terug  begin  verderprepost

Aan Mr. Isaac Da Costa
opdracht van: Het Voorgeborchte(26)

 
Da Costa! strijdgenoot! mijn vriend en vijand tevens!
 
Mijn vriend: om dat éen vuur ons-beider borst doorblaakt;
 
Een doel ons leidt: de roem van d'eigen Vorst des Levens:
 
Om dat ons-beider liefde éen zelfden hoogmoed wraakt:
5
Om dat éen Kunst ons drenkt, met waatren klaar en levend,
 
Al vliegt gij op de baan, het moedig ros gelijk,
 
En keert den zandgrond om en plet wat - wederstrevend -
 
Uw hoefslag (fier genet!)(27) uw blikk'rend oog niet wijk';
 
Al kan mijn zwakkren tred, als u, geen roem gebeuren -
10
Anch'io son pittor(28) en heb mijn plaats verdiend,
 
Waar 't heerlijk vaandel golft met teisterbantsche kleuren(29) -
 
De plaats en eernaam van uw vriend.
 
 
 
En toch uw vijand! - wie, wie onzer wil 't verbloemen,
 
Wie galmt niet eerder voor heel Nederland het uit,
15
Dat strijdigheid van Leer, van Dienst, waarnaar we ons noemen,
[p. 48]
 
Weêr- tegen weêrstand in zich sluit?
 
Niet enkel wederstand: úw zwaard trilt in de schede
 
Ter schending van mijn Heiligdom:
 
En ik - wacht, noch hoop, noch bid voor mij den vrede
20
Dan met het lijkgewaad des roomschen strijders om.
 
 
 
Wat ik als God aanbid - het dierbaarst pand op aarde
 
Der liefde van den Eengen Heer -
 
Het blijk, dat nimmer gift Zijn giften evenaarde,
 
Het heerlijk middenpunt der Leer -
25
Het levend blijk, dat God geen logen heeft gesproken
 
In 't woord: ‘Ik laat u niet verweesd’,
 
Het ‘Meer dan manna(30)-zelf’, ‘den kinderen gebroken’,
 
Gewaarmerkt door Schriftuur en hoorbren Heilgen Geest:
 
Dat ziet ge - en keert u af! - Het weiden van de schapen
30
Vertrouwt gij eiken vreemdling aan,
 
Die met den leeraarshoed op de ongewijde slapen
 
De Kerkgemeente voor wil gaan.
 
 
 
Ach, dierf ik wat gij derft - de Heer is mijn getuige -
 
't Bracht mijn geloof den doodsteek toe:
35
En daarom - schoon mijn hart niet voor uw dwaling buige -
 
Gun, dat ik plicht van oodmoed doe!
 
Want zie! reeds mindre gaaf, reeds minder pand van trouwe
 
Spoort u tot ijvren voor den Heer:
 
Wat verg men dies van mij, van mij die Hem aanschouwe
40
Niet slechts in 't minder, maar in 't meer!
 
 
 
O blonk nog eens Gods Zoon, verrezen, u in de oogen -
 
O leefdet gij éen uur des levens volheid meê -
 
Hoe gingt ge, o Cleophas,(31)dien Heiland nagevlogen,
 
Die immers op den weg u 't hard reeds branden deê!
 
 
45
Heeft God die Kerk gesticht, waar 't klinkt van alle zijden:
 
‘Ginds is de Christus!’... ‘hier!’... ‘neen, derwaart!’... ‘terwoestijn!’? -
[p. 49]
 
Keer, kind, tot 's Vaders huis! en tranen van verblijden,
 
Zelfs van den ouder zoon, zij zullen 't welkom zijn.

Zondag Laetare(32) (6 Maart), 1853

Het voorgeborchte

De dichter komt op een stormachtige avond, in een soort visioen, in het voorgeborchte (voorportaal van de hemel) terecht en ontmoet daar Bilderdijk, die hem rondleidt. Hij ziet veel beroemde mensen; dichters, schilders en vorsten.
 
