De planter was na zijn overrijkelijk maal vast in slaap gevallen, hij snurkte zachtjes, zijn dikke mond half open. Met voorzichtige bewegingen opdat het kraken van zijn stoel de ander niet wekken zou, stond dokter Vegeer op en langzaam, alsof hij geen ander doel voor oogen had, drentelde hij naar het trapje van het sloependek, waar hij de groene shawl een kwartier geleden had zien verdwijnen. Waarom zou hij dien beminnelijken echtgenoot wegwijs maken? Die kon nog een heel leven elke avond met haar samen zijn. Een heel leven? De dokter maakte een gromgeluid en zijn mond vertrok in een tic, die als een snelle smadelijke grijns was. Dat huwelijk haalde de koperen bruiloft niet. Zooveel durfde hij met zijn langjarige ervaring omtrent echtverbintenissen wel voorspellen. Waarom moest zoo'n buitengewoon intelligente, hypermoderne vrouw - nerveus natuurlijk, ongeëquilibreerd misschien, maar met een levensdrang en een wereldwijsheid die hem, oude menschenkenner telkens weer verbijsterden - juist van alle mannen op de wereld die brave degelijke one-track-mind uitkiezen? Een knappe brave kerel, ongetwijfeld, maar zonder een zweem begrip voor al wat haar zoo hevig bezighield, van hetgeen een vrouw als zij verlangde van haar leven te maken. En stellig zonder besef
van hetgeen zij had ontbeerd op die afgelegen petroleum-onderneming waar hij haar had heengesleept. Hij scheen niet eens jaloersch op de zwerm sigisbees, die haar de verveling van de reis verzetten. De plaatjesmooie Italiaansche schilder die, naar ze verzekerde, volmaakt tango danste, de Zweedsche aviateur, die een matador bleek in scuffleboard, de Amerikaansche blikjeskoning, die haar interesseerde omdat hij zoo leelijk was en het leven en de vrouwen zoo grondeloos haatte, de jonge bleeke zendeling, die haar blozend de zeden van de Dajakkers vertelde en in de rookzaal als een schooljongen snoefde over die gesprekken. En dan hijzelf - o, hij maakte zich geen enkele illusie. Hij was een leelijke afgeleefde kerel, en zij, met haar roekelooze genadelooze openhartigheid had hem haar spot over zijn kreukelige pakken en zijn slordig baardje niet bespaard. Maar omdat hij haar neef was en dokter en na vijf en twintig jaar praktijk de menschen en de wereld zonder roze bril bekeek en de dingen zei zooals hij ze vond... daarom luisterde ze met haar vlugge belangstelling naar zijn verhalen en vertelde ze hem, met een openhartigheid, die hem soms verbijsterde, ervaringen uit haar eigen merkwaardige leven.
Zou hij verliefd op haar zijn geworden als hij twintig jaar jonger was geweest? Ze bezat geen spoor van dat ‘ewig weibliche’ dat hij eenmaal in verre jaren had aanbeden, maar zij had hem een nieuw woord geleerd, een nieuw begrip... sex-appeal... het moderne ideaal, dat voor het oude, klassieke in deplaats scheen gekomen. Ach wat - hij was immers een oude kerel, naar wien geen jonge vrouw meer keek! ‘Dat zou u meevallen,’ had ze hem getroost toen hij die bittere verzuchting uitte; ‘bij het tegenwoordige surplus! Zelfs de leelijkste man heeft kans...’
Scherp was ze in haar oordeel, cynisch in haar inzicht, maar daaronder voelde hij een groote hartstochtelijke levensliefde en een drang naar eerlijk onopgesmukt zichzelf erkennen, die haar totaal ànders maakte dan de vele lieve teedere Eva's, die hij in zijn leven had ontmoet. Het was een wonderlijke vriendschap geworden, naast haar flirtations met al die anderen. ‘Aan u,’ had ze vanmorgen bij het afscheid bijna ontroerd gezegd, ‘kon ik dingen van mezelf vertellen, die ik nog nooit tegen iemand had uitgesproken.’
