In een ontevreden stemming liep Puck het trapje af naar het promenadedek. Haar gesprek met den dokter liet het onpleizierig besef, dat, als zoo vaak, haar eerlijkheid werd misverstaan. De inzichten en opvattingen waarbij ze was grootgebracht wekten nog altijd verzet en weerstand, al hadden de meeste menschen zich in theorie gepast aan een totaal veranderd vrouwengeslacht, in hun onderbewuste stonden ze nog even vijandig en gewapend als vroeger tegenover elke vrouw, die de moed had zelfstandig te denken en werkelijk onafhankelijk te zijn.
Het rookzaaltje was leeg, in de bar zag ze het magere, nerveuze gezicht van den Franschen vliegtuigbouwer, die met een donkeren Algerijn zat te schaken. Han was daar echter niet. Terwijl ze diep in gedachten naar de groote salon liep, ontdekte ze hem plotseling op het achterdek, waar bij twee sterk lichtende booglampen de speelplaats van de kinderen was. Die lagen op dit late avonduur reeds alle in bed, behalve natuurlijk... het verwende tweetal van Lily Charlier. Han zat op zijn hurken tusschen hen beide in en in zijn groote handen, die zulke ongelooflijk vlugge, gevoelige vingers hadden, hield hij een klein, gedeukt speelgoed-locomotiefje. Hij zag haar niet; in zijn oogen
lag dezelfde diepe aandacht als op het grappig bruine snoetje van Pimmie en het mooie, teer-bleeke van de kleine Eugenie. Zijn vingers draaiden de sleutel, drie ooren bogen naar het binnenste van het koppig speelgoed hij schudde... draaide nogeens, peuterde aan schroefjes en raadjes. Zijn gezicht, groot, gebruind en zeer mannelijk droeg dezelfde bijna roerende ernst als dat der twee kinderen. En toen plotseling het locomotiefje te zoemen en te razen begon, Pimmie een luchtsprong deed en Eugenietje met een vreugdeschreeuw in de handjes klapte, zag Puck zijn lach van voldoening, die hem verrassend jong, jongensachtig maakte en hem een gezicht gaf, dat zij niet kende. Hij keek beurtelings naar de twee kinderen, dan sloeg hij een arm om het kleine meisje heen en wachtte, zwijgend, met zijn wang dicht bij haar mondje, tot ze hem kuste. En dat deed ze, met twee magere armpjes vast om zijn hals, zoenen die klapten!
De jonge vrouw voelde plotseling tranen in haar oogen. Wat had hij een gemakkelijke hartelijkheid om met kinderen om te gaan! En wat hield hij veel van dit tweetal. Besefte ze wel ooit boeveel hij miste in hun kinderloos huwelijk? Ze dacht met een nog sterker gevoel van onvree aan het gesprek, dat ze daareven met den dokter gevoerd had, haar plannen en verwachtingen, haar vaste wil om haar leven te richten naar eigen wenschen en verlangens. Hoe egoïst, vonniate ze nu zelf, hoe beschamend zelfzuchtig. Al sprak Han er zelden meer over, zij wist dat hij nog altijd stellig op kinderen hoopte; altijd hield hij rekening met een gezin wanneer hij plannen maakte voor de toekomst; Wat zou hij van hen houden! Wat een goede, geduldige, verstandige vader zou hij zijn! Maar voor haar... na de vreeselijke ervaring, die nog zoo dicht in haar geheugen lag...?
