[p. 61]
De speelman van St Cecilia
1
De speelman streek zijn vedel,
Te noen en 's avonds laat;
Des avonds bij de linde,
Des morgens langs de straat.
2
5
Hij speelde, en onder 't strijken,
Sloeg vaak zijn hart van vreugd,
Of dekte een blos de kaken
Van zijn onnooz'le jeugd.
3
Wel was hij rijp van jaren;
10
Maar toch nog rein van hart;
En weende 'i onder 't spelen,
't Was nooit van rouw noch smart.
4
Hij had een oude moeder;
Hij was haar leste spruit.
15
Een moeder te verzorgen
Is beter dan een bruid.
5
Zij leefde en sloofde binnen,
En voor haar kind-alleen;
En wat hij buiten gaârde,
20
Bracht hij naar moeder heen.
6
Hij vedelde uit den treure,
Hij kon geen boerenwerk;
Zijn veêl was ook zijn liefde....
En speelluî zijn niet sterk.
[p. 62]
7
25
Hij vedelde aan de linde,
Hij vedelde op de deel;
Bij bruiloft en processie,
Op 't raadhuis en 't kasteel.
8
Maar nimmer keerde 'i 's avonds
30
Naar moeders rieten kluis
Of even door't bosschaadje
Sloop hij in 't bedehuis.
9
Een kleine landkapelle
Stond daar in de eenzaamheid,
35
Met lieflijk-sombre welve
Als ten gebed bereid;
10
Met waslicht, dat, men wist niet
Door wie, ontstoken werd;
Met stilte en rust, zoo welkom
40
Aan 't arme menschenhart;
11
Een landkapel, - den speelman
Vooral zoo over-dier
Om 't lieve beeld der Heilge,
Dat daar omloverd wier'.
12
45
't Was 't beeld der schoone jonkvrouw
Sancta Cecilia,
De patrones der speelliên
En 't oud Do-re-mi-fa.
[p. 63]
13
Hoe vaak heeft onze borst hier
50
Zijn teêrste lied gespeeld,
Hoe vaak hem 't vriendlijk lonkjen
Der kuische maagd gestreeld.
14
Hoe vaak, als hij zijn blikken
Bij 't waslicht opwaart sloeg,
55
Was 't of zij met haar oogen
Hem nog een wijsjen vroeg.
15
Hoe stroomden dan de tranen
Hem langs de wangen af,
En scheen 't hem of ze een glimlach
60
In ruil dier tranen gaf.
16
En toch zij was zoo rijzig,
Zoo princ'lijk om te zien,
Dat hij haar niet dorst naderen,
Dan zinkend op de knîen:
17
65
‘Op kroon en gordel vonkelt
Robijn en esmeraud;
Haar orgel
(58)
is van zilver;
Haar schoentjes zijn van goud.’
18
Zoo staat zij daar te pronken,
70
En weet het zelve niet;
En zachtjens speelt de speelman
Haar 't eerst elk nieuwe lied.
[p. 64]
19
Maar eens daar vliegt hij haastig
En doodsbleek aan haar voet,
75
En, tranen op de snaren,
Speelt hij met woesten gloed.
20
En die de taal der tonen,
Hun droefste taal verstaat,
Verneemt dat, ach, zijn moeder
80
Van nooddruft sterven gaat.
21
Zij krank, - hij, aan haar leger, -
Zoo stond zijn ambacht stil:
Eilaas, hun rest de nood slechts,
Die hij niet klagen wil.
22
85
Wie kan in droefheid spelen...
Wie? - Onze speelman, ja!
Maar niet dan aan de voeten
Van Sanct Cecilia
23
En die de taal der tonen
90
Verstaat, - lonkt blij te moê
Hem aan, - en schopt hem liefdrijk
Haar gouden schoentjen toe!
24
Hij neemt het diep bewogen
Maar onverwonderd aan,
95
En kust het menigwerven,
En haast zich daarvandaan.
[p. 65]
25
En waar uit buurmans winkel
't Ghecroonde Goudt-Aes
(59)
hangt,
Daar telt men van het broodgeld,
100
Zoo veel als hij verlangt.
26
Maar aanstonds is de buurman
Naar 't Dorpgerecht gegaan,
En geeft, als eerlijk goudsmid,
Een snooden diefstal aan.
27
105
‘De speelman-lediglooper
‘Steelt, ongehoord bedrijf!
‘Cecilië uyt den Bossche
‘De kleêren van het lijf.
28
De gouden schoen ter tafel, -
110
Hij was bewijs genoeg,
Voor 't Recht, dat d'armen speelman
Terstond in banden sloeg.
29
‘De dieven moeten hangen,’
En de arme vedelaar
115
Wordt heengeleid ter galge,
Of hij een gouddief waar!
30
Toch vraagt hij van 't Gerecht nog
Ontroerd deze éene gunst, -
‘Zijn uiterste oogenblikken
120
Te heilgen door zijn kunst.’
[p. 66]
31
De vedel in zijn handen,
Schoon hij ten schandpaal gaat,
Geleidt men hem door 't boschjen,
Waar't dierbaar kerkjen staat.
32
125
Daar knielt hij nog voor 't laatste
Al spelend voor haar neêr,
Die hij heeft aangehangen
Met liefde, trouw en teêr!
33
Daar bidt hij, in zijn spelen,
130
Al schreyend van haar af:
‘Ach, wil mijn moeder troosten,
In 't leed dat ik haar gaf!
34
Ze kan mij niet verdenken;
Maar och, de schande is groot,
135
En de oneer van haar zone
Vervolgt haar in den dood.’
35
Het volk tracht uit te vorschen
Wat toch de speelman speelt;
Zij luistren naar zijn tonen,
140
En zien naar 't Heilge Beeld.
36
Het volk slaat spraakloos gade,
Al wat de speelman doe...
Daar werpt zijn Patronesse
Hem 't andre schoentjen toe!
37
145
Nu dringt het volk naar binnen:
't Veroordeelt langer niet
[p. 67]
Dien 't met zoo groote gunsten
Van God gezegend ziet.
38
150
Gelukkig, die geloof heeft!
Het is de gouden straal,
Die uit het Eden wemelt
In 't arme Tranendaal.
6 Okt. 1872
(58)
Orgel:
de heilige Cecilia, patrones van de organisten, muzikanten en muziekhandelaars, wordt afgebeeld met een orgeltje in haar hand, of zittend aan een orgel.
(59)
Ghecroonde Goudt-Aes:
uithangbord van een goudsmid.