terug  begin  verderprepost
[p. 105]

Achtste hoofdstuk.

Toen zij die middag buiten de overkapping van het Haagsche station traden, regende het en dadelijk wenkte Han een taxi.

‘Jongen! Alweer verkwisting! Wat zou je moeder ervan zeggen?’

Maar hij lette niet op haar woorden. ‘Vlug nu maar,’ drong hij, terwijl hij het portier opendraaide en zijn hand onder haar arm legde om haar bij het instappen te helpen. Verbaasd voelde ze de nerveuze onrust in zijn bewegingen, hoorde ze zijn geïrriteerde toon. Ze had in de trein verdiept zitten lezen en realiseerde nu plotseling, dat dit bezoek aan Lily Charlier voor hem veel meer beduidde dan een beleefdheidsvisite aan een toevallige bekende. Misschien had hij gehoopt, dat ze niet mee zou gaan? Ze had daar heelemaal niet over nagedacht, blij met elk uur dat ze uit het sombere huis op de Oude Rijn ontsnappen kon. Maar ze kon er zich nòg van af maken. Wat deed ze er? Han zou worden ingehaald als de aangebeden suikeroom en zij kon er bij zitten als fâcheuse troisième. Ze vond Lily een lief vrouwtje, maar van het soort waarmee zij nu eenmaal geen contact had en Han's adoratie voor die twee verwende kindertjes had zij nooit kunnen begrijpen. Ze zou hem en Lily stellig plezier doen wanneer ze hem

[p. 106]

alleen liet gaan en uitstapte, zoo dadelijk, op het Buitenhof, om een bezoek te brengen aan Retemeijer. Hij had haar bizonder hartelijk geschreven nadat ze hem de verandering in haar plannen had gemeld. Hij bezat tal van connecties aan groote banken in Parijs. Misschien kon hij haar een paar introducties geven, mogelijk wist hij daar ergens een plaats voor haar.

Han zat stil en zwijgend, het groote pak met speelgoed hield hij op zijn knieën, zijn handen er omheen, en terwijl zijn vrouw voorzichtig, van terzij naar hem keek, zag ze opnieuw hoe zenuwachtig hij was, hoe de aderen op zijn voorhoofd klopten en het trok langs de vleugels van zijn neus.

‘Han, luister even, ik wou...’

Hij viel haar in de rede zonder af te wachten wat ze zeggen ging: ‘Je wou zeker wat bloemen meebrengen voor Lily?’

Het joeg haar plaaglust los: ‘Maar natuurlijk! Lelies of witte rozen.’

‘Of vind je het overdreven?’

‘In het minst niet. Hier vlakbij in de Houtstraat is een groote bloemenzaak.’

Hij tikte al tegen de voorruit, eischte dringend de aandacht van den chauffeur. ‘Er moet in deze straat een groote bloemenwinkel zijn, stop daar even!’

‘Jij kiest ze uit,’ besliste hij op de nerveusautoritaire toon, die haar vermaakte en ergerde tegelijk. Ze voelde haar lippen smal, en strak in een verbeten glimlach, terwijl ze vóór hem de groote koele ruimte binnentrad en rondzag tusschen de stille wondere overdaad der bloemen.

‘Wat denk je, rozen of een vaste plant?’

‘Dìe plant,’ wees ze naar een groote bleekblauwe hortensia.

[p. 107]

‘Dìe? Vind je rozen of anjers niet veel mooier?’

‘Deze past precies bij Lily.’ De verkoopster schoof gedienstig de pot naar voren, prees de volle trossen, de gaafheid van de bladeren. Puck's vingers raakten de starre bloemen, ze voelden als vloeipapier. ‘Pakt u deze maar in, juffrouw.’

‘Waarom vind je in 's hemelsnaam, dat een hortensia bij Lily past?’ Han vroeg het fluisterend en sterk geinteresseerd en weer genoot ze het besef van haar overmacht en gaf ze toe aan haar lust tot plagen; hij was ongewoon, bijna belachelijk nerveus.