Er woei een groene slip achter een der witte sloepen uit; weer maakte de dokter zijn gromgeluid en langzaam, geruischloos voorzichtig kwam hij op zijn linnen schoenen naderbij. In de diepe stilte van de avond, tusschen het korte driftige krijschen van de meeuwen hoorde hij een mannenstem, die heftig en toornig rappe woorden sprak, met een dramatisch accent of er een scène uit een tooneelstuk gespeeld werd. En plotseling schoot de kleine jongens-slanke figuur van den Italiaanschen schilder tevoorschijn, hij stoof langs den dokter heen, zonder op hem te letten, zijn mooi donker gezicht was dofrood en vertrokken van woede, hij mompelde verwenschingen en zijn kleine hand met de vrouwelijkesmalle vingers joeg hij telkens met eenzelfde wonderlijk gebaar voor zich uit.
Vegeer voelde een kostelijke voldoening, hij had een felle hekel aan dien mooien jongen, hij had zich woedend geërgerd om de brutale manier waarop hij durfde flirten met een getrouwde vrouw en met een lachje van ‘Schadenfreude’ zag hij hem langs het trapje verdwijnen.
Puck stond bij de reeling, nog op de plaats waar de jonge man haar verlaten had, een stille eenzame figuur op het vreemd-stille, verlaten sloependek. Rank en recht in de zwarte japon van doorzichtige stof, die elke
lijn van haar jonge, slanke lichaam markeerde. Ze draaide zich driftig om toen ze stappen hoorde naderen, haar grijze oogen, onder de fijne wenkbrauwstreepjes waren en donker-boos als zooeven die van haar aanbidder. Toen ze den dokter herkende, trok haar mond even in verveelde resignatie neer; haar hand greep de eroene shawl, die van haar bloote schouder was gegleden en hield de plooien vast met een gebaar, dat als een moedeloos verweer was.
‘Ik zal wel weer naar beneden gaan,’ zei haar vriend deernoedig. ‘Je bent blijkbaar in net zoo'n slechte moesson als hij.’ Ze moest even wrang lachen om zijn gedweeë stem. ‘U kunt gerust blijven.’ Het klonk bijna grof van onverschilligheid. Hij zette zich tegenover haar, op een opgerolde kabel, hij zat er scheef en ongemakkelijk en zocht stuntelig naar het pakje sigaretten, dat hij in een van de zakken van zijn smoezelige, gekreukte jasje wist. Ze had zich weer omgedraaid en tuurde over het stille watervlak naar de rij tintelende lichtjes in de nevelgrijze verte. Hij zag haar bleeke, fijne profiel boven de lange, trotsche hals en de helm van glanzende koperroode haren fel als een vlam tegen de lichtlooze, paarsig grijze avondhemel. Maar zijn doktersoog ontdekte gespannen nervositeit onder haar schijnbare kalmte. Schuld van den Italiaanschen schilder, of had de hysterie van Lily Charlier en Mama Verkoren ook haar beheersching verstoord?
Hij vroeg het haar. Ze draaide zich bruusk om.
‘Natuurlijk ben ik net zoo zenuwachtig en van streek als de anderen. En woedend over dat onzinnige oponthoud, dat alle plannen in de war stuurt. Het is voor mij net zoo goed verschrikkelijk nòg een dag langer te moeten wachten. Waarom zou ik méér zelfbeheersching hebben? Mijn zenuwen zijn net zoo kapot. Ik heb even-
goed heimwee gehad... erger misschien dan de meesten, want ik heb me in die vier Indische jaren bijna geen dag gezond gevoeld. En net als al de anderen heb ik de dagen geteld, de uren die me nog scheidden van de aankomst in Europa. Ik had er vast op gerekend, dat we morgenochtend in Parijs zouden zijn. Eén dag om er kleeren te koopen en Zaterdag dóór naar Holland. We zouden er gekomen zijn tegen de avond, de tijd, dat in de huisjes langs het Rotterdamsche viaduct de lichten worden aangestoken en je uit de treincoupé in al de kamers kijkt... de menschen ziet zitten aan hun tafel... onder de lamp. O... ik heb geen crise-de-nerfs gehad als de teedere Lily, ik heb mijn oogen niet rood geschreid als Mama Verkoren. Maar toen de kapitein me daarstraks staande hield en me als een buitenkansje vertelde, dat de boot niet voor morgenochtend in Genua zou zijn en ik nog een heele avond tango zou kunnen dansen met mijn Italiaan... Ja, precies zoo zei hij het, de vlegel... tango dansen met uw Italiaan... toen heb ik mij even duizelig van drift voelen worden en ik heb met moeite de lust weerstaan om zijn gezicht open te krabben met mijn nagels!’
