terug  begin  verderprepost
[p. 7]

Eerste hoofdstuk.

De groote Indische mailboot, die voor zonsondergang de haven van Genua moest binnen loopen, was drie mijlen van de kust, in zicht van de witte stad en de grijsblauwe bergen erachter, voor anker gegaan. In het late middaguur dreef de heete zuidelijke zon een koperen gloed over de golven; in de naar het Westen gekeerde flank van het schip schenen de kleine ronde vensters in vlam te staan en de vleugels van de meeuwen, die in snelle vluchten, krijschend of ze elkaar aanhitsten, van de kust kwamen aangedreven, leken gedrenkt in goud.

Toen het rhythmisch-rustige, vertrouwd geworden dreunen en stampen ophield, legde zich over het schip een groote vreemde stilte. In de eetzaal der eerste klasse, waar een aantal passagiers een luidruchtig afscheid vierden, viel dat ongewone als een plotselinge dreiging. De gesprekken knapten af en iedereen luisterde naar het felle zoemen der electrische fans, naar het ijle en toch scherp-duidelijke getinkel van vaatwerk en glazen en het metaalgeschuifel van messen en vorken, die de boys in de pantry hanteerden. De warme opgewonden gezichten lachten niet meer, zij toonden verbazing of verschrikte ergernis.

Toen stond plotseling, terwijl niemand hem had zien binnen komen, de eerste machinist in het midden van

[p. 8]

de zaal; namens den kapitein bracht hij correct en zakelijk het bericht, dat de boot draadlooze orders van de Italiaansche regeering had gekregen en niet voor morgen in de haven van Genua mocht binnenloopen. De reden? Die wist hij niet en zoo hij haar te weten kwam, moest hij haar geheim houden. Dat Mussolini's satellieten van draconisch machtsvertoon hielden ervoer de Maatschappij niet voor de eerste maal. Doch voorzeker had deze halve dag oponthoud, na een overigens bizonder voorspoedige reis, niets te beteekenen; de heeren en dames konden nu hun vroolijke afscheidsmaaltijd zoo lang rekken als zij wilden, het orkest zou tot tien uur dansmuziek spelen en daarna kon men zich met een extra lange nachtrust prepareeren op de vermoeienissen van het debarkeeren.

Toen de stem van den onheilsbode zweeg, viel in de duf-warme eetzaal weer de vreemde groote stilte, die van kleine geluiden vol was; de feestvierders staarden verbouwereerd naar elkander, ieder verwerkte dit volkomen onverwachte nieuws op eigen manier.

Maar Henri van Doeveren greep zijn champagneglas en ledigde het in één gulzige teug; zijn donkere heldere oogen begonnen te tintelen, overmoedig en vol heimelijk plezier als van een schooljongen, die onverwachts vrij af krijgt. Want hij dacht aan het ongelooflijk interessante gesprek met Lagrange, den grooten Franschen vliegtuigbouwer, dat hij daareven tot zijn intense spijt had moeten onderbreken en dat hij nu, dank zij het onverwachte fortuintje van dit oponthoud zou kunnen vervolgen, met de hemel-wist-welke kostelijke mogelijkheden. Zijn blik, verrast en vroolijk, zocht zijn jonge vrouw, die schuin tegenover hem zat; maar zij lette niet op hem, zij had haar kleine hoofd op de smalle blanke schouders naar het venster gewend en tuurde strak naar buiten, naar

[p. 9]

het vlak van de zee, die vreemd-kalm, onder zijn donkerend blauw van wonderlijke kleuren doorgloeid scheen. Hij ontdekte, dat de jonge Italiaansche schilder, die zijn plaats aan het ondereind van hun tafel had, even intens naar Puck keek als hijzelf en eveneens vergeefs om haar aandacht vroeg; hij zag, dat ook die zuidelijk mooie knaap met zijn kwasi interessant gezicht lachte, overmoedig en blij als een schooljongen bij onverwachte vacantie.

Toen klonk opeens een vreemd, onbeheerscht geluid, Lily Charlier, het mooie gescheiden vrouwtje, met het reeds witte haar en het jonge zachte gezichtje was in een vertwijfeld snikken uitgebarsten. Ze sprong op en liep naar den officier toe, klemde haar twee bevende handen om zijn arm en met een hooge zenuwstem smeekte ze: Dat mocht niet... dat kon niet... ze móést de nachttrein halen die van avond uit Genua vertrok, want ze móést overmorgen in Holland zijn. Het was haar moeders zeventigste verjaardag. Ze had zooveel ellende in Indië beleefd, ze had zoo naar Holland terugverlangd, dat ze onmogelijk nòg langer kon wachten. Toen begon ook mevrouw Slotboom, een bejaarde dikke nonna heftig en onbeheerscht luid te schreien; juffrouw Verkoren, het onderwijzeresje-met-ziekteverlof verborg haar gezicht in haar handen en mevrouw Roest van Oudemolen, de deftige, altijd correcte residentsvrouw, zat plotseling zielig in elkaar gedoken, terwijl de tranen haar langs de wangen stroomden. Het werd een heftige consternatie, die als een besmetting van de een op de ander oversloeg; er klonk een tumult van nerveuse uitroepen en vragen alsof iedereen plotseling zijn beheersching en goede luim verloren had, alsof het iets onoverkomenlijks was, om na een reis van drie weken een half etmaal later te debarkeeren en het er werkelijk op aan kwam, dat

