terug  begin  verderprepost
[p. 136]

Tiende hoofdstuk

In het kleine appartement der Van Doeveren's ratelde de telefoonschel lang en doordringend. Heftig schrikte Elisabeth op, haar boek gleed van haar knieën en viel met een doffe slag op de grond. Ze had blijkbaar weer geslapen, begreep ze geërgerd, het gerel van de telefoon had grillig door haar droomen gespookt. Toen ze opstond van de ongemakkelijke sofa om naar de hall te gaan, voelden haar rug en schouders stijf en het prikte als met duizend spelden in haar linker arm. Op dit stille, zware middaguur bleek het vrijwel onmogelijk om wakker te blijven, er ging geen geluid door het huis en nauwelijks klonk gerucht van de stille nauwe straat met de hooge donkergrijze gevels.

In het toestel hoorde ze Kitty's stem. ‘Ben jij het, Puck? Wat laat je me verschrikkelijk lang bellen, zeg! En dat, terwijl ik zulk goed nieuws voor je heb. Ik weet een baantje voor je!’

‘Jij? Een baantje voor mij? Bij een bank?’

‘Nee, niet bij een bank. Door de telefoon kan ik het niet allemaal vertellen.’

‘Zeg dan maar, waar ik je vanavond treffen kan.’

‘Ik wou dat je hier kwam, bij Panatelli om half zes. Achter-ingang, Rue de Vignet. Zeg maar aan den portier, dat je mij dringend spreken moet. Hij maakt altijd bezwaar om vreemden toe te laten.’

[p. 137]

‘Maar om half zes ben jij toch nog niet klaar met je werk?’

‘Ik zal een half uur voor je vrij maken. Kan ik er op rekenen, dat je komt? Au revoir, dan...’

Wat kon dat zijn, overpeinsde Puck verwonderd, terwijl ze terugdrentelde naar de zitkamer en zich weer tusschen de kussens van de kleine smalle sofa liet zakken. Kitty, die haar een baantje kon bezorgen? Waar? Door wiens tusschenkomst? Ze kende geen enkele van Kitty's Parijsche vrienden. Haar zuster was zeer gesloten, waar het haar particuliere aangelegenheden gold, bijna nooit vertelde ze iets van haar leven. Puck wist, dat ze 's avonds veel uitging. ‘Mademoiselle est sortie, elle ne rentrera pas avant minuit,’ zei onveranderlijk een stem door de telefoon wanneer ze het pension in Passy opbelde, waar Kitty woonde. Probeerde ze te vragen, dan zei Kitty kortaf, dat ze 's avonds lessen had, ze beweerde haar dansstudie weer te hebben opgevat.

Puck had in de eerste maanden van haar verblijf in Parijs veel vergeefsche moeite voor een betrekking gedaan. Een prachtige aanbeveling van Retemeijer, een vleiende brief van het gezantschap maakten, dat in tal van groote banken de directie haar hoffelijk ontving, dat men haar naam op een lijst schreef en beloofde bij de eerstvolgende vacature aan haar te zullen denken. De Fransch-beleefde manier om van je af te komen en je meteen te vergeten. Daarna, gedurende de heete zomermaanden was ze uit de stad weggegaan om drie maanden te wonen in een klein hotel bij Argenteuil, dicht bij Lagrange's fabrieken. Rustig was het er geweest en gezond... maar groote god, hoe ontzettend vervelend! Han had er graag willen blijven, najaar en winter door... hìj verveelde zich niet; hij werkte van de morgen tot de avond.

[p. 138]

Een baantje. Werk! Puck sprong op en rekte haar armen, er begon iets te tintelen door haar loome, slaperige lichaam. Ze keek rond in de karakterlooze ‘salon’, die haar altijd vreemd, onwennig en oneigen bleef, waaraan ze vergeefs getracht had gezelligheid en een eigen cachet te geven met haar sarongs, kussens en prenten. Met veel moeite hadden ze dit gemeubeld appartement gevonden in een der zijstraten van de Rue Blanche, vlakbij het station St. Lazare, vanwaar de voorstadstreinen naar Argenteuil vertrokken. Het eenige, voor de prijs die zij konden besteden, dat zindelijk scheen en niet al te veel uitgewoond. Maar er heerschte steeds een schemerdonker, zelfs op deze zonnige begin-Octoberdag. En in de lange, leege namiddagen, wanneer de femme de ménage was weggegaan, vond ze het er drukkend en benauwend stil.

