De laatste dag van haar verblijf in Holland, een koude morgen waarop buien hagel en sneeuw wisselden met vleugen prille zonneschijn, reisde Puck naar Amsterdam om haar zuster Elly te bezoeken, die ze niet meer had gezien sinds ze vijf jaar geleden uit het ouderlijk huis was gegaan. In de eerste tijd van haar huwelijk had Elly, plichtgetrouw in alles, vaak aan haar zuster in Indië geschreven en zwaarwichtig verslag gedaan van de moeilijkheden met diehstboden, huisbazen en leveranciers waarmee in Holland een jong huishouden met een kleine beurs moest kampen. In de laatste drie jaren echter, na de geboorte, kort na elkaar, van twee babies, waren haar brieven steeds korter en zeldzamer geworden.
Na een tramrit, die eindeloos scheen te duren, kwam Puck door een nieuw haar totaal onbekend stadsdeel in een nog niet voltooide straat, waar heimachines bonsden en een horde van kinderen speelde in een dorado van planken, zand en puin; met moeite vond ze het ‘tweede bovenhuis’, en schoof ze zich op de nauwe trappen langs een fiets en een kinderwagen. Maar uit die donkere koker riep een warme stem haar welkom toe en op het kleine portaal, waar het hevig rook naar overgekookte melk, wachtte haar zuster. Voor een oogenblik voelde Puck verwarring en een pijnlijke
ontsteltenis; bijna onherkenbaar zwaar was Elly's figuur geworden, vermoeid en verouderd stond haar gezichtje. Maar Elly's armen sloegen zich innig om haar hals en in haar zusters uitbundige ontroerde blijdschap vond ze ten laatste het groote heimwee naar Holland vervuld, het eigene, van-kind-aan-vertrouwde waarnaar zij in Indië zoo hevig verlangd en dat ze in het huis der Van Doeverens zoo bitter ontbeerd had.
In de kleine huiskamer van het jonge gezin, waar te groote meubels benauwend dicht op elkander stonden, kraaide een bleek jongetje in een kinderstoel en begon onmiddellijk hevig te schreien toen zijn moeder hem ophief en de vreemde tante hem kuste. Het eerste kleinkind in de familie... Puck's critische oogen constateerden onmiddellijk hoe weinig florissant het ventje er uitzag, allesbehalve een mooie baby als vroeger Elly zelf, die op de vele portretten der kinderen Coornvelt steeds als een voorbeeld van Hollandsche gezondheid had gepronkt. Het tweede, een meisje, dat eerst vier maanden oud was, sliep in haar wiegje op de slaapkamer boven. Puck moest dadelijk mee om het te zien; voorzichtig sloeg Elly het dekentje weg om het kleine slapende bolletje en de eigenwijze toef dik zwart haar met stralende trots te toonen. Dan, terwijl ze koffie zette, de tafel dekte en onderwijl haar zoontje bezighield met een spelletje met blokken, begon ze druk en in een stroom van woorden de ervaringen van haar moederschap te vertellen. Het scheen het eenige, dat zij de moeite waard vond en het eenige waarvoor zij haar zusters belangstelling verwachtte en met een stijgend gevoel van benauwing onderging Puck de sfeer van dit haar ongewone leven, dat toch zoo dichtbij en welbekend scheen.
Dus zóó leefde een jong gezin met een bescheiden
beurs in Holland. Zoo zou ook het hare zijn geworden wanneer zij en Han met een paar kinderen een kleine woning in Wassenaar of Den Haag hadden betrokken. Ze drentelde naar de suite, een klein salonnetje, waar een babybox de weinige vrije ruimte tusschen de meubels vulde en waar op elk der stoelen een stuk kinderspeelgoed, een manteltje of een prentenboek lag. Op het balcon erachter wapperde een rij drogende luiers als pronkende vanen en overal hing die onfrissche lucht van overgekookte melk, van waschgoed en van kleine kinderen. Elly was vroeger zoo zorgzaam en precies geweest. Thuis een voorbeeld voor hen allemaal. Nu droeg ze een verschoten, verslonsde jurk en een paar uitgeloopen schoentjes en haar haar zag eruit of ze in geen maanden bij den kapper was geweest.