‘Zulke dingen kun je moeilijk uitleggen,’ zei ze en trok luchtig haar schouders op, ‘een kwestie van aanvoelen, zou mijn broer Pim zeggen.’

Ze zaten weer in de taxi, tuurden elk naar een andere kant door de regenbespikkelde ruitjes. Zij hield de plant op schoot, hij het groote pak met de locomotief. Ze kreeg een kwellend besef, dat ze allebei belachelijk waren, hij door zijn nervositeit, zij omdat ze tòch meeging, verzuimd had uit te stappen. Ze reden al door de banale troostelooze straten van het nieuwe ‘Duinoord’. Och wat! hoonde ze zichzelf. Ze wàs geen oogenblik werkelijk van plan geweest hem alleen te laten, haar oude vriend Freud wist de juiste definitie voor zulke ‘plannen’ en zulk ‘verzuim’.

‘Deze straat, chauffeur, aan de rechterkant.’

Twee rijeni goedkoope boven- en benedenhuizen.

‘Koude aardappelenbuurt’, noemden de Hagenaars zoo'n straat. Wat zouden die blikkerende vensters rammelen op de eeuwige zeewind. Opgejaagd duinzand heuvelde tegen de verzakte stoepen, de verf van vensters en deuren was uitgebeten van het zilt. Nog voor de taxi stilhield, stond Han al op het trottoir en zocht, met het groote pak onhandig onder

[p. 108]

zijn linkerarm geklemd, jachtig naar geld in zijn vestzak.

Puck wachtte gewild langzaam met uitstappen; ze monsterde het smalle huis, het geëmailleerde bord met ‘Pension’ waarvan een groote scherf was afgeslagen. Opeens gingen de te korte, gekreukte vitrages voor een der benedenramen vaneen en twee kinderhoofden drukten zich tegen het glas, lachend, roepend met onverstaanbaar mondbewegen, twee handjes wuifden, bonsden dan op de ruit met het ongeduld, verwende kinderen eigen. En het trof Puck als iets dat ze altijd verzuimd had te constateeren, hoe buitengewoon mooi die twee kinderen waren. Plaatjes-mooi, wist dadelijk haar critische verstand, ongezond, onkinderlijk verfijnd. Het jongetje als een tooneelkind in het zwart met een groote kanten kraag, het meisje als een prinsesje in een wit zijden jurkje.

De chauffeur droeg de plant naar de stoep. ‘Die geef jij,’ besliste Han op een toon van gezag die haar weer hevig prikkelde. Waarom was ik zoo gek om mee te gaan? vroeg ze zich nogeens. Maar reeds liep zij in het smalle gangetje waar het naar kool rook en naar petroleum, ze zag dik gekalkte muren en een overladen kapstok, de kinderen renden juichend langs haar heen en klampten zich aan Han om hem triomfant naar binnen te loodsen.

In de achterkamer, een nauw salonnetje met smakelooze verschoten meubels, stond Lily. Ze had haar rug naar de gesloten serredeuren gewend. Puck kon haar gezicht nauwelijks onderscheiden en toch wist ze, zóó stellig of het haar met woorden werd gezegd, dat Lily een oogenblik lang een hevige teleurstelling verwerkte, omdat ze verwacht had Han alleen te zien. Hoe vreemd, dat ik zulke dingen kan weten, ging het snel door haar gedachten; reeds was Lily op haar toegeloopen en kuste

[p. 109]

haar met Indische hartelijkheid op beide wangen.

‘Wat een verwennerij!’ zei haar diepe weeke, als gebroken stem, terwijl ze de plant in ontvangst nam. ‘Nee maar, kinderen kijk toch eens; Kijk toch eens hoe je moeder verwend wordt!’

Maar de kinderen letten met op haar. Want Han hield het groote pak verlokkend boven zijn hoofd, Eugenietje hing aan zijn arm, die ze trachtte omlaag te trekken en Pim probeerde langs zijn been naar boven te klauteren.