Och wat! Ze was iminers weer gezond, ze zou weer even sterk als vroeger zijn, zoodra ze in Holland leefde. Een kind... twee kinderen... drie misschien... een huis vol hooge stemmetjes en rappe voetjes binnen enkele jaren. Een gewoon, eenvoudig Hollandsch gezin. Hoe goed zou Han daar in passen... en zij... o, ze zóú gelukkig zijn met kinderen van Han en haar, al had ze vroeger nooit de overdreven sentimenteele meisjesverrukking voor baby's kunnen voelen. Goed zou ze hen opvoeden, verstandig en liefdevol, niet ze week verwennen als Lily haar tweetal deed. En terwijl ze daar stond op het dek, tusschen de opgepakte stoelen en keek naar het kleine groepje, dat door een booglamp fel, als door een schijnwerper beschenen werd, kreeg ze opeens het vreemde, onverklaarbare gevoel, dat zij iets zeer belangrijks beleefde. Er drongen zich gedachten aan haar op, die zij niet verldaren, noch ten einde denken kon. Een vreemde inval: dat de vertraging van de boot en deze stille lange avond een mysterieuze bedoeling voor haar hadden... dat zij aan een kruispunt van haar leven stond en dit een uur was van ontzaglijke beteekenis. Maar dan, boos en energisch schudde zij de gedachte weg, dat waren weer de ellendige ziekelijke fantasieën, waarvan ze in de Indische jaren niet los had kunnen komen. Die hoorden niet meer bij het heldere gezonde leven in Holland! Met een heftig verzet verjoeg ze de weeke verteedering. Neen... neen... nog niet! Nog geen baby's... nog niet gebonden zijn. Ik wil eerst weer heelemaal mezelf worden. Eerst weer werken en midden in het leven staan. Voelen, dat ik mijn kracht en mijn levensdurf nog niet verloren heb. Ik ben immers nog jong, nog geen dertig. Wanneer ik een kind zou hebben, was ik nooit meer vrij... kon ik over mijn eigen leven niet langer beschikken...
Lily Charlier trad in de deur van de speelkamer en klapte in haar handen. Haar mooie, fijne gezicht droeg nog de sporen van tranen, diepe schaduwen lagen onder de groote zwaarmoedige oogen, roode vlekken op de smalle, gewoonlijk zoo bleeke wangem Ze stond in het volle licht van de booglampen en Puck zag hoe ze bloosde toen Han, haastig opgesprongen, met een kind aan elke hand naar haar toekwam. Als een preutsch jongmeisje kon Lily blozen, een masker werd haar gezicht wanneer iemand in haar bijzijn grove grappen debiteerde en verlegen als een bakvisch kon ze zich verweren wanneer men haar plotseling in een gewaagd of al te openhartig gesprek betrekken wou. Maar Han zei iets, dat haar deed lachen, dat haar zwaarmoedige schuwe gezichtje een oogenblik vol leven en bekoring maakte. Ze gaf hem het gebreide manteltje, dat ze over haar arm droeg en hij hielp Eugenietje vlug en handig of het zijn dagelijksch werk was; zelfs het kraagje knoopte hij dicht onder haar geduldig geheven kinnetje. Hoe goed ging het hem af, dacht weer zijn vrouw, die elke beweging, elke gezichtsuitdrukking zag als in een fel belichte scène op een tooneel. Nu namen zij afscheid... lang schudde Han Lily's hand, hij zei iets met ernstige nadruk, waarnaar zij aandachtig als een schoolkind luisterde. Hij bukte zich en weer kusten Pim en Eugenietje hem. Dan, gewilliger dan gewoonlijk, gingen de kinderen met hun moeder mee. Pimmie met de locomotief als een trofee in zijn armen. In de regel waren zij koppig en ongehoorzaam, slecht opgevoed, verwend door inlandsche bedienden. Lily met haar meisjesachtige zachtheid kon hun booze buien geen baas.
Iedereen aan boord kende Lily's geschiedenis. Over de details smoezelden de verlofgangers onder het bitteruur in de bar, een trieste, alledaagsche Indische ge-
schiedenis: een schatrijke, verliederlijkte suikerplanter, die zich bij zijn kort verlof in het vaderland een mooi doodarm meisje tot vrouw had gezocht, haar begoocheld had met zijn vorstelijke cadeaux, met zijn vlotte jovialiteit, met de verhalen van het sprookjesland waarin hij als koning heerschte. Felix Charlier, een beest van een kerel. Jarenlang had Lily verduurd en volgehouden terwille van haar kinderen. Vergeefs trachtten vrienden tenslotte te helpen, een scheiding voor te bereiden. De man wilde niet, eischte de kinderen op, wel wetend, dat ze die nimmer zou afstaan. Tot dringend doktersadvies haar een verblijf in Holland voorschreef en hij, noodgedrongen, toestemde de reis te betalen en haar een aalmoes gaf om een jaar lang van te leven. Lily's haren waren zilverwit geworden hoewel ze nauwelijks dertig was; prachtig golvend haar, boven een fijn jong madonna gezicht met groote donkere oogen. Frau Alving had dokter Vegeer haar gedoopt. Ze glimlachte er een beetje verlegen om, als om een compliment in een taal, die ze niet verstond. Ze had Ibsen evenmin gelezen als de processtukken waarmee de advocaat in Batavia de ontrouw van haar man trachtte te bewijzen.
