terug  begin  verderprepost
[p. 91]

Zevende hoofdstuk.

In de donkere smalle eetkamer, de binnenkamer van bet huis op de Oude Rijn, waschte de oude mevrouw Van Doeveren het ontbijt af. Voor haar op een houten plateautje van bruin-en-witte strepen stond een koperen teiltje waaruit de wasem van zeepsop opsteeg, die de kamer doortrok met een weeë reuk. De groote, welgevormde handen van de oude dame hanteerden voorzichtig en toch vlug het servies van wit en blauw ‘meiszner’, de kopjes en bordjes, de eierdopjes en schaaltjes en de messen met de vergeelde ivoren heften, die tot het laatst moesten worden bewaard. Een ceremonie, die zich elke dag tweemaal in dezelfde nauwgezette volgorde herhaalde; elke dag van elk jaar.

Een heel Hollandsch vrouwenleven lang, dacht Puck, die met de krant in een hoekje van de ongemakkelijke paardenharen canapé zat en zich afvroeg in welke jeugdervaring haar diepe afkeer voor die lucht van zeepsop wortelde. Vele jaren reeds leefde mama van Doeveren met haar dochter in deze oude sombere woning met de geërfde schatten aan porcelein, zilver en schilderijen, die een nooit eindigende zorg en onderhoud vereischten, met de smalle tuin waarin geen bloem wou groeien, de sombere binnenplaats waar de meid en de werkster iedere dag opnieuw kleedjes, loopers

[p. 92]

en matten klopten, met de hooge smalle kamers, die zoo kil en vochtig waren omdat de Hollandsche zuinigheid er nooit een zonnestraal binnenliet, uit vrees voor het verschieten van de meubels en het behangsel.

In de voorkamer, de salon, stonden de vensters wijd open. Corry nam daar stof af van het oude blauw, een omslachtige taak, die nimmer aan een dienstbode werd toevertrouwd. De felle, scherpe voorjaarswind joeg de kamer door, zoog zich door de kier der slecht sluitende suitedeuren en Puck, die Indisch-gevoelig was voor kou en tocht, trok zich het wollen jasje dichter om haar dunne kleeren. Zijden blouses waren geen dracht voor het Hollandsche voorjaar, had haar schoonmoeder hoofdschuddend verklaard en haar verzonken grijze oogen waren misprijzend van de witte jumper met de wijd-open hals naar Puck's glanzende kousenbeenen, onder het korte geplisseerde rokje gegaan. Het mantelpakje van Lafayette, dat Kitty zoo onbarmhartig veroordeeld had, scheen in dit milieu een extravagante moderniteit en naar het hoedje uit de Printemps keken mama en Corry met zwijgende verbaasde ergernis, telkenmale als ze het zich over de ooren trok.

Mama en Corry droegen japonnen van merinos of cheviot, of hoe die dikke wollen stoffen mochten heeten. Mama natuurlijk nooit anders dan zwart, hoog aan de hals gesloten, Corry wisselde donkerbruin met donkerblauw en waagde zoo nu en dan de coquetterie van een kanten kraagje of een gestrikte das. En wanneer zij het huishoudelijk deel van hun dagtaak hadden volbracht, wanneer mama had afgewasschen en Corry had afgestoft, wanneer mama in de provisiekamer de ingrediënten voor het middagmaal had afgewogen en uitgezet en Corry boven met het tellen, rekken, vouwen of mangelen van de wasch had geholpen, besteedden zij lange uren

[p. 93]

om die degelijke japonnen uit elkaar te tornen, te verstellen en weer in elkaar te naaien. Mama was matador in het inzetten van stukken in versleten ellebogen, pandjes onder de mouwen en stootkanten aan de rokzoom, Corry, naar ze trotsch verklaarde, ‘moderniseerde’ elk harer duurzame jurken telkens opnieuw naar de mode van het seizoen. Urenlang zaten zij met deze arbeid aan de antieke ronde tafel in hun huiskamer, hun beider goedgevormde maar verwerkte vrouwenhanden in rustig geduldig bewegen. En Puck, die er bij zat toe te zien, moest telkens onweerstaanbaar denken aan de salons van het huis Panatelli, naar de kring van vrouwen, die zich daar elke dag opnieuw vereenigden en zij stelde zich voor hoe zij, bij het beloofde bezoek van mama en Corry aan Parijs, haar beiden stellig eens naar een ‘présentation’ van Panatelli's mannequins zou brengen. Om hun vaststaande Hollandsche principes grondig te schokken en haar schrik en ergernis te hooren wanneer de vendeuses prijzen fluisterden: vijf duizend francs voor een fluweelen jurkje, acht duizend voor een tailleur van tweed en twintig duizend voor een met bont gegarneerde mantel...

