terug  begin  verderprepost
[p. 53]

Vierde hoofdstuk.

‘Wat een miserabel hotel,’ vond Kitty met haar fijne spitse neusje minachtend omhoog getrokken, terwijl Puck haar sleutel van het bord bij den portier nam en haar voorging door de rommelige vestibule naar de kleine lift met de vervelooze klapdeurtjes en de bankjes van versleten rood pluche.

Ze hadden elkaar in de stad getroffen, hun eerste samenkomst na de korte ontmoeting op het Gare de Lyon, waar Puck en haar man twee dagen tevoren met hun te vele bagage en te dunne kleeren, doodmoe en ontstemd waren aangekomen. Kitty, die mannequin was in het beroemde huis Panatelli en eerst om half zeven haar dagtaak beëindigde, had voor deze namiddag haar zuster rendez-vous gegeven in een kleine bar in de Rue Daunou, die, naar ze snoefde, door ‘tout Paris’ bezocht werd.

Na een lange vermoeiende middag in hoeden- en kleerenwinkels had Puck er een half uur zitten wachten en voor het eerst, na vier jaar in de tropen, het mondain Parijs van negentien negen en twintig bestudeerd. Ze vond er, in een ruimte als van een Hollandsche huiskamer en in een verstikkende atmosfeer van rook, parfum en drank, anderhalf honderd menschen bijeen, waarvan de helft, samengeperst op een vloertje van een paar

[p. 54]

vierkante meter, in een even, onzinnig als belachelijk surrogaat van dansen, de passen en bewegingen van tango's en foxtrotts trachtte te maken. De mannishmode bleek te hebben afgedaan, in plaats van kortgesneden gladde haren droegen de vrouwen weer krullen onder kleine hoedjes en in plaats van vlakke jongenslijven, vertoonden ze vrouwelijke vormen, geraffineerd gemarkeerd door dunne en strakke kleeren. Wat Puck onmiddellijk trof en haar voortdurend, bijna angstig boeide, was het gemis aan vroolijkheid; aan eerlijk, vrij lachen, aan zelfs de schijn van jong plezier. In de schetterende band van negers en halfbloeds jammerden als radeloos de saxophonen, een Argentijn zong een triest lied in verscheurde syncopen, op de kleine dansvloer bewogen zich de dicht samengedrongen paren met een vermoeide, zwaarwichtige voorzichtigheid. Aan de tafeltjes zaten de mooie geverfde meisjes en de welgekleede geblaseerde jongelieden; zij dronken hun cocktails met gepreoccupeerde gezichten, praatten met zakelijke koele stemmen, monsterden elkaar met harde, wetende, koude oogen. Uitbundig alleen waren de perverse dolle schilderingen aan de wanden, wilde bacchanten in moderne avondkleeren, als echo's waaraan geen klanken waren voorafgegaan.

Toen Kitty de bar binnenkwam, verwekte ze onmiskenbaar een sensatie. Ze droeg een toilet van zwart en wit, dat de chique bezat van haar Maison de Haute Couture, maar zoo opzichtig en gedurfd alle lijnen en vormen van haar mooie lichaam toonde, dat Puck zich heftig gechoqueerd voelde en tegelijk zich woedend ergerde over haar ergernis. De gérant, glimlachend en vriendschappelijk, noteerde Kitty's order voor twee cocktails van bizondere samenstelling; in de twintig minuten, die ze zich gunde om te drinken, sloeg ze drie dans-

[p. 55]

partners af, verfde tweemaal de mooie sterkgewelfde lippen en groette als een kind, dat voor groote dame speelt, hooghartig en minzaam vele vrienden en bekenden. En Puck, geërgerd, verbaasd en geïntrigeerd, dacht aan het halve jaar dat zij zelf, kort na de oorlog, in een jong, dol, arm en uit de band geslageh Parijs had doorgebracht. Aan het roekelooze, uitbundige plezier van toen... Zou de jeugd werkelijk zoo veranderd zijn, of zag zij het zoo vreugdeloos en cynisch omdat ze oud geworden en ‘verindischt’ was?

