[p. 48]
Vertelling van Dorisje.
Wij dronken chocolade,
En deden honderd vragen.
[p. 49]
aant.
Eene vertelling van Dorisje
Wij zaten laatst bij
Saartje
,
Onze oude goede baker,
Die sprookjes kan vertellen.
Wij dronken chocolade,
En deden honderd vragen.
In 't einde zei ons
Saartje
:
Wel nu, mijn hartediefjes!
Gij kent de vier getijden,
Wat houdt gij voor het beste?
Toen zei mijn zusje
Mietje
,
Die tijd is mij de liefste,
Wanneer de boomen bloeien.
Dan krijgt men mooie bloempjes,
Om tuiltjes van te vlegten.
Dan ziet men duizend vogels
Op groene takjes zingen.
Is dat niet in de lente?
De winter, lieve
Saartje
!
Zei
Pietjen
, is de beste,
Dan hooren wij vertellen,
En drinken chocolade,
Of eeten dikke wafels.
Neen ik verkies den zomer
Zei
Keesje
, dan is 't kermis.
Dan hoef ik niet te leeren.
Maar ik zei, 't is het beste
Als meest de vrugten rijp zijn.
[p. 50]
Dan valt er braaf te knappen.
Dan heeft men abricoozen,
En pruimen, en morellen,
En perzikken en peeren:
En is dat niet in 't najaar?
Hoort kinders, zeide
Saartje
,
De winter moet de velden
En tuinen vrugtbaar maken.
Men moet de boomen snoeien;
Den akker moet men mesten;
Dat doet men in den winter.
De boomen moeten bloeien,
Om vrugten ons te geven;
Dat doen zij in de lente.
De vrugten moeten groeien;
Dat doen zij in den zomer.
Men moet de vrugten plukken;
Dat doet men in 't najaar.
Dus moet gij, lieve kinders!
In alle jaargetijden
Gods wijze goedheid loven,
En wel te vrede wezen.