Mama met haar statige gestalte en Corry met haar fijne verwelkte gezicht bezaten stellig evenveel ‘ras’ en aangeboren waardigheid als de voornaamste van Panatelli's klanten, maar zij verschilden in hun onaantastbare provinciaalsche deftigheid evenveel van die moderne, mondaine luxevrouwen of ze wezens waren van een andere planeet.

Nog vier dagen, nog vier zulke ochtenden. Goddank, daarmee zou dit familiebezoek voorbij zijn. Knap was Han wanneer hij er haar binnen het jaar nog eens toe kreeg! Kwam het door de sfeer in dit huis-als-een-graf, dat Holland zoo anders scheen dan Puck's

[p. 94]

verlagende verbeelding het daarginds had gezien? Kwam het door de doodsche, naargeestige gracht waarop de hooge smalle vensters uitzicht gaven of door de reuk van schimmel en molmig hout, die in de kamers hing? Holland scheen zoo klein geworden, de straten zoo smal, de huizen zoo donker en zoo slecht verwarmd, de menschen woonden er zoo benauwend dicht opeen. En achter hun vensters gluurden zij, speurden zij, indiscreet en nieuwsgierig, naar wat andere menschen deden. Het leven in Holland was daarmee geïmpregneerd, dat iedereen alles van iedereen wou weten en trachtte na te speuren. Misschien had zij het anders gevonden - blijder en vertrouwder - wanneer zij in haar eigen ouderlijk huis was weergekeerd, in het groote, mooie familiehuis van de Coornvelts, al had ze zich daar in de laatste jaren voor haar huwelijk geenszins gelukkig gevoeld. Al was dat huis, naar de uitspraak van tante Dok, meer het uitgangspunt dan het verzamelpunt van hun gezin geweest. Ze was er naar toegegaan, dadelijk de eerste dag na haar aankomst, terwijl Han de ochtend besteden wou om met zijn beide zwagers te confereeren. Het stond al vier jaar leeg, de verf bladderde van de kozijnen, de prachtige gebeeldhouwde voordeur was met doffe plekken uitgeslagen en voor een der benedenvensters grijnsden op een groot wit bord de zwarte letters ‘Te Koop’. Ze was van plan geweest bij den makelaar de sleutel te vragen en er binnen te gaan, ze vond er tenslotte geen moed toe. Misschien een andere dag, beloofde ze zich, wanneer Han met haar mee kon gaan. Het zou nu zoo koud zijn in die groote leege vertrekken, ondragelijk zou het harde, schrille licht door de onbedekte vensters binnenvallen en op het verschoten behangsel zouden als schimmen uit het verleden de vormen der oude overbekende meubels afgeteekend

[p. 95]

staan. Die krachtproef durfden haar zenuwen thans niet aan... er was geen gevaarlijker sentimentaliteit dan je verdiepen in wat voorbij was en nooit terug zou keeren.

Voelde Han dezelfde teleurstellihg over Holland? Vond hij ook, dat het hier zoo klein en nauw en benepen scheen na de wijde eindeloosheid van de Indische landen? Och, hij had immers nooit heimwee gevoeld als zij, hij had zich daarginds volkomen aangepast. In dit oude donkere huis had hij zijn heele jeugd gewoond, aan zijn heerschzuchtige conventioneele moeder bond hem een sterke liefde, zijn verhouding tot haar was een merkwaardige mengeling van ontzag, neerbuigendheid en teederheid. Geduldig en in een onverstoorbaar goed humeur luisterde hij naar haar grieven over zijn Parijsche plannen; het was, meende zij al erg genoeg dat hij zijn mooie positie in Indië eraan gegeveri had, een onzeker baantje, bij een bedrijf dat zijn bestaansrecht nog bewijzen moest, vond zij een roekeloos onverantwoordelijk ondernemen. Telkens scheen hun gesprek naar een twist te drijven, maar nooit liet Han het zoo ver komen, telkens zeilde hij tusschen de klippen door, leidde haar af en liet haar lachen om een van zijn vroolijke verhalen over Indië.