Met de deur van de speelkamer in haar hand, draaide ze zich om, ze liet de kinderen wuiven naar hun groote vriend en zelf knikte ze hem voor de laatste maal toe, ontroerd, met trillende lippen en haar preutsche jongemeisjesknikje.
Wat is ze mooi... dacht Puck, die vrouwenmooi kon zien met de oogen van een man. En plotseling realiseerde ze iets, dat ze reeds lang in haar onderbewuste gedachten had geweten: Lily Charlier was verliefd op Han. Hopeloos, hevig verliefd. Was het wonder? Een aantrekkelijke kerel was hij, met zijn goed open gezicht en zijn aanstekelijke jongensachtige vroolijkheid.
Gedurende heel de reis had hij zich uitgesloofd voor Pim en Eugenietje en het vrouwtje trachten op te monteren met zijn vlotte, eenvoudige hartelijkheid. Misschien was de attractie wederkeerig? Han was om de drommel niet ongevoelig voor vrouwenmooi en hier sprak bovendien het ridderlijke in hem, zijn zoo sterke behoefte om te beschermen en te helpen.
Een lachje trok om Puck's fijne lippen; ze werd zich prettig bewust van haar rustig verstandig begrijpen, van haar wijs en moederlijk inzicht, dat geen kleine jaloersche gedachten toeliet. Ze ging langzaam naar hem toe, als kwam ze juist in zijn buurt; hij mocht niet weten dat ze hem bespied had. Hij zag haar nog altijd niet, half van haar afgewend boog hij zijn gezicht naar het kommetje van zijn handen, waarin het vlammetje voor zijn sigaret flikkerde.
‘Hallo! Ben je daar eindelijk?’ Zijn stem klonk veel blijder dan ze verwacht had en met een plotseling geluksgevoel stak ze haar arm onder de zijne. In gelijke, vlugge passen liepen ze het stoelendek ten einde en keerden en liepen het nogeens... en weer, en nogeens. Hun ‘daily dozen’ voor de allerlaatste maal. Slank en lenig waren ze allebei en niet weinig trotsch op de sportieve vlugheid waarmee ze zich van de plompe en luie Indischgasten onderscheidden. Puck bemerkte, dat telkens een paar oogen naar hen keek, bewonderend of critisch jaloersch... altijd, zoolang het haar heugde had ze geweten, dat men op haar lette, dat ze aandacht trok; sinds de jaren waarin ze als bakvisch door de Leidsche straten had geloopen, verwachtte ze de sterke belangstelling van de mannen en de scherpe, hostiele keuring in de oogen van bijna elke vrouw.
Ze betrapte zich, dat ze met halve aandacht naar Han luisterde. Hij vertelde geanimeerd en met veel technische
bijzonderheden, die ze slecht begreep, van zijn belangwekkend gesprek met Lagrange. ‘Een geweldige kerel! Een bof, die onverwachte vertraging van de boot. Hij heeft me gevraagd zijn fabrieken in Argenteuil te komen zien zoodra ik in Parijs ben, hij heeft grootsche plannen... hij voorziet een totale hervorming van de luchtvaart zoodra het hem lukt de motoren van zijn vliegbooten te perfectioneeren.’
‘Het lijkt me alles nog al fantastisch,’ zei Puck. ‘Het ontbrak er nog maar aan dat hij er jou voor lijmt.’
‘Ik zou niets liever willen, kind. Luchtvaart is het vak van de toekomst en zooals hij het inziet, geven vliegbooten de eenige werkelijke zekerheid voor transatlantisch verkeer. Ik wou, dat ik eens een tijd kon werken aan die motoren... zuiver technisch en wetenschappelijk zoeken en verbeteren op dat proefstation. Ik zou me geen mooier werk kunnen voorstellen. Maar er is weinig kans. Lagrange, al praat hij voortdurend van een wereldconcern, is natuurlijk even chauvinistisch als alle Franschen. En wat weet hij van mij, behalve dat ik verstand en ervaring van motoren heb?’