‘En daar moest Signor Travelli voor boeten?’
‘Natuurlijk! Ellendige egoïst dat hij is!’
De dokter had een stil, hevig plezier. Zijn magere lichaam op de ongemakkelijke, hellende zitplaats schudde terwijl hij dacht aan het rood-booze gezicht van den mooien jongen en zijn komisch bezweringsgebaar.
‘Ik begrijp niet, waarnaar jij zoo verlangt,’ vorschte hij, ernstig weer. ‘Je repatrieert samen met je man met wien je, naar je me bij alle denkbare gelegenheden hebt verzekerd, gelukkig getrouwd bent. Kinderen heb je niet. Een ouderlijk huis evenmin want je ouders zijn gescheiden. Waarnaar gaat dan dat groote heimwee?’
Opeens kwam ze naast hem zitten op de opgerolde kabel, ze schoof dicht tegen hem aan want er was nauwelijks plaats voor hen beiden. Datzou ze niet doen, wist hij dadelijk, wanneer ze nog een zweem van ‘sex-appeal’ in mijn oude karkas vond.
‘Och, oom Peter,’ zei ze met de vertrouwelijke naam, die al de Indisch-gasten hem gaven en met een weeke klank in haar anders zoo koele beheerschte stem, die hem hevig van zijn stuk bracht, ‘ik weet het zelf nauwelijks. Ik ben jarenlang overtuigd geweest, dat ik een echte cosmopoliet was. Dat ik overal beter aarden kon dan in mijn eigen land. Hoe slecht kent een mensch zichzelf! Hoe ga je dat oude brave Holland waardeeren als je er weg bent. Hoe verschrikkelijk heb ik er daarginds naar terugverlangd, naar de wind en de regen en de kale boomen in de winter! Naar een huis met trappen en loopers en een meid met een heldere katoenen japon en een bed met drie dekens en een kachel, die rood staat. Maar het meest... denkt u nu niet, dat het blague van me is... het meest verlang ik naar Holland omdat ik er weer zal kunnen werken. Echt werken met mijn verstand, mijn geest en mijn energie en niet mijn tijd verknoeien aan dat ellendige, nooit eindigende huishoudgedoe, dat aldoor aandacht en zorg vraagt en je zoo hopeloos leeg en onvoldaan laat. Ik heb u immers verteld dat ik weer mijn oude baantje aan Retemeijer's Bank krijg? M'n voormalige chef heeft het me aangeboden toen ik hem schreef, dat ik voor goed naar Holland terug kwam. De plaats was voor me open, hij had nooit iemand kunnen vinden, die mij werkelijk verving. Drie jaar lang was ik zijn secretaresse, zijn rechterhand, geen belangrijke transactie of hij besprak met mij het pro en contra, geen buitenlandsche conferentie of hij nam me mee...’
‘Hij was natuurlijk verliefd op je...’
‘Verliefd? Hè - hoe echt iets voor een man om dat dadelijk te denken!’ De dokter voelde een duw, een stomp bijna van haar elleboog en weer grinnikte hij in zijn baardje.