En 's avonds op de kille, weinig gebruikte logeerkamer met het dubbele bed en de zwaargeplooide gordijnen, stelde hij zijn vrouw schadeloos voor wat de dag haar aan verzwegen ergernis gebracht had. Daar lachte hij samen met haar om mama's heerschzucht en Corry's preutschheid, daar was hij teeder, dwaas en onweerstaanbaar vroolijk en verzoende haar met het vooruitzicht van Parijs, waar zij tenminste vrij als vogels zouden zijn, waar de zon scheen en de kastanjes al bloeiden, terwijl het in Holland nog bitter schrale winter was, al verkochten de bloemenventers goudgele narcissen.

[p. 96]

Puck, ontwend aan het gure Hollandsche voorjaar, was al de eerste dag zwaar verkouden geworden. Ze huiverde in de kille, groote kamers van het oude huis, want met de schoonmaak, vervroegd terwille van hun komst, waren de kachels weggenomen. Een petroleum-kachel verwarmde onvoldoende en Han had zijn zuster opgedragen om voor zijn vrouw, die kleumde in haar dunne kleeren, een wollen manteltje te koopen.

Om die opdracht waren de eerste booze woorden tusschen de schoonzusters gevallen. Bedrijvig en gewichtig was Corry er dadelijk op uitgetrokken en een uur later kwam ze triomfant terug met een gebreid jakje van roode en gele strepen, stellig het grootste koopje van Gerzon's ‘restanten’! Ze was woedend toen Puck het met een booze zwaai op de tafel gooide, het met scherpe woorden een voorbeeld van wansmaak noemde en verzekerde, dat geen macht ter wereld haar zou bewegen het te dragen.

‘Ze heeft het er stellig om gedaan!’ pleitte de jonge vrouw, boos en bedroefd, toen haar man haar des avonds, onder vier oogen, trachtte te overtuigen, dat zij schromelijk overdreven en Corry diep gegriefd had. ‘Misschien deed ze het onbewust, dat neem ik graag aan, maar ze zou er een voldoening in vinden om mij toegetakeld te zien met dat hideuze ding. Want ze is jaloersch... ontzettend jaloersch Han... iedere blik die je mij geeft, ieder lief woord merkt ze op, registreert ze als het ware... Zoo'n ongetrouwd meisje als Corry krijgt allerlei complexen die ze zelf absoluut niet begrijpt.’

Ze zag zijn gezicht verstrakken en zweeg; wist ontdaan en boos op zichzelf: dat had ik niet moeten zeggen. Want al plaagde hij Corry en spotte hij met haar preutschheid, hij hield verschrikkelijk veel van haar. En van freudiaansche beschouwingen had hij nu eenmaal

[p. 97]

een heftige afkeer. Met haar armen om zijn hals trachtte ze het goed te maken: ‘Han, ik heb haar geen verdriet willen doen, heusch niet. Morgen zal ik het ding aantrekken, al vind ik het afschuwlijk. Toe, denk niet dat ik hard ben en geen meelij imet haar heb... Ik ben zoo rijk met jouw liefde... en zij ziet dat, de heele dag ziet ze het, met die groote hongerige oogen van haar...’

Zijn armen waren al om haar heen, zijn mond op de hare. ‘Jongen, pas op! Denk om mijn verkouden neus! Morgen heb je het zelf te pakken!’

 

Mama van Doeveren was met afwasschen gereed, zij schelde opdat de meid het teiltje naar de keuken zou dragen. Dan, langzaam bewegend en moeizaam bukkend haar rheumatische rug, begon ze het servies in het buffet te ruimen. Puck legde haar krant neer en stond op.

‘Laat u maar, dat zal ik wel doen.’ Ze voelde zich schuldig, dat ze haar hulp bij het afwasschen niet had aangeboden, maar het gevoel van zeepsop aan haar vingers, aan haar uiterst verzorgde fijne vingers kòn ze nu eenmaal niet verdragen.

‘Dank je,’ weerde de oude dame af, ‘Je weet niet precies waar alles staat, de dingen zouden niet allemaal op hun plaats komen.’