[p. 10]

de extra trein naar Holland een dag later uit Genua vertrekken zou. Zelfs bij storm of ondragelijke hitte was de stemming niet zoo geprikkeld geweest, de goedmoedigen bleken driftig geworden, de indolenten opgewonden, de optimisten zwaarmoedig gestemd. Totdat de scheepsdokter, met een fleschje in zijn geheven hand ziċh een weg baande tusschen de tafels; de resident, bleek en zichtbaar geërgerd achter de schijn van zijn correctheid, had zijn onbeheerschte vrouw reeds aan zijn arm weggeleid, de weeë geur van Hoffmanndruppels verspreidde zich door de muf-warme eetsalon en de passagiers, onaangenaam gestuit in hun luidruchtig en luchthartig afscheid-nemea en plannen-maken, drentelden gedésoeuvreerd en terneergeslagen naar boven.

 

‘Ik wist niet, dat hysterie zoo aanstekelijk was,’ bromde Slotboom, de hijgende leverzieke theeplanter tot zijn reisvriend dokter Vegeer en hij wenkte een boy om zijn dekstoel, die reeds bleek opgepakt, weer voor hem uit te zetten. ‘Wat mij betreft, ik ben blij met elk uur dat de reis langer duurt, voor mij komen Karlsbad en de professoren nog altijd vroeg genoeg.’

Hij strekte zijn zware vormlooze lichaam met een zucht van verlichting op de lange rieten stoel, terwijl hij den zich wegreppenden jongen nariep om koffie en een pousje; in het onafwendbaar vooruitzicht van een operatie of een genadelooze kuur, zondigde hij nog zooveel tegen zijn diëet als hem mogelijk was.

Dokter Vegeer, een magere slungelachtige vijftiger met een pienter, leelijk gezicht, waarin een groote, weeke mond tusschen de pluizen van een slecht verzorgd, grijzend baardje lag, stond met de handen in de zakken van zijn slordige flanellen pak te kijken naar het groepje dames, dat met de roodbeschreide nonna en het bleeke

[p. 11]

onderwijzeresje tusschen zich in, bij de railing van het stoelendek stond. Alsof er een dam was doorgestoken en alsof zij thans nog bij dit laatste onverwachte, verloren samenzijn een groot verzuim moesten goedmaken, vertelden zij elkaar fluisterend haar verlangen en hunkeren en wachten, waarover zij daarginds in het verre land als bij onderlinge afspraak steeds hadden gezwegen. Waarover zij zelfs met haar eigen man of haar beste vriendin niet hadden gepraat, omdat het immers niets hielp, al deelde je je heimwee met ieen ander, omdat je wist hoe ondragelijk het werd, zoddra je het in het volle licht van je gedachten trok.

Heimwee naar kinderen, die voor hun opvoeding in Holland verbleven, naar een paar oude ouders, naar een broer of zuster; of alleen maar verlangen naar dat kleine vlakke stukje grond met koeien en gras, grijze klinkers en roode pannendaken, dat groene stukje land waarop zooveel viel aan te merken, waar het altijd woei als het niet regende, waar de huizen tochtig en slechtgebouwd en de menschen langzaam en bekrompen waren... maar dat je niet missen kon, wanneer je het aan de andere zij van de aardbol wist, dat zijn macht pas gelden deed in de overweldigende baaierd van de tropen, in die rijke verre landen, die carrière boden, avonturen, fortuin, promotie, alles waarin het overbevolkte conservatieve ouderwetsche moederland tekort schoot. Omdat je je daarginds nooit ‘thuis’ leerde voelen, maar altijd een vreemde bleef, tusschen vijandige machten...

Achter de breedgerande glazen van zijn groote bril tuurden de wijze critische oogen van den dokter; hoe goed kende hij die felle, schijnbaar kinderlijke gebaartjes, die overslaande stemmen, het hooge schelle fluisteren en het onbeheerschte lachgeluid, dat soms van schreien nauwelijks viel te onderscheiden.

[p. 12]

‘Koorddansers,’ zei hij met zijn diepe grove stem, die te ruwer klonk naarmate hij meer emoties zocht te verbergen; ‘zenuwen, die bij de kleinste ontroering overstag gaan. Dat doet Indië zelfs de sterkste vrouwen aan.’

‘Och wat. Zenuwen zijn de kwaal van de tijd,’ meende de planter, dadelijk boos wanneer iemand kwaad sprak van het land, waar hij van armen burgerjongen tot schatrijken machthebber was opgeklommen. ‘Dacht je, dat de vrouwen daarginds in Holland anders waren? Zul je wel merken als er zusters of tantes aan de trein staan om je af te halen. In Holland knauwt het eeuwig gepeuter met geld, met slechte booien en verkouden kinderen en maakt de menschen oud en kniezerig voor hun tijd.’

