[p. 152]
De zon.
Hoe groot moet God niet weezen!
[p. 153]
aant.
De zon
Als ik de zon zie schijnen,
Die met haar lieve stralen
Deze aarde vrolijk koestert;
Op dat er kruiden groeien,
Om vee en mensch te spijzen;
Die 't licht ons doet genieten,
Om tog verheugd te werken,
En vergenoegd te leven;
Dan denk ik, met aanbidding,
Hoe groot moet God niet weezen!
Die zon heeft hij geschapen!
En dat uit enkel liefde!