtergrond toont gelijkenis met de
perspectieven van
Pieter Post. Daarboven was in de Vierschaar de
Zondeval afgebeeld, en in het midden had Van Campen zich zijn
schilderij van het Laatste Oordeel gedacht. Op het toneel stond
op de overeenkomstige plaats boven de troon Moeyaerts hemel met de schildering
van het Paris-oordeel en het opschrift: Jupiter omnibus idem. Wat in de
Schouwburg tot de mythologische verbeelding sprak, wat diende tot verheldering
en bevestiging van levensinzicht, was in de Vierschaar getransponeerd in de
bittere ernst van een situatie waar een schuldig geoordeelde zich moest
voorbereiden op het gerechtelijk doodvonnis dat daarna op de Dam, de openbare
plaats, ten uitvoer werd gebracht. Het verheven spel in de monumentale
schijnwereld van houten-marmeren zuilen had evenzeer, zij het op een andere
manier, te maken met de eeuwige vragen van leven en dood, lijden, schuld en
oordeel, - als de juridische plechtigheid tussen het echte marmer. Dezelfde
thema's die in het Raadhuis te vinden zijn, kwamen tot leven op het speeltoneel
120.
Van Campens schouwburg vervulde een levende funktie in het steeds
groeiende Amsterdam. In | | | | 1662 zette
Jan Vos een reeks vertoningen in elkaar met 80
medewerkers,
De Vergroting der stad Amsterdam
121. Nog eenmaal werd de glorie van de
stad thetraal zichtbaar gemaakt. Maar het zou de laatste grote show in de
schouwburg zijn, want in 1664 verdween het monumentale toneel om plaats te
maken voor het traditionele barok-schuifcoulissentoneel.
Domselaer vervangt in zijn
Beschrijvinge van Amsterdam (1665) Dapper's toespeling
op de mogelijkheden tot decorwisseling in de oude schouwburg door kritische
opmerkingen over de veel te brede, te ondiepe, te zware en te vaste bouw en
maakt plannen bekend om een nieuw toneel in te richten na d'Italiaanze
manier, als men nu te Venetiën gebruyckt, met alle bedenkkelijke en
schiellijke veranderingen van Perspectiven of Inzichten, en veelderley
Vliegende Werken, die men Machines noemt
122.
Zo zal dan in 1665 het zg. kijkkast-systeem tot stand komen waar het
‘schouwen’ niet meer die zinrijke funktie had als in 1637. De
toeschouwer die zich vroeger direct betrokken had gevoeld bij het spel, die
deel uitmaakte van een speelruimte waarin hij opgenomen was, zat voortaan voor
een kijkdoos te wachten op het moment dat het voorscherm die andere wereld, de
droomwereld, zou onthullen waar hij op een afstand naar keek. Totdat, op 7 mei
1772, door onvoorzichtig manipuleren met de olielampen, tijdens een
voorstelling de brand uitbrak die het toneelleven aan de
Keizersgracht deed beëindigen.
Nu herinneren alleen nog het stenen toegangspoortje tot het R.K.
Armenkantoor en de voorplaats aan Jacob van Campens meesterwerk.
| |
B. Albach
The Amsterdam Theater by Jacob van Campen
In 1637, following the union of three Chambers of Rhetoric,
work was begun on a new theatre in Amsterdam to replace the wooden
building (of 1617) known as the Academy. The prime mover behind the project was
the city treasurer,
Nicolaas van Campen, and the architect was his
great-nephew,
Jacob, who, although clearly influenced by Palladio,
worked out his design primarily in accordance with the traditions of the
Rhetoricians, bearing in mind the demands of their many-sided repertoire as
well as elements of decor already in existence and the requirements of the
Netherlanders' beloved tableaux vivants.
Situated behind some of the houses on the
Keizersgracht, the building looked much the same from the outside
as the Academy. It was built on piles, the exterior being of brick and the
interior of wood. Through a monumental entrance on the canal one passed into a
courtyard and thence through a low foyer into the theatre itself, under the
steeply sloping roof. The theatre was elliptical in form with a stage as broad
as the auditorium (14 m.) but very shallow (maximum 5 m.). The pit had a brick
floor, providing standing room only, surrounded by two tiers of boxes with an
amphitheatre above. The ceiling had a barrel vault with a semicircular window
opposite the stage to let in daylight; otherwise the theatre was lit by a
chandelier, oil lamps, candles, wax-lights and torches.
The theatre's accounts, which have been preserved, provide much
useful information about the progress of the building
| | | |
work,
the materials and people involved in the installation and decoration, the
repertoire and the actors. The building itself was paid for of out the proceeds
of the Rhetoricians' theatrical presentations, which had long been used to
suppurt the city orphanage and the almshouse for old men. When it was opened on
January 3rd, 1638, it was still not finished and work on the stage, entrance
and boardroom continued throughout that year and most of the next, the building
accounts being finally closed in November, 1639. Among the craftsmen were
Nicasius van Eyckelbeeck who did the woodcarving,
R. J. Berchouwer who did minor painting jobs, and
Thomas Geritsz. who was responsible for the
sculpture.