‘Voor de mannen is Indië een goed land,’ gaf de ander toe, terwijl hij de brand zoog in de zware zwarte sigaar, die de planter hem had aangeboden. ‘Voor sterke gezonde jongens met durf en pit zijn de koloniën het land met onbegrensde mogelijkheden. Misschien moeten ze er te hard werken, maar god-bewaar-me, voor een man is hard-werken immers de eenige manier om het leven dragelijk door te komen. Maar de vrouwen... de handschoentjes, de Hollandsche meisjes, die er met een jongen kerel naar toe gaan, al die lieve frissche kinderen met gevoelige zieltjes en een hoop illusies... de vrouwen hebben in Indië veel te weinig te doen en veel te veel tijd om aan zichzelf te denken en te piekeren. Daar zit hem de vervloekte misère... de vrouwen krijgen er bijna allemaal een klap van beet.’

‘Waarvan beet?’

‘Heimwee. Merkwaardig, dat we er in het Hollandsch niet eens een eigen woord voor hebben, want er is zeker wel geen volk ter wereld, dat zoo goed als het onze weet wat het beteekent. Dat zoo'n sterk aan huis gebonden

[p. 13]

familieleven heeft en toch zoo'n groot aantal van zijn kinderen naar de koloniën stuurt. Heimwee is een vervloekt, knagend zeer, waar zelfs de almachtige liefde niet tegen bestand is, dat de lichamen sloopt en de geest tot het laatste restje van zijn veerkracht uitzuigt.’

‘Je overdrijft weer schromelijk,’ zei zijn metgezel en met welbehagen dook hij zijn dikke neus in zijn glas chartreuse. ‘In het begin... een paar jaar misschien... hebben ze heimwee. Ik heb er honderden bijgewoond. Als ze jong komen, wennen ze immers allemaal. En na het eerste groote verlof, als ze ervaren hebben, dat het oost west, thuis in Holland ook zoo prettig niet is, zijn de meesten in Indië best tevreden.’

Zijn groote gelige hand greep den jongen man, die langs zijn stoel liep, bij een slip van zijn smoking. ‘Hei... Van Doeveren... zeg jij eens, is Indië geen best land voor wie er werken wil en niet kankert?’

‘Ik vond het een best land, meneer Slotboom.’ Het knappe gebruinde gezicht van den aangesprokene lachte, maar dan trok het triest en gesloten. ‘Voor een man is het een best land,’ voegde hij er bij, terwijl het donkerde in zijn oogen.

‘Ah zoo... dus u vindt ook...’ begon de dokter strijd-vaardig. Maar de ander bleek geen lust te hebben in het gesprek van den dag, van alle dagen van de reis, die bijna vier weken geduurd had.

‘Ik ben op zoek naar mijn vrouw. Hebt u haar ook gezien, dokter?’

‘Staat ze daar niet bij dat troepje kwetterende eksters?’ vroeg de planter en de breede grijns trok weer over zijn geel, opgezet gezicht.

‘Zulk gekwetter is niets voor mijn nicht Elisabeth,’ constateerde de dokter met een zwier van spot, die hem slecht afging. De jonge man keek hem aan en er kwam

[p. 14]

even iets van hoon in zijn heldere oogen. ‘Als u haar ziet, wilt u haar dan zeggen, dat ik met Lagrange - de Fransche vliegtuigbouwer - in de rooksalon ben?’

‘Ik beloof het u,’ knikte de ander wat al te ijverig. ‘Mevrouw draagt immers vanavond haar hel-groene shawl?’ Weer keek Van Doeveren met zijn rustige, groot open blik naar het nerveuze verweerde gezicht en het magere afgewerkte lichaam van den dokter. Een volle neef van Puck's moeder; ze hadden zijn bestaan nauwelijks geweten vóór hij aan boord, joviaal als een oude bekende, de vriendschap had aangeknoopt. Eén van het half dozijn mannen, dat gedurende de reis om zijn vrouw had heengezoemd als wespen om een kandijklont. Honderdmaal verjaagd en honderdmaal weer present. Puck had een zwak voor dokters. Die alleen, zei ze, leeren de menschen kennen zooals ze werkelijk zijn en kijken onder de schijnvertooning van het leven dóór. Uren had ze met dezen leelijken, slecht-verzorgden vent zitten boomen. Van Doeveren schudde iets van zich af, terwijl hij groette en verder ging, de intuïtieve weerzin van een kerngezond mensch voor een door whiskey en tropenhitte gesloopte. Dan vaagde hij den wonderlijken onaantrekkelijken naneef uit zijn gedachten. Lagrange was daareven naar hem toegekomen, had voorgesteld hun gesprek in de rooksalon te hervatten.