Werk! Bezigheid... o, goddank! Ze was bereid om alles te aanvaarden, desnoods gewoon typistenwerk, op iets beters durfde ze nauwelijks meer hopen. Ze bestudeerde de laatste weken haar half vergeten Spaansche en Zweedsche handelscorrespondentie, maar het scheen zoo doelloos, nu er toch geen uitzicht bestond, dat ze het hier in Parijs zou kunnen benutten. En ze had haar teekenwerk weer opgevat, croquis van Parijsche typen gemaakt, doch ze vond het zelf zoo slecht en dillettantisch, vergeleken bij het vlotte zwierige werk van Fransche teekenaars. Een cursus volgen bij de Beaux Arts? Bij de Arts Décoratifs? Modelteekenen op een der bekende ateliers in Montparnasse? Han drong er op aan... maar zoo'n cursus kostte geld en stellig niet weinig, bovendien zou ze bijna alle materiaal opnieuw moeten aanschaffen. En dat teekenwerk beschouwde ze immers toch niet als haar eigenlijke arbeid.

Ze moesten uiterst zuinig zijn om rond te komen,

[p. 139]

wanneer ze het kleine kapitaaltje intact wilden laten, dat Han in Indië had overgespaard. Natuurlijk, het geld, dat hij aan Lily had gezonden was daar al afgegaan. Hij had er een effect voor verkocht, Puck vond het bedrag op het credit van zijn kasboek genoteerd en aan de debetzijde twee honderd gulden voor den Haagschen advocaat en twee honderd voor Lily zelve. Hij had er niet meer met haar over gesproken... waarom ook eigenlijk, het was immers een uitgemaakte zaak, een noodzakelijkheid, dat zij Lily zouden helpen. Zoo nu en dan kwamen er brieven van Lily, roze couverten aan Han's adres met een keurig schoolmeisjeshandschrift en een klein gestempeld wapen waarom Puck heimelijk moest lachen. Maar dat liet ze Han niet merken. En hij liet haar Lily's brieven niet lezen. Hij vertelde de inhoud, hij bracht haar Lily's groeten over. Soms zag ze, dat hij een antwoord schreef en brachten ze, op hun avondwandeling, de brief samen op de bus. Menigmaal hielden Puck's gedachten zich met die brieven bezig; met Han's gevoelens voor Lily en met Lily's zoo duidelijk merkbare liefde voor Han. En dikwijls tobde ze erover... Och, trachtte ze dan vergeefs haar onrustige, argwanende gedachten te overwinnen, dat kwam alleen omdat ze geen werk had, dat haar aandacht in beslag nam, omdat er zooveel ellendige leege, werkelooze uren in elke dag waren.

Wat voor een baantje zou het zijn? Kitty deed zoo geheimzinnig.; Misschien was het niet veel bijzonders, boden ze haar niet meer dan duizend francs per maand. Maar dat zou immers al voldoende zijn om zoo nu en dan een pleziertje te hebben, een comedie of een diner in een aardig restaurant. Lieve hemel, je woonde nu eenmaal in Parijs, je kon niet alle avonden thuis zitten. En ze zou Han niet om elke honderd of tweehonderd

[p. 140]

francs hoeven te vragen, die ze voor haar kleeren noodig had.

Het kleine albasten penduletje op de schoorsteen van namaak-marmer liep niet. Geen klok liep in deze kamers, geen kastdeur sloot behoorlijk, alle tafels wiebelden, alle stoelen hadden minstens één wrakke poot. Als ze eens zooveel ging verdienen, dat ze dit miserabele appartement konden ruilen voor een ander!

Haar reisklokje in de slaapkamer wees kwart voor drie. Nog twee volle uren voor ze van huis hoefde gaan, met de Metro was ze in een half uur bij Panatelli. De tijd lag voor haar als een grauw meer van verveling. Hoe kwamen andere vrouwen haar middagen door? De ijverige plichtsgetrouwe huisvrouwen, die beweerden, dat ze het altijd druk hadden? Eens kwam er toch een eind aan het kopjes wasschen en stof afnemen?

