De hele schepping is door God vervloekt na de zondeval van de eerste mensen, Adam en Eva. Adam zwerft rond, zich herinnerend wat er allemaal gebeurd is en smachtend naar dat wat voor eeuwig verloren schijnt: de schoonheid van het Aards Paradijs.
(...) Hij doolt in't wilde, tot een steile heuvlenketen
Zijn oog belet de grens der woestenij te meten.
155
Met moedloosheid in 't hart bestijgt hij 't mullig zand,
Dat wegzinkt voor zijn tred; dat schaars een zoode of plant
[p. 45]
Ten vuistgreep aanbiedt, en gereede valverhindering
Bij 't struiklen van den voet, of lichte hersenzwindeling.(21)
Doch, walging van de streek, wier dor en droef gelaat
160
Hem rondom aangrijnst - zucht naar beter - stil beraad,
En heimlijk voorgevoel, die dood, of uitkomst, spellen -
Doen alle kracht voor 't laatst hem nog in werking stellen:
Hij klimt, en klautert voort, en heft zich zwoegend op -
En, 't aangezicht naar 't Oost, betreedt zijn voet den top.
165
Daar staat hij! de Eerste Mensch, de erkende Heer der Aarde,
Geheven boven 't Stof! daar spreekt zijn rang en waarde
Weêr uit den fieren stal,(22) en 't helder schittrend oog:
Daar voelt hij, dat hem God zijn grootheid niet onttoog;
Dat, met de onsterflijkheid van't Stof, zijn Zieleluister
170
Niet onder was gegaan, in 't stelpend zondeduister.(23)
Zijn boezem rijst van vreugd, terwijl zijn oogblik weidt
Door 't lieflijk bloeiend dal, dat, aan zijn voet gespreid,
En van den purpergloor der morgenzon beschenen -
Door licht en bruin verdeeld, die elders zich vereenen -
175
In hoog en laag plantsoen, gebloemte, en zilvervliet -
Aan 't nooit verzadigd oog een streelend schouwspel biedt.
Zijn heuvel, die allengs, bij nedergang en zwelling,
Zich tusschen 't groen verloor, ving op zijn vruchtbre helling
De koestrende uchtendglans, waar 't geurig palmpriëel
180
Een lommer aan ontleent - als slechts Natuurs penseel,
't Vermengend met den gloed der ingezweefde stralen,
Op loof, en zoode, en stam, verruklijk weet te malen.
En Adam staarde 't aan: maar zie! op eens verbleekt
Zijn koon, hij steekt het hoofd, de handen uit - daar breekt
185
Een traan uit de oogen! - ‘God - o God! wat vreemde ontroering’
Zoo roept hij, ‘grijpt mij aan!’ en in zijn zielsvervoering
Vliegt hij den heuvel af, naar 't boschjen, waar de nacht,
Door Eva, (door zijn Bruid!) ten einde werd gebracht.
[p. 46]
Daar lag zij, van den blos der liefde en jeugd aan 't kleuren;
190
Een lichte voorhoofstrek-alleen deed nog bespeuren
Dat ze ook het léed der aard gekend had; om heur leên,
Bevallig neêrgevlijd, wond zich de schaapsvacht heen,
Die, van de tengre knie, tot boven éen der armen,
Heur weeldrig schoone leest mocht drukken en verwarmen.
195
De boezem, half bedekt en lichtend blan, bewoog
Den schat van golvend haar, die langs heur schoudren boog.
Haar teedre hand en arm, tot neven 't hoofd gerezen,
Kon daar, in d' eersten slaap, een zachte steun voor wezen -
Doch 't elpen vingrental liet, achtloos wijkend, los,
200
En 't lieflijk aanschijn boog zich zijdwaarts neêr in 't mos.
Haar Egaâ nadert, doch behoedzaam. Drie paar schreden -
En ze is de zijne weêr! - maar neen! hij staakt zijn treden;
Een ongekende Macht weêrhoudt hem; richt zijne oog,
Met diep gevoel bezield, naar Eva neêr; betoog
205
Zijn trekken met een gloed van Hemelsch welbehagen;
Kruist hem zijn handen voor den boezem, wild aan't jagen;
Ontroert hem meer en meer; vaart vlammend door 't gemoed,
En barst zijn oogen uit in éenen tranenvloed.
‘O God, weêr zweeft de Vreugd, de Zaligheid van 't Eden,’(24)
210
Dus roept hij overluid, ‘mij door de ontstelde leden!
't Is weêr dat Hemelzoet in 't nameloos gevoel,
Dat mij de ziel verrukt; en wenschen zonder doel
Vervult, door feller nog 't verlangend vuur te ontsteken:
Ze is schoon, ze is schoon - o God! dát doet mijn boezem breken,’
215
En knielend in het stof, zijn oog te hemelwaart,
Dat vlammen schiet naar God, en tranen plengt op de aard,
Doet hij een Englenzang in Aardsche Vormen hooren: -
En de eerste poëzij, de dichtkunst, is geboren!
De Klank doorzweeft de lucht, tot ze Eva wekt, en streelt.
220
Getroffen hoort zij ze aan; vergeet wat hen verdeelt;
[p. 47]
Herdenkt zijne ontrouw, noch haar uitgestane smarte:
En Adam drukt zijn Genade, uit schoonheidsliefde, aan 't harte.