Nu, terwijl zij de hall van het kleine hotel betraden, bemerkte zij geamuseerd, dat Kitty hier niet minder sensatie wekte dan daarginds. De vadsige portier schoot uit zijn hokje en boog als voor koninklijk bezoek, het gezicht van den directeur verscheen glanzend van minzaamheid voor de stoffige raampjes van de Réception en zelfs de kleine, ondervoede liftjongen bleek oog te hebben voor Haute Couture en stond al te knipmesbuigen bij het hek; terwijl hij de lift liet functioneeren, bleef zijn mond van bewondering en adenoïden nog verder open dan anders.

Weer hield Kitty zich hooghartig onverschillig onder al deze belangstelling, een kind, dat in de perfectie voor groote dame speelt. Toen de lift stopte, diepte ze een vijf francs-biljet uit haar taschje en de liftboy, als door een veer aangezet, greep de sleutel uit Puck's vingers, snelde vooruit door de lange verlaten corridor en hield de deur van de kamer in de houding van een prinselijke page open.

‘Wat een hotel!’ verzuchtte Kitty nogeens toen ze binnentrad.

‘Han en ik moeten zuinig zijn, me lieve kind.’ Puck zei het scherp en kribbig, terwijl ze haar mantel en hoedje op het bed wierp.

[p. 56]

‘Waarom? Jullie hebt toch een toelage van Vader?’

‘Geen sprake van. Je weet toch dat Han die niet wou accepteeren toen we trouwden.’

‘Maar nu hij dat mooie baantje in Indië kwijt is?’

‘Nu zoomin als ooit. Trouwens, Vader kan geen toelagen meer geven sinds hij zich uit de fabriek heeft teruggetrokken.’

Kitty stond al voor de groote spiegel om zichzelf voldaan en critisch te inspecteeren, ze floot tusschen haar geschilderde lipjes, die als twee roodgelakte Chineesche teekens waren.

‘Wou Han werkelijk geen geld van Vader aannemen?’ vroeg ze verbaasd. ‘Het is bijna het onderwerp voor een sensatie-roman: “De man die de bruidsschat weigerde”. Ik dacht niet dat er tegenwoordig nog één man bestond, die geld nìet nam als hij het krijgen kon. Waarom heb je mij niet gevraagd om jullie kamers te bestellen? Ik had je een heel wat beter hotel kunnen bezorgen, bij de Etoile of de Champs Elysées.’

‘Voor driemaal zooveel geld, meisje. We kregen dit adres van kennissen aan boord, betalen veertig francs voor een kamer met bad, dat we als Indischgasten niet kunnen missen.’

Kitty trok haar schouders op. ‘Voor zoo'n bagatel kun je natuurlijk niets goeds verwachten, Parijs is schreeuwend duur. Je geeft hier handen met geld uit of je wilt of niet.’

Puck lachte geïrriteerd. ‘Dan zullen we zorgen, dat we hier gauw vandaan komen.’ Ze voelde zich doodmoe en landerig, mislukt en sjofel na de vermoeiende middag van kleeren kiezen en passen; het hotel, dat haar van de eerste dag af geërgerd had, scheen opeens een ondragelijk verblijf en het vooruitzicht van groote zuinigheid, waarover ze zich in Indië geen moment bezorgd had

[p. 57]

gemaakt, bleek reeds in deze eerste idagen een zware, harde moeilijkheid. Kitty's arrogantie begon haar hevig te prikkelen. Was ze tòch nog zoo'n kleine verwende snob als vroeger thuis? Twee dagen geleden bij hun begroeting op het station scheen haar warme ontroerde hartelijkheid zoo echt en spontaan.

De kamer, op de allerhoogste verdieping, gemeubeld met een bestoven en verschoten Louis-Seize deftigheid, bezat een smal balcon dat een prachtig uitzicht gaf. Het ontzaglijke panorama van Parijs, vol tintelende sprookjeshchten tusschen het eindeloos nevelig-grijs van huizen en kerken, vond zelfs in Kitty's oogen genade. De vroege April-avond was zoel en wihdstil, Puck sleepte twee stoelen naar buiten, hoorde verbaasd de vermoeide, bijna pijnlijke zucht waarmee haar zusje, daareven nog een-en-al vitale beweeglijkheid, haar lange ranke beenen voor zich uitstrekte.