(...) Mijn Meester(33) buigt de knie; gewijde en trouwe tolk
 
Stijgt hij de treden op, den Vorsten(34) tegenover:
400
Zijn graauw gewaad verzinkt; een altoos groenend lover,
 
Ten krans gestrikt, omgeeft zijn slapen; blanke wol
 
Plooit om zijn leden; 't oog, van moed en ijver vol
 
Als bij zijn strijd op aard, maar heden vreemd van driften,
 
Straalt voor hem uit; zijn handpalm strekt hij, of de schriften,
405
Die hij ontraadslen moet, aan gene zij der hal
 
Zich opdoen. - Hij-alleen beheerscht, omvaâmt hier 't al! -
 
Hij slaat de handen saam; een traan welt in zijn oogen:
 
‘Beklaagbren! die de Liefde en 't Eeuwig Alvermogen
 
Miskennen!’ roept hij uit. ‘Ik klom, met angst en schrik
410
In 't bloed, den toren op; en ieder oogenblik
 
Bij 't buitentreên op elk der hoogere ommegangen
 
Drong de angel dieper door in 't harte: doch 't verlangen
 
Mijn Holland weêr te zien dreef mij steeds sneller voort.
 
'k Bereik den top: ik staar; 'k zie wentlend oord bij oord
415
Mijn blik voorbijgaan: 'k staar: Dát zijn mijn dierbre stranden!
 
Dáar houdt het trouwe duin de schoone Nederlanden:
 
Dáar groent de frissche wei; daar rijst het blij geboomt',
 
Door zilvren vaart bij vaart gevoedsterd en omstroomd;
 
Daar tiert het welig vee, dat in den lommer huppelt;
420
Daar bloeit weêr d'akkergrond, nu eeuwen reeds bedruppeld
 
Met eerlijk arbeidszweet en met Gods zegendauw.
 
Daar doemen dorp en stad; men telt, men speurt ze naauw
 
De torenspitsen, uit zoo menig kerk gerezen,
[p. 50]
 
Waar leeft en heden heerscht de Vader van voor-dezen...(35)
425
De Heere leeft en heerscht... Maar hoe! is dat zijn kroost,
 
Dat ginder, op dat plein, geestdriftig, onverpoosd
 
Om d'ouden afgod(36) danst - het Berggoud, dat hun oogen
 
Zelfs bij het Sabbathslicht geen uur verlaten mogen!
 
Ach, Arbeid, Nijvre Zorg, Verpleging van't Gezin,
430
Wat ondier, met uw mom, sloop aller woning in!
 
Geen straf, geen toets van plicht, bleef meer het stoflijk Werken;
 
't Werd eenig levensdoel, een lust, niet in te perken,
 
Een wroeten in het slijk, als half gemest gediert',
 
Dat, bij de dood der ziel, des levens hoogtijd viert.
435
En ach, geen Christus, die de fel bezeten zwijnen,
 
Der duivlen huizinge, in de waatren doet verdwijnen!(37)
 
Geen Christus! -
 
‘Zuiverheid, o Engel, God zoo lief,
 
Die, bij der kloosten bloei, al blozend u verhief
 
Ten Hemel, 't hoofd geneigd, maar teedren beurtzang zingend
440
Met Aagte en Ursula(38)! De bloesemkroon, omringend
 
Uw gouden lokken, en uw vleuglen statig lang,
 
Zij liggen uitgerukt. En wie, op breede zwang,(39)
 
Vliegt, kleppend in triomf, door Neêrlands eerste steden?
 