Twee mooie, heel jonge nonna'tjes, die hij voorbijliep zonder op haar te letten, zonder het vlotte, gemakkelijke praatje, dat hoorde bij de oppervlakkige vertrouwelijkheid aan boord, keken hem verliefd na, smachtend met haar donkere fluweelen oogen. Want een groote knappe kerel was hij, met een lang recht lichaam en een aantrekkelijk welbesneden, weinig beweeglijk gezicht, het gezicht - zei hatelijk dokter Vegeer - van een Engelsche sigarettenreclame. Hij had zich gedurende de lange

[p. 15]

bootreis ontpopt als een matador in: dektennis en scuffleboard, hij danste met nooit verflauwend animo, hij speelde met een onvermoeide hartstocht uitstekend bridge en vertoonde ontelbare kunstjes met kaarten. En bijgevolg genoot hij, zooals zijn vrouw hem telkens weer plagend verzekerde, een ongeëvenaarde populariteit onder de bakvisschen en de oude dames aan boord.

‘Weet je, dat hij in Wassenaar gaat wonen, Dédé? Misschien komen we hem wel eens tegen in Den Haag of op Scheveningen, zeg! Dan vragen we of hij met ons gaat dansen.’

‘Maar als die nare vrouw er bij is?’

‘Is het een nare? Ik heb nooit met haar gesproken.’

‘Zij sprak niet met jou, kind! Voelt zich mijlen boven je verheven. Ze is een blauwkous, een echte hoor! Meester in de Rechten en doktor in de Staatswetenschappen en de hemel weet wat nog verder. En een koud geraffineerd soort flirt bovendien.’

‘Dokter Vegeer heeft aan Moeder verteld, dat 'r man een prachtige carrière heeft opgegeven, omdat zij niet tegen het Indische klimaat kon.’

Van Doeveren's rechte rug en breede schouders verdwenen achter de deur van de rooksalon; het kleine nonna'tje zuchtte diep, de roode sensueele lipjes verlangend getuit. ‘Zoo'n schat van 'n man toch! Kassian!’

 

Het huwelijk van Elisabeth Coornvelt en Henri van Doeveren was in 1925, na een verloving van slechts enkele maanden, gesloten. In alle stilte, want na de dood van Dr. Elize Wijsman en de scheiding van Steven en Dorothee, Pucks ouders, terwijl het groote oude huis te koop stond, de meubels werden opgeborgen en al de

[p. 16]

kinderen plannen maakten om hun eigen weg te gaan, voelde niemand lust tot feestelijkheid.

Kort vóór de bruidsdagen van zijn oudste dochter hertrouwde Steven Coornvelt in Engeland en vertrok zijn eerste vrouw naar Genève om een functie bij een der commissies van den Volkenbond te aanvaarden. Kitty was reeds eerder, na heftige scènes met haar vader, naar Parijs gegaan om aan een dansschool te studeeren, Elly was verpleegster geworden, opdat zij later haar man in zijn kliniek terzijde zou kunnen staan. Zoodat alleen Pim met een verveeld en Lody met een pijnlijk verlegen gezicht tegenwoordig waren bij de nuchtere huwelijksvoltrelcking op het Leidsche Stadhuis, waar mevrouw Van Doeveren, een reeds bejaarde weduwe met streng conservatieve begrippen zich wegens haar gezondheidstoestand had laten verontschuldigen. Iedereen wist - de bruid het allerbest - hoezeer de oude dame zich gegriefd en geschokt voelde door de keuze van haar aangebeden zoon; hoe energisch zij tot het laatste toe gepoogd had zijn huwelijk met de wufte, moderne Puck Coornvelt te verhinderen, of ten minste uit te stellen tot hij - weer in Indië terug - zich in rust en kalmte op zijn voornemen zou kunnen bezinnen. Alleen Henri's zuster Cornelia, een oudachtig meisje, met een triestverlept, verbitterd gezicht, dat eenmaal mooi en fleurig was geweest, vertegenwoordigde de familie van den bruidegom; zij bleek, merkwaardigerwijs, de eenige der aanwezigen, die nerveus en onder den indruk scheen en zij schreide onder haar stijf en oud modisch hoedje. Dadelijk na afloop van de ceremonie verontschuldigde zij zich, mama kon haar volstrekt niet langer missen. Het afscheid van haar broer was zeer teeder, want tusschen de twee streng en ernstig opgevoede kinderen Van Doeveren bestond sinds hun jeugd een innige ver-

[p. 17]

houding. Henri's getuigen, twee Leidsche vrienden, trachtten daarna wat fleur in de saaie gebeurtenis te brengen; zij bestelden telefonisch een dejeuner in Den Haag en twee auto's om het kleine gezelschap daarheen te vervoeren. En laat in de namiddag, toen het jonge paar vertrokken was en zij het rijst en een oude schoen hadden nageworpen, onder de intense belangstelling van de kellners van Royal en de straatjongens van het Voorhout, gingen deze twee jonge lieden, in de landerige en cynische stemming, die inhaerent is aan het einde van een bruiloft, een weddenschap aan. Zij wedden omtrent het aantal jaren, dat het huwelijk van hun braven en degelijken vriend met de mooie, coquette en vrijgevochten juffrouw Coornvelt zou duren. De een gaf het vijf jaar, de ander schatte niet meer dan drie. Wie verloor, zou den winner een diner aanbieden in hetzelfde onvolprezen restaurant, waar zij daareven op het duurzame geluk van hun vriend hadden getoast.