Ze besloot te voet te gaan; met een omweg langs de groote magazijnen in de Rue de la Paix, de winkels waren prachtig bij de ‘ouverture de saison’, al was het een poover genoegen om ze te bekijken met een leege beurs. Ze kon even theedrinken bij Rumpelmayer en zich amuseeren met de wonderlijke types, die daar kwamen. Menigmaal had ze er in een hoekje zitten teekenen, altijd weer boeide haar die kermis der ijdelheid. Merkwaardig, die dolle opgeschroefde luxe van Parijs; al spotte je ermee, al zàg je er het onzinnige van, op de duur kreeg het je toch te pakken. Onderging je er onwillekeurig de invloed van, zoodat je mode en kleeren hoe langer hoe gewichtiger ging vinden. En jezelf een paria wanneer je er niet aan mee kon doen. Och... ook dat kwam alleen omdat ze niets beters had om aan te denken. Wat had ze zich vroeger ooit om kleeren bekommerd? Wanneer ze met Retemeijer voor zaken in Parijs kwam, werkte ze overdag als een neger

[p. 141]

en 's avonds ging ze naar een mooie comedie of met vrienden naar een vroolijk cabaret. Thans kon ze haar energie en haar werkkracht niet gebruiken. Ze deed boodschappen bij de leveranciers in ide buurt, ze controleerde de femme de ménage, die elke dag drie uur kwam werken, ze stopte haar kousen en Han's sokken. Hoe was het mogelijk, dat vrouwen hun heele leven met huishoudwerk vulden en daar voldoening in vonden, bevrediging?

Pas om half acht, acht uur kwam Han thuis, dan aten ze in een klein restaurant in de buurt, voor haar was dat het eenige prettige uur van den dag, waarin ze wat anders zag dan de letters van haar boek of de grauwe gevels van de overzij en een ander geluid hoorde dan de sentimenteele sopraan van Celestine of de melankolieke roep van een venter in de straat.

Voor de spiegel in de slaapkamer zette Puck haar nieuwe vilten hoedje op, voorloopig haar eenige concessie aan het herfstseizoen. Over een wintermantel was ze nog maar niet met Han begonnen. Ze bekeek zichzelf lang, scherp en zeer critisch... welke indruk zou haar verschijning op een Franschman maken, die zóó lette op uiterlijk? Ze was trotsch op haar slanke, welgebouwde lichaam, op haar lange, goedgevormde beenen, maar soms kon ze een verschrikkelijke hekel hebben aan haar gezicht. Dan vond ze haar neus te groot, haar kin te vierkant, de mond te sterk gebogen. En toch... dat gezicht trok de aandacht, altijd, waar ze ook kwam, de brutale, sterk geïnteresseerde, bewonderende aandacht van de mannen, de vijandige, critische van de vrouwen. Lieve hemel - wie weet bij wat voor deftigen directeur ze zich zou moeten presenteeren, dan kon ze toch niet in dat afgedragen tailleurtje gaan!

Wanneer Han die vierhonderd gulden aan Lily niet...

[p. 142]

Och... basta! mompelde ze met een booze grimas tegen haar spiegelbeeld. ‘Ik word nog net zoo'n kleerenmaniak als al die Fransche vrouwen.’

 

Puck had Let voorname en statige huis Panatelli niet weergezien sinds de middag, vijf maanden geleden, toen ze er met haar moeder een ‘présentation’ had bijgewoond. Als toen wachtten in de cour twee rijen groote, pronkende automobielen, licht brandde achter de hooge renaissance vensters van de eerste étage. Ze liep de voorzij langs en vond niet zonder moeite de Rue de Vignet, een smalle straat van muren zonder vensters, met slechts enkele deuren, die tot tuinen of garages toegang gaven.

Drie kleine coquette bestelwagens, knalrood gelakt, die op hun flanken de naam Panatelli droegen, wezen haar de weg. Een portier zonder oorlogsmedailles stond bij een kleine, lage deur en gebaarde niet twee stevige armen driftig tegen een kleinen groom, die een reus-achtige hoedendoos droeg, hij onderbrak zijn stortvloed van Fransch-vlugge argumenten om haar te woord te staan.

De achterzij van het huis Panatelli bleek geen marmeren vestibule te bezitten, noch rood pluche loopers, noch gobelins of gebeeldhouwde deuren. Een kale steenen wenteltrap voerde naar boven, op de kleine ijzeren liftkooi hing een bordje met ‘Arrecirc êt’. De portier beschouwde haar achterdochtig en weifelend toen ze hem vroeg naar mademoiselle Coornvelt, doch hij maakte geen bezwaren, zei alleen kortaf: ‘deuxième.’

Op het breede portaal der tweede étage stond Puck besluiteloos, ze las op een der vele gesloten deuren: ‘Publicité’, op een volgende: ‘Expédition’, op al de overige vijandig: ‘Entrée interdite’.