‘Ben je zoo moe? Wil je thee?’

‘In Godsnaam niet. Wie drinkt er thee in Parijs? Een Martini-cocktail, een sterke.’

‘Lieve kind! Je hebt er daareven in die bar al twee gedronken!’

‘Ik moet er minstens nog twee hebben voor ik me weer een mensch voel. Denk je dat dat baantje van mij een sinecure is? Behalve tweemaal paradeeren op de morgen- en middagshow, heb ik twee volle uren voor Madame Rose gestaan, die een nieuw model op me paste. Als ik het waagde van m'n eene been op het andere te schuiven, kreeg ik een snauw.’

‘Is Panatelli dan een vrouw?’

‘Hoe kom je erbij!’

‘Dus een soort van mannelijke naaister? Wonderlijk beroep.’

‘Panatelli is ontwerper, schepper, kunstenaar. Arbiter

[p. 58]

van de vrouwenmode in vijf werelddeelen. Hij geeft de ideeën aan, de lijnen, de kleuren, de verhoudingen, en heeft acht eerste coupeuses om ze uit te werken en meer dan tweehonderd naaisters om ze uit te voeren. Panatelli is een koning. Imponeerend en ongenaakbaar. Hij bemoeit zich alleen met de klanten, die hem inspireeren en al net personeel, van de eerste vendeuse tot de kleinste speldenraapster vlìegt voor hem.’

Over haar kop geurlooze slappe thee keek Puck naar haar zusje. Ze zag hoe Kitty haar derde cocktail met een paar lange genotvolle teugen naar binnen sloeg, hoe ze dan achterover leunde in haar stoel en haar oogen sloot, waaronder zware schaduwen van moeheid lagen.

Een wonderlijk beroep voor een dochter uit een deftige Hollandsche familie. Wat deed Kitty met haar leven? Met de vrijheid en onafhankelijkheid van een modern zelfstandig meisje? Vroeger flapte ze er onbekommerd alles uit, nu scheen ze voorzichtig geworden, gesloten... Hoe leefde ze in dit groote Parijs en in dat wonderlijk milieu, zonder iemand, die haar controleerde, zonder de warmte van een eigen thuis, de genegenheid van goede vrienden? Iedereen in de familie, zelfs moeder met haar allermodernste begrippen, had zich verontwaardigd en verontrust toen Kitty twee en een half jaar geleden haar wil doordreef, met een taaie koppigheid, die eigenlijk niemand achter haar verwaande bakvischbranie gezocht had. Toen Vader bleef weigeren haar geld te geven om een school voor klassieke dansen te bezoeken, was ze op een goede dag weggereisd met de belofte, dat ze zich dat geld wel zelf zou verdienen. En het was haar gelukt - dank zij de hulp van Fransche vrienden - ze had eerst een plaats gekregen in een kleine modezaak en kort daarna bij Panatelli, een der allervoornaamste huizen voor Haute Couture, dat koninginnen, milliar-

[p. 59]

dairsvrouwen en actrices-en-vogue bediende en, naar ze in haar brieven met kinderlijke trots verzekerde, zijn mannequins uitsluitend betrok uit jonge meisjes van goede familie. Maar het beroep - dacht Puck - stond nu eenmaal in een slechte reuk. Bezat Kitty een vriend, die ze naar Parijsche zeden trouw was, of had ze het ééne vluchtige avontuur na het andere? De oudere zuster keek scherp naar het mooie jonge gezichtje, als viel de oplossing te lezen in die moede trekken, achter die gesloten oogen. En plotseling zei haar intuïtie haar: Neen... ondanks de verf, de poeder, de gedurfde kleeren was er in Kitty iets ongerepts, iets van trots en afweer... iets ondefinieerbaar... maar onmiskenbaar... maagdelijks. Verbeelding? Hollandsche struisvogelgewoonte om niet te willen zien wat men liever niet wilde aanvaarden? Puck bespotte zichzelf. En zij dacht aan Han. Ze was overtuigd, dat hij zich aan Kitty's snobisme, het provocante van haar kleeren en aan dat cocktaildrinken vooral, heftig zou ergeren. Misschien was het maar beter, dat die twee elkaar niet teveel zagen...

