Dispereert niet. Deel 2


auteur: A. Algra en H. Algra


bron: A. Algra en H. Algra, Dispereert niet. Twintig eeuwen historie van de Nederlanden. Deel 2. Uitgeverij T. Wever, Franeker 1978 (achtste druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 104]

6. De see is u gheweer

Teleurstelling.

Het verbond met Frankrijk bracht niet het resultaat, dat men er van had verwacht. Het verzet van de Zuidelijke Nederlanden, onder leiding van de kardinaal-infant, was vrij krachtig; de samenwerking tussen de Staatse en Franse legers was verre van ideaal. Frederik Hendrik maakt niet de indruk van een veldheer, die snel weet toe te slaan. Hij is eerder overvoorzichtig. Chronisch geldgebrek verlamde ieder initiatief. Het is een merkwaardig verschijnsel, dat de staat financieel hopeloos in het moeras zit, terwijl de burgerij rijk wordt. Maar dat is in die tijd niet een speciaal Nederlands verschijnsel. Zelfs een straf gecentraliseerde staat als Frankrijk, waarvan men oppervlakkig zou zeggen, dat de regering de belastingschroef naar willekeur zou kunnen aandraaien, is in die tijd met zijn betalingen altijd achterop. Voor een belangrijk deel zit dat in het grote tekort aan techniek op belastinggebied. Men had moeite, belastingobjecten te vinden en veel glipte door de vingers. Nog een eeuw later klaagde een Friese regent, Vegelin van Claerbergen, er over, hoe het altijd misère was. De personele goedschattinge, een soort vermogensbelasting, bracht veel te weinig op, want de heren ontzagen elkaar bij de aanslag. Er kwam een belasting op plezierrijtuigen, maar de boeren zetten het wagentje op zolder en gingen te voet, enz.

In de tijd na 1635 kwam daar nog bij, dat de regenten hoe langer hoe meer onwillig werden, de oorlogslasten op te brengen. De oorlog had zijn oude karakter van een strijd voor religie en vrijheid verloren. Amsterdam vreesde, dat expansie naar het Zuiden, Antwerpen, dat nu door de sluiting van de Schelde werd gehandicapt, weer nieuwe kansen zou geven. Zo is de geschiedenis van de oorlog na 1635 een vrij saai verhaal. In 1637 alleen straalde nog eens de oude roem, want Breda werd na een meesterlijk geleid beleg veroverd. Maar in 1638, toen het Antwerpen zou gelden, werden onze troepen bij Calloo verslagen.

De verbinding met Spanje.

Een strategisch voordeel bracht intussen de samenwerking met Frankrijk wel. Bernard van Weimar, die met zijn troepen in Franse soldij stond en mee tegen de Habsburgers opereerde, ver-

[p. 105]

sloeg de vijanden in 1638 bij Rheinfelden, aan de Rijnoever boven Bazel, en maakte zich meester van Elzas en Breisgau, terwijl de Fransen Lotharingen veroverden. Het gaat hier om gebieden, die eeuwenlang een twistappel bleven tussen Frankrijk en Duitsland. De bezetting door de troepen van Weimar in deze jaren had ten gevolge, dat de verbinding over land tussen Spanje en de Zuidelijke Nederlanden was doorgesneden. Alva, Don Juan, Parma, ze waren, met of zonder troepen, allen langs die weg gekomen, uit Italië door Elzas, Lotharingen en Luxemburg. Nu bleef er maar één weg over, die over zee. We zijn gewend, het als een vanzelfsprekend geval te horen vertellen: het ging de Spanjaarden niet voor de wind, de tocht langs de Maas had zelfs een tijdlang een bedreiging voor Brussel geschenen, het ingrijpen van Frankrijk kon misschien nog heel wat gevaren meebrengen, en - er komt evenals in 1588, weer een Armada opdagen. Maar deze Armada werd uitgezonden, omdat de zeeverbinding met Duinkerken, de enige bruikbare haven van de Zuidelijke Nederlanden, moest worden open gehouden.

Tromp.

En juist in deze tijd was er een andere geest vaardig geworden over de Nederlandse marine. Nadat Piet Heyn tegen de Duinkerkers was gesneuveld, was het mis geweest. Het duurde lang voor er in de vacature werd voorzien, en toen dit eindelijk geschiedde, bleek de keus een vergissing. De nieuwe luitenant-admiraal, Philips van Dorp, bleek niet geschikt. Hij was een jonker, en geen pikbroek. In sommige kringen werd dat een voordeel geacht, want daar vreesde men altijd, dat zo'n gewone man, die vroeger voor de mast gevaren had, er nooit in zou slagen, voldoende prestige te verwerven. De kapiteins konden toch al zo verschrikkelijk ruzie maken! Een man van aanzien zou er misschien nog het best in slagen, om boven de partijen te staan en tegenover allen zijn gezag te doen gelden. De Engelsen deden het trouwens ook en bij hun marine heeft in de 17de eeuw zelfs een broeder des konings als opperbevelhebber gediend. Maar met Philips van Dorp werd het een mislukking en de marine slaagde er niet in, de Duinkerker kapers te beteugelen. Telkens was er ergernis in het land, omdat de vloot al weer was binnengelopen.