[p. 143]

Een man in chauffeursuniform kwam langs de trap naar beneden draven, hij droeg in zijn eene hand een doos, in zijn andere een papier, dat hij fronsend bestudeerde. Hij glipte haar voorbij zonder op haar te letten en was al beneden voor ze tijd vond hem een vraag te stellen. Ze moest er om lachen, ze vond het een heel merkwaardig verschil met de hoffelijke verzorgde ontvangst, die de bezoeksters aan de deftige voorkant van het huis ten deel viel. Waar moest ze in 's hemelsnaam naar toe? Achter een der deuren hoorde ze gedempte stemmen en het ratelen van een schrijfmachine; ze overwoog of ze maar brutaalweg de Entrée Interdite zou negeeren toen een klein muisvlug kind in een zwarte sluike schort, dat een groot wit pak op haar voorzichtig uitgestrekte handen droeg, met onhoorbare stappen langs haar heen draafde.

‘Ah... s'il vous plaît, mademoiselle! Ik zoek mademoiselle Kitty Coornvelt, ze is hier mannequin...’ Puck vroeg zich af hoe men haar Hollandsche naam hier zou verhaspelen en ze keek gespannen naar het kleine bleeke kind, dat plotseling als een automaat haar vaart geremd had. Een vingertje vol naaldenprikken en met een zwartgerande nagel legde zich langs de kleine wipneus.

‘C'est cette grande blonde... la flamande, n'est ce pas? Maar die is niet hier. Dan moet u aan de andere kant zijn, bij de paskamers. Attendez - ik zal er u brengen,’ Ze opende een der deuren, die toegang gaf tot een complex van lage gangen. Geen spoor van luxe hier, vloeren en muren waren kaal en uitgesleten, de verf en het stuc toonden het slechtverzorgde, vervuilde aspect van een oud, uitgewoond huis. Er heerschte diepe stilte, maar toch bleek er een haastig; bedrijf in volle gang te zijn. Want door de gangen repten zich tal van kleine zwarte sluike meisjesfiguren, die over zorg-

[p. 144]

vuldig geheven armen geheimzinnige, in wit neteldoek gehulde pakken droegen. Zij glipten uit deuren, die zich geruischloos achter haar sloten, ze glipten langs elkaar met een veelzeggende glimlach en verdwenen dan op snelle, zachte voeten om een hoek; en weer andere naderden en gingen voorbij, onhoorbaar, muisvlug en schimmig zwart, elk met een witte geheimzinnige last op haar voorzichtig uitgestrekte armen.

‘C'est ici,’ meldde Puck's begeleidster ten laatste en zij opende een groote dubbele deur.

‘Mademoiselle Kitty, une dame pour vous!’ gilde ze met een bang, schril stemmetje naar binnen en meteen, alsof ze heftig verschrikt was van haar eigen geluid, liep ze de lange gang terug, dravend om de verloren tijd in te halen.

Puck stond in een groot hol vertrek met tallooze spiegels langs de wanden, boven elk brandde een schel en naakt electrisch licht. Op groote rekken hingen lange rijen japonnen, er stonden kale houten banken, een paar tafels en een toilettafel in een hoek.

Bij het venster hokte een groote groep jonge vrouwen bijeen, ze schenen even gelijkvormig en onaanzienlijk, even schimmig onpersoonlijk als de kleine dravende meisjes in de corridors. Sommige rookten sigaretten, andere aten appels, sommige maakten ernstig en toegewijd gymnastische bewegingen en alle droegen grijze sluike peignoirs, van precies gelijke kleur en snit. En daar zij elk een het over haar coiffure hadden getrokken, schenen ook haar hoof den en zelfs haar gezichten van een wonderlijke trieste eenvormigheid.

Bij de schelle roep van het speldenraapstertje zagen zij om en Puck, die een zeer goed geheugen voor gezichten had, herkende verscheidene der sprookjes-mooie, zelfbewuste en fiere mannequins, die ze indertijd

[p. 145]

in Panatelli's salons kostbare en geraffineerde toiletten had zien dragen.

Reeds kwam Kitty op haar toe. Ook zij droeg zulk een grijze peignoir en met het strakke zijden net over haar goudblonde krullen zag ze er uit als een nonnetje.

‘Ga maar gauw mee,’ zei ze haastig en zeer gewichtig fluisterend. ‘Er is hier vlakbij een passalon leeg, daar kunnen we even rustig praten.’ Zij opende een deur aan de andere zijde van het vertrek, er achter voerde een trap naar boven. En daar zag Puck plotseling weer de zware roodfluweelen loopers, de gebeeldhouwde deuren, het smetteloos wit en het zacht glanzend verguld der wanden, al de voorname, kostbare pronk, die haar bij haar eerste bezoek haars ondanks geïmponeerd had. Kitty leidde de weg naar een kabinet, luxueus als een boudoir, met zijden wandbespanning, kristallen luchters en coquette fauteuils; zij zaten er tegenover elkaar aan een kleine vergulde tafel.