Zulk moederschap was een slavenleven; Puck constateerde het met deernis en ergernis terwijl ze aan de simpele koffietafel zat. Driemaal gedurende de korte maaltijd moest Elly naar boven, omdat ze het kleintje hoorde huilen; terwijl ze koffie schonk, boterhammen sneed en haar gastvrouwplichten vervulde, moest ze het kleine jongetje voeren, dat niet eten wilde en telkens de lepel wegsloeg wanneer zijn moeder die met onverstoorbaar geduld naar zijn mondje bracht. Ze vond nauwelijks tijd voor haar eigen bord-met-pap en de twee glazen melk, die ze plichtmatig dronk.
In Indië hadden alle jonge moeders hulp van een baboe, in Indië beschikte een jong gezin, al leefde het op de meest bescheiden voet, over behoorlijk personeel. Puck oogde naar het slonzige, halfwas-dienstmeisje met piekharen en een vuile schort, dat haar boterhammen en haar beker melk kwam halen en goedig grinnikte tegen Steefje; ze dacht hoe verwend zij zelve was door de zwijgende keurige Inlandsche bedienden, die geruisch-
loos en nauwelijks merkbaar hun werk hadden verricht. Dienstboden, zuchtte Elly, waren vrijwel niet meer te krijgen in Amsterdam waar alles naar de fabrieken en de kantoren trok. In een gezin met kleine kinderen, dat geen hoog loon betalen kon, was je al dankbaar wanneer je een dagmeisje kon krijgen, dat elke Zondag vrij moest hebben en 's avonds, of het werk klaar was of niet, om half acht de deur achter zich dichttrok.
‘Dus alle zorgen voor het huishouden èn de babies komen op jou neer? Nacht en dag!’
Elly lachte om haar zusters verontwaardiging. ‘Maar daar bèn ik toch immers voor! Ik zou het niet anders willen. Zelfs al kon ik een juffrouw betalen... dacht je dat ik het aan een vreemde zou over laten? Dat ik het niet veel te heerlijk vind om heelemaal zelf voor ze te zorgen?’
Ze had haar zoontje uit zijn stoel getild en hield hem op haar arm, haar wang gleed spelend langs zijn fijne flossige blonde krulletjes, haar vrije hand streelde langs zijn lijfje, omving zijn bloote voetjes, zij drukte hem tegen zich aan en knuffelde hem, genietend met al haar zinnen van zijn warme beweeglijkheid. En op haar moede gezicht lag een diepe vrede, in haar glimlach een stil verzadigd geluk.
‘Nu moet je me een uurtje excuseeren, Puck. In Toon's boekenkast vind je wel iets dat je kunt lezen. Ik moet de baby voeden en eer Steefje slaapt gaat er wel een uur voorbij. En dan moet ik mezelf nog gauw verkleeden...’
‘Wil je Steefje zoo lang hier laten? Kan ik niet helpen?’ Puck vroeg het plichtmatig; het kleine jongetje had zich erg eenkennig betoond en haar pogingen om zijn vriendschap te winnen, waren vooralsnog volslagen mislukt, wanneer ze alleen met hem bleef zou hij stellig
gaan huilen...Maar Elly lachte al weer. ‘Dat zal ik je niet aandoen, lieve kind. Al was het alleen maar om je beeldige Parijsche jurk. Het “ligt” jou nog niet om met kleine kinderen op te trekken. Als je er maar eerst zelf een hebt... de meeste vrouwen moeten eerst moeder zijn, voor ze ècht van kinderen leeren houden.’
Zou dat waar zijn? dacht Puck, met weer een gevoel van wrevei en onrust, dat ze niet verklaren maar evenmin overwinnen kon. Ze stond voor het raam en staarde in de halfvoltooide straat met de geraamten van eindelooze gelijke huizenrijen; tusschen puin, zand en steenhoopen krioelden de kinderen. De ontelbare kinderen van zoo'n nieuwe goedkoope buurt, waar de jonge menschen met de bescheiden beurzen woonden, waar al die jonge moeders sloofden als Elly - erger nog, want vele zouden wel geen hulp kunnen betalen. Zou werkelijk iedere vrouw van kinderen leeren houden zoodra ze ze zelf bezat? Zouden ze allemaal die eindelooze zorgen en plichten dankbaar en blijmoedig vervullen? Of was ook dat... een fictie waaraan men niet durfde tornen, een overgeërfde meening uit de oude tijd, toen kinderenkrijgen de eenige bestemming van de vrouwen was en er geen ander werk en geen andere levensmogelijkheid voor haar bestond?
