De Puiterveense helleveeg, of Beslikte Swaantje aan den tap.
Eerste bedryf.
Eerste tooneel.
Het Tooneel verbeeld wederzyds een gedeelte van 't Dorp, benevens de Herberg van Swaantje, zynde in 't uithangbort een Swaan, met een Boeren broek aan, geschildert.
Swaantje, met een kamerbesem het voorhuis uitveegende, komt zingende voor deur.
Van Fobert; maar, ik zal jou dat gebrui verleeren,
Al zouw 'er Meester Hans zyn diefzak mee stoffeeren.
Crelis, terwyl zy malkanderen omhelzen, toeschietende, licht zyn spa op, en meenende daar mede Jonker Jan den kop te klooven, springt Swaan toe van achteren, en rukt hem de spa uit zyn handen, waar door d'oude man ruggelings op de grond valt, waar op Jonker Jan hem op 't lyf gaat zitten, en dicht afrost.
Crelis, schreeuwende.
Help, help, ik word vermoort; och Fobert stae me by.
Zevende tooneel.
Swaantje, Jonker Jan, Crelis Melis, Fobertuit met een luywagen.
Fobert.
OCh, vaartje, wat ben jy daar lelyk in de ly.
Swaantje.
Kom, kom, ik zie het wel, jou huid begint te jeuken,
Swaan hem de luywagen afneemende, klopt hem daar mede.
Jou drooge stokvis, 'k moet jou rug wat murruw beuken.
Zo 'k deeg wil met jou doen.
Fobert, rondom het Tooneel loopende.
Wat heb ik dan misdaén?
Swaantje.
Wat vraagj' al? snoer jou tong, of 't zal noch anders gaan.
Crelis, tegens Jonker Jan.
Laat los, laat los, je slaet myn neus en bek aan stukken.
Jonker Jan.
'k Moet uit jou Clappusdop het gryse ruigt eerst plukken,