‘Natuurlijk was hij nìet verliefd. Een man verlieft niet zoo licht op een meisje wanneer hij dagelijks kan constateeren, dat ze even goede of betere hersens heeft dan hijzelf. Denkt u eens - er was een tijd, toen er telkens groote financieele conferenties werden gehouden, waarin ik minstens tweemaal per maand mijn suite-case pakte en van Londen naar Stockholm of van Parijs naar Genève reisde. Daar waren dan de samenkomsten van de groote financiers... de menschen, die aan de touwtjes van de wereld trekken. Wat een belangwekkend leven, hè? Ik heb het pas leeren waardeeren, toen het voorbij was. Toen ik daarginds in de rimboe opgeborgen zat met geen ander voedsel voor mijn geest dan de romans uit de leestrommel en de nieuwtjes, die mijn man van de societeit thuisbracht. Terwijl ik middenin dat werk zat, voelde ik me niet gelukkig, maakte het me ontevreden en rusteloos, beschouwde ik die vaste kantooruren als een inbreuk op mijn vrijheid. Nu knikt u met uw wijze doktershoofd. Normaal vrouwenverlangen noemt u dat; de natuur, die sterker was dan de leer. Maar ik verzeker u, dat ik in die tijd volstrekt niet naar een huwelijk en nog veel minder naar kinderen verlangde.’
‘Niet bewust, wil je zeggen. Maar op het psychologisch moment kwam de held van de roman op de proppen... en voor de zooveelste maal was alle theorie “grau”.’
‘Ik was vier en twintig toen Han met verlof uit Indië kwam. Sinds mijn achttiende had ik allerlei liefdeservaringen beleefd, die me een hoop wijzer maar om
de drommel niet gelukkiger hadden gemaakt. Hij was het vriendje van mijn schooljaren, m'n eerste liefde met alle sentimenteele poespas die erbij hoort. Verzwegen gevoelens en betraande oogen toen hij op zijn twintigste naar Indië ging. Toen hij iterug kwam, vijf jaar later, was ik hem bijna vergeten, maar hij kwam de eerste avond naar mij toe en vroeg me om met hem te trouwen. Er was in al die jaren geen andere in zijn leven geweest. Hij was me trouw gebleven... Wat zei u, oom Peter? Ik verstond u niet?’
‘Ik vloekte, kind. Ik vloekte met alle leelijke vloeken die ik ken. Want verdomd... ik kan heel wat van jouw moderne inzichten begrijpen, maar dat je dàt hebt aangedurfd, jij, die het leven had leeren kennen, zooals je het noemt, terwijl hij, de man, zijn ideaal hoog en zichzelf rein had gehouden...’
Er kwam geen antwoord. Hij oogde schum naar haar en zag met een grimmige voldoening hoe haar smalle spitse vingers nerveus plukten aan de franje van de shawl, hoe ze haar kleine hoofd met de koperen helm van haren diep voorover hield.
‘Wij hadden elkaar niets beloofd,’ zei ze eindelijk met een heel andere dan haar gewone, heldere, zelfbewuste stem. Het klonk aarzelend, bijna als een verontschuldiging. ‘Ik had het als een kalverliefde beschouwd... als een lieve herinnering uit de tijd toen ik nog naïef en idealistisch was. Maar toen hij terug kwam, o, u hebt gelijk, het wàs het psychologisch moment - Toen besefte ik hoe oneindig meer hij in zijn eenvoud en eerlijkheid waard was dan al de bizondere, interessante en artistieke mannen die ik had leeren kennen. En dat besef is er nog, nèt zoo sterk, na vier en half jaar huwelijk, die waarlijk niet makkelijk zijn geweest.’
‘Dat deed je schuldbesef,’ zei hij op de toon van
gezag waarmee hij haar graag zijn doktersoverwicht liet voelen. ‘Dat maakte jou tot een volgzame en gedweeë echtgenoote.’
Maar haar harde, hooge lachje spotte met zijn woorden; ze hield haar hoofd weer uitdagend rechtop en haar grijze oogen zagen tintelend van strijdlust in de zijne.