 

‘Er is hier een baantje voor je,’ viel Kitty met de deur in huis. ‘Een kans uit duizenden, Puck! Als je zorgt een goede indruk te maken en vooral niet vertelt, dat je van plan bent maar één of twee jaar in Parijs te blijven, kun je het stellig krijgen. De particuliere secretaresse van Panatelli is er gisteren uitgegooid. Ze deed tegelijk dienst als tolk voor madame Rose. Een Russische, een aan lager wal geraakte gravin, er is ontdekt, dat ze al jarenlang modellen heeft gecopieerd en heimelijk verkwanseld.’

Puck's gezicht was strak geworden van verbazing. Dan lachte ze, maar ze voelde een koude teleurstelling en bijna boosheid jegens Kitty.

‘Och, maar me lieve kind! Dat is toch niets voor mij! Ik pas in een modehuis als een haar in de soep.’

[p. 146]

‘Begin nou niet dadelijk met al je Hollandsche begrippen uit te stallen,’ viel Kitty haar autoritair in de rede. ‘Voor mannequin zou je inderdaad niet deugen, voor vendeuse evenmin. Die kunnen ze trouwens te over krijgen. Daarvoor zijn altijd honderden candidaten. Maar iemand, die vijf of zes talen vloeiend spreekt en schrijft, die een dame ìs en niet doet-alsof en met wie ze voor de dag kunnen komen bij hun hertoginnen en prinsessen, die vinden ze zoo makkelijk niet. En in deze drukste weken van het seizoen, wanneer Panatelli interviews in alle groote bladen van de wereld publiceert en er telkens vreemdelingen komen, die zich niet verstaanbaar kunnen maken, hebben ze zoo iemand broodnoodig.’

Weer begon Puck te lachen. Ze zag in haar herinnering de wonderlijk plechtige modeshow, die moeder zoo heftig geërgerd en haar zoo sterk geboeid had. Ze zag weer de cirkel van oude en jonge, mooie en leelijke vrouwen, die daar zaten als onder een hypnose, de arrogante Panatelli met zijn heerscbersgezicht, zijn diplomatenglimlach en zijn bejuweelde hand tegen het zwartfluweelen gordijn en o-zoo-goed herinnerde ze zich die ééne onverschillige, critische blik waarmee hij haar bekeken had. Nu ja... waarom zou ze het niet accepteeren? Al zou het geen geestelijk verheffende arbeid zijn, brieven stenografeeren over modezaken en als tolk dienen wanneer de verwaande modekoning wijsheden over zijn vak ten beste gaf. Moeder zou verontwaardigd zijn, mama van Doeveren en Corry woedend... Basta! Ging het hen iets aan? Was ze iemand verantwoording schuldig? Iemand anders dan Han? Maar ook hem niet! Ze behoefde toch niet, als de gedweeë echtgenoote uit een vorige generatie, eerst zijn toestemming te vragen. Hij wist, dat ze al sinds maanden werk zocht en naar werk verlangde.

[p. 147]

‘Ik heb met Panatelli afgesproken,’ zei Kitty, ‘dat je om zes uur in zijn studio zult komen. 't Heeft me de grootste moeite gekost om madame Rose te overtuigen, dat jiji precies bent wie ze noodig hebben. Want madame Rose is hier de eenige, die invloed op Panatelli heeft en om wie feitelijk het heele bedrijf draait. Madame Rose is jaloersch als Othello, maar ik heb haar verzekerd, dat je verschrikkelijk geleerd bent, een talenwonder en bovendien Meester in de Rechten en daar Robert als rechtgeaard Franschman, een ingewortelde afkeer heeft van gestudeerde vrouwen...’

‘Plezierige introductie! Ik geloof, dat ik maar liever naar huis ga, Kit!’

‘Juist een voortreffelijke introductie, meisje. Nu weet hij bij voorbaat, dat je een totaal ander type bent dan het soort “belles élégantes” dat hij zoo wonderwel meent te kennen. Hij zal zich volstrekt niet op zijn gemak voelen. Hij zal niet probeeren met je te flirten en evenmin je te imponeeren met zijn philosophische beschouwingen over de vrouwen en de liefde. En bovendien zal hij je niet durven afschepen met minder dan vierduizend...’

‘Wat zeg je daar?’

‘Dan vierduizend francs per maand. Natuurlijk zal hij je dat bieden; je voorgangster, maar die was al jaren hier - verdiende het dubbele. Het is een vertrouwensfunctie en de Haute Couture, al zie jij dat nog niet in, is zeker niet minder belangrijk dan de Haute Finance.’