In die dagen hoorde men telkens de naam noemen van Maarten Harpertszoon Tromp. Bewogen en hard was zijn leven geweest,

[p. 106]

van zijn kinderjaren af. In 1607, negen jaar oud, was hij aan boord van zijn vaders schip getuige van de slag bij Gibraltar. Een paar jaar later voer hij met zijn vader op een handelsschip naar Afrika. maar zij werden door de zeerover achterhaald, de vader sneuvelde en het kind geraakte in gevangenschap. Na twee jaren van gevangenschap ontsnapte hij en het ligt voor de hand, dat zijn moeder met voldoening zag, dat hij nu aanvankelijk thuis bleef als timmerknecht. Maar al gauw ging hij weer varen, soms bij de koopvaardij, soms bij de marine, tot hij in 1624 door Prins Maurits werd aangesteld tot kapitein

Maar in 1634 nam hij zijn ontslag. Een jaar later slaagden de Duinkerkers er in, onze vissersvloot binnen een etmaal zo te ruïneren, dat er bijna honderd haringbuizen verloren gingen.

Toen werd Tromp midden in de nacht uit zijn bed gehaald, omdat de Staten van Holland Van Dorp aan land wilden houden en de gehele vloot onder commando van Tromp wilden stellen, daar hij een ‘couragieus persoon, een goedt soldaet en een goedt zeeman was’. Maar Tromp verontschuldigde zich; het aanvaarden van dit voorstel zou hem bij de mannen, die gepasseerd of aan land gehouden werden, dodelijk gehaar maken. Maar toen het in 1637 al weer mis was met Van Dorp, heeft Frederik Hendrik Tromp tot luitenant-admiraal benoemd, op voordracht van de Staten van Holland. De benoeming verwekte grote vreugde in het land. Maar het is zeer waarschijnlijk, dat er één man was, die bij het horen van de benoeming de bitterheid in het hart sloop. Die ene man is Witte Corneliszoon de With. Hij is altijd tegen Tromp blijven wrokken. En al is die wrok mede gevoed door het proces, waarin De With in 1638 was gewikkeld, omdat hij - naar spoedig bleek, geheel ten onrechte - van lafhartig plichtsverzuim werd beschuldigd, een proces, dat hij aan machinaties van Tromp toeschreef, er is toch alle reden, om aandacht te wijden aan de beschouwing van Warnsinck: ‘Dit - nl. dat Tromp tot zijn chef zou worden benoemd - heeft De With niet kunnen vermoeden, en, helaas, evenmin kunnen verkroppen. Van dit ogenblik heeft de naijver zich meester gemaakt van zijn hart en is hij de verbitterde, zich achtergesteld voelende nijdas geworden, die hij tot zijn dood is gebleven. Dat Tromp zelf het hoge ambt niet had begeerd, vermocht hem niet zacht te stemmen; de vreugde waarmede Tromps benoeming overal werd ontvangen, kon hem niet anders dan ergeren; zijn ondergeschiktheid aan iemand die slechts twee jaar ouder was en met wie hij als jongen in de straten van Den Briel

[p. 107]

had geravot, heeft hij niet kunnen verduwen; en het besef, dat, nu de hoogste tree van de ladder bezet was door iemand, die zo weinig met hem in leeftijd verschilde, hij zelf deze wellicht nimmer zou bereiken, heeft hem met afgunst bezield.’

Een vrolijke missive.

Tromp kreeg het als luitenant-admiraal niet gemakkelijk. Het materieel was slecht en het personeel gaf ook reden tot kritiek. Opmerkelijk is daarbij, dat Tromp zijn mannen wist op te voeden. Toen hij in 1637 met zijn zwakke vloot van twaalf schepen enkele dagen in zee was, kwam kapitein Jan Theuniszoon Sluys bij hem aan boord met het verhaal, dat zijn schip lek was, dat het dreigde te zinke. Witte werd gestuurd, om te kijken, wat er van waar was, en het bleek verschrikkelijk overdreven. Zelfs beweerde De With later, dat de kapitein zelf het schip lek had gemaakt, om ‘met fatsoen uyt see te comen’. Enkele dagen later kwam dezelfde kapitein weer met een klacht: hij had van twee leden van zijn bemanning een pak slaag gehad. Een slappeling, deze kapitein? Het lijkt er sterk op. Maar Tromp heeft zijn misslagen wel opgetekend in zijn journaal, doch ze niet gemeld in zijn rapporten aan Den Haag. En nu is deze Sluys, bijgenaamd Boerejaap, zulk een bruikbaar kapitein geworden, dat hij zich in de slag bij Duins uitstekend heeft geweerd, zodat hem zelfs de eer te beurt viel, het eerste schip met krijgsgevangenen binnen te brengen, waaronder de viceadmiraal van Galicië, die hij ter Statenvergadering mocht presenteren.