Maar tegenwoordig ìs het niet meer het eenige! dacht ze opeens in fel verzet. Het is niet wáár, dat werk voor een vrouw een surrogaat is en moederschap de eenige vervulling. Als ik zóó voor kinderen sloven moest als Elly... als ik al het andere op moest geven, als ik niets van geestelijk leven voor mezelf kon houden... Neen, dat zou ik niet kunnen... daarvoor deug ik niet... dan zou ik diep ongelukkig zijn.
Wat was Elly oud en onaantrekkelijk geworden. Hoe kreeg ze ooit dat zware figuur weer normaal en slant?
Zel zei dat ze in geen jaar een heele nacht behoorlijk had geslapen... Als zoo je leven werd, wat bleef er dan van dat, waarom je toch saraen trouwde, de innigheid, de kameraadschap, de liefde-in-het-huwelijk, die zoo broos en zoo moeilijk was? Zóó wil ik niet worden, dacht Puck met een heftige weerzin; als ik kinderen zal hebben, wil ik vrij blijven, ik zou een goede getrainde hulp nemen. Ze glimlachte om haar stellig, plotseling besluit, dat voor het oogenblik rust en vrede scheen te geven en ze begon het dienstmeisje te helpen, dat met veel onnoodig geraas en gerinkel bezig was de tafel af te ruimen. Boven dreunden voetstappen door het dunne plafond, dan kindergehuil en een stem, die het suste.
Ik zal wel zorgen, dat ik niet ònderga in banaal huishoudwerk... dat ik op peil blijf. Want Han, al verbeeldt hij zich, dat hij dol van kinderen houdt, al speelt hij allerliefst met de kinderen van anderen... Han zou zich stellig niet kunnen schikken wanneer hij onze kameraadschap moest missen.
Het kindergeschrei hield op, Elly's stem zong een liedje. Overbekend uit Puck's eigen kindertijd, toen juf, de oude trouwe, die hen allen gebakerd had, het gezongen had voor Kitty in de wieg en later voor Pim. Puck zag in herinnering hun groote gezellige kinderkamer, waar de wieg in een der donkere hoeken stond, ze zag zichzelf zitten aan de ronde tafel onder het gas, dat altijd suisde, op een hooge stoel met een rechte lange leuning. En juf zat te naaien en Ted, die nooit wou zitten, lag plat op zijn buik op de grond en leerde zijn lessen. Ted, met wien ze zulke ongelooflijk prachtige, fantastische spellen had kunnen spelen en met wien ze zoo geweldig gekibbeld had. Eenmaal... over de appel en Eva. Hoe was ze
er toch toe gekomen om dat malle voorval in kleuren en geuren aan haar vriend den dokter te beschrijven? Ach ja... nadat ze hem verteld had, hoe verschrikkelijk ze verlangde om weer te kunnen werken, voelend, hoeveel ze zou kunnen bereiken, hoeveel mogelijkheden het leven voor haar bereid hield. En toen had hij gezegd, die oude Peter Vegeer met zijn slordige jasje en zijn pluizige baardje: ‘Ik hoop, dat ik nog eens een brief van je krijg... over een jaar... over twee of drie, om te hooren wat je ermee gedaan hebt, met dat groote stuk appel, dat jij voor je zelf hebt gereserveerd...’
‘Zie zoo, Puck, nu hebben we een rustig uurtje.’ Elly, in een behoorlijke japon zonder vlekken, met glad geborstelde haren en - ja werkelijk - een paar nieuwe goedzittende schoentjes, liep vlug de kamer door om al de kinderrommel op te ruimen, op het balcon trok ze de luiers van het gespannen touw. ‘Kom nu gezellig hier zitten en vertel me wat meer van jullie plannen. Voor Han wel interessant, maar voor jou, zoo'n Parijsch appartement... als er baby's komen likt het me vreeselijk bezwaarlijk!’