Wat nachtgeest durft, ontboeid, den dag in 't aanzicht treden?
445
Het is een vrouw; de gloed der ontucht dekt haar koon,
 
Vlamt schichtig uit haar oog, verhoogt wat zij ten toon
 
Mag dragen, als des tijds geliefdste aanloklijkheden:
 
Zij mengt zich onder 't volk; zij wendt haar vlugge schreden
 
Waar de onschuld argloos gáat; zij voegt zich aan haar zij;
 
Zij ademt in 't gelaat van maagd en jongling; blij
[p. 51]
 
Geniet ze 't burgerrecht, en de ambtman der Regeering
 
Verkoopt glimlachend haar den vrijdom tot haar neering!(40)
 
O Jezus, heilig Lam! schoot ooit uw bloed te kort -
 
't Ware als der Ontucht draak naar recht gevonnist wordt!
455
Een draak, een monster, wien de vlammende ingewanden
 
Den muil bewalmen, en doorstralen d'ijsren tanden:
 
Hij ligt op 't hoofdplein van de steden; vlerk en staart
 
Beukt ongeduldig, bij zijn vraatzucht, d'achtloze aard:
 
Hij gaapt bij dag, bij nacht; en duizend reine maagden,
460
Gods teêrste schepslen, die den Maker zo behaagden
 
Dat hij met haar zijn Werk de kroon heeft opgezet,
 
En uit haar midden de Aard bekeerd heeft en gered,
 
De schoonste kindren uit de steden, uit de dorpen,
 
Zij worden jaar op jaar in 's monsters muil geworpen.
465
Met rozen op dat hoofd, van moederkussen warm,
 
Den glimlach op 't gelaat - zoo zinken zij in d'arm
 
Der vuige mannen, die de boeting van hun tochten(41)
 
Met maagdenmoord bij -moord nog nooit te kostbaar kochten:
 
Zij zijn de heerschers, zij - de Heeren: hun 't gebied!
470
Hun 't goud, hun al wat leeft, wat ademt, en geniet!
 
Zij maken wetten, en (hoe liefdevol!) zij geven
 
Hunn' offers vrijheid in dier wetten schaâuw te leven,
 
Tot dat - genoeg!...
 
‘Wat woelt op gindsche Raadhuistrap? -
 
De mannen, zoo verlicht, zoo rijk aan wetenschap,
475
Zoo groot, dat elk beklaagt, waar allen zijn als Koningen,
 
Ten staatsgebied zich slechts gewone menschenwoningen
 
Nog toegeschikt te zien - de mannen, wijs en groot,
 
Zij strijden onderling. Hoe? leer- en leergenoot,
 
Gedoopten, Kindren Gods, zich noemend naar éen Meester,
480
Die louter liefde was, zij haten dús? Geen vreest er
 
Des vaders toren, als hij 's broeders recht verkort,
 
En, uit de Raadzaal, waar 's Lands heil gewogen wordt,
 
Hem wrevelig buitenstoot, ja, vaak, rampzalig drijver,
 
Zijns broeders welvaart knot, uit Christen-Godsdienst-ijver?
[p. 52]
485
Zoo wordt de haat, de twist, de laster 't kenmerk dan
 
Van d'in mijns Heeren Bloed gewasschen Christen man?
 
Zoo wreef men 't Heilig Schrift, dat vleugelt over de aarde,
 
De vaste tafel(42) af, die d'echten zin bewaarde!
 
Helaas! de trouwe geest des voorzaats ging te niet,
490
Die de oude deugd bewaarde in 't opgezongen Lied,
 
Dat d'oudren aan hun kroost ten zielevoedsel gaven:
 
Traditie ligt versteend - en zelfs het stof der graven
 
Naauw spreekt het van 't Voorheen en predikt hun dat de aard
 
De vaas niet zijn kan, die hun laatste kracht bewaart.
495
Hoe velen, die bij 't zien van 's Heeren jongsten Bode(43)
 
Nog zelfs niet roepen: ‘God, onferming in den doode!’
 
 
 
‘'t Is éen verwarring! - ach! - mijn blik werd bij 't gezicht
 
Door heeten traan op traan verstoken van zijn licht:
 
Ik wendde d'oogen af... Dát lot had ik op aarde
500
Zoo spoedig niet voorzien! - 't Geloof, dat kracht en waarde
 
Voor 't jong geslacht verloor - de leer van 't Christendom,
 
Al meer en meer besnoeid, verminkt, en van rondom
 
Geplunderd, punt voor punt vernietigd en versmeten,
 
Wordt bij der menschen werk als grondslag gants vergeten.
505
De Kunst, verbasterd van haar toonbeeld, God in't Vleesch-(44)
 
Bootst, laf en zinlijk, na; een hulpeloze wees,
 
Van blij en heilrijk kind der Kerk, als ze in 't verleden
 
(De tijd der Eenheid) was!... maar álles ligt vertreden
 
Wat Aarde en Hemel bond. Het Volksbestuur, de Staat,
510
Gescheiden van de Kerk, draagt roem op 't Heidensch zaad,
 
Hem in den schoot gestort, en heeft aan Neêrlands wetten
 
De ontkenning van God-zelf ten voetstel durven zetten.
 
