[p. 165]
Aanhangsel
[p. 167]
aant.
Zamenspraak tusschen Jakob en Hendrik
hendrik
Gij kent u lessen niet, en huppelt echter blij.
jakob
Wat raakt het leeren mij?
hendrik
Wat raakt het leeren mij?
Gij moogt uw Vader vreezen.
jakob
Dien kan ik wel belezen.
hendrik
Hij zei u onlangs nog, dat gij een domöor zijt.
jakob
Ho! Ho! ik heb nog tijd.
hendrik
Maar als gij grooter zijt, dan zal 't u wis vervelen.
jakob
Dat kan u weinig schelen.
hendrik
Zeer veel; ik heb u lief, en vrees er daarom voor.
jakob
Gij zijt een wijsneus; hoor!
hendrik
Nu, 't zal mijn schuld niet zijn, krijgt gij van Vader slagen.
jakob
Gij zult die ook niet dragen.
hendrik
En echter zie 'k niet graag, dat
coosje
slagen krijgt.
jakob
Loop, malle Jongen! zwijgt.
hendrik
Kom, leg uw priktol weg, en krijg in tijds uw boeken.
[p. 168]
jakob
Ik moet er nog naar zoeken.
hendrik
Wel haast u dan; zoo niet, dan komt ge wis te laat.
jakob
Ja, morgen! beste maat!
hendrik
Vaarwel dan; 't is mijn tijd. Ik wil geen botmuil wezen.
jakob
Ik wel, 'k heb niets te vreezen.
hendrik
Speel dan, zoo lang 't u lust: Gij zijt een dwaze zoon.
jakob
Wat loopt die priktol schoon!
*
*
*
Gij kindren, die dit leest,
Wien prijst gij wel het meest?