The final work on the stage began about the time of Marie de
Medici's visit to Amsterdam in September 1638 (which,
incidentally, provided work for a great many artists, since the displays on the
River Amstel were repeated in the theatre). The landscape flats, which appear
on Van Baden's painting of the stage and which could evidently be interchanged,
were painted by
Steven Jansz. van Goor and the six flat statues, which
were detachable, by
Moses van Uyttenbroeck, while
Aelbert de Valck and
Pieter Post were responsible for the perspective views
in the background, which seem to have given
Joachim van Sandrart inspiration for his militia
piece. On either side and the centre at the back there were porticos. The
central pavilion, hung with blue silk curtains containing a throne (by
Van Eyckelbeeck) upholstered in blue velvet, could, so
it seems, be removed to permit a painted and specially illuminated
‘cloud’ to be lowered and raised behind the opening thus revealed
in the back wall. This cloud and the ‘Gates of Heaven’ above the
central pavilion, with a representation of the Judgment of Paris, were
completed in December 1639 by
Claes Moeyaert. The central section (alcove) was often
the setting for dumb shows (a typical example of whichs appears to be
represented in Pieter Quast's In Praise of Folly), while all the
porticos were used to frame tableaux vivants, like Isaacsz.'s
street-scenes which, according to the accounts, attracted very large audiences.
From the projecting corners of the side balconies apparitions could be let
down, and there were also trapdoors in the floor of the stage itself.
Under the influence of the Italian decor system however, in
1664 the permanent setting was dismantled in order to enable the auditorium to
be rearranged lengthwise and a deep stage with changeable scenery to be built.
This necessitated the addition of an extension behind the theatre but otherwise
the exterior was little affected.
As Miss Freemantle has pointed out, there is a resemblance
between
Jacob van Campen's stage and the wall of the Tribunal
in the Town Hall (now the Palace) on the Dam, which served as a backdrop for
the ceremonial process of justice, and indeed the reality enacted there had
exactly the same mythological and religious appeal for the citizens of
Amsterdam as the performances in their monumental theatre.
|
1Carl. Niessen, Das Bühnenbild,
Leipzig 1924/27; George R. Kernodle, From Art to Theatre, Chicago 1943;
Sheldon Cheney, The Theatre, New York 1945; J. Laver, Drama, its
costume and Decor, London 1951; George Altman e.a., Theater
Pictorial, Berkeley and Los Angeles 1953; H. Kindermann,
Theatergeschichte Europas III. Barockzeit, Salzburg 1959; Phyllis
Hartnoll, The Oxford Companion to the Theatre, London 1967; Phyllis
Hartnoll, A concise History of the Theatre, London 1968; Bamber
Gascoigne, World Theatre, London 1968. Helaas noemen nog altijd veel van
deze buitenlandse werken uitsluitend Nicolaas van Kampen, de
‘bouwheer’ en verzuimen zij te vermelden dat Jacob van Campen de
architect was; een misverstand door Wijbrands veroorzaakt, hoewel Worp al de
naam van de eigenlijke ontwerper vermeldt.
2S.J. Gudlaugsson, ‘Jacob van Campens
Amsterdamse schouwburg door Hans Jeuriaensz van Baden uitgebeeld’, Oud
Holland 64, 1951. p. 179 e.v.; W.Gs. Hellinga, Rembrandt fecit,
Amsterdam 1956; W.Gs. Hellinga,
La représentation de ‘Gijsbrecht van
Aemstel’ de Vondel, Le Lieu théâtral à la
renaissance, Paris 1964, p. 323 e.v.; B. Hunningher,
‘De Amsterdamse schouwburg van 1637. Type en
karakter’, Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 9, 1958, p.
109 e.v.; B. Hunningher, ‘Het toneel in de Amsterdamse Schouwburg
van 1637’. Mededelingen van de Kon. Ned. Akad. v. Wetensch.
afd. Letterk. Nwe reeks, 22, 4, Amsterdam 1959; B. Hunningher, ‘A
Baroque Architect among Painters and Poets’ Theater Research 3
(1961) 23; W.M.H. Hummelen, ‘Inrichting en gebruik van het toneel
in de Amsterdamse Schouwburg van 1637’, Verhandelingen der
Kon. Ned. Akad. v. Wetensch. afd. Letterk. Nwe reeks, 73, 3, Amsterdam
1967.
3Rekeningh van de nieuwe Schouwburgh, 18
januarij 1639 gesloten, Begonnen in april Ao 1637, Archief Burger Weeshuis 139
in het Amsterdamse Gemeente-archief. (ABW 139); Ontfang en Uytgift van
d'Amsterdamsche Schouburg van de Jaere 1637, (ABW 425). (loopt door tot en met
2 febr. 1678 (t.e.m. 1/7 1651 zeer gedetailleerd); Schouburghs Rekeningen, ABW,
426. (1638-1648); Schouburghs Rekeningen, ABW, 427 (1648 t.e.m. 29/6
1652).
4C.N. Wijbrands,
Het Amsterdamsche Tooneel van 1617-1772,
Utrecht 1873; J.A. Worp,
Geschiedenis van den Amsterdamschen schouwburg
(1496-1772), uitgegeven met aanvulling tot 1872 door J.F.M. Sterck,
Amsterdam 1920.