‘En je dansen?’ vroeg ze. ‘Daarmee moet je dunkt me een heel eind gevorderd zijn?’

‘Ach, dat is zoo'n verschrikkelijke studie,’ zei Kitty en met een klagelijke geeuw zette ze zich rechtop. ‘Ik ben feitelijk veel te laat begonnen, je moet als kind je lichaam al trainen. Ik ben nu meer dan twee jaar bezig en ik verzeker je, dat het een hondenleven is. Alle morgens stond ik om zes uur op om te oefenen, vóór ik naar Panatelli ging nam ik schermles, gymnastiekles, zwemles... drie avonden in de week trok ik naar Ville d'Avray, waar de zuster van Isidora Duncan haar dansschool heeft, nooit kwam ik voor één uur in mijn bed. Van de winter heb ik een poos lang griep gehad, erna bleef ik ellendig slap, toen kon ik de energie niet meer

[p. 60]

bij elkaar brengen en heb ik het laten schieten. Waarschijnlijk ga ik in het najaar weer beginnen... maar ik geloof niet meer zoo vast in mijn roeping, dat is het ellendige... De dansmanie is voorbij en de belangstelling ervoor is aan het tanen, de wereld is uitgedanst...’

‘Het is jammer,’ zei Puck en meende het niet. ‘Maar dan heeft het nu toch geen zin meer dat je mannequin blijft?’

Weer zette Kitty zich rechtop. De derde cocktail toonde zijn uitwerking; haar moede gezichtje was opgeleefd, hard en fel glinsterden haar oogen.

‘Waarom niet?’ vroeg ze met haar oude uitdagendheid. ‘Zoolang ik nog mooi en jong ben en mijn goede gewicht houd? Het is allemachtig prettig om altijd chique geldeed te zijn en het is wel een leuk bestaan als je je de jaloezieën en de vijandigheden niet aantrekt, er gaat bijna geen dag voorbij of je beleeft iets merkwaardigs. Het is daar bij Panatelli een wereld, waarvan degelijke Hollanders als Han en jij geen begrip hebben. Aan dure, mooie kleeren raak je verslaafd als aan sigaretten of drank of opium, ik kan er eenvoudig niet meer buiten. Als je leeft in zoo'n groot modehuis, ga je mode het belangrijkste vinden wat er op de wereld bestaat, eigenlijk het eenige wat er opaan komt. Heel die fantastisch rijke clientèle leeft ervoor, haarheele bestaan draait om hoeden, mantels, japonnen, zijden ondergoed en pelzen en juweelen. Madame Rose zegt: waar zouden al de groot-industrieelen en bankdirecteuren hun verschrikkelijk vele geld moeten laten, wanneer hun vrouwen en maîtressen niet altijd weer nieuwe kleeren noodig hadden... minstens viermaal per jaar? De oude en leelijke zijn nog veel ijdeler dan de jonge en mooie, al hun gedachten zijn vervuld hoe ze er het voordeeligst zullen uitzien. Heusch, het is een merkwaardig bestaan

[p. 61]

om mannequin te zijn en dat allemaal aan te zien! Als je er van houdt de menschen te bestudeeren, vind je bij ons materiaal als nergens anders, Puck! Je moet stellig gauw komen kijken, ik ben overtuigd, dat het je geweldig zal interesseeren en dat je er allerlei caricaturen van zult kunnen teekenen.’

‘Ik vrees,’ zei Puck lachend, ‘dat meneer Panatelli daar niet veel voor zou voelen. Trouwens, zooals je weet gaan we over twee dagen naar Holland.’

‘Je moet hier nog minstens een week blijven,’ wierp Kitty autoritair tegen, ‘en je eerst een paar behoorlijke japonnen en een mantelpak laten maken. Ik zal madame Rose vragen of ze je prix-d'artiste wil berekenen, dan kun je voor drie duizend francs al heel wat aardigs krijgen.’