‘Het is toch zonde van Van Doeveren,’ zei de een over zijn bitterglas, ‘hij moest een lieve degelijke vrouw hebben daar in Indië.’

‘Het is toch zonde van haar,’ zei de ander met heftigheid, ‘er zijn geen tien vrouwen met hersens als zij heeft; ze is veel te goed om zich in een negorij te begraven.’

 

Met een lange luxueuse autoreis, het huwelijksgeschenk van Steven Coornvelt aan zijn oudste dochter en een lange rustige overtocht op de mooiste mailboot van de ‘Nederland’, begonnen Elisabeth en Henri hun samenleven. En het had weken geduurd, - weken waarop Puck later met verwondering terugzag - éér ze het geluk durfde aanvaarden, durfde gelooven, dat het werkelijkheid kon zijn en niet, als haar vroegere

[p. 18]

liefdeservaringen, een verleidelijke, vooze waan waarachter eenmaal onvermijdelijk een grauwe vale werkelijkheid te voorschijn zou komen. Ontmoedigend en enerveerend was gedurende haar verloving de houding van al de familieleden geweest: Moeders sombere voorspellingen, Vaders zwijgende ergernis, Kitty's geamuseerde verbazing, Lody's plagende spot; en aarzelend, wankelend haar eigen vertrouwen in het verwikkelde, niet-te-ontrafelen gevoel, dat haar, de cynische, geblaseerde, naar den eenvoudigen trouwen vriend van haar jeugd dreef.

Tusschen de brieven met felicitaties van geestdriftige studiegenooten, die juichten, dat de natuur ook ditmaal sterker bleek dan de leer, die schwärmden over het eenig ware vrouwengeluk en de toekomst vol rozengeur en maneschijn, lag op haar laatste bruidsdag een schrijven van Henri's moeder, drie vellen stijf, energisch handschrift met waarschuwende woorden van een zóó dreigende, sombere ernst, dat ze de gansche laatste nacht van haar jongemeisjesleven door haar droomen spookten. Dat ze dreunden door de kleurlooze stem, waarmee de ambtenaar op het stadhuis het huwelijksformulier las en haar voortdurend vergezelden, als de zwaarte van een heimelijke schuld, in de eerste dagen waarin ze met Han, den teederen stralenden minnaar, samen was als zijn vrouw.

Han rafelde en twijfelde nooit; sinds de avond waarop hij haar ten huwelijk vroeg, had hij vast in hun geluk geloofd en de toekomst aanvaard met rustige blijde zekerheid, ondanks het verzet van zijn moeder, ondanks de weinig bemoedigende houding van de Coornvelts. Maar dankbaar verzuchtte hij: ‘Goddank dat we niet in Holland hoeven wonen,’ en zijn dringende wensch vervroegde het huwelijk zooveel, dat zij de laatste twee

[p. 19]

maanden van zijn verlof konden reizen door Zwitserland en Italië.

Daar, aan het meer van Como, op het balcon van hun kamer in de villa Serbelloni had Puck op een vroege zonnige najaarsmorgen uitgezien over het zilverlichte watervlak waarlangs lichte nevels als schimmen van vreemde vogels zwierven, terwijl een klein motorbootje driftig en vervaarlijk ploffend over het water joeg. Achter haar in de diepte van de groote kamer was Han bezig zich te scheren en zijn zacht tevreden fluiten, samen met het kleine zoevende geluid van het mes, dat over de scheerriem glipte, gaf haar opeens een heerlijk besef van innigheid en saamhoorigheid, van het geluk van waarlijk samenleven, sterker en schooner dan ze ooit had mogelijk geacht. Ze draaide zich om en zag haar gelaat in de Spiegel, een ander gelaat, met een ander licht in haar grijze oogen, een andere, weekere lijn om den mond en een warm gloeien onder het blank van haar huid. Hij trad achter haar en zijn handen, zijn sterke zachte handen, die zulke wonderbare dingen van liefde wisten, omvatten haar schouders terwijl hij zijn gezicht, koel en geurig van zeepschuim, vleide tegen het hare. Toen opeens had zij gerealiseerd hoe groot dit geluk was, hoe ànders, hoeveel sterker en echter dan wat zij ooit had gekend, dan wat zij soms, in een korte roes ‘liefde’ had gewaand... Eenvoudig, ongecompliceerd geluk van twee, die elkaar lief hadden en het elkaar bewezen, maar zóó machtig, dat het haar heele wezen veranderde en haar hart te klein scheen om het te bevatten. En tegelijk wist ze, met een bange dwingende zekerheid: het is aan mij om dit vast te houden en gaaf te bewaren, wanneer dit ooit verslapte en mislukte als het vroegere, zou het mijn schuld zijn...