Een drift, die ze zelf als onredelijk erkende, joeg door Puck's gedachten. Groote hemel, hoe was het mogelijk, dat een inttelligente jonge vrouw, die met een intelligenten man getrouwd was, zoo volkomen vast roestte in haar eigen kleine gedachtenkringetje!; Voor Elly hield een vrouwenleven blijkbaar geen andere mogelijkheid in, dan kinderen-krijgen. Ze had een breiwerk, een rose babybroekje ter hand genomen en reeds lieten haar rappe vingers de pennen klapperen. Dan hield ze het triomfantelijk omhoog en lachte er verteederd tegen: ‘Is het niet schattig? Zijn kinderen geen zaligheid! Och Puck, ik vind het zoo vreeselijk voor jou, dat je er nog
geen hebt! Maar je zult stellig wel gauw... je bent nu weer zoo gezond en flink!’
‘O, ik heb niets geen haast, ik ben best tevreden met mijn leven.’ Puck's stem viel luchtig en onverschillig over de pathetische woorden heen en tegelijk dacht ze schamper: ‘Nu denkt ze, dat ik dat zeg om me groot te houden.’ Met een trieste wrevel zag ze Elly's moede gezichtje weer wijs en voldaan glimlachen, zag ze het rose broekje in haar vlug bewegende vrouwenhanden, hoorde ze weer haar gelijkmatige stem over het eeuwig, onuitputtelijk onderwerp...
Pas tegen etenstijd kwam Toon thuis uit zijn kliniek; Puck was blij toen ze zijn stappen op de trap hoorde. Met Elly viel er weinig meer te bepraten en onder theetijd had ze zich met genot en belangstelling verdiept in Zweig's ‘Heilung durch den Geist’ dat ze in Toon's boekenkast had gevonden. Toen haar zwager vóór haar stond herkende ze ook hem nauwelijks, zoo deftig en geposeerd was hij geworden, zoo totaal anders, dan de wat slordige ongegeneerde jongen met de oproerige, erg moderne ideeën, die de verloofde van haar zuster was geweest. Hij had scherpe lijnen langs zijn neus gekregen en geleerde vouwen in zijn voorhoofd; hij toonde een sterke neiging tot corpulentie en zelfs zijn stem bleek veranderd, had de bedachtzame autoriteit van iemand, die gewend is, dat men naar zijn woorden luistert. Haar spot, altijd paraat, zag hem al als den typischen Hollandschen dokter, die hij over een paar jaar zou zijn, wonend in een groot deftig huis en minzaamgewichtig praktizeerend over deftige oude dames.
In het kleine, volle, roezige bovenhuis paste hij merkwaardig slecht; ze hoorde hem binnensmonds vloeken toen hij struikelde over een stuk speelgoed, ze hoorde
hem kortaf en ongeduldig antwoorden toen Elly hem naar zijn plannen voor de avond vroeg. De joviale luidruchtigheid waarmee hij tot zijn zoontje praatte terwijl hij het uit de box tilde en haastig weer neerzette, scheen haar evenmin echt en natuurlijk als zijn wat schampere vroolijkheid bij de maaltijd. Teederheid en zorgzaamheid voor zijn vrouw toonde deze echtgenoot weinig meer; van verliefdheid, van verlangen naar elkaar bleek in dit jonge huwelijk niet veel meer over. En Puck vond er een vage voldoening in, toen Toon, half als een grap maar tegelijk met een nerveuze ergernis, iets zei over Elly's weinig flatteerend kapsel, over het vuile schort van het dienstmeisje, over de kaassoufflé, die aan het vuurvast schoteltje zat vastgekorst. Elly echter, vroeger thuis het kruidje-roer-me-niet, bleek volkomen onkwetsbaar voor aanmerkingen of schamperheid en liet zijn woorden met een wijze glimlach langs zich heen gaan. Zij nam deel aan het gesprek doch haar aandacht bleef volkomen bij het kindje in de tafelstoel, ze luisterde schijnbaar naar Toon wanneer hij iets vertelde, maar het was te zien, dat zij voortdurend oplette of ze het kleintje boven misschien hoorde schreien. Haar oogen schenen niet het onrustige harde licht in de zijne te zien, haar ooren niet de wrangheid van zijn toon te hooren, het leek of ze in haar zorgende, verdiepte moederschap volkomen onverschillig voor den echtgenoot was geworden. En terwijl Toon nog bezig was met zijn sinaasappel en juist een verhaal begon over een merkwaardig geval, dat hem die dag in zijn kliniek was wedervaren, stond ze op, beval het jongetje met een paar korte woorden aan zijn zorg en haastte zich naar boven.