Puck voelde zich opnieuw zeer geërgerd; haar vingers trommelden nerveus op de ijzeren balconrand. ‘Driehonderd is op het oogenblik meer in mijn lijn. De Printemps en de Galeries Lafayette. Gelukkig zijn kleeren nooit “het eenige” voor mij geweest!’

‘Maar je man is er toch op gesteld, dat je er modieus en elegant uitziet?’

Weer lachte Puck, maar nu klonk het vroolijk en van harte. ‘O Kit! Als Moeder je kon hooren! Een vanháár dochters! Herinner je je niet dat vlammende artikel van haar, dat vrouwen slaven zullen blijven zoolang ze een man noodig hebben om haar luxe te betalen?’

‘Och... Moeder heeft zich nooit om kleeren bekommerd,’ zei Kitty weer arrogant met haar neusje in de wind, ‘Ze had nooit begrip van mode en elegance. Trouwens... hoeveel Hollanders hebben dat wèl?’ Ze stond op, bewonderde zich voor de zooveelste maal in de spiegel van haar poederdoos en tipte het donsje over de onberispelijke maquillage van haar gezicht. En dan,

[p. 62]

met een gewoonte gebaar streek ze met haar slanke gespreide handen langs de prachtige welving van haar borsten, langs haar jongenssmalle heupen, met een teeder koesterend welbehagen. Een gebaar van zelfverliefdheid, dat haar zuster ergerde en tegelijk een onbegrijpelijke jaloersche ontroering en een plotselinge angstige teederheid gaf. Een zwaar verantwoordelijkheidsgevoel, alsof ze tientallen jaren ouder en levenswijzer was en Kitty onder haar moederlijke hoede moest nemen. En weer moest ze denken aan Han. Aan Han's bijna jongensachtig geloof in de reinheid en zuiverheid van een meisje...

‘Jouw man bijvoorbeeld,’ ging Kitty voort, met haar hooge geaffecteerde stem, ‘heeft een knap gezicht, een behoorlijk figuur zoolang hij tennist en niet te veel eet, maar hij draagt colberts zonder snit en dassen van vóór de Christelijke jaartelling.’

De glazen deur achter haar rinkelde. En in de opening stond Han, rood van ingehouden pret. Kitty gaf een hysterisch bakvischgilletje en sloeg de handen met de gelakte nagels voor haar gezicht. Henri's oogen bekeken haar met een bewonderende felle aandacht, dan trok hij aan de flappen van haar hoedje of het een paar stoute ooren waren. Zijn bruine handen grepen om haar polsen, dwongen haar vingers weg van haar oogen en opeens lachte zij overmoedig in zijn gezicht en hij lachte mee, gretig, luidruchtig, met altijd nog dat fel-geboeide in zijn oogen. ‘Daar zul je voor boeten,’ zei hij, terwijl hij haar kuste dat het klapte, ‘dat zal ik je inpeperen, dat vergeef ik je nooit... jou stoute kwaaie meid!’

Puck glipte langs hen heen de kamer binnen. Zij mèrkten het niet eens, bleven verdiept in een druk gesprek van louter grappen en plagerijen. Zebedachtschamper hoe ze daareven gevreesd had, dat Han zich aan

[p. 63]

Kitty zou ergeren. Een man ergerde zich niet gauw aan een mooi meisje. Hoe goed sloeg het dadelijk aan tusschen die twee, wat een plezier hadden ze samen. Ze voelde zich weer oud en moe, geduwd buiten hun oppervlakkige gemakkelijke vroolijkheid. Vroeger, dacht zij, was ik net zoo vroolijk als Kitty; ben ik, zonder het te weten, heelemaal veranderd? Ernstig, zwaarwichtig en somber geworden? Is dat het stempel van Indië...? Ze keek naar Han's gezicht, zag weer de sterke geboeide aandacht in zijn oogen, hoorde zijn lach, zijn cajoleerende stem als van een vreemde. ‘Hij is een knappe, jonge kerel, met een sterk temperament.’ De woorden klonken door haar gedachten, koel en zakelijk of niet zijzelf maar haar vriend de dokter ze formuleerde: ‘een knappe, jonge kerel, die zijn jeugd niet heeft uitgeleefd en wiens vrouw jarenlang ziek was...’

prepostterug  begin  verder