‘Nee! Jullie hebt me nog met eens behoorlijk goeden dag gezegd!’ Hun gretige handjes trokken zijn hoofd omlaag, hun haastige kussen klapten op zijn wangen, dan, met een nieuw gejuich, droegen ze hun buit naar de groote tafel in het voorvertrek. Nu pas stond Han tegenover Lily. Lily in een van haar lichte ragdunne Indische japonnen, waarvan de korte mouwen en de zeer lage hals zielig deden in de kamer waar een petroleumkachel brandde en de vensters beslagen waren van de kou buiten.

‘Dag Lily!’

‘Dag Han...; wat een... hoe lief...’

Ze kwam er niet uit. Haar zachte, reebruine oogen stonden vol tranen, van haar beheerschte gastvrouw-pose bleef niets over. ‘Toe, ga zitten zeg.’ Haar kleine, breede hand met de vele fonkelende ringen wees naar het canapé'tje, naar een dunpootig fauteuiltje. Daarvoor, op het notenhouten tafeltje, pronkte al de hortensia en met een spottend plezier constateerde Puck hoe inderdaad de bleekblauwe plant paste bij het vrouwtje, bij het bleeke verschoten voile van haar japon en bij het bloedelooze kleurlooze van haar fijne, nog zoo jonge gezicht en haar zilverwitte haren.

Een halfwas dienstmeisje in een uitgegroeide jurk en

[p. 110]

een te lange schort met vlekken, zette een groote steenen trekpot en een schaaltje met petit-beurres op het theetafeltje, dat in een hoek stond. De lucht van kool dreef met haar mee naar binnen. Boven studeerde iemand op een ontstemde piano een étude van Czerny. In het kleine gesloten serre'tje stonden twee rieten stoeltjes bij een tafeltje met een leege vaas erop. Daarachter was een heel klein tuintje met een verwaarloosd bloemperk en een ongebruikt kippenhok.

De muren van het smalle salonnetje, met het verschoten, smakelooze behangsel schenen naar elkaar toe te buigen zoo klein was het. Het stond er vol met Lily's eigen bezittingen, portretten en Indische bibelots. Puck kreeg een gevoel van lijfelijke benauwing. Dit was Holland op zijn ergst, Den Haag in zijn kwasideftige, poovere benepenheid. Hoe in 's hemelsnaam kon je zoo'n oord kiezen om je verlof door te brengen? Er waren toch ook pensions buiten, bij de bosschen, de duinen, de heuvels van Holland, daar vonden kinderen lucht en ruimte en konden ze zich bewegen. Maar Lily Charlier, al had ze acht jaar lang op een Indische plantage in een huis als een paleis geleefd, scheen hier merkwaardig te passen. Zij bewoog zich rustig en met een welbewuste, langzame gratie tusschen de goedkoope deftigheid, de te dicht opeenstaande meubels. En zij was, dacht Puck, precies de heldin uit een ethische roman, kuisch en gedistingeerd en volkomen temperamentloos, haar zorgen dragend met voorname resignatie en vertrouwend op Gods speciale goedertierenheid. Het type van mooie vrouw, dat mannen mysterieus en raadselachtig vinden en waarin ze wonderveel zielsdiepte veronderstellen...

Begrijpelijk dat Han... Puck keek tersluiks naar hem, verwachtend, dat hij in stille adoratie voor Lily's gratie

[p. 111]

zou zijn. Maar tot haar verrassing zag ze hem omgewend op zijn ongemakkelijke stoel, een en al belangstelling voor de twee kinderen in de andere kamer, die op hun knietjes, elk aan een kant van de tafel, hun verrukte, opgewonden gezichtjes bogen over de locomotief. Zij zag het zacht ontroerde in zijn oogen, zijn gespannen, teedere aandacht. Wonderlijk, dat een man zoo kon houden van een paar kurige kinderen. Had zijn zenuwachtige onrust tòch meer die twee gegolden dan hun moeder? Hij stond op, groot en breed in de kleine, te volle kamer en met vier van zijn lange passen was hij bij hen. Zijn donker hoofd boog zich naar hun gezichtjes, hij legde zijn twee armen om hun smalle ruggetjes en dadelijk begonnen hun hooge stemmeh te kwetteren in drukke vertrouwelijkheid. Watervallen van woorden over de poes van de pensionmevrouw, over een fort van zand in Scheveningen... zijn lach, vroolijk, zorgeloos, kinderlijk als de hunne, klaterde door het vertrek.