Puck begaf zich op haar zwagers verzoek naar het salonnetje. Ze zaten er onwennig tegenover elkaar met de box als neutraal gebied tusschen hun gestrekte beenen. Hij
presenteerde haar een cigaret, beet zelf het puntje van een sigaar en vertelde, zich verkneukelend als een schooljongen, die iets kwaads in zijn schild voert, dat Elly altijd mopperde wanneer hij in de nabijheid van de kinderen rookte. Dan nam hij zijn zoontje, dat slaperig was en drensde, op zijn schoot en terwijl hij het liet spelen met zijn horloge, vroeg hij Puck om hem van haar ervaringen in Indië te vertellen. Zij had altijd goed met hem kunnen praten; zij waren het, naar ze zich allebei wel herinnerden, menigmaal met elkander eens geweest, wanneer de andere huisgenooten hun allermodernste begrippen niet deelden. In plaats van den geposeerden, gewichtigdoenden dokter zag ze opeens weer haar ouden bondgenoot; binnen een paar minuten zaten zij diep in een gesprek over de meest verscheiden dingen. Hij vroeg en zij vertelde, aan zijn sterke belangstelling ontvonkte haar lust om hem te boeien en zij herinnerde zich ontroerd die vele gesprekken vroeger thuis, de vrijmoedige, soms zoo felle, maar altijd belangrijke wisseling van inzicht, die zij later in Indië zoo sterk ontbeerd had. Tusschen haar woorden dóór dacht ze: ‘Wat hebben wij daar allebei behoefte aan... hoe zal hij dat hier missen...;’ en plotseling schoot het haar te binnen hoe hij indertijd, als student en als Elly's verloofde had beslist, dat zijn vrouw hem zou helpen als assistent in zijn kliniek en hoe heftig Elly zich toen daartegen gekant had. Elly had blijkbaar gewonnen. Ce que femme veut...
Ze kon de lust niet weerstaan hem het feit te herinneren. Hij bloosde, nam zijn bril af en begon de glazen schoon te wrijven om zich een houding te geven; zijn zoontje graaide ernaar en hij zette het dikke schildpadden montuur op de kleine stompe kinderneus.
‘Als dokter word je conservatief, Puck. Al ben je in je studententijd nog zoo modern in je opvattingen ge-
weest als je in de praktijk komt en je krijgt het leven met al z'n cbmplicaties onder je neus geduwd, word je wonderlijk bang voor experimenten. Wat is er in die vijf jaar niet langs me heen gegaan aan menschelijke ellende, aan kapotte verkrachte huwelijken, aan hulpelooze wrakken van vrouwen -’
Puck trok haar wenkbrauwen op: ‘Ik geloof je graag, onze moderne opstandigheid probeert juist daarin te verbeteren.’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Zeg maar gerust: probeerde, gebruik maar de verleden tijd. Ik ben overtuigd, dat dat allemaal al weer aan het voorbijgaan is. Na die opstandige generatie, die alles omvergooide, die al het ouderwetsche idealisme stuk redeneerde en alleen maar recht-op-geluk en recht-op-persoonlijkheid wou erkennen, komt er een jong geslacht, dat weer plichten erkent. De kinderen uit al die ontelbare mislukte huwelijken, van al die gescheiden ouders, zijn volwassen menschen geworden... en iedere jonge generatie weet één ding heel zeker, dat ze de fouten van de vorige niet maken zal!’