De ander dacht schamper: ‘Dat zou een onoverkomelijke ramp zijn,’ en als had ze die gedachte geraden, liet haar schoonmoeder er op volgen: ‘Je bent daar in Indië alle huishoudwerk ontwend. Het zal je niet makkelijk vallen om het in Parijs met géén of weinig hulp te moeten stellen.’

De oude geest van verzet werd vaardig over Puck. Ze voelde vijandigheid en kleineering onder de schijnbaar welwillende woorden. ‘Ik zal trachten er werk te

[p. 98]

vinden,’ zei ze luchtig; ‘daarvan kan ik dan een goede huishoudster betalen.’

Mevrouw van Doeveren antwoordde niet dadelijk. Zij stond weer gebukt voor het buffet en schikte de bordjes en schaaltjes. Puck kon haar gezicht niet zien, maar haar korte jachtige ademstooten verrieden haar ergernis.

‘Om alles aan over te laten?’ vroeg ze eindelijk, terwijl ze zich rechtop hief. ‘Je huishouden... aan een vreemde?’

‘Beter dan zelf meidenwerk te moeten doen.’

‘Een huishouden laten functioneeren is geen meidenwerk. Je man heeft recht op jouw zorg en toewijding wanneer hij de heele dag hard en ingespannen heeft gewerkt. Hoe hij op huiselijkheid en orde gesteld is, weet je even goed als ik.’ Met de ontbijtmessen als dolken geheven in haar groote hand stond ze strijdvaardig en autoritair, de bleeke mond hard en energisch in het kleurlooze gezicht met de diepe vouwen. En de schoondochter, in haar ontzenuwde stemming van kou en ongezelligheid, vond een wrange voldoening in dit machteloos geschermutsel, na al de verzwegen, glimlachende vijandigheid der voorbije dagen.

‘Wat een huishouden van twee menschen aan zorg eischt, kan ik het makkelijk geven in de vrije uren, die mij overblijven.’

Mama schoof de messen in de lade. ‘Ik hoop en vertrouw, dat jullie niet lang meer met je tweeën zult blijven. Dat er gauw kinderen komen. Die eene ongelukkige afloop... hoe diep treurig op zichzelf, heeft het bewijs gegeven dat je niet onvruchtbaar bent.’

Puck's gezicht was hard geworden en ijzig gesloten. Ze voelde, dat mama scherp naar haar keek, al hield ze haar eigen oogen strak op de krant in haar handen. Met moeite bedwong ze haar driftige boosheid om wat ze een grove indiscretie vond. Zwijgen... zich beheer-

[p. 99]

schen... máár de streep trekken... onverbiddelijk. Ze had zoo iets verwacht, al dagen lang. Ze kende mama's strenge, godsdienstige principes al sprak ze die zelden uit. Dat kinderzegen door God gezonden wordt. Dat het huwelijk slechts middel is en de kinderen doel zijn. Hooghartig dacht ze: Ze heeft mij geen verantwoording te vragen. Dit gaat niemand aan dan Han en mij. Of eigenlijk... mij alleen. Want het gaat om míjn leven, míjn vrijheid, míjn geluk. En in haar gedachten lag het trotsche, scherpe antwoord gereed wanneer mama zou doorgaan, een pertinente vraag zou durven stellen. Dan zou ze zeggen, dat háár geloof de onaantastbare persoonlijke vrijheid van elk mensch was.

Maar mama zweeg. Want Corry schoof op dit oogenblik de porte brisée vaneen en zij zou nimmer een dergelijk onderwerp bespreken in het bijzijn van haar ongehuwde dochter. Een onmerkbaar lachje trok om Puck's lippen terwijl Corry de kamer doorliep om de stofdoek in het geborduurde korfje te bergen, de groote diepliggende oogen van het meisje gingen snel en rusteloos spiedend van de een naar de ander; haar felle, altijd waakzame nieuwsgierigheid had natuurlijk hun scherpe stemmen gehoord en beluisterd. De vraag troubleerde ook Corry: waarom waren er geen kinderen? Want die kinderen... Han's kinderen hadden in het middelpunt van haar gedachten gestaan, sinds de dag van zijn trouwen. Haar altijd zoekende verbeelding had zich uitgedacht hoe die kinderen, als zij uit Indië kwamen, in dit huis zouden logeeren. Hoe zij met hen spelen, hen verwennen zou... hoeveel die kinderen van háár zouden houden. Zij had nachtenlang geschreid, toen het droevige bericht over het doode kindje kwam en zij had zich een diep meelij met haar schoonzuster verbeeld. Zich voorgesteld dat Puck, de triomfante, nu