Verdeeld is elk gezach, en ieder scheurt een reep
 
Van d'in oneindigheid verbrokten Koningssleep:
515
Min schrander dan de vrouw, voor Salomo ten oordeel!
 
Éen drijfveer kent me', éen doel: 't zijn - éigen roem en voordeel.
[p. 53]
 
Men haat de Tucht - en zij-alleen maakt éen en sterk;
 
Men haat den krijgsmansplicht; men haat en vloekt de Kerk,
 
De Moederkerk, voor wie mijn hart steeds warm geslagen,(45)
520
Die 't nooit verworpen heeft; neen, zelfs, wier recht te schragen
 
'k Mij-zelf ten spijt bestond!... Helaas, helaas; helaas!(46)
 
't Is de oude hovaardij - die, nooit ten einde raads,
 
Zich weêr een waereld schept, waarvan de mensch én midden
 
En oorzaak is en Heer. - Zij weten van geen bidden,
525
Geen buigen, geen gezach, geen onderwijzing, geen
 
Schriftuur dan die een elk kan toetsen en ontleên.(47)
 
De Heer verbergt zich: Sints zijn Heilige Openbaring
 
Het weerloos speeltuig werd van drieste Schriftverklaring,’
 
 
 
De Dichter poost. Het oog des Grooten Keizers(48) staat
530
Vol tranen; hij verritst: ‘Beminden,’ zegt hij, ‘laat,
 
Aleer dit droef verhaal voltrokken is, ons allen
 
Ter onzer broedren hulp op beide kniën vallen,
 
En smeeken uit dees meer aan 't stof ontheven stand
 
Des Heeren hulpe voor ons arme Nederland.
535
Wij hebben eenmaal in de dwaling rondgewandeld,
 
Maar uit wat baatzucht ooit door zondaars werd gehandeld -
 
Toch minden wij dat land, getuige van ons lot:
 
En deze liefde is deugd, is gunstig pleit bij God!’
 
 
 
Zij knielen neêr; daar rijst vereend een zang naar boven,
540
Om 't menschdom hulp te biên en God den Heer te loven.
 
 
 
't Is of in 't hoog gewelf, als in des Heeren kerk,
 
Een orgelklank zich huwt aan 't Godgevallig werk:
 
Er schalt en galmt een stroom van zoete melodiën,
 
Als Englenharpmuziek. De ontslaapnen, op de kniën,
[p. 54]
545
Zien naar de boogen op; daar zweeft al meer en meer
 
Een lichtgloed door de ruimte; 't is of een eedler sfeer
 
Er de ademtocht verzacht, doorgeurt, en hooger leven
 
Weêr deel wordt van wie half aan 't stoflijk' zijn hergeven.
 
Het halgewelf verdwijnt; een lichtzee neemt de plaats.
550
Wat wiekgeruisch! - daar daalt, bij galm en gloorgekaats,
 
Een blonde jongling af, gedost in d'eigen wijzen
 
Als hij, die 's Heeren Graf bewaakte na 't verrijzen
 
De vleuglen hangen moê zijn slanken leden langs;
 
Naar 't voorhoofd toont een kalmte, onstoorbaar, en een glans
555
Die hooger kennis tuigt en dieper Godgenieten
 
Dan de erfsmet toelaat, zelfs voor zaalgen, na 't vervlieten
 
Der aarsche tochten.
 