5H. van de Waal, Rembrandt at Vondel's Tragedy
Gijsbreght van Aemstel, Miscellanea J.Q. van Regteren Altena, Amsterdam 1969,
145-149.
6‘Rekeningh van de nieuwe
Schouwburgh, 18 januarij 1639 gesloten, Begonnen in april AO
1637’ (ABW 139).
7Zie voor deze periode: N. Wijngaards,
Jan Harmens Krul, Zwolle 1964.
8T. van Domselaer,
Beschrijvinge van Amsterdam, Amsterdam 1665.
Geciteerd bij B. Hunningher,
Het toneel in de Amsterdamse schouwburg van
1637, Amsterdam 1959, Bijl. III, 168.
8T. van Domselaer,
Beschrijvinge van Amsterdam, Amsterdam 1665.
Geciteerd bij B. Hunningher,
Het toneel in de Amsterdamse schouwburg van
1637, Amsterdam 1959, Bijl. III, 168.
9Het oudste recht op dergelijke revenuën
had het Spinhuis (1596). Na 1628 betrok deze instelling inkomsten uit de
voorstelling van andere dan de drie Amsterdamse Kamers; W.F.H. Oldewelt,
Amsterdamsche Archiefvondsten, Amsterdam
1942, 128 e.v.
10J.A. Worp,
Gesch. v. d. Amst. Schouwburg, 124 noot
4.
11O. Dapper,
Historische Beschrijvingh der Stadt
Amsterdam, Amsterdam 1663, geciteerd in: B. Hunningher ‘Het
toneel in de Amsterdamse schouwburg van 1637’; Bijl. II, 31.
12Boven de voorpoort, ( in 't voorhoofd des
Schouwburgs uitgehouwen Berecht bij Salmoneus, 1654): De wereld is een
speeltoneel, elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel, zie verder Vondels
gedichten onder de titel: ‘Op het Toneel’, in Vondel, volledige
dichtwerken en oorspr. proza, verzorgd en ingeleid door Albert Verwey,
Amsterdam 1937, 951.
13Beschrijvinge van Amsterdam, 1665
IV e boek.
14Onderschrift bij de prenten van
Savry.
15Theatrum stond op een paneel aan de
voorkant van het toneel, tussen de wapens der regenten (prent van Savry,
1658).
16J. Verdam, Middelnederlandsch
Handwoordenboek, 's-Gravenhage 1932.
17P.T.A. Swillens,
Jacob van Campen, schilder en beeldhouwer,
Assen 1961, 68.
18‘De Amsterdamse Schouwburg van
1637, type en karakter’, Ned. Kunsthist. Jb. 1958.
19R. van Luttervelt, ‘Het
Raadhuis aan de Dam’, Heemkennis Amsterdam deel VIII, p.
14. Reeds in december 1636 ontving Van Campen de studie van Villalpandus over
Ezechiël van J. Wicquefort.
20Jaarfeest van Costers Academie:
Gheselschap der Goden vergaert op de ghewenste bruyloft van Apollo
(1618): prent van C.J. Visscher naar een tekening van D. Vingboons.
21Plein betekent: parterre. Ook Fokkens
gebruikt het woord: (gecit. bij Hunningher, ‘Het toneel…’.
Bijl. IV, 170).
23Vg. het eenvoudige
rederijkerskamer-interieur van Van de Venne in het
Tafereel van de Belacchende werelt (afb. in
B. Gascoigne, World Theatre, London 1968, 184, fig. 164).
24Vondel,
Inwijding van 't gelaurierde prinsebeeld
(1632), Vondel, Voll. dichtw. Amsterdam 1937, 779.
2527 Jan. 1638. betaelt aende Regenten van
't Weeshuys voor balcken sparren ende ander hout aende kamer in diversse reysen
gelevert: ƒ. 1086 : 11 : -. (ABW. 139. In de tweede kolom steeds
stuivers; in de derde centen).
26Volgens Wijbrands (68) stond er een loods
van een steenhouwer, sinds 1631.
28(ABW 426) 60 × 71 voet binnen de
muren, zonder voorhuis.
30Moortje, 17/9-10/10 1637; bruto ƒ. 1167
: 16 : -; min onkosten ƒ. 353 : 3.- (en nog eens verminderd met ƒ.
330.- vanwege gekochte costuums); Spel van Paris en Helena, 11/10-9/11 1637,
bruto ƒ. 1059; 14 : 14; netto ƒ. 650.-. deze 2 bovenstaande
spellen zijn vertoont in 't Schermschool, terwijl men den Schouburg bouwde
(ABW. 425).
31De zes schouwburgregenten werden, namens
Burgerweeshuis en Oudemannenhuis, door de Burgemeesters benoemd. De overigen
tijdens de bouw waren: David Sens en Hereman Dircksz. Coorenkind. In 1638/39
bleven Hooft en Sens aan; de overigen zijn vervangen door: Floris Stoop, Willem
van Campen, Tobias van Domselaer, Jacob Bas Cornelisz. (Wijbrands,
227).
32Zie voor het volgende de belangrijke studie
van N. Wijngaards,
Jan Harmens Krul, Haarlem 1964, 68 e.v.
33In de Nes, ‘dichjes bij de
Lombert’ (Wijngaards 68).