‘Ik heb twee klontjes op het schoteltje gelegd,’ zei Lily terwijl ze het theekopje voor Puck neerzette. Haar groote zwaarmoedige oogen keken naar het drietal in de andere kamer. Dan look ze de zeer witte leden met de zware krullende wimpers. Wimpers als van een filmheldin, even-trillend op haar bleeke wangen. Toen ze ze weer opsloeg was haar blik helder en ze glimlachte naar haar bezoekster. En die glimlachte terug. De leege glimlach-wisseling van twee vrouwen, waarachter zich werelden van verzwegen vijandige gedachten verborgen.

 

Tersluiks keek Puck op haar armbandhorloge, ze schrok toen ze zag hoe laat het al was. Ze konden de trein van half zes onmogelijk meer halen en ze wist bij ervaring hoe mama op stiptheid gesteld was. Maar ze durfde Han niet waarschuwen. Hij en Lily waren zoo

[p. 112]

volkomen verdiept in hun ernstige gesprek. Na wat oppervlakkig gepraat over het koude voorjaar en de nieuwtjes omtrent kennissen van boord, had Lily met bijna pijnlijke openhartigheid plotseling gesproken over haar moeilijke omstandigheden, haar uitzichtlooze toekomst. Ze begreep nu al wel, dat ze het die verlofmaanden onmogelijk kon uitzingen met wat Charlier haar gaf. Het was nauwelijks genoeg om hun pension te betalen, warme kleeren konden ze zich niet koopen, ze hadden niets dan hun dunne Indische plunje en het Hollandsche klimaat bleek verraderlijk koud.

‘Maar Charlier is toch schuldig? Hij kan toch gedwongen worden tot een scheiding en zoo lang het daartoe niet gekomen is tot een behoorlijke uitkeering?’ Met voorzichtige woorden tastte Han, het was allemaal zoo vervloekt pijnlijk. Hij herinnerde zich de verhalen, die aan boord de ronde deden, over al wat Lily acht jaren lang verdragen had bij dien rijken verruwden kerel.

‘Ik weet het niet. Ik begrijp nu eenmaal niets van zulke dingen,’ zei ze triest gelaten en haar kleine handen, die mollig en breed waren als van een land, knepen zich hulpeloos samen in haar schoot.

‘Ik ben een keer van huis weggeloopen, naar vrienden. Hij heeft op een avond... nee, wat er toen gebeurd is, kan ik niet vertellen. Maar het schijnt, dat ik toen mijn rechten heb verloren. Wat weet je als vrouw van die dingen? Ik weet alleen dat ik mijn kinderen nooit zou kunnen missen. Dat ik liever alles zou verdragen dan de kinderen aan hem af te staan.’

‘Maar Charlier heeft toch schuld?’ zei Han nogeens.

‘Er zijn dan toch dingen gebeurd... Nee, ik vraag je natuurlijk geen details. Wie is je advocaat?’

‘In Batavia heb ik een paar maal met Mr. van Dorn gesproken. Hij scheen het niet erg hoopvol voor me in

[p. 113]

te zien. Hij zei, dat ik veel eerder zijn raad had moeten vragen. Alsof ik... o... alsof het niet om te sterven is van vernedering en schaamte om overzoo iets te moeten spreken met een vreemde.’

