terug  begin  verderprepost

Aan een jongeling

 
1
 
Gij, die den zoeten stroom der lente
 
Vast tintlen voelt in hart en aâr,
 
Wien de onschuld op het voorhoofd prentte
 
Het eermerk van uw twintig jaar;
 
 
 
2
5
Geliefde jongling, die de weelde
 
Der jeugd u toewenscht - en verstoot;
 
Wien God een reine ziel bedeelde,
 
Maar ze in een aarden vat besloot!
 
 
 
3
 
Daar zien Drie Beelden, die bewaken
10
De reinheid, die gij bevend draagt:
 
O wil dat drietal nooit verzaken,
 
Dat om uw hart en blikken vraagt.
 
 
 
4
 
Dat is, voor-eerst, Zij, die den bloezem
 
Van d' eersten vreugdelach u schonk,
15
En aan wier heilgen moederboezem
 
Het wichtje een melk vol kuischheid dronk;
[p. 60]
 
5
 
Dat is, daarna, het minlijk wezen,
 
De zoete glimlach van den mond
 
Der Zuster, - in wier trouw voor-dezen
20
Ge een steun en lieve speelnoot vondt.
 
 
 
6
 
't Is, eindlijk, nóg een jonge Vrouwe,
 
Een maagd, wellicht uit vreemde stad, -
 
Maar die een troost in iedre rouwe;
 
Een zon zal wezen op uw pad.
 
 
 
7
25
Zij kent u niet, noch zelfs ook vraagt ze
 
Wie haar naar 't autaar voeren zoû;
 
En toch in haar gedachte draagt ze
 
Uw beeltnis en schenkt u haar trouw.
 
 
 
8
 
De maagdlijkheid van haar gedachten
30
Bewaart zij u, van kindsbeen af:
 
Zoudt ge u dan niet voor ontrouw wachten
 
Aan haar, die reeds zich-zelve u gaf?
 
 
 
9
 
O dat voor u haar beeld reeds heden
 
Een waarborg tegen 't misdrijf zij!
35
Als de Engel, warend om uw schreden,
 
Wel ongezien, maar toch nabij.

Naar Anatole de Ségur(57)

 

1872

(57)Anatole-Phillippe, Comte de Ségur (1823-1902): frans schrijver.
prepostterug  begin  verder