[p. 60]
De waare vriendschap.
Die zelden prijst, spreekt vriendentaal.
[p. 61]
aant.
De waare vriendschap
Een vriend, die mij mijn feilen toont,
Gestreng bestraft, en nooit verschoont,
Heeft op mijn hart een groot vermogen:
Maar 't laag gemoed, dat altoos vleit,
Verdenk ik van baatzugtigheid,
Ik kan zijn bijzijn niet gedogen.
Die zelden prijst, spreekt vriendentaal.
Die altoos vleit, liegt menigmaal.