De waterketel op de petroleumkachel blies een wolk van stoom de kleine kamer in. Het deksel klapperde. Door de dunne kamerwanden dreunde nog aldoor het ziellooze pianospel. De kinderen zaten in de voorkamer op de grond en speelden muisjesstil met hun nieuwe speelgoed. Over Lily's gebogen hoofd met het zilveren haar keken man en vrouw elkaar aan; hun oogen schiepen een sterk contact, zij zagen elkanders ontroering en Puck voelde hun kameraadschap als iets sterks en veiligs, iets waarmee ze een oogenblik hevig gelukkig was.

Dan boog Han zich naar Lily en zijn groote sterke handen sloten zich over de breede kinderlijke. ‘Moed houden, Lily. Waarom heb je goede vrienden als het niet is om je te helpen wanneer je in moeilijkheden zit? Ik zal voor je informeeren wie hier in Den Haag de beste advocaat is voor scheidingszaken. Je moet iemand hebben, die je belangen goed behartigt. Heb je heelemaal geen familie?’

‘Alleen nog m'n moeder, met wie ik over die dingen niet spreek. Ze woont in een tehuis voor oude dames. Ze is heel oud, heeft een zwakke gezondheid. Mijn eenige zuster is voor tien jaar gestorven. M'n broer woont in Zuid-Afrika. We hooren zelden van hem. Ik geloof dat hij het nogal moeilijk heeft.’

‘We zullen samen die advocaat bezoeken. Nog voor ik naar Parijs terugga.’

‘Och, maar beste Han! Er is immers geen sprake van, dat ik dat kan betalen! Aan die man in Indië heb ik honderd vijftig gulden moeten geven voor een paar adviezen. Het was al het eigen-geld dat ik bezat.’

[p. 114]

Weer zocht Van Doeveren's blik die van zijn vrouw. Zij wist wat hij zeggen ging en haar oogen stemden toe. Zij kende zijn grootmoedige spontane drang om te helpen wie in moeilijkheden was, ze wist hoeveel Indische collega's er van hadden geprofiteerd en hoe hij nooit met een woord zich beklaagd had over een te goed vertrouwen. Maar toen hij het zeide, met heel voorzichtige woorden geldelijke hulp bood, sprongen heete tranen in Lily's groote reebruine oogen. Een pijnlijk dofrood vloeide over haar bleeke gezichtje. ‘Och jij goeierd, jullie... jullie lieve, edelmoedige menschen! Als jullie wist hoe vreeselijk ik het vind... en toch ook... hoe heerlijk. Ik zou het nooit kunnen aannemen, wanneer het voor mezelf was, maar terwille van de kinderen mag ik het niet weigeren. Hoe zal ik het je ooit vergelden, Han?’

Met een klein kanten zakdoekje streek ze langs haar oogen en weer moest Puck denken, dat zij daar zat als de heldin in een of andere sentimenteele situatie van een film of een ethische roman. Een fel verzet drong plotseling in haar naar boven. Want groote God, er bestond toch nog zoo iets als trots en eergevoel... vrouwen waren geen weerlooze stakkerds meer! Als een vrouw wilde, kon ze zich zelf door het leven heenslaan, al waren de omstandigheden nog zoo ellendig. Hoeveel voorbeelden had ze daarvan vroeger gehoord uit moeders practijk, moeder, die altijd weer de trots van die geknauwden en geslagenen wist op te wekken en aan te vuren. Die had geholpen om werk te vinden. En gepreekt, altijd weer, tegen dwaas standsbesef en gemakzucht en valsch afhankelijkheidsgevoel. Lily kon toch werken; een huishouden waarnemen, kinderen verzorgen, ontvangdame worden in een of andere deftige zaak? Met dat mooie, lieve gezichtje, haar distinctie

[p. 115]

en goede naam namen ze haar overal. Alles was toch beter dan hier doelloos in een salonnetje zitten of teruggaan naar die kerel...