Maar ook om een andere reden was de taak van Tromp niet gemakkelijk. Hij moest de verbindingen over zee tussen Spanje en Duinkerken doorsnijden en daardoor positie kiezen in het Kanaal. Maar dan trachtten natuurlijk de Duinkerkers achter zijn rug om op de Noordzee onze handel en visserij zoveel mogelijk afbreuk te doen. Hadden zij succes, dan kwam er pressie, om de vloot uit het Kanaal terug te roepen en weer in de Noordzee te posteren.

In de zomer van 1639 onderschepte Tromp Engelse schepen, die Spaanse troepen naar Duinkerken moesten brengen. In de Zuidelijke Nederlanden was een nijpend gebrek aan troepen. Ze moesten over zee worden aangevoerd en aanvankelijk hoopten de Spanjaarden, dat het mogelijk was, ze als passagiers met Engelse handelsschepen te zenden. Het lukte niet, want Tromp ontzag de Engelse vlag niet, hij haalde de soldaten met geweld van boord. Een vliegend blaadje vertelt het aan het Hollandse publiek:

[p. 108]

‘So terstont kryge ick ongetwijffelde tijdingh uyt het schryven van den Admirael Tromp selfs in dato den 29 Juny, alsdat hy den voorgaenden dagh, namentlijck den acht en twintichsten, siende aencomen drie Engelsche schepen, heeft denselven geboden om te strijcken, die sulcx weygerende, soo heeft hij haer doen blincken de tanden van Emilia (admiraalschip van Tromp), dewelcke sodanigen schrick causeerden, dat sy terstont in onmacht ende flaeuwigheyt sijn gevallen. Den Admirael sulcx siende, heeft als een goet Medicus haer sieckte laeten visiteren ende bevonden, dat sy den buyck vol Spanjaarden hadden, menende daervan binnen Duynkerken in de kraem te leggen. Maer de bovengenoemde schrick heeft een misgeboorte gecauseert, ende hebben alsoo, op see, aen de werelt gebracht tien hondert en seventich Spanjaarden, die de Hollantsche vroetwijfs ende bakermoeren hebben terstont alsoo in de luyren gebonden, datse haest bequaem sullen sijn Rotterdams bier of water te drincken, wordende alle uyre alhier verwacht.’

De Armada uitgerust.

Op die manier kreeg de Spaanse koning zijn soldaten niet in de Zuidelijke Nederlanden en daarom moest een sterke oorlogsvloot worden uitgerust, om de troepentransporten te dekken. Spanje was nog een maritieme macht van betekenis en daarom was een concentratie van oorlogsschepen in een betrekkelijk korte tijd mogelijk. Toen de herfst van 1639 aanbrak, lagen er in Coruna reeds heel wat kapitale schepen gereed. De uitrusting dreigde gestoord te worden door de Franse vloot, die onder commando stond van de - aartsbisschop van Bordeaux. Hij nam twee Spaanse galjoenen in een kleine haven aan de noordkust van Spanje en zijn regering beloofde hem, dat een deel der veroverde kanonnen zou worden omgesmolten tot klokken in de kerktorens te Bordeaux; ook de veroverde vlaggen zouden in 's bisschops kerk worden opgehangen, ‘om uw kudde te doen zien, hoe gij, nu ge ze tijdelijk niet tot herder hebt kunnen strekken, lauweren op zee hebt behaald’.

De Spaanse koning van zijn kant trachtte de uitrusting te ondersteunen, door 16.000 missen te laten lezen, terwijl de eerste minister zelfs voor 60.000 missen zorgde. Moeilijk bleek het intussen, voldoende soldaten voor het transport bijeen te brengen. Ze werden daarom bij honderden geprest en stierven weg, voor zij nog

[p. 109]

ingescheept waren. Dan werden er nieuwe opgehaald: ‘Men zocht niet, zoals het behoorde, naar leeglopers, misdadigers of werklozen, integendeel, juist diegenen werden opgebracht, die er het meeste recht op hadden rustig in hun land te leven en waardig waren door de anderen te worden verdedigd en gesteund, daar zij op de akker of in de stad voor zichzelf en voor hun medeburgers in het levensonderhoud der gemeenschap voorzagen. De boeien en ketenen, die de gevangenen voortsleepten, maakten een geweldig angstwekkend gerucht. Maar het jammeren en schreien der moeders, vrouwen en kinderen, die hen omringden, overstemde nog de algemene weeklachten der mannen, die zich door hun eigen landgenoten gevangengenomen zagen, door hun eigen broeders onderdrukt. Zelfs voor de laatste omhelzing van een afscheid, dat voor eeuwig zou zijn, werd hun de vrijheid geweigerd, die zelfs de dood, hoe snel hij komen mag, de mensen nog vergunt......’

De eerste ontmoeting.

De 6de september kwam in de Staten van Holland het bericht, dat de Armada onderweg was; 67 schepen, waaronder van de allergrootste galjoenen, één van 2400 ton en een negental van ieder 1500 ton, en met in totaal 10.000 soldaten aan boord. Er valt niets meer te doen, de vloot is in zee en een deel er van, onder Tromp, kruist in het Kanaal; ......‘is verstaen de saacke aen God ende de vigilantie van den Welgemelten Lieutenant Admiraal Tromp bevolen sal worden gelaaten ...’.

