Piet Pothuis, ter Herberg uittreedende, ziet rondom.
Piet.
DE drommel haal de vent, met al dat achterblyven,
Ik heb hem wel een reis drie viermaal moeten schryven,
En noch en kom hy niet. Had ik de sleutels maar.
Al hong hy aan een mik, het scheelde my geen haer;
Maar, zie ik recht, zo komt dien bol daar, wel te weeten.
Jantje de Rolder, op zyn Capiteins gekleed; met twee gauwdieven in Regiments rokken achter hem, draagende een kist, waar aan zy swaar tillen, en vorders op het Tooneel neer zetten.
Tweede tooneel.
Jan de Rolder, Piet Pothuis, Coen Catoog, Flip de Muiser.
Jan de Rolder.
HO, Piet, 't is alles klaar.
Piet.
'k Wou dat je was bedreeten.
Jan.
En waarom raas je zo, dat kan ik niet verstaan,
Daar ik myn dingen als een oud knyn heb gedaan.
Piet.
ô Jan de Rolder, wil jy mee voor gauwdief speelen,
Jy mocht een boeren drek, toen ik eerst leerde steelen,