‘Neen, brave zedemeester! Van die klassieke wroeging heb ik nooit last gehad en gedwee ben ik niet en nooit geweest. Maar wat me hindert, wat ik moeilijk en soms pijnlijk vind, nog altijd... is, dat er dingen in mijn leven zijn waarover ik met hem niet spreken kan, terwijl ik zoo heel graag volkomen open en eerlijk met hem zou zijn. Want eerlijkheid, roekeloos wreede eerlijkheid desnoods, is mij nu eenmaal een behoefte als handen wasschen en schoone kleeren dragen en een geheim voel ik als een kerker. Maar Henri van Doeveren, ondanks zijn moderne allures, heeft innig conservatieve begrippen omtrent meisjes en vrouwen. Ik zou er iets mee breken, onherstelbaar. En ik ben o-zoo-wijs geworden, heel wijs en heel voorzichtig, oom Peter. Ik weet hoe ontzaglijk moeilijk de liefde is, ik weet hoe angstwekkend dicht of liefde en haat, aantrekking en afstooting bij elkaar liggen. En hoeveel levenswijsheid, levenskunst er noodig zijn om een huwelijk “op peil” te houden, niet te laten verzanden in sleur en gewoonte.’
‘Toch helpen levenswijsheid en levenskunst niet veel wanneer er een ernstig conflict komt.’
‘Wat bedoelt u met een ernstig conflict? Dat we een van beiden verliefd en “ontrouw” zouden worden? Ik ben overtuigd, dat dat wel eens gebeuren zal. Aan eeuwige trouw in het huwelijk geloof ik nu eenmaal niet. De meeste menschen - en mijn man is een van
hen - denken, dat ze een harnas dragen tegen elke verleiding, wanneer ze maar heel sterk gelooven in hun eigen onfeilbaarheid op dat gebied. Maar het is immers volkomen natuurlijk, dat twee menschen al zijn ze nog zoo verbonden, wel eens een heel sterke aantrekking zullen voelen voor iemand anders! Han vindt die gedachte onbestaanbaar, maar hij is om de drommel niet onverschillig voor een mooie vrouw of een lief meisje. En alle vrouwen halen hem aan, want hij is een vroolijke, hartelijke kerel. Ik kèn zijn temperament, ik geloof, dat ik het beter ken dan hijzelf... en ik ben overtuigd, dat er wel eens een vonk zal vallen die vlam maakt.’
‘Ik zou denken, dat hij zijn standvastigheid getoond heeft toen hij vijf jaar wachtte op jou.’
‘Vindt u me nu maar cynisch of misschien zelfs immoreel. Ik wou dat hij in die jaren minder standvastig was geweest, dat hij wat meer van de liefde had leeren kennen, dan zou hij nu niet langer zoo jongensachtig ï zijn en minder neiging vertoonen om vrouwen en meisjes te idealiseeren en ze met stralenkransjes te versieren. Maar ik ben niet dom-jaloersch of kleinzielig bang, dat is míjn levenskunst - ik heb mezelf vast beloofd, dat ik hem volkomen vrij zal laten - altijd. Iets beters - naar mijn meening - dan de ouderwetsche trouw-uit-plichtsbesef. In het diepst van mijn hart geloof ik, dat er tusschen hem en mij iets gegroeid is, dat niet vernietigd kan worden en niet verloren kan gaan. Dat is dan mìjn idealisme...’
Aan lang vervlogen jaren moest de dokter denken, aan de kinderlijke overgave van zijn teeder en aanhankelijk vrouwtje en aan de jaloersche tirannie waarin die naïeve verliefdheid in de loop van zijn huwelijk ontaard was. Hij had het niet nòg eens durven wagen
toen hij na acht jaar scènes, tranen en verzoeningen weduwnaar werd. En totdat hij in Puck Cooravelt een merkwaardig specimen ‘moderne vrouw’ leerde kennen, was hij overtuigd geweest, dat het zwakke geslacht nu eenmaal niet redelijk kon denken of logisch redeneeren.