Negen dagen later, in de middag, kruiste Tromp met twaalf schepen in het Kanaal in de buurt van Beachy Head. Het admiraalschip, de Aemilia, genoemd naar Amalia van Solms, was verreweg het grootste schip en mat 600 ton; het voerde 57 stukken en had een bemanning van 240 koppen. Van de andere schepen had er geen enkele meer dan 120 man aan boord. Deze kleine scheepsmacht was er getuige van dat aan de horizon de Armada opdaagde en Tromp besloot, haar op te wachten en de strijd aan te binden. Hij ontbood de eskaders van De With en Banckert en toen De With met zijn vijf schepen zich geschaard had onder de vlag, begon de strijd. Het eerste treffen had een eigenaardig karakter. Tromp bewaarde het contact met de vijand en hield tegelijk de mogelijkheid open, om als de nood het eiste, uit te wijken. In kiellinie voeren zijn schepen dicht achter elkaar en gaven de vijand telkens weer de volle laag. D'Oquendo, de Spaanse bevelhebber, was wel

[p. 110]

een dapper man, maar hij dirigeerde geen vloot. Zodra de slag begonnen was, manoeuvreerde elk van zijn schepen op eigen gelegenheid. Dat laatste kon ook een weinig gezegd worden van De With, die heel fel had gevochten, de vijand de meeste schade had berokkend en zich na de strijd bij Tromp kwam melden, ‘begruyst, besmeurt, al hinkende, ontoonbaar’.

Nieuwe gevechten.

De volgende dag gebeurde er niets. In zeeslagen van die tijd komt dat herhaaldelijk voor. De draagwijdte van het geschut was gering. Waren de vloten eenmaal uit elkaar geraakt en ging dan de wind liggen, dan konden ze vele uren dicht bij elkaar in de buurt blijven drijven, zonder dat er iets gebeurde. Maar in de daaropvolgende nacht begon de strijd opnieuw en hij werd voortgezet, toen de dag begon te gloren en uit het Oosten het eskader van Banckert kwam opdagen, om zich onder de vlag van Tromp te scharen. Aan boord van een der Spaansche schepen was een Portugees, die een levendige beschrijving heeft gegeven van deze gevechten:

‘Het was rustig weer in die nacht en zeer duister. Onophoudelijk braakten echter van beide zijden kanonnen en musketten een zee van vlammen uit. Dit vuur, haast geen moment gedoofd, zette de wateren in gloed, zodat onze ogen, die een voortdurend schijnsel zagen, het daglicht ontberen konden. Aan één stuk bulderde het geschut; het scheen wel of onder voortdurend dondergerommel de wereld bezig was te vergaan. De Jezuïet Carlos de Brevil, een geleerd en deugdzaam man, waarmee ik op deze expeditie zeer bevriend geraakt was, vertelde, dat hij gedurende de veertien uren, welke dit allerverschrikkelijkst gevecht heeft geduurd, voortdurend het Onze Vader had gebeden, maar geen enkele maal het derde woord had kunnen uitspreken zonder een kanonschot te horen weerklinken. ......’

De dag brak aan en de strijd ontbrandde weer met nog groter heftigheid. Een meer geordende strijd werd het echter niet; de Spaanse Armada had geen nieuwe instructies gekregen, zodat haar kapiteins zich allen konden richten naar eigen dapperheid of gevoel voor discipline, eigenschappen, die bij velen uiteenliepen en waarop bij anderen niet al te stellig mocht worden gerekend. Men zag, dat de vijandelijke vloot in twee eskaders gesplitst was. Eén

[p. 111]

daarvan stond onder bevel van Tromp, het andere van Witte de With. Als behendige ruiters in een feesttoernooi traden zij het strijdperk in en uit, waarbij zij geweldige salvo's op de Spanjaarden afvuurden. Deze lagen bijeen in een langgerekte massa, waarvan de rechterzijde als voorhoede dienst deed. Dit had ten gevolge, dat alleen de voorste rij de volle laag gaf en verdroeg, terwijl de overigen, die buiten schot lagen, geen poging deden om in de vuurlinie te komen. Het was een droevig gezicht, hoe miserabel zij de vijand beschoten; het minst ongelukkige salvo kwam nog in de golven terecht; velen echter schoten op eigen kameraden, welke het dichtst bij de tegenstander lagen, waardoor zij alleen maar tot de nederlaag van hun eigen krijgsmakkers bijdroegen.

Eindelijk moest Tromp de strijd afbreken. Hij heeft het zelf duidelijk en kort gezegd in zijn journaal: ‘doen waren wy meest alle sonder cruyt en cogels, want wy ons canon niet eens meer conden laden en daerdeur het vechten hebben moeten naerlaten.’