‘Dat ben ik met je eens. En dat besef zit heel sterk in Elly. Ze was altijd reactionnair... de eenige van ons. Ik heb ook het tekort van vader en moeders huwelijk gezien. Ik heb ook bij mezelf gezegd: hun fout zal ik niet maken... maar daarom trek ik nog niet de conclusie, dat voor een vrouw het eenige geluk in kinderen-krijgen en grootbrengen zit.’
‘Geluk is een groot en gevaarlijk woord Puck.’ Weer lachten Toon's oogen verlegen achter de groote brilleglazen, onder de gewichtig gefronste brauwen. ‘Laten we voorzichtig zijn en het evenwicht noemen. Dat evenwicht - mijn dokterspraktijk leert het me dagelijks weer - vindt een èchte vrouw en dat zijn er toch zeker
negentig procent, alléén in het zorgen voor een gezin... in het zorgen en zich-opofferen voor een man en kinderen. Noem het een instinct-iets elementairs-ontdoe het wat mij betreft van alle sentimenteele verheerlijking,- maar erken, dat het zoo is. Want er is niets zoo gevaarlijk en dom - dat hebben we wel uit de moderne psychologie geleerd - dan om een instinct te verkrachten. En dat is wat ònze generatie bezig was te doen.’
‘Toen ik hier vanmiddag alleen zat,’ zei Puck, ‘en Elly boven twee huilende kinderen in slaap zong, heb ik bij mezelf uitgemaakt dat de verrukking voor het moederschap in veel gevallen een geleende romantiek is, die de eene napraat van de andere. Er is voor een vrouw een groote dosis eerlijkheid noodig om te durven zeggen, dat je níét dol op kinderen bent, dat je kinderenkrijgen níét als de grootste heerlijkheid van je leven beschouwt... En eerlijkheid is nu eenmaal niet onze sterkste kant.’
‘Present company excepted.’
‘Natuurlijk! Ik liet het aan jou om het te constateeren. De mijne heeft me al aardig wat vijanden en vijandinnen bezorgd. Maar ik verzeker je, Toon, dat het voor mij ondenkbaar zou zijn om mijn heele leven ondergeschikt te maken aan mijn kinderen, als Elly doet. Om geen tijd voor mezelf te houden, geen tijd om geestelijk “op peil” te blijven. En geen tijd, dat weegt me misschien het zwaarste, om de goede kameraad van mijn man te zijn, zooals ik het tot nu toe geweest ben.’
Misschien had ze dit laatste niet moeten zeggen. Ze dacht het verschrikt, toen ze hem ernstig, bijna pijnlijk zag fronsen. Dàt gemis moest híj op het oogenblik sterk voelen...
Maar hij zei alleen, droog en zakelijk: ‘Het is jammer, dat we niet meer tijd hebben om over het onderwerp
door te boomen. Er zitten kanten aan, die jij met al je levenswijsheid blijkbaar nog niet onder de oogen hebt gezien.’ Hij reikte naar het tafeltje om nog een cigaret voor haar te krijgen en terwijl hij een lucifer voor haar afstreek, ging in het kleine vertrekje naastaan, dat hem voor studeervertrek diende, de telefoon.
‘Jammer, dat zal wel het sein zijn voor mijn aftocht. Het gebeurt me niet dikwijls dat ik hier in huis zoo'n boeiende polemiek voer.’ Ze verwachtte, dat hij erbij zou voegen: ‘en dat mis ik,’ doch hij knikte haar alleen maar broederlijk toe, zette zijn zoontje op het matrasje in de box en ging haastig uit de kamer. Door de dunne wand hoorde ze hem een oogenblik later spreken, opeens had zijn stem weer het deftig overwicht, de toon van den dokter. Och lieve hemel, werd je allemaal zoo gauw oud en geposeerd? Kitty had het Háár gevonden... Van anderen merkte je het, van jezelf merkte je het niet...
Het kleine jongetje zat heel stil en volkomen beduusd van de snelle verandering, die zich over zijn bestaan voltrokken had. De wollen hond, die zijn vader hem in de handjes had geduwd, had hij naast zich laten vallen, zijn groote blauw-grijze oogen keken onafgebroken naar de deur waarachter zijn troost en toeverlaat verdwenen was en opeens begon zijn dikke, roode onderlipje onheilspellend te trillen.