34Ao 1637, den 10en october: betaelt
aen mr. Jacob Block ende Sijmen Engelbrecht de somme van driehondert dartich
guldens, voor verscheyde kleeren bij de Regenten van haar gecoft, om in 't
spelen te gebruycken (ABW. 139)
35Vondel, uitg. Verwey, Amsterdam 1937,
927.
36J.F.M. Sterck,
Oud en Nieuw over Joost van den Vondel. Amst.
1932, 23 e.v.
37blijkens een brief van Vossius aan Hugo de
Groot van 6 jan. 1638. P. Leendertz Jr.
Het leven van Vondel, Amst. 1910, 172.
38Er bestaan veel afbeeldingen van costuums op
de titelprenten bij het werk van Krul. Rembrandt tekende een scène uit
zijn Hellevaert van Rodomond. (Wijngaards, 240). Er zijn voor de Gijsbrecht wel
nieuwe costuums gemaakt maar dit is te weinig om een volledige costumering te
kunnen zijn. Zie de uitgaven voor de eerste opvoeringen in: B. Albach,
Drie eeuwen Gijsbrecht, Amst. 1937, Bijl. I,
135.
3912/2 1638: betaelt ande kosten van de
Luyters kerck van de kroon van schueren. f 8.-; 15/4 1638: ande koster
vande Luyterse kerck voor het schueren en hueren van de kroon. f 8.-(ABW
425); 19/5 1638: betaelt aen Maria van den Enden voor de kopere kroon van
twintich armen met tulpen wegende 365, ½ K° tot 24 stuivers
't pondt comt diversz - gld 438. - (ABW. 139).
40te oordelen naar de schilderijen van Van
Baden, en Pieter Quast.
41een deel van de gevel is nog te zien naast
de achteringang van het Rijksmuseum.
42van 1689. E.F. Kossmann,
Nieuwe Bijdragen t. d. gesch. v. h. Ned. Tooneel in de 17
en 18e eeuw, 's-Gravenhage 1915, 102.
43omstr. 1733. Cat. d'Ailly, 265. Achter het
theater is een kleine uitbouw te zien, blijkbaar ten behoeve van het diepe
toneel. Domselaer spreekt ook van een interne verbouwing (Worp, Amst.
Sch., 128). Worp laat het voorkomen alsof de Schouwburg er al in 1665 uitzag
zoals de plattegrond die na de brand van 1772 gepubliceerd is laat zien. Maar
de grote verbouwingen kwamen pas na 1760; die van 1770/1 kostte ƒ. 42800 :
17 : -. (Wijbrands 194).
4425 Oct. 1638: ƒ. 791 : 8 : - (ABW.
139).
45Worp, ‘Gesch. v. d. Amst. S’.
129. Later verplaatst naar de ingang van het gebouw.
46Berchouwer, Reynier Jorisz., geb. omstr.
1593/4, maakte zijn testament in 1648. Thieme-Becker, Allg. Lexikon d. bild.
Kunst, Leipzig, Bd. III, 1909.
47o.a. voor Gijsbrecht van Amstel, (noot 48)
zie verder noot 107.
48De veronderstellingen omtrent het gebruik van
het toneel in mijn
Drie eeuwen Gijsbrecht (Amst. 1937) zijn door
de latere onderzoekingen ten dele achterhaald. De Reynier Jorisz, in Bijl. I.p.
135 genoemd, moet Berchouwer zijn. Hij ontving ƒ. 29.10 voor het
schilderen, waarschijnlijk van een toneelscherm. Hellinga's reconstructie van
de eerste opvoering gaat o.a. uit van de veronderstelling dat de gordijnen het
toneel in een voor- en achterscène konden verdelen. De grote gordijnen
komen echter pas een jaar later (zie hierachter). Hummelen, ‘Inrichting
en gebruik’, p. 44 e.v. geeft een afwijkende visie.
4930 jan. 1638 betaelt aen Pieter Jansz.
blokemaker voor vier calommen te booren ƒ. 8 : 8-. (ABW. 139).
50Het tooneel wert binnen verciert met
willegen - en tegen dat Vrou Jacoba uyt sal komen alleen met van Borsele, keert
het tooneel.
51(ABW. 139) Nicasius Jansz. van Eyckelbeeck,
beeldhouwer in Utrecht, trouwt 1617 Machteltje de Keyser. (Thieme-Becker, Bd.
XI, 1915).
53Men is even geneigd te denken aan de
beelden van Melpomene en Thalia die na de verbouwing van 1664 volgens
zegslieden van Wagenaar in de toneelopening stonden. (Hunningher, ‘De
Amsterd. Sch. v. 1637’, Ned. Kunsth. Jb. 1958; p. 109, noot 2.);
Maar de beelden op Van Campens toneel waren geschilderd (zie hieronder, p. 90)
en hadden volgens Worp ( Amst. Sch. 129) later een plaatsje in de
regentenkamer gevonden. Op de balustraden stonden borstbeelden, waaronder
dat van Frederik Hendrik. Maar dit bezat de Academie al in 1632 (Wijbrands, p.
46). Vondel schreef er een gedicht op.
547 sept. 1638: enkele kleine posten (touw,
garen, spelden, schuitvracht, zwartsel, bij de vertoningen) ƒ. 4 : 14 :-.