Vierduizend francs! Puck's hart sprong op, het flitste triomfant door haar heen: méér dan Han verdient! Ze controleerde zich op hetzelfde oogenblik - foei, hoe kinderachtig om dat dadelijk te denken! Maar de gedachte liet zich niet meer verduwen. ‘Méér dan Han bij Lagrange verdient, véél meer dan Retemeijer me zou hebben betaald!’

[p. 148]

‘Mocht hij willen probeeren je minder te bieden, dan sta je meteen op en je zegt met je hooghartigste air, dat je erg gepresseerd bent en de bespreking liever meteen wilt eindigen. Dat is een houding waar hij absoluut niet tegen kan.’

Met haar kin in de hand gesteund, keek Puck naar haar zusje. Een schoolmeisje leek ze in dat sluike grijze omhulsel. Maar wat was ze veranderd. Als een onbesuisd, overmoedig kind hadden ze haar vroeger thuis beschouwd...

‘Jij schijnt hier heel wat levenswijsheid te hebben opgedaan en monsieur Panatelli goed te kennen.’ Kitty's gezicht vertrok, opeens was het niet kinderlijk en vroolijk meer, opeens was het een vermoeid, bijna verbitterd vrouwengezicht.

‘Het is lief van je om mij zoo te helpen,’ vervolgde Puck; als zoo vaak voelde ze het als een verzaakte plicht, dat ze zich zoo weinig om Kitty's leven bekommerde, nooit nog een vertrouwelijk gesprek had weten uit te lokken. En zij gaf er zich rekenschap van, dat zij niet meer tot haar sprak op de toon van overwicht en beterweten, die ze zich sinds haar bakvischjaren tegenover het coquette jongere zusje had aangewend.

 

Een ander muisvlug speldenraapstertje geleidde Puck nog twee étages hooger, naar de nok van het gebouw, waar zich het privé-vertrek van Panatelli bevond; het droeg op een zilveren plaat de naam ‘Studio’ en was met een gecapitonneerde deur van het overige huis gescheiden.

Hij bleek nog afwezig, ze moest wachten en vond ampel tijd om zich te verwonderen. Want in dit zeer groote, lage achtkantige verblijf manifesteerden zich de uitzonderlijkste excessen van moderne Fransche deco-

[p. 149]

ratiekunst, orgiën van fantastische, somber-uitdagende praal.

Het vertrek bezat geen vensters; de verlichting en ventilatie bleken indirect aangebracht boven de acht paneelen van glanzend palissanderhout, er vloeide een zachte, warme gloed over het koepelvormige dof-zilveren plafond. Met zilver waren ook de massieve rechtlijnige meubels geïncrusteerd; zilvergrijs was het zacht veerende, dikke effen tapijt en een gordijn van zware zilveren franje verborg de toegang tot een andere kamer. In het midden van dit wonderlijk verblijf stond een groot, bijna vierkant bureau-ministre van hetzelfde donkere, met zilver geïncrustreerde hout, het bovenvlak was bedekt met een glazen plaat. En daarop, als om de zeer bizondere positie van dezen directeur te accentueeren, bevond zich niets anders dan een presse papier, die in kostbaar groen jade een uitermate obscene voorstelling vertoonde, een luxueus Fransch plaatwerk met afbeeldingen van oud-Italiaansche schilderijen en een blijkbaar veel gebruikt programma van de races in Longchamps, waarop met blauw potlood tal van teekens en cijfers waren aangebracht.

Puck verhief zich uit haar lage en zeer diepe fauteuil om het presse papier en het plaatwerk nieuwsgierig te bekijken, dan meende ze gedempte stemmen te hooren achter het zilveren gordijn en ze sloop vlug naar haar plaats terug. Daareven, met Kitty pratend, had ze de mogelijkheden van het baantje alleen maar zakelik bekeken, nu voor het eerst werd haar belangstelling gewekt, haar ingewortelde sterke belangstelling in een mensch, dien zij niet kende en van wien zij iets ontdekte, dat niet paste bij het karakterbeeld, dat ze zich van hem gefantaseerd had. Opnieuw monsterden haar scherpe oogen de wonderlijkei, pretentieuse luxe van het vertrek; ze

[p. 150]

glimlachte om de breede, lage divan, met de tallooze kostbare kussens en vachten, voluptueus als het praalbed van een Romeinschen kelzer. Tusschen al het rechtvlakkig, somberglanzend palissander van meubels en paneelen stond slechts één ornament, een beeld van wit marmer, bijna levensgroot en door een verborgen lichtbron zilverhelder overschenen: de prachtige naaktfiguur van een jonge vrouw, die met een speelsche, overmoedige beweging twee helften van een appel op haar uitgestrekte hand hield. Weer rees Puck op uit haar stoel om geinteresseerd te kijken. Maar dan draaide ze zich plotseling om, met de zeer sterke gewaarwording, dat iemand haar bespiedde en zag tusschen het gordijn van zilveren franje, in een houding alsof hij poseerde, den man op wien zij wachtte.