Voor Han bestond geen probleem-van-het-huwelijk,

[p. 20]

geen kansspel van slagen of mislukken; wanneer je van elkaar hield en de eerlijke wil had elkaar gelukkig te maken, kòn het naar zijn meening niet anders dan goed gaan. Verontwaardigd verwierp hij haar stelling, dat eeuwige huwelijkstrouw een ‘Contradictio in terminis’ was en hij werd heel boos toen ze hem, - half als een grap - voorspelde, dat ook hij en zij in de lange jaren van hun toekomstig samenleven wel eens op een ander verliefd zouden worden en elkaar ontrouw zijn. Maar een oogenblik later had hij gelachen, over zijn boosheid heen, om het kwasi-wereldwijze kind, dat zij vroeger geweest was. Want wat wist een meisje van het leven, wat kon zij oordeelen vóór ze trouwde?

Al op de avond van Han's terugkomst uit Indië, had Puck begrepen, dat hij haar niet zag, niet kòn zien naar haar werkelijke aard; dat hij haar idealiseerde met verliefde verteedering en tegelijk miskende in wat ze haar beste eigenschappen vond. In de eerste tijd van hun huwelijk ontdekte hij telkens nieuwe deugden in haar, maar hij waardeerde nauwelijks wat haar trots en zekerheid was geweest: haar groot verstand, haar sterke intuïtie, die soms bijna helderzìendheid werd; haar genadelooze eerlijkheid en haar scherp, nuchter inzicht in de menschen en het leven. Wat wist een jongen uit een provinciestad, die op zijn twintigste naar de binnenlanden van Sumatra was gegaan, van het verbijsterende verwikkelde moderne leven zooals zij het, zwervend door alle groote steden van Europa, had leeren kennen? Er waren duisterheden, perversiteiten, verwordingen en decadenties, waarnaar zij had gevorscht en gespeurd met haar felle, bijna bezeten drang om het verborgenste van menschen te weten en waarvan hij nooit had gehoord, waarvan hij, als zij er op zinspeelde, zich afkeerde in weerzin, alsof hìj de naïeve en oningewijde was.

[p. 21]

Haar eerlijkheid erkende dit en zij bespotte zichzelf, dat zij haar levenswijsheid moest verbergen als iets schuldigs, omdat haar man haar wilde zien als een jonge onwetende vrouw, die door hem langzaam en voorzichtig in de geheimenissen van de liefde werd ingewijd.

Han en zij waren geen verwante zielen, geen geestelijk gelijk gestemden en bovendien naar aanleg en opvoeding zoo verscheiden als menschen van een verschillend ras. Maar toch vormden zij ‘een paar’, ondanks alle verschillen; ze ervoeren het telkens weer, met een diepe dankbare vreugde. Zij bezaten beiden een krachtige energie, een onbekrompen eerlijke levensopvatting, een gezond, helder verstand. En hun gevoel van saamhoorigheid vermocht hun diepste meeningsverschillen te overbruggen. Vroeger, in de jaren waarin ze nog met haar vrienden theosofie en occultisme studeerde, zou Puck er een ingewikkelde definitie voor hebben gezocht, nu erkende ze dankbaar, dat hij en zij elkaar verstonden en voldeden in een sterke vrijmoedige zinnelijkheid; in de liefde-voor-de-liefde van twee jonge gezonde, welgemaakte menschen en dat daaraan hun goede gezindheid, hun vertrouwen en wederzijdsche waardeering telkens opnieuw ontsprong. Zooals een bron zich vernieuwt in eigen donkerste diepte, onder de schijnbare rust van zijn oppervlak. En terwijl, in de eerste maanden van haar huwelijk, het aarzelend aanvaard geluk sterker en inniger werd met elke lange blijde dag, groeide in Elisabeth Coornvelt de vaste, eerlijke wil dit kostbare te kweeken en gaaf te bewaren, het vèr te houden van sleur en vervlakking. ‘La Vita Nuova’, waar alle duistere, cynische gedachten voor goed waren uitgebannen.

Het geluk maakte haar zacht, wijs en voorzichtig, teruggetrokken en bijna zwijgzaam, want zij wist hoe

[p. 22]

snel en hevig haar scherpe tong kwetsen kon, zij kende haar snelle drift, haar ongestadig temperament, haar rusteloos begeeren naar telkens een nieuwe sensatie, die haar geest vermocht vast te houden en te boeien. En haar wil tot geluk was zoo sterk, dat zij in die eerste maanden steeds kon zijn, zooals haar jonge echtgenoot haar in verliefde bewondering zag: een toegewijde, aanhankelijke, wenschloos gelukkige vrouw; de vrouw, die een man behoefde om voor haar te zorgen, om haar voor de ruwe kant van het leven te beschermen.