Met een palmtak in de hand,
 
Zweeft de Engel in hun kring: ‘Gij bidt voor Nederland,’
 
Zoo zegt hij; ‘God de Heer had mij de dienst en hoede
560
Dier volken toevertrouwd. Wat Boosheidsengel woede
 
Door gantsch Europa, en de ontstelde harten schokk'
 
En streel, en tegen God den mensch ten opstand rokk',
 
Opdat of Helleval of Paradijsverwijzing
 
Of Zondvloed noodig zij of Kruising en Verrijzing
565
En veler vroege dood en rijk aan rijk geslecht -
 
Geen lánge zege wacht den Booze: 's Heeren Recht
 
Wordt niet zóo ver miskend op de eens gekerstende(49) aarde,
 
Sints daar Gods Kerk zijn Geest ontving, en Hem bewaarde,
 
En Hem bewaren zál tot aan der Eeuwen end.
570
Het menschdom, menig werf beproefd, en schier gewend
 
Helaas, in d'eigen strik te vallen en hervallen,
 
Zal eindlijk oog en hart doen opengaan; en allen,
 
Ter kennis van 't verleên, na zoo veel ramps, gebracht,
 
Beseffen eens den staat, de dwaling, van 't geslacht,
575
Dat zelfs het Stof niet kent, waarin het machtloos dwaerelt,
 
En God doorgronden wil, den Schepper hunner waereld.
 
Zij zullen, bij het licht van 't meer ontwaakt verstand,
 
Den hemel wijken zien, die nog hun aarde omspant,
 
En, niet vermeenend meer dien welf te kunnen peilen,
[p. 55]
580
De Noordstar van 't Geloof aanvaarden voor 't verzeilen.
 
Nog zwerven zijn in 't rond, en geven 't weerloos schip
 
Van hun gepeinzen prijs aan de overgolfde klip,
 
Aan 't onvertrouwbaar veld der baren, waar de dooden
 
Ontelbaar zijn als 't zand der kust die zij ontvloden.
585
Maar eindlijk landen zij ter Hooge Rots weêr aan,
 
Waar, achttien eeuwen lang, reeds op te pletter gaan
 
De baren, door den Geest des Afgronds opgedreven.
 
Als 't ál éen zee zal zijn, de stranden gants begeven
 
Voor 't vrije dobbren op den wilden oceaan,
590
En de opgestoken storm de schepen af zal slaan
 
Van 't eenig anker, van den laatsten band der hope -
 
Als hooggeklommen nood 't regeeringloos Europe
 
Ten speelbal heeft gemaakt en schimp van 't golvend lot -
 
Dan blinkt voor aller oog de Kerkespits van God:
595
Dáar is Geloof en Hoop; dáar zijn de kostbre schatten,
 
Die de Aarde noch de Rede in heur gebergte omvatten;
 
Daar is de rust voor 't hart; daar - 't voedsel voor den geest;
 
Daar - 's levens kern, die nooit onvruchtbaar is geweest:
 
Daar is de heiliging, Godwijding aller daden;
600
Daar is de rijke spil, van waar de duizend draden
 
Der levenskrachten voor een nieuwe maatschappij
 
Ontsponnen worden; dáar is eenheid, harmonij,
 
't Geheim des Staatsbestuurs, het doel der wetenschappen,
 
De weg om Hemelwaards te trekken, dáar de trappen
605
Waarlangs de Kunstenaar ter hoogste schoonheid klimt,
 
Het pad, waarop aan 't eind het goud der tarwe glimt,
 
Die 's landsmans zorge boeit; dáar vloeit de kostbre beker
 
Waaruit men Liefde drinkt; de Liefde! -
 
‘O rampenkweeker,
 
O Paradijsslang!(50) wel ontwierpt gij wonderbaar,
610
Om man en vrouw, éen vleesch, te scheiden, door ze elkaâr
 
Te doen verzoeken en elkander aan te klagen! -
 
Helaas, waar liefde zwicht, hoe is daar leed te dragen!
[p. 56]
 
Helaas, werd de eerste grond gedrenkt met broederbloed(51) -
 
Wat wonder dat daar haat en bittre tweedracht woedt
615
En 't leven duldloos maakt, en 's waerelds arme wijzen,
 
Al vluchtend op de zee des twijfels, doet vergrijzen!
 