(ABW. 426); 7 sept. 1638. Vertoningen des con.moeder voor de magistraet
inkomsten ƒ. 127 : 17 :- 8 sept. 1638. van deselve vertoningen
gedaen voor d'admiraliteit: ƒ. 120 : 17 (ABW 426). 12/10 1639:
onkosten gedaen voor de koningin ƒ. 19.- (ABW 426).
55W. M. H. Hummelen, ‘Inr. en
gebr. v. h. toneel v. d. Amst. Sch. v. 1637’, Amst. 1967.
56zie de uitgave van Vondels werken d.
Jac. v. Lennep, Amster. 1857; 1 e druk met Vondels handschrift:
Toestel in de Gebroeders (opgevoerd 1641) o.a.: de nis (bedoeld
zal zijn: de nis in de opening achter de troon), en 't soldertjen op de
troon/een tapijt daer op. Solder (solre) kwam ook in de betekenis van
balcon voor (J. Verdam, Mnl. 106).
57W.G. Hellinga,
Rembrandt fecit, Amsterdam 1956.
58Stadsrek. 12 mei 1666: De triumphbogen en
triumphcarren is goedgevonden dat vercoft ofte vorbert (d.i. geveild)
sulle werden.( Oud Holland, XXIV, 187). Ook de Academie had
losse deelen, vormen van tienewerck (d.i. teen), een triumphwagen
(Inventarisverkoop 9 aug. 1622. Wijbrands, 44) op de zolders liggen. De
triomfpoorten bij de Inkomst van Maria de Medicis kunnen door Van Campen
ontworpen zijn. (P.T.A. Swilliens, Jacob van Campen. Assen 1961.
78).
60J. Q. van Regteren Altena,
‘Amsterdam ontvangt de kroon op haar wapen, door Em. de Witte
geschilderd’, 77e jaarversl. v. h. Kon. Oudheidk. Gen.
1934/5, Amsterdam 1935, 54 e.v.
6128 oct. 1638 betaelt aen Pieter Jutesz
timmerman voor arbeitsloon verdient aan de Amsterdamse kamer tzedert 15 may
1638 tot den 9en october deran incluis ƒ. 461 : 10 :- (ABW.
139).
627 october 1638 aen Sr. Tijmon Cortten
betaelt ƒ. 93 : 15 :- over 37½ 13 ellen breet doeck a 50 sts
gelevert tot de schermen ƒ. 93 : 15 : - (ABW. 139).
63den 10en november 1638 betaelt aen
Steven Jansz van Goor de som van 536 gld te weten voor schilderen van de
landschappen aen de schermen van de nieuwen schouburgh ƒ. 500.- en over
verf, olij en het wrijven metten aencleef 36 gl. ƒ. 536.- (ABW. 139);
Steven Jansz. van Goor Amsterdam 1608 - tussen 1657-1663. Zijn naam komt
dikwijls in de Bredius-inventarissen voor. Er zijn veel landschappen van hem
bekend. Zie: Thieme-Becker, Bd. XIV, 1921.
64S.J. Gudlaugsson, ‘Jacob van
Campens Amsterdamse schouwburg door Hans Jeurriaensz van Baden
uitgebeeld’. Oud Holland, 64 (1951) 179 e.v.
65Onderschrift van de grondtekening: Jacob
van Campen inventor, P. Vingboons deliniavit, Iacob Lescaille excudit, W. van
der Laegh scripsit et sculpsit, Ao. 1658. Hunningher trekt de betrouwbaarheid
in twijfel van Savry's prenten van de grondtekening. Zie Hunningher, ‘Het
toneel - ’, 8 e.v. en Hummelen, 12 e.v.
66Thans in het Ringling museum, Sarasota,
Florida, U.S.A.
67Dapper, gecit. d. Hunningher, ‘Het
toneel’ Bijl. II, 32.
68Van Goor trouwde korte tijd later, nl. op
25 jan. 1639 met
Stijntie Claes Paets. Van Goor bezat toen ƒ.
1500.- Het vermogen van de bruid was in het Weeshuis gedeponeerd. Jacob van
Campen was getuige bij het huwelijk van zijn nicht. (Bredius, A.,
Künstler-Inventare, Haag 1917, 1242/3: met afb. van landschap). De
regent Willem van Campen bezat werk van Van Goor (Swillens, noot 280).
69den 10en november 1638 betaelt aen P.J.
Post en Aelbert de Valck (later toegevoegd: tot Haerlem) voor 't
schilderen van de perspectiven aende schermen op de Amsterdamse Schouburgh de
somme van driehondert guldens op Willem van Campen getelt ƒ. 300.-.
(ABW. 139).
70die zon van Kristenrijk is vlees, noch
vel, noch been: vergeef het Sandrart, dat hij haar maalt van steen. Een van
de koppen erachter vertoont gelijkenis met Vondel zelf.
71Vondel,
Gijsbrecht van Amstel, vs. 850: Ik zal
terstond omhoog gaan zien van Schreierstoren. Maeghden, 1639: vs. 875:
Klim zacht, vermoeide vorst. Geef mij uw rechte hand nu zet u hier. Dees
trans heeft over 't platte land zijn uitzicht. Lucifer, 1654, vs. 1257:
stijgh de trappen op; Koning David herstelt, 1660, vs. 1025; Mevrouw,
klim met mij op de poort daar ik U leide.