Zou het zoo goed en mooi gebleven zijn, wanneer niet die afschuwelijke malaria haar gezondheid en haar geestkracht had gesloopt? In de eerste weken in Indië, toen iedereen haar verzekerde en zij zelf vast geloofde, dat zij zou gewennen aan de neerdrukkende vochtige warmte, aan de daverende felheid van de zon, aan de heete zware nachten, die haar slapeloos en radeloos maakten, had het nieuwe en mysterieuse tropenleven haar desondanks geboeid en bekoord. Maar toen koortsen hardnekkig en door geen medicijnen te overwinnen haar sterke jonge lichaam sloopten, haar zenuwen knauwden en haar levensmoed lam sloegen, begon ze het land, dat Han zoo liefhad en waarin hij zich zoo gelukkig en sterk en krachtig voelde, bitter en hevig te haten. En uit die haat groeide heimwee naar Holland, een pijnigend, nooit aflatend verlangen, dat zij van zichzelf niet begreep, waarover ze met haar man niet sprak, wetend dat hij het niet zou begrijpen; hij wist immers dat zij er zich de laatste jaren onvoldaan en ongelukkig had gevoeld, ze had er niet eens een thuis meer, geen andere band dan een oppervlakkig hartelijke met haar twee jongste broers en haar oudste zuster.

Wanneer zij, zooals Han had gehoopt, reeds in dat eerste jaar een kind had verwacht, zou zij dan dáárdoor

[p. 23]

haar heimwee hebben overwonnen, zich hebben aangepast als die honderden andere jonge vrouwen, die samen met den man harer keuze naar de tropen trokken? Zij wist zich te ziek en te slap om een zwangerschap te riskeeren en zij vond Indië steeds ondragelijker naarmate de maanden vergingen en haar gezondheid verminderde. Han kon er hard werken, vond daarin voldoening en opgewektheid, maar zij, die jarenlang gewend was geweest aan regelmatige, ingespannen hersenarbeid, vegeteerde er, trachtte vergeefs haar leven te vullen met kleine huishoudzorgen om aan de invretende leegheid, aan de geestelijke woestenij te ontkomen.

Er waren vriendelijke jonge vrouwen op de onderneming, - Han noemde hen argeloos haar vriendinnen - die haar voorkomend en hartelijk als een van de haren hadden begroet en ingehaald. Maar zij kon zich niet aanpassen, zij kon niet urenlang over baby's en baboes, over bridge en japonnen praten, het maakte haar wrang en scherp, of zwijgzaam van botte verveling. Zij was gewend geweest haar vrienden te kiezen, contact te zoeken met menschen van vernuft en geest, zij had in haar ouderlijk huis genoten van boeiende toegespitste gesprekken waarin de vonken oversprongen, zij had zich kunnen verdiepen in al wat in het leven groot en merkwaardig en interessant was. En al trachtte ze terwille van Han voorkomend en hartelijk te zijn voor zijn vele vrienden en vriendinnen, ze stootte zich telkens weer aan het banale en alledaagsche van hun Indische omgeving. Ze voelde maar al te goed, iedere dag weer, dat in hun kring, waar hìj gezocht was als danser, bridger en goedgehumeurd prater, zìj maar nauwelijks gezien was en alles behalve geliefd; dat ze naast zijn populariteit volkomen in de schaduw bleef. En voor haar, de gevierde, verwende, was dat telkens opnieuw

[p. 24]

een pijnigende vernedering, het gaf haar een gevoel van achteruitzetting, dat haar neerslachtigheid verergerde en het besef van mislukking onontkoombaar maakte.

Zoo had hun stralende, jonge geluk zijn glans ingeboet en het samenleven, zoo makkelijk en moedig ingezet, was een moeizaam samengaan geworden. Maar de sterke goede verstandhouding was niet verloren gegaan; al scheen de bruisende jonge verliefdheid voorbij, er bleef een loyale kameraadschap, die altijd eerlijk durfde zijn en altijd nog kon overbruggen waar verwijdering dreigde.

In het derde jaar van haar verblijf in Indië, toen door een lange kuur in Berastagi de malaria overwonnen en haar beterschap blijvend scheen, verwachtte Puck haar eerste kind. Verrukt en trotsch was Han met het vooruitzicht en zijzelf, al had ze nooit veel belangstelling gevoeld voor de kinderen van anderen, voelde zich tevreden en gelukkig in het vooruitzicht van een normaal, gebonden vrouwenleven.

Doch het kindje was bij zijn geboorte gestorven. Kon iemand, die het niet zelve had beleefd, beseffen welk een gruwel het was om een dood kind te baren? Het sloopte de laatste rest van haar energie, de laatste weerstand van haar zenuwen. Wanneer Han niet zoo goed en geduldig was gebleven, wanneer hij haar niet met zoo'n trouw en nooit versagend geduld door haar buien van wanhoop en levenshaat had heengeholpen, wanneer hij toen niet zijn mooie carrière had opgegeven om harentwil... Nog was het haar bijna ondoenlijk eraan terug te denken zonder de grauwe uitzichtlooze melancholie opnieuw als een verstikkende stolp om zich heen te voelen, de radelooze verachting voor zichzelf: wat was het alles waard - verstand, menschenkennis, levenskunst, wanneer zij dat allergewoonste niet vermocht... een kind ter wereld brengen...?