Tromp spoedde zich naar Calais om munitie te laden, waarbij de Franse bondgenoten op vlotte wijze hulp verleenden. De Spanjaarden lieten de ankers vallen op de rede van Duins.

Achter de Goying.

Tevergeefs zal men op de kaart van Engeland zoeken naar een plaats, die Duins heet, want zulk een plaats bestaat niet. Door het Zuiden van Engeland lopen van West naar Oost twee heuvelrijen, de North- en South-Downs. Ze eindigen met steile klippen in zee: Noord- en Zuid-Voorland. Tussen deze beide kapen buigt de kust zich in een bocht naar binnen, en vóór de zo gevormde baai liggen zeer gevaarlijke zandbanken, de Goodwins, of, zoals onze zeelieden zeiden, de Goying. Tussen de banken en de kust nu is de rede van Duins.

 
Zonk, snoevende Dons, u het hart in de schoenen?
 
Vraagt Spanie om schuts op een Engelsche reê?
 
Eruit, zoo ge durft, met uw zestig galjoenen,
 
Hier zijn we, bevecht ons in de opene zee.......

Neen, D'Oquendo was geen lafaard. Maar om nu nog te proberen, door het Nauw van Calais op te dringen naar Duinkerken, de haven der bestemming, het was al te riskant. In de verschillende gevechten had de tuigage van de schepen ontzettend geleden en ook zonder dat was de Hollandse vloot, wat bezeildheid betreft, verre

[p. 112]

in het voordeel. De schade moest derhalve eerst worden hersteld.

Maar de rede van Duins werd door de Engelsen als een haven beschouwd. Het hele geval kon licht leiden tot politieke verwikkelingen. Enerzijds was de Engelse koning met het geval verlegen, want zijn positie was niet sterk en met de Schotten was het reeds tot een openlijke oorlog gekomen. Anderzins beschouwde hij het als een fortuintje. Een geschiedschrijver heeft eens een vergelijking gemaakt tussen de verschillende Stuarts, die op de Engelse troon hebben gezeten. De typeringen waren heel scherp; Jacobus I was een verwaande gek, Karel II een nietswaardige wellusteling. Maar Karel I, die in 1639 over Engeland regeerde, kwam er beter af. Hij was een zeer respectabel mens, een goed huisvader, enz. Alleen - hij was volstrekt onbetrouwbaar. Dat bleek ook nu. Want hij onderhandelde met Spanje: zoveel mogelijk zou hij de vloot beschermen tegen de Hollanders, als Spanje er toe wilde meewerken, dat de keurvorst van de Palts, een bloedverwant van de Engelse koning, weer in zijn waardigheid werd hersteld. Tegelijk onderhandelde hij ook met Frankrijk, in de hoop, dat dit land er toe wilde meewerken, dat de Palts voor 's konings bloedverwant werd veroverd. Met de Hollanders onderhandelde de koning niet. Die hadden maar één wens, namelijk, dat de Spaanse vloot de Engelse rede zou verlaten, opdat zij haar in de open zee konden aangrijpen.

En daarom veranderde Holland in deze weken in een grote scheepstimmerwerf. Al meer schepen werden uitgerust en kwamen zich voegen onder de vlag van Tromp. Ook de kapiteins, die anders in dienst der compagnieën de kostbare konvooien beschermden of ter kaapvaart gingen tot in West-Indië toe, werden nu naar Tromp gedirigeerd; ook Cornelis Jol, alias Houtebeen, die jarenlang de schrik der Spanjaarden was in de Amerikaanse wateren.

De 15e september had Tromp de Armada voor het eerst gezien. Toen commandeerde hij een eskader van twaalf schepen, dat na enkele uren tot zeventien aangroeide. De 15de oktober beschikte Tromp reeds over 63 schepen en bijna dagelijks groeide dat getal.

Blanco volmacht.

Maar dat groeiende getal Hollandse schepen maakte het voor D'Oquendo al meer riskant om de rede van Duins te verlaten. Zou men nog ooit de kans krijgen, hem in de open zee te bevechten? Of zou er maar één mogelijkheid overblijven, om hem te slaan, nl. hem

[p. 113]

aanvallen op de Engelse rede in het gezicht van de Engelse vloot? Het spreekt vanzelf, dat Tromp hier geen beslissing kon nemen op eigen verantwoordelijkheid, want aan een zo krasse schending van de Engelse hoogheidsrechten konden verstrekkende consequenties verbonden zijn. Tromp kreeg een aanwijzing van de Staten-Generaal, die duidelijk genoeg was. Busken Huet heeft er zich mee vermaakt en vertelt het aldus:

‘Tevens werd (door de Staten-Generaal) goedgevonden Tromp te prijzen “om zijn manlijken moed, en hem aan te manen te vertrouwen, dat God de Heer Almachtig daarover zijn genadigen zegen zou geven. Hij moest, zoodra mogelijk, de Spaansche vloot vernielen, zonder acht te slaan op de havens, reeden of baaien van de koninkrijken, waar zij te achterhalen zou zijn. Achtte hij zich de sterkste, en meende hij voordeel te kunnen behalen op de Spaansche of andere vijandelijke schepen, dan zou hij tot den aanval overgaan. En in geval Franschen, Engelschen, Schotten, Zweden, Denen, Polen of Oosterlingen, zulks poogden te beletten, zou hij zich daardoor niet van zijn goed voornemen laten terughouden, maar met wapenen zich tegen die natiën verdedigen”.
Deze hutspot van even aangeduide nationaliteiten had eene beteekenis, en getuigde van eene scherpzinnigheid, welke de Staten-Generaal dier dagen, onder het aanroepen van God Almachtig, zelden begaf. Geen haar op het hoofd van Oosterlingen, Polen, Zweden of Schotten dacht er aan de Spaansche Armada te ondersteunen. De Franschen juichten Tromp's onderneming hartelijk toe, en zouden Tromp-zelf eerlang met onderscheidingen overladen. Alleen de Engelschen, onder Karel I, waren niet te vertrouwen; en daar de Staten noch openlijk Engeland voor het hoofd wilden stooten, omdat Engelands koning hun vriend en hun bondgenoot heette, noch verkozen, dat Tromp niet weten zou, hoe te handelen, in geval bij Duins de marine van Karel I de Spaansche marine bijsprong, goochelden zij tusschen de niets zeggende namen van andere volken, op welke hij, indien het spande, schieten mocht, behendig dien der Engelschen.
De Hollandsche admiraal, die een pik op de Engelsche “roorokken” en als goed verstaander aan een half woord genoeg had, begreep, dat dit Hebreeuwsch hem carte blanche gaf.’

[p. 114]

Ridderlijke uitdaging.

En dan zijn er twee oude verhalen, bij jong en oud bekend. De Spanjaard verontschuldigde zich. Hij óók wilde graag in de open zee de krachten meten, maar de ravage bovendeks was te groot. Eerst moesten er nieuwe masten en stengen uit Dover komen. Welnu, Tromp verklaarde zich bereid, ze door te laten, ja, als het moest, zou hij wel mannen sturen ook, om ze er in te zetten. Inderdaad heeft een Nederlands jacht de verlangde masten naar het schip van de Spaanse admiraal gesleept. En toen de Spanjaarden opnieuw treuzelden en zich verontschuldigden, omdat zij te weinig kruit hadden, bood Tromp hun gratis 500 vaten aan, mits zij dan ook ogenblikkelijk de Engelse rede verlieten. Van het laatste aanbod is niets gekomen, maar toch bewijst de historie, dat de Hollandse pikbroeken vol ridderlijk zelfgevoel waren.

De laatste strijd.

In de nanacht van de 20ste op de 21ste hoorden de Spanjaarden uit de richting van de Nederlandse vloot een kanonschot. Dat moest een sein betekenen! En inderdaad, toen het licht werd, bleek de gehele vloot gevechtsklaar onder zeil te liggen.

De Spanjaarden begrepen maar al te goed, wat dat betekende. Tromp vond, dat hij lang genoeg had gewacht. De Engelse admiraal kreeg een officiële mededeling, dat onze vloot de Spanjaarden nu aan zou tasten op de Engelse rede, en Tromp, die in voortdurende kleine moeilijkheden met de Engelsen reeds getoond had, de dingen laconiek te kunnen zeggen, eindigde zijn missive met de hoop uit te spreken, dat zijn besluit de Engelse koning aangenaam zou wezen. Die hoop werd niet verwezenlijkt. Geen wonder! Karel I was, toen Tromp zijn aanval begon, nog druk bezig, zowel met de Fransen als met de Spanjaarden te onderhandelen, ten einde zoveel mogelijk winst uit het geval te slaan en hij verkocht aan de Spaanse admiraal buskruit, ver boven de marktprijs.

Maar nu kwam in de vroege morgen de Hollandse vloot opzetten. Eén eskader, onder de With, hield de Engelsen in het oog, de anderen gingen met de Spanjaarden aan de dans. Maar het was nauwelijks een gevecht. De Spanjaarden trachtten zo gauw mogelijk weg te komen en hadden daarbij helemaal geen succes. Al spoedig zaten hun schepen bij rijen op het strand en werden daar een gemakkelijke prooi van onze artillerie. En de branders deden

[p. 115]

hun werk. Dat waren kleine schepen, die met een brandbare lading en springstoffen zo dicht mogelijk bij het vijandelijke schip werden gestuurd. De weinige mannen, die het scheepje bestuurden, haastten zich dan weg in een sloep en de brander dreef tegen zijn prooi. Chef van dit bedrijf was Adriaen Jansz., konvooier van de Zeeuwse admiraliteit, die de passende bijnaam had van Gloeyende Oven. Het werd een bijna volledige catastrofe voor de Spaanse vloot. Het geweldige schip van de Portugese vice-admiraal, de Goliath, zeiden onze matrozen, ging in vlammen op. D'Oquendo wist dapper vechtende te ontkomen en bereikte met een paar schepen de haven van Duinkerken. In het geheel kwamen daar 9 van de 53 schepen binnen. De anderen waren gezonken of zaten als wrakken op de Engelse kust. ‘Nu blijft mij niets meer over dan te sterven, nu ik het schip en de standaard in de haven heb gebracht’, moet hij bij zijn aankomst hebben gezegd. Hij werd aan land gedragen en overleed het volgende jaar. In Spanje is alleen de regering op de hoogte gebracht van de debâcle, het volk kreeg slechts verhalen te horen over Spaanse overwinningen.