[p. 100]

geslagen, gebroken zou zijn en haar broer, die zooveel van kinderen hield, gebogen zou zijn door droefheid. Thans joeg de werkelijkheid een door haar zelf niet begrepen booze onrust in haar los. Hun vroolijkheid, hun half plagende teederheid en telkens heimelijk in een glimp door haar bespied dat andere... hun hartstocht... hun verlangen naar elkander. Na al die jaren... of er geen verdriet, of er geen dood kind was geweest. Zij leed weer hevig aan haar oude kwaal van slapeloos-heid. Zij verwisselde haar kamer, die naast de logeer-kamer lag voor een afgelegen vertrekje op zolder. Zelfs fluisterstemmen, zelfs het kraken van een bed, zei zij, hielden haar uit de slaap. Naar de roode hooghartige mond van haar schoonzuster keek zij telkens als getrokken en naar het nog altijd meisjesslanke lichaam, dat zijn vormen zoo gedurfd en openlijk toonde. Eenmaal in deze nachten had zij gedroomd, dat Puck gestorven was en zij haar broer troostte, meeleed met zijn verdriet. Met de tranen over haar wangen was ze wakker geworden.

‘Moeder,’ haar ijle stem viel in de plotselinge stilte, ‘er is een jongen met rhabarber aan de deur, hij vraagt maar een kwartje per bos, een dubbeltje minder dan de groenteman.’

Mevrouw schudde het hoofd. ‘Nee, jonge rhabarber neemt veel te veel suiker.’

‘Han houdt er zooveel van.’

Een glimlach ging over het strakke oude gezicht. Eenmaal, dacht Puck, was mama van Doeveren stellig een mooie vrouw geweest.

‘Neem dan maar twee bos, dan zullen we ze tot Zondag bewaren.’

Puck zei snel: ‘U weet toch dat we Zondagmorgen reizen?’

[p. 101]

Mevrouw fronste. ‘Dat is waar, daar dacht ik niet om. Neem ze dan maar niet, Cor, dan wachten we tot Han de volgende keer hier komt.’

Corry schoof de porte brisée open en terwijl Puck naar de voorkamer drentelde, waar zich de eenige gemakkelijke fauteuil bevond, die het huis rijk was, zag ze Han's lange, vlugge figuur langs het venster gaan. Een oogenblik later hoorde ze hem braaf en ijverig voetenvegen op de voordeurmat. Snel trok ze het gestreepte jakje uit en stopte het in een hoekje. Ze voelde Corry's scherpe oogen.

‘Waar is hij heen geweest?’ vroeg de oude mevrouw aan haar dochter.

‘Speelgoed koopen voor de kinderen van Indische kennissen.’

Puck zag het ontevreden fronsen van de zware, nog donkere wenkbrauwen en hoorde haar schoonmoeder zuchten. De vorige dag toen hun bezoek aan Lily voor deze middag werd vastgesteld, toen Han zijn plan vertelde om voor haar twee kleuters een nieuwe locomotief te koopen, had zijn moeder dat als een dwaze verkwisting veroordeeld. Hij zou zijn Indische royaliteit voor Hollandsche zuinigheid moeten wisselen, anders kwam hij er niet met dat schijntje dat hij in Parijs verdiende. Hij kon toch voor die kinderen, die niet eens jarig waren, met een zakje flikjes of een pakje hopjes volstaan? Hij had haar met geen woord tegengesproken, hij leidde haar aandacht naar een ander onderwerp, maar vanmorgen, dadelijk na het ontbijt was hij uitgegaan en thans bleek Corry op de hoogte van zijn plannen.

‘Wie is toch die mevrouw Charlier?’ vroeg de oude vrouw op de verongelijkte toon waarmee zij elke ontstemming toonde.

‘Ik ken haar wel,’ zei de dochter. ‘We waren samen

[p. 102]

op de meisjes-burgerschool, zij zat twee klassen lager, Lily Roovers heette ze. De vader was kolonel, of zoo iets.’