7213 nov. 1638: betaelt aen Jochum
Scheepmaker voor betteeckt tot de schermen. ƒ. 40 : 1 : -. : den 24en
november betaelt aen Antony Beiers voor plumieren van de doecken tot de
Schermen - ƒ. 100.- : den 25en dito betaelt aen Moses Uyttenbroeck mr.
schilder uit den Hage voor schilderen van de beelden - ƒ. 600.- (ABW.
139).
73Swillens, p. 63 en 69. -
74Worp, Gesch. v. d. Amst Sch. p.
129.
75Want de funktie van gordijnen was omstreeks
1640 noch om bedrijven af te sluiten, noch om het gehele toneel met het oog op
decorwisseling te verbergen (zie G. Védier, Origine et
évolution de la dramaturgie classique, Paris 1955; Chap. I.
‘Historique de la question du rideau’, 3 e.v.). Het is bovendien de
vraag of de gordijnen breed genoeg waren om het gehele toneel af te sluiten
(toneelbreedte 14, hoogte 6/7 m).
75aEr was dus waterleiding; en een riolering
(16 dec. 1638 voor het graven van een rijool ‘ƒ. 17 : 4
:-’ABW. 139). Voor de verwarming werd turf gebruikt, b.v. 25 sept. 1638:
342 manden (ABW. 425). De schoorsteen was met ringen versterkt; ‘15 nov.
1638: geelgieter voor twee ringen aende schoorsteen. ƒ. 16.-’ (ABW.
139).
763 dito (juni 1639) betaelt aen
Hendrick Bartolomeusz lakencoper voor 13 ellen groen laken a 5 gld 10 sts d'el
ƒ. 71 : 10 : -. 9 dito betaelt aen Anna Jans huisvrou van Hans van Nes
voor 14 stoelen, 3 glasgordijnen, franse kroon was ende anders volgens de
rekeende quitancie ƒ. 179 : 2 : 12. (ABW 139).
7710 juni 1639, betaelt aen Nicasius van
Eyckelsbeeck beeldsnijder voor snijden van een stoel op den schouburgh volgens
rek. ƒ. 48.- (ABW. 139) 18 juni 1639. aan R.J. (Berchouwer) voor 't
vergulden van de stoel ƒ. 23 : 15 :- (ABW. 426): 8 juni 1639. voor
blau felp tot de stoel. f 23 : 15 : -. (ABW. 426): 3 juni 1639. drie
stukken blau zijde stof, tot gardijnen: ƒ. 66.- (ABW. 425). Er moet
nog een stoel geweest zijn: 12 nov. 1638 ontving Pieter Potter (schilder,
acteur, vader van Paulus: Kossmann, Nieuwe Bijdragen 's Grav. 1915, p. 151)
voor goutleer tot een stoel en anders, volgens de rek. f 34 : 12 : 12
(ABW. 139).
78Dapper, gecit. d. Hunningher, Het toneel
enz. 166.
7923 jan. 1640: aen Claes Moyaert voor
schilderen van hemel en 2 schermen ƒ. 140.-; Aen Pieter Jutis
timmerman een rek. ƒ. 54 : 18 : -; aen Cornelis Schouten blikslager een
rek. ƒ. 47 : 14 : -.; aen Pelgrim de Groot voor verf en schild. in
den hemel. ƒ. 33 : 11 : -; aen seyldoeck. ƒ. 6 : 10 : -;
mr. Reyniers rek. ƒ. 4 : 10 : -; aen Baltazar Jansz Smit een
rek. ƒ. 24 : 8 : -. Belopen dese oncosten van den Hemel ƒ.
311 : 11 : 0. (ABW. 426) - Nicolaes Cornelisz Moeyaert, schilder en etser
(Amsterdam 1592/3 - begr. 26.8.1655) bereisde Italië; invloed van
Elsheimer en de Carracci's; schilderde bijbelse en historische voorstellingen
in landschap, waarin de afbeelding van dieren een voorname plaats inneemt. Vaak
wat hard en rossig van koloriet. Zijn vertoont verwantschap met die van P.
Lastman. (W.R. Juynboll, e.a., W.P. van de kunst, dl. II. Amst. br.
1959).
8016 nov. 1638. lampen ƒ. 6 : 14 : - (ABW
425); 22 maart 1639. blikslager ƒ. 55 : 10 : - (ABW 426); 1642. voor
lampen ƒ. 4 : 2 : october 1642. lampen verstellen: -.16.-; (ABW. 425); 14
april 1648. blikwerk. ƒ. 35 : 15 : -. (A.B.W. 426).
81Fokkens, gecit. b. Hunningher, Het toneel
enz. Bijl. IV, p. 36.
85Ook is 'er een sierlijk geschilderde
Hemel, daar mede men, in schijn van tussen door stralende wolken, verscheyde
Perzonaandjen kan doen afdalen en weder opnemen; (dan volgt, blijkens het
woord mede een andere machinerie): mede doet men zomtijds eenige
Perzonen, vertonende de Fame of het Gerucht, de Winden, Arenden en diergelijke
uyt de lugt neder, en voor uyt schieten, dat d' aanschouwers, die zulks
ongewoon zijn, door de schielikheyt doet verschrikken. (Hunningher,
‘Het toneel’ Bijl. III. 35).