Hij was veel kleiner dan ze hem in haar herinnering had gezien en - merkwaardige ontdekking - veel ouder. Haars ondanks imponeerde haar weer zijn interessant, olijfbleek gezicht, het zeer hooge voorhoofd, de prachtig-gevormde neus, de sterk sprekende, diepliggende oogen en de houding van zelfbewuste waardigheid. Hij kwam naar haar toe, zijn donkere, troebele blik vestigde zich op haar en gaf haar het kwellend en onontkoombaar gevoel, dat zij even naakt voor hem stond als het marmeren vrouwenbeeld. Hij mompelde een groet, nam haar hand, die hij omhooghief terwijl hij vaag het onverschillig-hoffelijk gebaar van een handkus schetste. Dan wees hij haar een stoel en zij constateerde met zelfspot en ergernis, dat ze zich verlegen en allesbehalve op haar gemak voelde.

Robert Panatelli zette zich achter zijn schrijf bureau, hij vouwde de race-courant op en borg haar in een lade, hij schoof het obscene presse papier wat opzij, steunde zijn armen op het glazen bovendek en legde de toppen van

[p. 151]

zijn vrouwelijk fijne vingers tegen elkander. Hij was geparfumeerd, hij droeg een monocle en een platina armband, de groote brillant aan zijn blanke hand fonkelde. Hij sprak zuidelijk-zangerig Fransch in afgemeten, blijkbaar vooruit geprepareerde zinnen; zijn oogen tuurden strak, nu eens naar de zilveren koepel der zoldering waarover het zachte bescheiden kunstlicht warm glansde, dan weer naar het marmeren vrouwenbeeld, dat recht in zijn gezichtsveld stond.

Terwijl Puck luisterde en zoo nu en dan met enkele woorden antwoordde, onderging zij een wonderlijke sensatie. Zij was gewoon aan de zeer sterke, onmiddel-lijke belangstelling van iederen man, dien zij ontmoette. Bij menige kennismaking, die ze zich uit de loop van haar leven herinnerde, was zìj het geweest, die zoo ongeïnteresseerd en strak voor zich uit had zitten staren, terwijl zij wist, dat naast haar een paar oogen in voortdurende geboeide aandacht naar haar keken. En altijd wanneer zij wilde, wanneer het haar de moeite waard scheen, had zij het met een enkele blik of een paar schijnbaar onbeteekenende woorden contact kunnen scheppen met een vreemde.

Maar voor Robert Panatelli, heerscher over de vrouwenmode en chef van een voornaam Parijsch modehuis, bleek zij niets te zijn dan een employé, die solliciteerde, die hij inlichtte over zijn eischen en ondervroeg met de koude zakelijkheid van den toekomstigen chef. Vermoedelijk was het haar bekend, zei hij, dat hoe langer hoe meer dames van de Society - hij sprak het woord Fransch uit, wat haar dwaas en bijna kinderlijk klonk - een werkkring vonden in de Haute Couture. De Haute Couture was een voornaam en exclusief bedrijf, het verlangde een raffinement en tegelijk een artisticiteit, die alleen cultuur en beschaving konden vereenigen.

[p. 152]

Slechts de ingewijden vermochten dit te begrijpen, voor het groote publiek, dat naar mode grijpt als naar een sensatie, zou de innerlijke waarde van de Haute Couture voor altijd een gesloten boek blijven.