‘Er zijn nòg wel andere conflicten ook,’ zei hij, met de behoefte herinneringen van zich af te duwen. ‘Wanneer bijvoorbeeld die brave maar conservatieve echtgenoot van jou zich eens zou verzetten tegen je plan om een betrekking buitenshuis te hebben en een geestelijk leven te leiden, waaraan hij part nòg deel heeft.’
Maar nu lachte zij zorgeloos en vroolijk. ‘Neen, lieve oom Peter, zoo erg is het gelukkig niet. Han weet maar al te goed hoe ik in Indië onder het nietsdoen en de verveling geleden heb. En bovendien, het zal financieel wel noodig zijn, in het begin tenminste, hij zal in Holland bij lange na niet verdienen wat hij in Indië gewend was. Mijn plan is al heelemaal voor mekaar. Hij krijgt zijn werk in Leiden, aan een van de fabrieken van mijn vader, ik het mijne in Den Haag; we gaan in Wassenaar wonen en nemen ieder een Ford. Er zijn daar allerliefste huizen...’
‘Voortreffelijke regeling. En de mogelijkheid van kinderen is uitgeschakeld?’
Zij legde snel haar hand op de zijne. Haar slanke, edelgevormde en uiterst verzorgde hand, een hand van ledigheid op zijn grove verwerkte vingers, met de geschonden huid en de tot in het vleesch geknipte doktersnagels. En er was iets in het bezwerend gebaar van die hand, dat hem wonderlijk ontroerde.
‘Nog niet; vooreerst nog niet,’ zei ze snel. ‘Ik wil eerst weer heelemaal mezelf zijn... mijn krachten voelen. En werken wil ik - ècht werken - weer midden in het leven staan. Natuurlijk, later zullen wij een kind
hebben... of twee... of drie kindereri. Han houdt verschrikkelijk veel van kinderen en ik, o, ik stellig ook. Ik zal ze goed en verstandig opvoeden, tot sterke evenwichtige menschen.’
Haar haastige, aarzelige, bijna gefluisterde woorden vergleden in de stilte. Zij lieten een leegte als van een belangrijk woord, dat ongezegd bleef, als van een antwoord, dat niet gegeven werd. Vaag als een echo klonk dansmuziek uit de bar beneden, zacht zoevend streelden de golven langs de roerlooze flank van het schip. En door de gedachten van den dokter schoven herinneringen aan vele trieste figuren, aan de vrouwen, die hij onder de lasten van een onvrijwillig moederschap had zien zuchten en lijden. Hoe tallooze malen had hij de zinlooze procreatiedrang vervloekt, die zich halsstarrig hield aan godsdienst en traditie en beperking als zedeloosheid verwierp; en hoe dikwijls had hij heimelijk geholpen, raad gegeven, zijn reputatie in de waagschaal gesteld. En toch... de ongelukkigsten waren niet die afgebeulden, de kapot-gebaarden geweest, de rampzaligsten waren de kinderloozen, die hij niet had kunnen helpen. ‘Gaat heen en vermenigvuldigt u’. Kende deze moderne vrouw met al haar zelf-inzicht werkelijk niet meer de drang naar moederschap, dat instinct, dat zich bijna altijd, in elk vrouwenleven geweldig en onhoudbaar baanbrak?
‘Als ik mijn leven over kon doen,’ zei ze met een van die snelle gedachtensprongen, die hij nooit kon volgen, ‘zou ik dokter willen zijn, psychiater en niets anders... Er ìs sprake van die studie geweest toen ik van het gymnasium kwam, want ik had een bizonder goed hoofd. Toen al waren het de menschen en hun drijfveeren en hun conflicten, die mij het sterkst interesseerden, veel meer dan abstracte problemen, dan philosophie of jurisdictie. Van de menschen zou ik altijd
méér willen weten, het echte, het werkelijke, het diepst verborgene, dat wat nauwelijks een enkele voor zichzelf durft te erkennen. Ik interesseerde me in de hoogste gymnasiumklasse al heftig voor Freud en Stekel en Jung, die toen juist in de mode kwamen...’