88Plattegrond van de geweezene Schouburg
enz. afgebeeld bij Worp, Gesch. v. d. Amst. Sch., bij 128.
90Ook in de Academie kwamen zwevende
personages voor, bv. een vliegende draak in Hooft's Baeto.
91Gebeurt het nu, dat 'er, quansuis,
eenige onderaertsche schimmen of geesten moeten vertoont worden te dien einde
zijn 'er in 't tooneel, dat onder hol van planken is, twee losse houte luiken,
die met katrollen, en de verschijnende geesten, opgehezen, en hun werk op 't
tooneel verricht hebbende, met de zelvetevens weder neer gelaten worden.
(Dapper gecit. bij Hunningher, ‘Het Tooneel…’ Bijl. II,
32).
92Er wordt niet alleen gespeeld, zegt Dapper,
maar ook somwijlen met stomme perzonaadjen de zaken et 't bedrijf der
voorouderen en tijdgenoten, als in schilderijen, voor ogen gesteld. Dat
deden volgens hem de Egyptenaren, de Grieken, de Romeinen ook al. Fokkens
spreekt in dit verband van deftige zinnebeelden (cit. bij Hunningher,
‘Het toneel…’32 en 36.
93Dieter Mehl,
Die Pantomime im Drama Shakespearezeit,
Heidelberg 1964.
94A. Heppner, ‘Pieter Quast en
P.C. Hooft’, Maandbl. v. beeld. kunsten, 14 (1937), 370
e.v.
95Afgebeeld op een prent van C.J. Visscher.
(Muller, 1266). Reproductie en opschriften in: M.A.P.C. Poelhekke, - en C.G.N.
de Vooys,
Platenatlas bij de Nederlandsche
literatuurgeschiedenis. Gron. Haag, 1916, afb. 60, p. 29 en 144.;
Er is een ‘Lucretia’ opgevoerd in de Schouwburg op 22 april 1642
(Wijbrands, 257).
96Ook onder Hummelen's overvloedige materiaal
bevinden zich tableaux vivants, b.v. de titelplaat van Questiers, Casimier
of gedempte hoogmoet (1656), afb. VI; en de titelprent van A.K. van
Zjermez' vervolgde Laura, 1645. Waarschijnlijk zijn er zelfs twee tegelijk
afgebeeld. Ook hier weer een (wees)jongen en een oude man, (afb.
XIV).
97b.v. in Jan Vos,
Beschrijving der vertoningen, die voor, in en na't Spel
van de Beleegering en 't ontzet van Leiden, 't Amsterdam, in de Schouwburg,
vertoont zijn, Amst. 1660. Zie ook: W. Hogendoorn
‘Leiden in last op de planken’, in: Leids
Jaarb. 1968. Bibliografie der vertoningen in: L.J.N.L. Boeken-van Aken,
Cat. Ned. Toneel, II, Amst. 1955, 464.
98In het Rijksprentenkabinet. Enkele
afbeeldingen in G. Kalff,
De letterkunde en het tooneel te Amsterdam in de 17e
eeuw, Haarlem 1895, p. 60 e.v.
998, 9, 11, 12, 15, 16, 17, 22, 23, 25 juni
1648 (ABW. 426).
1008 juni ƒ. 381 : 11 : -; gemiddelde
recette ƒ. 315.- tegen de normale inkomst van nog geen ƒ. 200.- per
voorstelling. Alleen de spectaculaire, kostbare, na twee voorstellingen
verboden Lucifer (1654) trok nog meer publiek: ƒ. 463.- op 2/2 1654 (ABW.
425).
10129 juni 1648. waslicht en
flambeaux. ƒ. 126 : 1 : -. (ABW. 426) kaerssen en oly. ƒ.
322 : 11 : -. (ABW. 426).
102Hummelen heeft belangrijk nieuw
documentatiemateriaal gevonden onder de titelprenten van in de Schouwburg
gespeelde toneelstukken. Of het toneel exact is weergegeven dan wel indrukken
door de graveur verwerkt zijn, is niet altijd met zekerheid vast te stellen.
Het onderzoek dat Hummelen voorbereidt naar de tonelen van Brabantse Kamer en
Academie zal nog veel opheldering kunnen verschaffen.
103H.C. Lancaster, Le mémoire de
Mahelot, Laurent et d'autres décorateurs de l'Hotel de Bourgogne et de
la Comédie française au XVIIe siècle, Paris
1946.
104Ondanks de schijn van het tegendeel (vg.
Hunningher, ‘Het toneel …’ 7).
105Hunningher (‘Het toneel
…’ 153) verwerpt de veronderstelling als te modern gedacht. Maar
Van Campen zocht al naar perspectivische effecten, zoals blijkt uit de schermen
van Pieter Post en uit de verkorte afstand tussen de achterste twee
pilasters.
106in: Het Nederlandsch Toneel, kroniek en
critiek van het Nederlandsch Tooneelverbond, 2e jrg, 1873, p. 246
e.v.