‘En dan is er nog iets,’ zei Han en zijn geheven vinger zette kracht bij aan zijn woorden. ‘Morgen sturen we je een chèque en ga je meteen... meteen, hoor je, warme jumpers en mantels koopen voor jullie drieën. Later als de zaken met Charlier geregeld zijn, geef je het ons terug - natuurlijk. Maar zorg alsjeblieft, dat jullie niet ziek wordt.’

Nog aldoor vloeiden Lily's tranen. Het prullige zakdoekje was doorweekt. ‘Och Han,’ zei weer haarzachte, gebroken stem, ‘jullie zijn zoo ongelooflijk lief en goed voor me. Als je wist... o, als je wist hoe verschrikkelijk ik het vind om het aan te moeten nemen en tegelijk... hoe heerlijk het is om te weten, dat ik niet meer zoo vreeselijk alleen sta. Kon ik maar werken... maar ik kan niets... ik ben zoo dom en onhandig. Was ik maar half zoo flink en knap en energiek als jij, Puck. Maar ik zou geen baantje kunnen aannemen, al zag ik kans er een te krijgen; ik zou de kinderen onmogelijk zonder toezicht kunnen laten.’

‘O, daar zou stellig wat op te vinden zijn.’ zei Puck snel. ‘Er zijn hier in Den Haag uitstekende tehuizen voor kinderen en bewaarscholen...’

Vóór ze had uitgesproken, zag ze Lily's gebogen gestalte omhoog gaan, recht worden, star in verzet. Eén oogenblik flitsten de beschreide oogen in de hare, donker in boosheid, fel vijandig. ‘Mijn kinderen kunnen niet aan vreemden worden overgelaten,’ zei ze stellig. ‘Daarvoor zijn ze veel te overgevoelig en te veel aan mij gehecht. Jij... iemand die zelf geen kinderen heeft, kan dat niet begrijpen.’

Puck verbeet haar glimlach, ostentatief schoof ze haar

[p. 116]

handschoen naar boven om nogmaals op het horloge aan haar pols te zien. ‘We moeten noodig weg, Han... het is al bijna kwart voor zes.’ Ze had een gevoel of ze zou stikken wanneer ze nog vijf minuten langer bleef in die kamer met de beslagen ruiten en het weeke zoete parfum van Lily's kleeren en de starre bleeke hortensia op het tafeltje. Han stond op. Hij legde zijn handen op Lily's schouders. Wat was ze klein... een poppetje naast zijn groote gestalte. In zijn oogen glansde warme hartelijkheid. Was hun kleine schermutseling hem ontgaan? Natuurlijk niet, maar het was immers juist dit hulpelooze, machteloos afhankelijke, dat hem zoo ontroerde en de sterkende, troostende innigheid in hem wakker maakte, die zij, zijn vrouw, zich herinnerde uit de dagen van haar ziekte...

‘Voor ik naar Parijs terugga,’ beloofde hij, ‘kom ik nog een keer bij je. Dan bespreken wij alles en gaan samen naar die advocaat. Hoofd omhoog, Lily. We zullen je wel helpen er doorheen te komen. Achter de zwartste wolken schijnt de zon!’

‘Oom Han!’ gilde opeens Eugenietjes helle, hooge stemmetje. ‘Als je weer komt, zul je dan ganzenbord met ons spelen? Kom je dan alléén, oom Han?’

‘O... Eugenietje! Foei!’ Lily bloosde van schrik. Dan keek ze naar Puck met een vergoelijkend lachje. En weer glimlachte Puck terug. Weer lag er een wereld van vijandige vrouwengedachten achter het masker van beider gezicht.

 

Het was al laat, ver over etenstijd, toen ze door de leege schemergrauwe straten, waar een gure wind wolken stof en zand opjoeg, naar de naastbijzijnde tramhalte liepenj zwijgend, met snelle passen langs rijen en rijen kleine benepen nuizen. Door een kier van de gesloten

[p. 117]

gordijnen zag Puck telkens de menschen rond een gedekte tafel zitten, een gezin, ouders met kinderen... Allemaal menschen - dacht ze - die moesten tobben en rekenen om door het leven te komen; ploeteren om de kleeren, de scholen, den tandarts en de privaatlessen van hun kinderen te betalen. Misschien moesten ze zich elk levensgenot ontzeggen om hun kroost behoorlijk groot te brengen, misschien haatten zij elkaar, maar bleven om hun kinderen bijeen.