O groote hemel, nu gaat hij huilen! dacht zijn tante ontsteld en zeer geërgerd. Zou hij stil zijn als ze hem op schoot nam? Hoe moest ze hem uit die box tillen? Onder zijn armpjes... zou hij zindelijk zijn? Ze kon heusch niet riskeeren, dat hij haar japon...
Ze stond op en boog zich over het kind, dat tot haar verraste verbazing dadelijk de armpjes naar haar uitstrekte. In de nood van het oogenblik vergat hij blijkbaar zijn verlegenheid en aanvaardde haar als lid van de
familie. Zij moest erom lachen en hij lachte terug, zijn bedroefd gezichtje klaarde even snel op als het verdonkerd was; groefjes en kuiltjes kwamen in zijn wangen terwijl hij zijn daareven zoo diepbedroefde oogen tot spleetjes dichtkneep. Haars ondanks betrapte ze zich op een gevoel van trots. Hij zat op haar schoot en keek naar haar op. Na al zijn onwillige eenkennigheid werd hij opeens vertrouwelijk en tevreden. Hij zakte met zijn alslaperig lijfje tegen haar aan en stak met een diepe zucht van voldoening zijn duim in zijn mond.
Zij hield hem in haar arm. Haar hand, zonder dat zij dacht aan hetgeen zij deed, streelde langs zijn lijfje, langs het strakke koele vleesch van zijn bloote armpjes. Ze omsloot zijn voetjes met haar vingers en de warmte van zijn stil ademend lijfje drong door haar kleeren. In de kamer was geen ander geluid dan de kleine geruchtjes van zijn heftig, haastig zuigend mondje. En plotseling, plotseling sprong het in haar op... een ongekend gevoel, dat zij nog nimmer had ondergaan. Een diepe, hevige verrukking om de warme innige nabijheid van dit kleine wezen, een verlangen om het dichter en vaster nog aan zich te drukken, het met haar armen te omvatten tot het als een deel van haar zelf zou zijn. Voor eenmaal stond het andere, spiedende, keurende zelf niet naast haar; ze gaf zich over aan een machtig verlangen, dat zij nooit gekend, aan de erkenning van een gemis, dat zij nooit gerealiseerd had. Zóó zou mijn eigen kind zijn geweest... zoo voelt het om een kind op je schoot te hebben. Het zou mijn zorgen eischen en lastig zijn... maar o... het zou er zijn; als ik vanavond thuis kwam, zou het in zijn bedje liggen en slapen. Mijn armen zouden het kunnen omvangen wanneer ik wou... mijn handen zouden het kunnen streelen zooveel ik wilde. Het zou er zijn...
het zou bestaan... het zou van Han en mij samen zijn!
In diepe, hevige verwarring voelde ze tranen uit haar oogen vallen, het was een geweldige, alles ontwortelende ontroering, die haar plotseling besprongen had en die ze geen baas kon. Uit welke verborgeh, ondoorvorschte hoek van haar hart? Toch niet omdat ze zich de heele dag aan Elly's overdreven moederschap geërgerd had, toch niet omdat Toon met zijn dokterswijsheid...?
Ze hoorde nog aldoor Toon's autoritaire stem, die in de telefoon sprak. Zoo dadelijk zou hij zijn gesprek beëindigen en binnenkomen, hij zou haar ontroerd gezicht zien en zijn conclusies trekken en veelzeggend lachen. Een wilde angst dreef haar op van haar stoel. Op het portaal droogde ze haastig haar tranen, bekeek ze zich in het spiegeltje boven de kapstok en zag zich, donker, tegen een scherp verlichte achtergrond met het kind in haar armen. Onwennig droeg ze het kind, als een vrouw, die geen moeder is...
‘Dat beeld zal nooit meer uit mijn gedachten gaan,’ wist ze met een kwellende zekerheid;
‘Ik wou hem juist komen halen.’ Elly nam haar zoontje van Puck over en dadelijk, fronsend, onderzocht ze of hij zich; behoorlijk had gedragen. ‘Gelukkig,’ zuchtte ze dankbaar, ‘ik was al doodsbang voor die mooie jurk van jou!’