107Een geregelde medewerker was Reynier
Jorisz. Berchouwer: 6 april 1638: ƒ. 6.-; 12 nov. 1638: ƒ. 110.-; 27
nov. 1639: ƒ. 8 : 7 : - (ABW. 426); 8 febr. 1640: ƒ. 5 : 18 : - (ABW.
425); 16 mei 1641: ƒ. 49.- (ABW. 426); 5 aug. 1641: ƒ. 25 : 7 : -.
(ABW. 426); 29 oct. 1641: 4 zwijnsprieten geschildert en verzilvert:
ƒ. 3 : 18 : - (ABW. 425); 17 maart 1642: ƒ. 7 : 2 : - (ABW. 425); na
2 april 1644: ƒ. 30 : 10 : -. (ABW. 425).
10829 juli 1641 : ƒ. 131 : 16. (ABW.
426). De vertoningen bij de Cid zijn beschreven in:
Vertoningen, verscheide-, geschikt ter versieringe van
eenige tooneel-spelen, die op den Amsteldamschen schouburg vertoont
werden. (Amst. 1753). Hoewel van later datum, kunnen sommige van de
beschreven vertoningen al in de oude schouwburg te zien geweest zijn. Ook de
beschrijvingen van Jan Vos'
Vertoningen werden nog in de 18e eeuw
herdrukt. De Cid werd voor het hof in Den Haag uitgevoerd in februari 1638.
(16 febr.) door spelers, die Fred. Hk uit Frankrijk liet komen. ( Oud
Holland 1952, p. 59). Dit zal wel aanleiding zijn geweest om het stuk ook
te Amsterdam op het toneel te brengen.
109Jan. Jansz. Buesem (ook Besem), schilder,
geb. in 1600, noemt zich een leerling van P. Quast. Werkte in Amsterdam,
schilderde kerkinterieurs en aan de vroege Adr. Brouwer herinnerende
boerenherbergscènes. (Thieme-Becker, Bd. V., 1911).
11015 juli 1639; 16 sept. 1639 (3X); 17 mei
1640 (6X); 11 jan. 1649: groene bomen van de statstuynen. (ABW.
426).
11115 sept. 1648: aen seryp (Zeerijp,
acteur) voor geleverde bloemen: ƒ. 1 : 16 : -. (ABW. 425).
112Na 17 maart 1642: Hans de lootgieter
voor een fontein: ƒ. 27 : 4 : -. (ABW. 426).
113bv. 13 nov. 1638: ƒ. 278 : 13 : 8; 22
maart 1639: ƒ. 281 : 11 : -. (ABW. 426) - 15 nov. 1638: geele satijne
met silver geborduurde rok: ƒ. 50.- (ABW. 426).
114de blanke harnassen of rustingen
werden bewaard in een kast in de galerij (toegangshal) (Fokkens, gecit.
d. Hunningher, ‘Het toneel’ p. 36).
115E.F. Kossmann, Nieuwe bijdragen t. d.
gesch. v. h. Ned. tooneel in de 17 en 18e eeuw, 's-Gravenhage 1915, 96, 99,
100.
116april 1640: fluit, bas, luit, trompetten;
juli 1640: fiool, fluit, bas, cornet, trompetten. (ABW. 426).
117Van Campen deed het gebouw schoon klein
van omtrek, groot en wijd, gelijk een kerk schijnen (A. Pels, Gebruik en
misbruik des tooneels, gecit. d. Swillens, 282, noot 245).
118E.F. Kossmann, Nieuwe bijdragen,
94, 93, 98, 99.
119Kath. Fremantle, ‘The open
Vierschaar of Amsterdam's 17th cent. TownHall as a setting for the City's
Justice’, Oud Holland, 77 (1962) 206 e.v. Afb. 20 en 21.
120Vondel zegt in zijn voorrede bij De
Batavische Gebroeders (1663): Toen ik den opstand tegens de Romainen, en
de doorluchtige daden der Batavieren in de kunstige prenten van Tempeest
bespiegelde, - en mijn lust vast verlangde dat die historiën, door last
der Burgemeesteren treflijk geschilderd, de galerij van ons Kapitool, op ene
rij, mochten bekleden, ontvonkte in mij een ijver om - de oude Batavieren - ten
tonele te zien voeren. Op 11 juni vond de première plaats. Hetzelfde
thema was trouwens al behandeld door P. C. Hooft,
Baeto, 1616 en door Geeraardt Brandt (in de
vertoningen van 1648). Zie: J. E. Uitman, ‘Les fêtes baroques
d'Amsterdam de 1638 à 1660; L'intelligibilité de leurs motifs
allégoriques et historiques pour le public contemporain’, in: Jean
Jacquot e.a. Dramaturgie et société, 1, Paris
1968.
121Jan Vos,
Vergrooting van Amsterdam, op d' Amsterdamsche
Schouwburg, door meer dan tachtentig persoonen uitgesproken en
vertoont, Amsterdam 1662.
122geciteerd door Hunningher, ‘Het
toneel’ 35.- Wijbrands beweert (105) dat de verbouwing ontworpen was door
Jacob van Campen, hetgeen natuurlijk onjuist is. De bouwmeester was trouwens al
in 1657 overleden.
|
|