Waarom denk ik dit? betrapte ze zich. Waarom moet ik tegenwoordig altijd de wrange, trieste kant van het leven zoeken? Waarom kan ik mij nu niet evengoed verbeelden, dat de menschen achter die vensters gelukkig zijn en tevreden met hun bescheiden bestaan, met het normale bestaan van getrouwde menschen? Ze zag, dat Han evenals zijzelf telkens door de kierende gordijnen binnenkeek; maar zij wist dat zijn gedachten totaal anders waren dan de hare, dat hij die menschen in hun kleine benepen huizen benijdde. Triest, vereenzaamd voelde ze, hoe ze op dit oogenblik elk contact met hem rniste. Zijn gedachten zwierven waar hij haar niet toeliet. Bij Lily en haar kinderen, in Lily's sfeer, die sfeer van kleine, besloten Hollandsche huiselijkheid. En plotseling bedacht zij iets en schrok, omdat zij op eenmaal durfde formuleeren wat lang weggeduwd in haar gedachten had gestaan: Zoo'n vrouw als Lily had hij moeten trouwen, zoo'n zacht, afhankelijk wezen, zoo'n lieve teedere ‘wederhelft’, de klimop die zich slingert om de eik... O, groote hemel! wat was ze in een ellendige stemming! Wat haalde ze zich een onzinnige chimères in haar hoofd! Lily was verliefd op Han, dat had ze aan boord al gemerkt en natuurlijk onderging hij de bekoring van een mooie jonge vrouw, die bedroefd hulpeloos en eenzaam was. Waar bleef haar vaste vertrouwen in hun

[p. 118]

sterke kameraadschap... haar besluit om geen kleine jaloersche gedachten toe te laten... om haar liefde hoog te houden?

Als begreep hij iets van haar zoekende, tobbende gedachten, stak hij opeens zijn arm onder de hare, het gaf haar een schok van vreugde, het was of hij terug kwam van een verre tocht. Nu zou ze met een enkel woord, een enkel gebaar haar liefde willen toonen; zij groef haar hand in de zijne en borg ze samen in de diepe zak van zijn regenjas. Het was een oud spelletje uit de jaren van hun schooltijd, wanneer ze na vier uur heimelijk langs de buitenwegen hadden geloopen. Hoe lang was dat al geleden? Zou hij het zich nog herinneren als zij?

‘Zeg Puck, heb je gemerkt dat Lily geen enkel kwaad woord over Charlier gezegd heeft?’

Dus daarover had hij loopen denken. Het wondde haar ergens, in haar diepste wezen, hevig en fel. In een dwang om terug te kwetsen, zei ze luchtig: ‘Misschien houdt ze nog altijd van hem. Wìl ze niet eens van hem scheiden al krijgt ze de mogelijkheid.’ Hij zweeg. Haar woorden hadden hem blijkbaar zeer geërgerd. Zij vond het opeens belachelijk om zoo te loopen, als een paar verloofden, met je twee handen in èèn zak.

‘Ik zie een tram om de hoek komen! Als we hard loopen kunnen we hem halen.’

Hij liet haar arm niet los en hield haar tegen. ‘Die gaat niet naar het station. We hoeven ons niet te haasten. Lily heeft nooit van Charlier gehouden, dat heeft ze me zelf verteld. Ze heeft hem getrouwd, omdat ze thuis zoo'n ellendig leven had.’

En jij geloofde dat... dacht Puck, en weer keek ze naar hem, van terzij en zander dat hij het merkte.

Wat denken we ànders... wat zijn we vèr van elkaar... constateerde ze triest.

prepostterug  begin  verder