[p. 144]
Het geweten.
Nooit heb ik meer vermaak, dan als ik mijnen pligt
Blymoedig heb verrigt.
[p. 145]
aant.
Het geweten
Nooit heb ik meer vermaak, dan als ik mijnen pligt
Blijmoedig heb verrigt.
Dan smaakt het eeten best; dan kan ik vrolijk springen;
En blijde liedjes zingen;
Maar ben ik traag of stout, dan ben ik niet gerust;
Dan heb ik geenen lust
In spijs, in drank, of spel; dan wordt mij door 't geweten
Geduuriglijk verweten,
Dat ik een slegtaart ben, en dat ik nooit een man,
Zoo doende, worden kan.