‘Merkwaardige lectuur voor een bakvisch. Waarom is er van die medische studie niets gekomen?’
‘Dat was de schuld van tante Dok. Tante Lize Wijsman. U weet toch wie dat is? Och, natuurlijk, zij was een zuster van uw moeder. Zij zei: dokter mag je alleen worden uit liefde tot de menschen, niet uit nieuwsgierigheid. En wat tante Dok zei gold voor Moeder als een evangelie.’
‘Wijs en verstandig was die oude blauwkous.’
‘Ze wàs geen blauwkous. Hoe kunt u dat ellendige woord gebruiken voor haar. Ze was een lieve, wijze oude vrouw. Maar ze kon niet mee met onze hypermoderne begrippen. Ze heeft heel wat verdriet gehad in het laatste jaar van haar leven toen ze bij ons inwoonde en wij zoo anders bleken dan ze zich het jonge geslacht had voorgesteld. Weet u wat ze tegen mij zei, heel kort voor ze stierf: “Ik beklaag den man die aan jou zijn hart verliest”. Ik heb het nooit vergeten, het heeft diepe indruk op me gemaakt. Ik ben vast overtuigd, dat het om de drommel niet makkelijk is voor een man om met mij getrouwd te zijn, maar zóó erg als zij het toen voorspelde is het toch ook niet! En nu kan Han haar niet meer vertellen, dat hij zich, ondanks al mijn groote gebreken, niet zoo heel erg te beklagen vindt.’
‘Het staat nog te bezien of hij van die meening blijft,’ plaagde dadelijk de dokter. ‘Hoe lang duurt dat gelukkige huwelijk al? Vier jaren?’
‘Vier en een half. En moeilijke jaren, oom Peter. Ik ben bijna aldoor ziek geweest...’
‘En je denkt, dat het daarom moeilijke jaren zijn? Neen kind, ziekte maakt zacht en inschikkelijk. De gevaarlijkste tijden in een huwelijk zijn die waarin het de inenschen heel erg voor de wind gaat. De beste - in de regel - wanneer ze samen moeten vechten tegen groote moeilijkheden. Maar die laatste uitspraak van onze oude tante vind ik toch onbillijk. Het is zeker voor een heel intelligente, vitale, sterke persoonlijkheid als jij bent niet gemakkelijk om getrouwd te zijn met een alledaagschen man als Van Doeveren.’
‘Han is niet alledaagsch en de verhouding is goed zooals hij is,’ antwoordde ze snel en boos. ‘Han heeft stellig een evengoed of een beter verstand dan ik, maar het is mijn intuïtie waannee ik een voorsprong heb... waarmee iedere vrouw een enorme voorsprong heeft, al is een man nog zoo knap en verstandig. Hebt u daar wel eens over gedacht, oom Peter? Hoe een geweldige macht die vrouwelijke intuïtie is? In de tijd, dat vrouwen nog stelselmatig dom werden gehouden, wisten ze het door hun intuïtie alléén, al aardig ver te brengen. Vandaar het misbaar van de heeren der schepping toen we onze hersens óók nog wilden gaan gebruiken. Nu vindt u mìj een echte blauwkous, hè? Vergeet u niet, dat mijn moeder een van de vooraanstaande feministen van Holland was en wij, als kleine kinderen al, altijd hoorden over die strijd en die problemen. Maar de mannelijke Coornvelts zijn van huis uit aarts-conservatief en mijn oudste broertje en ik voerden op de kinderkamer al heftig strijd over de appel en Eva...’
‘De appel en Eva?’ Onrustig fronste de dokter, onwillig om wéér zoo'n snelle gedachtensprong te moeten volgen.