[p. 25]

In de maanden van volkomen ontredderhig, die volgden, was het ingrijpende buiten haar om beslist: Han's ontslagname van de onderneming, die hem kortelings tot hoofd-ingenieur had benoemd en zijn telegrafisch verzoek om een baantje aan de fabrieken van zijn schoonvader in Leiden. Hun pas gebouwde huis werd verkocht, de laatste tocht in hun auto voerde hen naar Medan; er was een triest afscheidsmaal in het huis van goede vrienden, die haar, ondanks hun medelijdende woorden en goede zorgen, klein en laf vonden en egoïst... Het heimwee,... het verlangen naar Holland groeide tot iets ontzaglijks, het scheen ondragelijker te worden naarmate er minder weken te tellen bleven. Ze begreep toen, dat het haar nooit had losgelaten, zelfs niet in haar slaap, zelfs niet in de uren waarin ze vroolijk had kunnen zijn en waarin ze het geluk van haar liefde sterk en machtig had gevoeld. Op de dag van de auctie zag ze al de dingen verkoopen waartusschen ze meer dan vier jaar geleefd had, ze zag ze betast, beduimeld en meegenomen door onverschillige vreemden. Ze stond in de achtergalerij en zag de piano wegdragen en haar schrijftafeltje en de roze wieg waarin het kindje nooit geslapen had en Chris de waakhond met zijn hok in één bod... En het had haar niet bedroefd gemaakt... zelfs niet sentimenteel of melankoliek... het gaf enkel het gevoel of er iedere keer een touw werd losgesneden waannee ze gebonden was geweest, of iedere klop van de vendumeester weer een stukje van de tijd wegsloeg... en een stukje van het verlangen... van het vreeselijke, martelende heimwee, dat geen mensch, die het niet zelf had ondervonden, kon begrijpen.

 

Doch vanaf het oogenblik, dat de mailboot uit het dok voer en Indië achter haar lag, voor goed, voor altijd,

[p. 26]

begon haar oude, bijna vergeten geestkracht weer te ontwaken. De zeelucht, merkwaardig koel voor de tijd van het jaar, wekte haar op en haar oude intense belangstelling in het leven begon weer bezit te nemen van haar geest. Belangstelling in de menschen en hun drijfveeren en verlangens, hun radelooze, hartstochtelijke strijd om geluk; belangstelling in al wat er gedacht, geschreven, getwist, geloochend en gepredikt werd in de groote boeiende wereld. En tegelijk een met-zichzelf-vervuld-zijn, een keuren en overwegen van haar eigen gedachten en handelingen, zooals ze in de lange maanden van indolent, energieloos ziek zijn niet meer had gekend. Flirt scheen een noodzakelijk gevolg van het werkeloos leven-op-de-boot, een prikkelend spel van lokken en plagen, met mannen, die even lui en verveeld waren als zijzelve. Het bezat weer zijn oude aantrekkingskracht, ze kon het weer spelen met de zelfde geraffineerde perfectie als in de jaren waarin ze een wereldwijs, cynisch en verwend jong rneisje was geweest. Demannen zwermden om haar heen... als vroeger. En als vroeger vond ze hen ijdel, dom, dwaas of amusant, als vroeger was hun verliefdheid en bewondering een stil zoet gif waaraan je ongemerkt gewend raakte, totdat je het niet meer kon missen. Verschil maakte alleen Han's nabijheid, want onder het holle spel-van-begeerte met die anderen, die haar in de grond onverschillig lieten, begreep ze voor het eerst volkomen hoeveel er veranderd was tusschen haar en hem. Hoe bezadigd zij jegens elkander geworden waren, hoe ànders zijn bezorgde hartelijkheid was dan de hartstochtelijke teederheid van vroeger. De meisjes en jonge vrouwen aan boord lachten verliefd en verzaligd wanneer Henri van Doeveren met hen praatte en smachtend keken de nonna'tjes in zijn mooie donkere oogen met de lange

[p. 27]

wimpers. Hij was geen flirt, het schimmenspel van werven en begeeren ‘lag’ hem niet maar koel en onverschillig was hij stellig evenmin. Vaak keek zyn vrouw naar hem, wijs en even glimlachend wanneer hij vertrouwelijk gearmd met een zijner nieuwe vriendinnen naar de bar of de bridgeroom stapte, wanneer hij genietend danste of overmoedig stoeide of met jongensachtig plezier zijn kunstjes met kaarten vertoonde. Dan hield ze zich voor, dat ze blij was wanneer hij zich amuseerde en stellig niet jaloersch; zij had zich immers vast beloofd, dat ze zich nooit zou laten beheerschen door zulk een minderwaardig klein gevoel. Ze bevond weer als in de allereerste tijd van haar huwelijk, hoeveel beter zij de wereld, de menschen en het leven kende dan haar man. En in zijn naïef, bijna argeloos spel-met-vrouwen kon ze hem gadeslaan, of ze zijn moeder in plaats van zijn echtgenoote was.

prepostterug  begin  verder