Maar eenmaal dringt een stem tot in hun eenzaamheid,
 
Die tot de Petruskerk hun veege zielen leidt:
 
De liefde, daar gesmaakt van 's Heeren heilgenaden,
620
Bezielt hen, wekt hen op tot nieuwe liefdedaden!
 
't Verstand verdeelt en scheidt, vereenlingt, en vervreemdt:
 
De liefde, 't hart, verzaamt, geeft, geeft; en wat zij neemt -
 
't Is geen bereekning; 't is het zoete recht van broeders:
 
En 't beeld uit 's menschen jeugd, zijn eerste, dat der moeders
625
Heur kindren zoogend, wordt weêr ieders liefste beeld,
 
Dat heel zijn leven richt. Wat hem in 't harte speelt
 
Hij toetst het aan Gods Wet, nadruklijk uitgesproken;
 
Zijn rede en eigen zin had duizend werf ontbroken
 
Als gids en rader: - maar 't bevel spreekt door de Kerk,
630
Door die niet falen kan - door 's Heeren schoonste Werk -
 
En lage zelfzucht zwicht: geen opgeworpen dwaling
 
Wordt meer met kunst bepleit; een hooger lichtbestraling
 
Daalt over de aarde neêr, en schenkt ook Nederland
 
Eene uitkomst, waar uw hart, zoo menig hart naar brandt:
 
 
635
‘Gods kindren keeren tot zijn ordening weêrom
 
Hereend wordt Kerk en Staat en tot éen Heiligdom!(52)
 
 
 
‘'t Zal waarlijk Eenheid zijn: éen Kudde, éen Doop, éen Leer,
 
Eén Waarheid: 't Woord was God(53) - en God blijft eeuwig Heer.’
 
 
 
Hij zwijgt - zacht zweeft een klank door 't hooge wulfsel henen:
640
De Dichter schijnt zijn stem ten uittochtzang te leenen.
[p. 57]
 
In 't wemelend muziek, bij 't flaauwen mijns gezichts,
 
Lees ik of hoor in 't lied, of in den vloed des lichts:
 
 
 
‘Ja, de dagen(54)
 
Onzer plagen,
645
Lieve broeders, gaan voorbij.
 
Uit dit duister
 
Rijst de luister
 
Van een nieuwe heerschappij.
 
'k Zie de kimmen
650
Reeds ontglimmen
 
Van een nieuw, een Godlijk licht!
 
Op de randen
 
Dezer stranden
 
Straalt zijn glans mij in 't gezicht
 
 
655
Wat verschijne,
 
Wat verdwijne,
 
't Hangt niet aan een los geval.
 
In 't voorleden
 
Ligt het heden
660
In het nu wat worden zal.
 
 
 
Mocht mijn' lippen
 
Dat ontglippen
 
Wat mijn brekend oog hier ziet!
 
Mocht ik 't zingen
665
En mij dringen
 
Door dit wemelend verschiet!
 
 
 
Holland groeit weêr!
 
Holland bloeit weêr!
 
Hollands naam is weêr hersteld!
[p. 58]
670
Holland uit zijn stof verrezen,
 
Zal op nieuw ons Holland wezen...
 
Stervend heb ik 't eens gemeld!’(55)
 
 
 
De klank smelt wech; het licht verzinkt; ik voel me omvangen
 
Door plotselinge koû: met doodsbleek op de wangen
675
Is 't of 'k ontwaak en uit den vreemdsten sluimer keer.
 
'k Zie rond: hier rijst 'et duin; ginds golft het rustig meer:
 
De vooglen zingen 't lied van d'uchtend, en zijn stralen
 
Zie 'k uit de blaauwe lucht op 't schuim der golven dalen.

Geschreven in Herfstmaand van het Jaar der Genade 1851.