Maar in Holland verheugde zich een dichter over de zege der Hollandse Dons.

 
De ingeboren Dons, Raphandighe gesellen,
 
Die altijt op de zee de pijpen aerdig stellen.

En hij somt hun namen op, namen van mannen uit het volk, pik broeken:

 
Don Keerte-koe, Don Iaep, Don Houtebeen was daer,
 
Don Bancker en Don Vijgh, met Don de Mangelaer,
 
Schoemaker met Don Heynst, gewoon op zee te danssen,
 
Don Lapper, met Don Hoen, Don Lam, Don Gillis Iansen,
 
Don Waterdrincker selfs, die als een dapper helt
 
Heeft sijnen naem veel Dons in 't vechten bijgestelt.
 
Don Speck was haest bedacht, en is voor eerst gaen strijcken
 
Voor twellef van dit slagh, en daer na gants gaen wijcken;
 
Geloopen en gevlught, geschuylt in Engelant:
 
Daer naer gejaeght, vervolght, versopen of gestrant.
 
D'Oquendo, van gemoet gebroken en van lenden,
 
Heeft qualick eenen Don tot bode kunnen senden.
 
Maet, hangt dit aen de vlagh en plackt dit voor de mast,
 
Dat Spangjen is van Tromp met sulcke Dons verrast.
[p. 116]

Het resultaat.

Het was een geweldige nederlaag voor de Spanjaarden. Maar het doel van de onderneming, het overbrengen van Spaanse troepen naar de Zuidelijke Nederlanden, was voor drie kwart gelukt. Ze waren voor een belangrijk deel met behulp van Engelse schippers, die er een stevige duit aan verdienden, van de rede van Duins naar Duinkerken gebracht. Doch het overbrengen van enkele duizenden soldaten was toch met het verlies van zulk een oorlogsvloot te duur betaald. Wel was Spanje in staat, tegelijkertijd nòg een oorlogsvloot uit te rusten, niet minder indrukwekkend, en die vloot zou moeten dienen, om de Nederlanders uit Zuid-Amerika te verdrijven. Maar - zoals in deel V van deze serie is beschreven - ook hier liep de grootse onderneming op een nederlaag voor Spanje uit. Drie maanden na de Slag bij Duins werd in een vierdaagse strijd voor de Braziliaanse kust ook deze vloot totaal verslagen. Daarmee werd de overwinning van Tromp gecompleteerd. Beide overwinningen tezamen hebben de maritieme macht van Spanje gebroken.

Duinkerken.

Toen Vondel in 1626 of 1630 zijn hekeldicht De Roskam schreef, klaagde hij ook over het plichtsverzuim van de Admiraliteitscolleges. Als die maar beter voor onze marine zorgden:

 
Geen Duynkerck sou de zee met vlooten overheeren.
 
Maetroos die roovers ras sou aersling klimmen leeren;
 
En 't laege Waterland doen kijcken door een' koord,
 
Dien, die nu blindeling ons slingert over boord,
 
En visschers vangt en spant, verwt zeeluy doods van vreesen:
 
Soo datter een geschrey van weduwen en weesen
 
ten hoogen hemel rijst, wt dorpen en wt steên.

Die rovers, zegt Vondel, maar men heeft wel te bedenken, dat er onderscheid is tussen zeeroof en kaapvaart. Duinkerken was een Spaanse oorlogshaven en volgens het toen geldende oorlogsrecht kon er met commissie van de overheid gejaagd worden op vijandelijke koopvaarders. De West-Indische Compagnie deed hetzelfde en stuurde Piet Heyn er op uit in 1627 en 1628. Zolang de oorlog met Spanje voortduurde, was het te verwachten, dat onze handel en visserij door de Duinkerker kapers werd bedreigd. En dat was een gevaarlijke bedreiging. Deze kapers waren volkomen deskun-

[p. 117]