‘O die!’ Er lag een heel vonnis in de twee woorden besloten. ‘Grootdoeners en armoedzaaiers... Ja, nu herinner ik me er alles weer van. Het was een mooi meisje en ze hebben haar gekoppeld aan een rijke Indischgast. De moeder was niet veel, een dochter van Bosch, de zilversmid op de Vischmarkt. Die had het natuurlijk zoo groot in het hoofd.’

Hoogmoedig Christendom, ging het door Puck's gedachten; wat zou Han zeggen als hij dit oordeel hoorde?

‘Ik vond Lily bizonder mooi en gedistingeerd,’ zei ze, wetend ergernis te geven. ‘Han trouwens ook. Hij was bepaald gecharmeerd van haar.’

Corry's gezicht keerde zich in ontstelde verbazing naar haar toe en ze hoorde met een innerlijk vermaak het verwijt van haar schoonmoeder, dat ze verwachtte: ‘Een vrouw, die van haar man houdt, spot niet met zulke dingen.’

Han trad op dit oogenblik binnen met een groot pak onder zijn arm, zijn kleeren brachten de frissche voorjaarskou mee. ‘Wat ze tegenwoordig toch een prachtig speelgoed maken! Mijn hart ging open, Puck. Zeg Cor, weet je nog die oude locomotief met een spiritusvlam, die wij op zolder lieten loopen?’ Hij zocht naar zijn zakmes en boog het open om het touw door te snijden maar zijn moeder greep snel zijn hand en hield hem tegen. ‘Ben je nou mal! Straits moet je een nieuw hebben om het weer in te pakken.’

Hij schaterde en kuste haar. ‘Moeder, ik moet noodig weer bij je in de leer om zuinig te worden.’ Corry's verwerkte handen, rood van winterblaren, peuterden

[p. 103]

aan de straffe knoop. Het lukte niet, het mes moest er aan te pas.

Als een juweel lag het kostelijk speelgoed tusschen vloei en watten in zijn doos. Met verliefde handen en een verrukt gezicht tilde Han het omhoog, wendde en keerde het, liet de glanzende kleuren, het gepolijste nikkel fonkelen in het licht. Er was een lange stilte totdat Corry zei, met haar ijle, onzekere stem: ‘Nou, je hoeft niet te vragen of jij van die kinderen houdt...’ Puck voelde weer haar snelle spiedende blik. Ze leunde tegen de vensterbank, haar rug tegen het licht. Ze zou haar het plezier niet gunnen om de tranen te zien, die haar plotseling onverwacht, onbeheerscht en door haar zelf niet begrepen in de oogen sprongen.

De oude mevrouw was naar een diepe muurkast gegaan en keerde terug met een sigarenkistje zonder deksel. Het lag vol met in strengetjes gewonden stukjes touw. Ze legde er een voor haar zoon op de tafel en zocht de stukken, die hij zoo roekeloos had stukgesneden, zorgvuldig bijeen.

Hij sloeg zijn arm om haar starre rechte rug met de branie en de teederheid, die hem in de oogen van zijn vrouw zoo jongensachtig maakten. ‘Brom nou maar niet op me, dit is mijn laatste verkwisting,’ zei hij. ‘U weet wel, als het noodig is, kan ik net zoo zuinig zijn als jullie samen.’

Zij schudde haar hoofd en lachte terwijl zij naar hem opkeek, in haar verzonken grijze oogen lichtte het. Zij was bijna even groot als hij en Puck zag plotseling verrast hoe sterk zij op elkaar geleken. En zij erkende, wat zij aldoor nog voor zichzelf geloochend had, wat haar onderbewuste gedachten niet aanvaarden wilden: Han pàste in deze omgeving, hij sloot erin als een stuk in een mozaiek. Hij, die toch zoo vlot en levenslustig

[p. 104]

en blij kon zijn. Hij hield van deze strakke, zwaarwichtige, conventioneele vrouw, die zijn moeder was... evenveel, misschien nog meer dan van haar zelve.

Zijn leven wortelde hier... twintig jaar had hij in deze sfeer geleefd. Wat beduidden daarbij de vier en een half van hun huwelijk?

prepostterug  begin  verder