(26)Opdracht van: Het Voorgeborchte: door Sterck uitgegeven naar het handschrift van Thijm.
(27)genet: vurig ros.
(28)Anch'io son pittor: Anch'io sono pittore: Ook ik ben schilder! Corregio zou dit uitgeroepen hebben bij het zien van het schilderij der H. Cecilia van Rafaël in Bologna. Vandaar in algemene zin gebruikt om aan te duiden dat men zich van schone roeping bewust wordt, dat men zich kunstenaar voelt.
(29)Teisterbantsche kleuren: vgl. noot 5 bij Levensbeschrijving van J.A.A. Th. Op blz. 14.
(30)manna: voedsel dat de Israëlieten in de vorm van dauw van Jahweh in de woestijn kregen (Ex. 16: 13-21).
(31)Cleophas: een van de Emmausgangers (Luk. 24: 13-35).
(32)Zondag Laetare: vierde zondag van de Vasten.

(33)Mijn Meester: Bilderdijk.
(34)den Vorsten: Willem van Oranje, Maurits, Karel V, Maximiliaan van Oostenrijk, Willem III (koning van Engeland), Philips II, Lodewijk Bonaparte, Willem I en Willem II (koningen van Nederland), Karel de Grote, allen eerder in deze volgorde genoemd (en geroemd).
(35)De Vader van voor-dezen: de God van vroeger.
(36)d'ouden afgod: het goud waarvan het gouden kalf gemaakt was, waaromheen de joden dansten in de woestijn, terwijl Mozes op de berg Sinaï de stenen tafelen in ontvangst nam (Deut. 9: 12-18).
(37)En ach (...) doet verdwijnen!: Matt. 8: 28-32 (aant. Alb. Thijm).
(38)Aagte en Ursula: Aagte - de H. Agatha, maagd en martelaresse, geb. op Sicilië, overl. in 251. Ursula - met vele andere maagden uit Brittannië omtrent Keulen gemarteld in de Ve eeuw. Vondels treurspel der Maeghden is aan de H. Ursula en haar gezellinnen gewijd (aant. Alb. Thijm).
(39)zwang: vlucht.
(40)den vrijdom tot haar neering: verlof om haar bedrijf uit te oefenen.
(41)tochten: begeerten.
(42)De vaste tafel: de wet van God, geschreven op de stenen tafelen van Mozes.
(43)'s Heeren jongsten Bode: de bode (engel) van de laatste dag, de dag van het laatste oordeel.
(44)God in 't Vleesch: Christus, de mensgeworden God.
(45)Men haat (...) warm geslagen: ‘Mijn hart heeft ten allen tijde warm voor de Moederkerk geslagen.’ Bilderdijk, Een Protestant aan zijne Medeprotestanten (1816), bl. 1 (aant. Alb. Thijm).
(46)Helaas!: zie de Dertiend'-half deelen der Geschiedenis des Vaderlands van Bilderdijk, doorloopend (aant. Alb. Thijm).
(47)Zij weten (...) en ontleên: aldaar, Dl. V. bl. 94 (aant. Alb. Thijm).
(48)des Grooten Keizers: van Karel de Grote.
(49)gekerstend: gedoopt, Christen gemaakt (aant. Alb. Thijm).
(50)Paradijsslang: de duivel, die, in de gedaante van een slang, Eva verleidde tot het eten van de verboden vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad in het paradijs (Gen. 3: 1-15).
(51)Broederbloed: het bloed van Abel, die door zijn broeder Kaïn vermoord werd (Gen. 4: 3-16).
(52)Gods kindren (...) een Heiligdom!: Bilderdijk, Krekelzangen, 1, bl. 158 (aant. Alb. Thijm).
(53)Joh. 1: 1-18.
(54)Ja, de dagen: dit zijn de vijfde en volgende strofen van het slotstuk van Bilderdijks Afscheid (1811) met weglating van strofen 7-10, 12-14, 16, 17 en 19 en met enige varianten.
(55)Ja, de dagen (...) 't eens gemeld (vs. 643-672): ontleend aan Hollands Verlossing door Bilderdijk, Afscheid (1, bl. 89-93) (aant. Alb. Thijm).
prepostterug  begin  verder