‘Ik zal u het verhaal vertellen,’ zei ze en schoof gezellig en vertrouwelijk wat dichter naar hem toe, terwijl
ze haar arm door de zijne stak en haar smalle hand liet rusten op zijn verkreukelde mouw. Hij keek er naar, met een plotselinge sentimenteele verteedering, waarom hij tegelijk zich wrang bespotte.
‘Mijn laatste bijdrage aan uw arsenaal van menschenkermis vóór ik u vaarwel zeg. Ted en ik kregen van de een of andere vrome tante een kinderbijbel cadeau en onze kinderjuf las het verhaal voor van het Paradijs en de slang, die de vruchten van de boom der kennis aan Eva offreerde. “Eva nam van zijn vruchten, at en gaf ze ook aan haar man,” Ik zal acht geweest zijn en Ted, met wien ik in die tijd verschrikkelijk kibbelde, was zes. Ik zei: Nou zie je, dat Eva de eerste was, die van de boom der kennis at en dat Eva dus al verstand had toen Adam nog niets wist. En natuurlijk heeft Eva het grootste stuk van de appel voor zichzelf gehouden.’
‘Verrukkelijk!’
‘Maar Ted was een echte Coornvelt. Hij wist bij ondervinding, dat hij tegen mijn scherpe tong nooit op kon, maar hij wist ook, dat hij veel sterker was dan ik. En dus begon hij te vechten en gooide mij op de grond en bewerkte me net zoolang met zijn vuisten tot ik toegaf, dat ik gejokt had en dat Eva het grootste stuk van de appel aan Adam gaf nog vóór ze er zelf van had gegeten. Juf vertelde het geval diep verontwaardigd aan moeder. En moeder, de goeierd, die het zoo verschrikkelijk ernstig nam met onze opvoeding èn met het feminisme, hield een lange redeneering tegen ons, dat Adam en Eva de appel natuurlijk eerlijk hadden gedeeld. Waarna Ted en ik elkaar afzoenden en geen van beiden een haarbreed afweken van onze overtuiging. Nu, wat zegt u daarvan, oom Peter, is dat niet het probleem van de emancipatie in-a-nutshell?’ Maar de dokter zweeg; hij maakte alleen zijn onte-
vreden gromgeluid en zijn grove verwerkte vingers streelden even, schuchter, als deed hij iets schuldigs, over de slanke edele hand, die op zijh mouw lag. ‘Het gaat in hoogste instantie niet om de vruchten van de boom der kennis,’ mompelde hij. ‘Om karakter gaat het... en meest van al... om hàrt.’
De jonge vrouw scheen niet te luisteren; met een wèlgebalanceerde vlugge beweging van haar lenig lichaam was ze opgesprongen van hun ongemakkelijke zitplaats en weer trad ze naar de reeling, weer tuurden haar oogen, wijd en groot van veriangen naar de twinkelende lichtjeslijn aan de kust, naar de vage donkerte der Italiaansche bergen. En plotseling draaide ze zich naar hem toe, haar bloote armen omhoog, haar handen achter het hoofd gevouwen, haar bleeke gezicht met de felroode mond triomfant en stralend.
‘Oom Peter, morgen, in het station daarginds in Genua, zal ik de Internationale treinen weer zien, ik zal er langs loopen, de bordjes met de opschriften lezen... Paris, Berlin, Vienna, Roma...! En ik zal de geur weer ruiken - die geur van smook en vet en stof, vindt u ook niet, dat die iets mysterieus heeft en ontelbare associaties wekt? Aan alle onbegrensde mogelijkheden van de wijde wereld? Morgen gaat het èchte leven weer beginnen!’
De dokter krabbelde overeind; hij stond tegenover haar met zijn handen diep in de zakken van zijn groezelige pak, zijn pluizige baardje wippend als van een sater en grimmig zei hij: ‘Ik geef een lief ding om daarginds in de rimboe eens een brief van jou te krijgen, over een, over twee of over drie jaar. En van je te hooren wat je ermee gedaan hebt... met dat groote stuk appel, dat jij voor jezelf gereserveerd hebt.’