dige schippers, als geen ander thuis tussen de Vlaamse banken. Het bedrijf had hen hard gemaakt. Maar omgekeerd waren ook onze zeelui gestaald in de strijd tegen de kapers. Er is enige tijd geleden een boek verschenen van Graefe over de Kapiteinsjaren van Maarten Harpertszoon Tromp. Een verhaal van allerlei ‘klein werk’, patrouilleren en kruisen, maar een verhaal, dat altijd weer terecht komt bij de Vlaamse banken en de Duinkerkers. Dáár leerden onze marinemannen geduld, vasthoudendheid, hardheid en moed. En ook onze koopvaarders moesten soms van zich afslaan. Zij voeren dikwijls in konvooien en zorgden dan zelf wel voor een gewapend geleide, als de staat geen eskader beschikbaar had. Maar als het moest, dan namen alle schepen, geleiders en begeleiden, deel aan het gevecht. Er zijn vele verhalen in dicht en ondicht bewaard gebleven uit deze onverbiddelijke strijd. Zo het verhaal van De Ruyter, die met zijn schip, uit Ierland komende, geheel onbeschermd door het Nauw van Calais voer, hoewel de zee van Duinkerkers krioelde. Hij had echter zijn schip dik met Ierse boter besmeerd. Inderdaad ontmoette hij een Duinkerker, die hem trachtte te enteren, maar ‘alles was zoo glad ende glibberig door de booter, dat de vyanden nergens vat aen vonden, ende die over quaemen, konden gaen noch staen, maar gleeden, glipten ende vielen als op glad ijs onder ende over elkander heenen, zoo dat hij ze na een kort gevecht afsloeg’. Een andere keer ontjaagde De Ruyter met een klein scheepje, met zeventien manschappen aan boord, een ‘kostelyken prys’ aan een Duinkerker kaper, en dat, terwijl de laatste 20 stukken voerde en een bemanning had van 120 koppen!

Toen kapitein Cleuter een kaperschip veroverde, dat ‘Het Cleyn Duyvelken’ heette, vroeg Revius in een gedichtje aan deze duivel, zijn kameraden te zeggen, dat ze beter hulp moesten sturen aan de Duinkerkers:

 
Segt dat de Bataviers u hebben aengegrepen
 
En indien dan gedaen, segt datse op haer schepen
 
Wywater hebben van soo sonderlinghe cracht
 
Dat een cleyn duyvelken by haer niet is geacht.

Ook Vondel vond inspiratie in de miraculeuze dingen, die er in de strijd tegen de Duinkerkers gebeurden. Toen een Duinkerker in een zwaar gevecht in brand geraakte, vloog zijn metalen kanon door een ontploffing omhoog en kwam terecht op het schip van hop-

[p. 118]

man Volkaert, die het voortaan voerde op zijn eigen schip. Men noemde dit kanon het Roode Paert.

 
Het quam, toen Volkaert dien Duinkerker had gedrongen
 
Uit 's meesters zeekasteel, in 't Hollandsch slot gesprongen.
 
De zeehelt greep het bij den zeetoom zonder last.
 
Het opent met zijn hoef een Bronâer voor den zanger.
 
Wy drincken op Parnas noch Helikon niet langer,
 
Dit is ons paerdebron. Hier is geen droom aen vast.

En naast deze poëtische statigheid en zwier ontstonden de pretentieloze liederen, door overigens onbekende matrozen gedicht, maar die een goed beeld geven van de strijd. Zo het gedicht over kapitein Veldmuys, die bij het Vlie de strijd aanbond tegen vier Duinkerkers, er één in brand schoot en de overige drie op de vlucht dreef, maar zijn eigen schip had achttien schoten beneden de waterlijn:

 
Daer moesten wy 't begeven
 
Het zonk in 't Robbegat:
 
Maer 't Volk behielt het leven
 
Een ieder bergde wat.
 
Wij hadden zeven dooden
 
En veertien Mans gewont.
 
Lof zy u Godt der Goden
 
Al d'andere zyn gezond......

Maar niet alle gevechten eindigden met zulk een dankbaar slot. Heel dikwijls bleef de Duinkerker overwinnaar en was er rouw in de dorpen aan de zeekant. Vooral de vissers moesten het ontgelden. Zij waren op zee betrekkelijk weerloos en het was niet mogelijk, hen te konvooieren. En wanneer de vloot naar elders was gedirigeerd, sloegen de kapers onmiddelijk hun slag. Zo hebben zij, toen Tromp in het Kanaal op de Armada wachtte, in enkele dagen dertien koopvaarders van de Noordzee naar hun haven gesleept.....

Val van Duinkerken.

Tot het bondgenootschap met Frankrijk een nieuwe winst opleverde. Eerst was de weg over land voor de Spanjaarden afgesneden. Toen hebben zij in een laatste poging in 1639 hun kansen langs de zeeweg verspeeld. Dat was uitsluitend het werk van de Nederlandse

[p. 119]

marine. En toen kwam het jaar 1646. De Fransen onder Condé bestookten Duinkerken van de landzijde. Tromp sloot het van de zeekant in. Toen was er geen ontkomen aan, want op ontzet viel niet te hopen. Op de 10de oktober gingen de Spaanse vlaggen neer en werd de Franse vlag gehesen. Duinkerken had gecapituleerd. Voortaan was het een Franse stad en dat is het nog. Het was uit met de kaapvaart. Maar ...... het duurde geen twee jaar meer, of Spanje sloot vrede en dat had tòch automatisch het einde van de kaapvaart betekend. Met Spanje stonden we reeds spoedig na de vrede op goede voet. In 1672, in 1688, in 1702 werd het oorlog met Frankrijk, en elk van die oorlogen betekende, dat er Duinkerker kapers op zee waren, maar nu onder Franse vlag.