terug  begin  verderprepost

Knittelverzen met knittelverzen bestrijden

Thijm heeft zich herhaaldelijk beklaagd dat men aan zijn gelegenheidsgedichten - en vooral aan de humoristische en satirische daaronder - meer waarde hechtte dan aan zijn serieuze poëzie.(145) Onder die humoristische bevinden zich ook een aantal knittelverzen, in de trant van die van de Schoolmeester. In zijn brieven aan Sam Jan van den Bergh bediende hij zich wel vaker van poëzie, maar het was een aardige vondst om zich in knittelverzen boos te maken over het feit dat men zijn knittelverzen zo bewonderde.

Aan S.J. van den Bergh dd. 31-10-1848

 
Wel Sam, wat blijft uw stuk over de Legenden van V. Lennep(146) eeuwig uit!
 
Ze vinden mijn knoedelvaerzen(147) zoo wonderschoon, dat niets mijn knoedelrijmlust nu meer stuit;
[p. 226]
 
Potgieter, Da Costa, Brester, Hofdijk, Schimmel, De Bull, Simon van den Bergh,(148) zij zijn alle gelijk gek:
 
‘Wel,’ zeggen ze, ‘dat doet me nu toch pleizier, wat ik daar ontdek,
 
Dat Alberdingk ook vaerzen kan schrijven à la portée de tout le monde;
 
Waarachtig, dat is “geestig,” da's “aanschouwlijk” en “voortreflijk”, en “onverbeterlijk!” Zoo klinkt het uit eenen mond.
 
Ach hemel! als we wat maken met onze ziel en onze konsciëntie -
 
Dan roepen de kunstrechters; wat een duisterheid! wat een stroefheid! wat een eigenaardigheid! wat een pretentie!
 
Of ze roepen in 't geheel niet - zoo als de Gids, zaliger memori,
 
Die dood is voor alles, behalven voor politiek, en zoo wat godsdienst, en wat historie!
 
En als ik vaerzen maak, waarvan ik er om de vijf minuten wel een kan k kken -
 
Dan schreeuwen ze: jongen, jongen, wat een genie! zoo zal Alber-dingk-Oosterwijk Bruyn(149) nog eens in komen te pakken’.
 
Aijaijaijai! fijfijfij! van die verdomde publieke opinie!
 
Wel door en door verdomd, als ik zie met hoeveel domheid ze mijn goeje stukken onder en mijne dwaze stukken stellen boven hunne linie -
 
De demarkatie lijn namelijk tusschen de knappe menschen en de prulwerkers bij het gild.
 
Gij, intusschen, mijn waarde, gij moogt er van zeggen al wat ge wilt.
 
Zoo ge mij maar bijgaand briefjen even bij Verhulst(150) wilt laten bezorgen,
 
En gelooven wilt, dat ik gister was en heden ben, en altoos blijf tot morgen,
[p. 227]
 
Uw hartelijken vriend, zoo wel in proza als in rijm
 
(Terwijl ik u mijn vrouw 'er komplimenten maak) Joseph A. Alberdingk Thijm.

(onleesbaar). 31 Okt. 1848

(145)Vgl. Van Can, 155 v.

(146)Legenden van V. Lennep: Nederlandsche legenden, 2 dln., Amsterdam 1847.
(147)knoedelvaerzen: knittelverzen.
(148)J, Brester (1805-1862), A.J. de Bull (1823-1888), S. van den Bergh: letterkundigen.
(149)J. van Oosterwijk Bruyn (1794-1874): ‘humoristisch’ dichter: Luimige dichtstukjes (1824 en 1830), De boertige Zangster (1837).
(150)Johannes Josephus Hermanus Verhulst (1816-1891): komponist en dirigent; opleiding vnl. te Leipzig, waar hij bij Mendelssohn werkte en bevriend was met de Schumanns. Hij was sterk gekant tegen de muziek van de toenmaals modernen, Liszt en Wagner. Hij komponeerde een mis, een requiem, koorwerken en liederen. Over hem Thijm in Een Hollandsch Woord, 1851.
prepostterug  begin  verder