De kleine slaapkamer was vol als een uitdragerswinkel. Het dubbele bed lag vol kleertjes van de baby, op Elly's toilettafel stond de weegschaal. Het rook onfrisch... het; was er warm en benauwd. Puck constateerde het alles weer scherp en vol onwil, of dat vreemde verbijsterende oogenblik er niet was geweest.
‘Ik kom afscheid nemen, zus, er gaat een trein om kwart voor negen.’
Elly bromde: ‘Waarom zoo vroeg?’ Nu kwamen voor haar de eenige twee rustige uurtjes van de dag. Over een half uur sliepen de kinderen. Toon ging nog naar de kliniek, als meestal 's avonds.
‘Dan ga jij maar eens extra vroeg naar bed,’ beval Puck moederlijk. ‘Het is goed aan je te zien, hoe je dat noodig hebt.’
‘Ik zie er miserabel uit... en of ik veertigben,’ zuchtte Elly. ‘Ik weet het wel. Toon zegt het ook. Hij is niet altijd zoo prikkelbaar, hoor... maar hij heeft het de laatste weken verschrikkelijk druk en wij slapen slecht. Steefje huilt bijna elke nacht... hij krijgt kiesjes.’
Wat bleef er van dat andere? Van de vervoering, het verlangen naar elkaar, waarmee twee die elkaar liefhadden een huwelijk begonnen? Puck zag het kindje, dat Elly voor zich op de babytafel had gezet weer critisch als die morgen bij haar komst. Een bleek, weinig voordeelig ventje. Ze voelde er geen verteedering voor. Wat ze daareven had ondergaan, scheen thans de beleving uit een droom of een wonderlijke hallucinatie.
Ze ademde diep op, als bevrijd, toen ze naast Toon, die haar naar de halte zou brengen, door de leege onvoltooide straat liep. Hij praatte druk over zijn werk, geanimeerd en overtuigd van haar willige aandacht; zoo kon ook Han vertellen van dingen, die zij niet begreep of die haar nauwelijks interesseerden. Want voor een man was zijn werk de vervulling van zijn leven...
Han wachtte haar op het station in Leiden. Zij liepen arm in arm en met elastische gelijke passen door de al uitgestorven straten van de kleine stad. Voor de laatste maal. Morgen gingen zij naar Parijs terug.
‘Lily laat je hartelijk groeten.’
Lily? Was hij daar geweest? Och natuurlijk... Een paar dagen geleden had hij terloops gezegd, dat hij zich
met een Haagschen advocaat in verbinding wilde stellen en dien samen met Lily zou bezoeken. Hoe vreemd, dacht ze, dat ik het vergeten koh - er daarginds bij Elly geen oogenblik aan heb gedacht.
Ze hoorde vaag naar wat hij vertelde: Mr. Laatsman was weinig bemoedigend geweest en Lily zeer nerveus.
‘Toen we weer thuis kwamen,’ zei hij, ‘hebben we met de kinderen ganzenbord gespeeld. Dat had ik ze immers de vorige keer beloofd. Ganzenbord met pepernoten.’
En nu zag haar verbeelding dat opeens tot in alle fijnste details... die vier hoofden om de tafel, achter de gesloten gordijnen, hij met een arm om elk der twee gebogen kinderruggen. Het gaf een vlijmende pijn. Was het domme jaloezie? Ze wist het niet... ze vond geen weg meer in haar eigen gevoelens.
‘Waar denk je aan, Puck? Je bent zoo stil en verstrooid.’
Was er eenmaal een tijd geweest, dat ze iets zoo verwikkelds, voor haarzelf zoo onbegrijpelijks, aan hem kon vertellen? En dat hij het zou hebben begrepen? Nu voelde ze als op die middag toen ze van Lily kwamen en door de stilte straten van Duinoord liepen, dat er geen contact tusschen hen was, dat hun zielen op verschillende wegen gingen.
In het huis op de Oude Rijn brandde schemerig het ganglicht. Het rook er naar kalk en vocht. Ze zei: ‘Ik ben verzoend met Parijs. Ik heb geen spijt meer, dat we niet in Holland zullen wonen.’