Zij bleven staan bij de reeling van het achterdek, kleine wonderlijke visschen sprongen uit het water òp en doken weer weg; de stoet der meeuwen, hun wijd wiekende vleugels grauwzwart in de diepe avondschemer, omzwermde nog altijd driftig krijschend het schip. Puck klemde haar handen om het gladde hout en weer, voorzichtig en ongemerkt, spiedde ze naar het rustige, energieke, weinig beweeglijke gezicht naast haar. Meende hij het? Zou hij werkelijk een baantje bij Lagrange accepteeren wanneer die luchtvaartmagnaat het hem aanbood? Maar dat kòn immers niet? Dan zouden ze in Parijs moeten wonen! Dan zouden háár plannen geheel in duigen vallen, zou er niets kunnen
komen van haar betrekking bij Retemeijer. Ze wist dat Han de Coornveltsche fabrieken als een pis-aller beschouwde, hij zou er staan naast of onder zijn veel jongere zwagers, terwijl hij in Indië volkomen zelfstandig en al jarenlang leider was geweest. Zij dacht plotseling onrustig, bang, alsof ze dit feit voor de eerste maal haar volle aandacht gaf, wat het hem moest hebben gekost zijn werk in Indië op te geven. Zij besefte duidelijker dan ooit vroeger hoeveel ‘werk’ in zijn leven beduidde. En zij voelde zijn energie, zijn kracht, zijn liefde, zijn intense belangstelling voor die zwarte geheimzinnige techniek als een vijandige en geweldige macht, die zij nooit had begrepen en nooit begrijpen kòn... Zij wist zich volkomen vreemd, machteloos en uitgeschakeld bij dat essentieel mannelijke in zijn wezen. Och kòm... dwong ze zich dan te denken, er komt immers tòch niets van. Never meet troubles half way. Over drie dagen zitten we veilig in Holland... over tien is hij het vergeten...
Toen zei hij, terwijl hij een nagloeiend sigarettenstompje in het water gooide: ‘Wat lijkt Eugenietje op haar moeder, hè? Op en top een klein vrouwtje is dat kind.’ En zij stond plotseling uit haar zwevende, bange onzekerheid op vaste, stevige bodem, hervond het prettige, zelfverzekerde overwicht, het veilig besef, dat zij den man naast haar kende en begreep... en door dit kennen en begrijpen macht over hem bezat.
Welbewust overviel ze hem met de vraag: ‘Waar gaat Lily in Holland wonen?’
‘Hoe kom je daar opeens op?’; vroeg hij met een verwarring en verlegenheid waarvan ze even genoot. ‘In Den Haag... in een pension... ze heeft het adres voor me opgeschreven... ik heb beloofd dat we haar komen bezoeken zoodra we in Leiden zijn.’
Ze stonden nog altijd bij de reeling, turend, roerloos naast elkaar, naar de grillige sprongen van de breedgekopte visschen. Zij legde haar arm in de zijne en met zijn groote warme hand begon hij te streelen over haar kille huid. Het wekte een weeke ontroering, het werd of haar wil en haar beheerschte gedachten in flarden uiteenvielen en niets ter wereld meer telde dan deze teederheid. Een zwerm herinneringen vloog langs haar; haar heerlijkste belevingen waren aan dit streelen verbonden, ontelbare malen was het de inzet, het verwachtingszwaar preludium tot geluk en vervoering geweest. Ze had hem eens in het begin van hun huwelijk gezegd dat zijn handen wondere dingen van liefde wisten, waarvan zijn technische, nuchtere geest zich niet eenmaal bewust was. Maar hij was er bijna boos om geworden en nooit meer had ze er op gezinspeeld; hij had een afkeer van die gewoonte van haar om alles met woorden te willen definieeren.
Met elke vezel van haar wezen genoot ze zijn liefkoozing, ze vleide zich dichter tegen hem aan en wenschte met een sterk, nerveus verlangen, een dwang van haar denken, dat hij haar nu met de oude hevige hartstocht zou begeeren. Maar na enkele oogenblikken wist ze, triest en ontzenuwd of ze een ernstige fout had begaan, dat hij niet verlangde als zij, dat hij streelde met een gewoontebeweging... dat zijn gedachten elders waren. Bij Lagrange? Och wel nee... natuurlijk... natuurlijk bij Lily! En met een redeloos verzaken van al haar wijsheid dacht zij een oogenblik aan Lily's weeke afhankelijke vrouwelijkheid met een felle hatende jaloezie. Zei dan, kleurloos en onverschillig: ‘Laten we naar bed gaan, Han, het zal morgen een vermoeiende dag zijn.’