Puck's lippen trokken strak om haar glimlach te verbergen. Wanneer Kitty haar niet had voorbereid en wanneer ze niet, maanden geleden, de wonderlijke plechtigheid van een modeshow in ditzelfde huis had bijgewoond, zou ze het heele geval bespottelijk hebben gevonden. Zou ze dezen man met zijn parfum, zijn armband en zijn gemanicuurde vingers hebben gekwalificeerd als een charlatan of een comediant. Nu kreeg ze de stellige indruk, dat hij geen van beide was. Hij leefde en dacht in een sfeer, die voor haar onwezenlijk bleef, maar hij nam zichzelf volkomen au sérieux en uit de nadrukkelijke ernst waarmee hij sprak, bleek duidelijk hoe ontzaglijk gewichtig hij zijn beschouwingen vond. In zijn zangerig Fransch wijdde hij uit over de beschavingsinvloed van de Fransche modekunst, een geperfectioneerde kunst, die nimmer door eenig ander land kon worden benaderd en die in alle beschaafde oorden van de wereld een tegenwicht vormde voor de nivelleering welke de democratie bestreefde. Hij knoopte daar zelfs vage politieke en ethische stellingen aan vast en Puck kreeg telkens lust hem in de rede te vallen en met een kort, scherp zinnetje een debat te beginnen. Maar daartoe kreeg ze geen gelegenheid, hij voerde geen discours, hij hield een toespraak. Dan sprak hij nadrukkelijk over de exclusiviteit van zijn huis, dat elk model patenteerde en daarom van elk zijner ondergeschikten geheimhouding als een belofte eischen moest. Speciaal van de employé's, die met hem, den directeur en madame Rose, zijn compagnonne, voortdurend moesten samenwerken. En tenslotte vroeg hij haar haastig, alsof hem

[p. 153]

dit onaangenaam was en moeite kostte, of zij voelde voor de functie van particulier secretaresse en tolk en bereid zou zijn de daaraan verbonden groote verantwoordelijkheden te aanvaarden. Het huis Panatelli, die verantwoordelijkheden erkennend, bood haar een maandelijksch salaris van vierduizend francs, met de mogelijkheid haar kleeren tegen kostprijs te betrekken.

Weer was het of Puck's hart opsprong in haar borst, maar weer verduwde ze het triomfante gevoel. Blijkbaar dus hadden haar kennis van zes talen en haar titel geimponeerd, al liet de onverschillige beleefdheid van dezen machthebber er geen spoor van merken. Natuurlijk zou ze zijn aanbod aannemen. Dolblij was ze en bereid om morgen aan de slag te gaan. Maar nu wou ze op haar beurt imponeeren en hooghartig doen. Ze had niet voor niets in de Haute Finance gewerkt, er de politiek der voorzichtigheid geleerd. Ze stond op en even koel-hoffelijk als hij, zei ze zijn aanbod in haar gedachten te willen houden; ze zou hem binnen een week tijds haar beslissing doen weten. Ook Panatelli stond op en boog. Strak zei hij: ‘Comme vous voulez, madame.’

Hij nam de hand, die zij hem reikte en schertste weer een gebaar van een handkus met een onverschillige vaagheid. Dan ging hij naar de deur om haar uit te laten. Maar op dat oogenblik ritselde aan de andere zij van het vertrek de zilveren portière vaneen en een kleine beweeglijke, zeer leelijke vrouw stoof plotseling druk en haastig naar binnen. ‘Mais non! mais non! Wat wil je nu doen, Robert, chéri! Dat kan immers onmogelik! Wij kunnen geen acht dagen op madame's antwoord wachten. Wij moeten het morgen weten, overmorgen op zijn allerlaatst! Maar madame zal ons niet teleurstellen... chère madame... u wilt immers wel bij ons

[p. 154]

komen, nietwaar? Mademoiselle uw zuster zei, dat u werk zocht en dit juist werk voor u zou zijh. Heeft monsieur Panatelli u gezegd dat u uw japonnen tegen kostprijs van ons betrekken kunt? Dat wij u een premie geven voor elke klant die u aanbrengt? Of heeft hij weer te veel over zijn ideeën en idealen gesproken en vergeten zakelijk te zijn?’

Haar vloed van snelle, luide woorden, haar luidruchtige, nerveuse aanwezigheid viel als een wervelwind in de stille plechtigheid van de kamer. Haar woorden verrieden roekeloos duidelijk, dat ze achter de zilveren portière het gesprek beluisterd had, ze poogde zelfs geen schijn te redden en Panatelli vermocht zijn ergernis niet onder hooghartige onverschilligheid te verbergen. Zijn gladde hooge voorhoofd trok in booze rimpels, zijn onderlip stak dreigend vooruit, zijn diepliggende oogen stonden klein van boosheid. ‘Madame Rose, ma compagnonne,’ stelde hij voor en Puck voelde haar hand gedrukt tusschen heete, beenige vingers. Ze zag twee groote, lichte oogen in een onregelmatig, nerveus en energiek gezicht, waarin zware vouwen van moeheid lagen en waarboven ordelooze, slordig geverfde, roode haren krulden en kruifden. ‘Wanneer u wilt,’ zei madame Rose met een bemoedigende glimlach van haar grove mond, ‘zal ik u straks ons heele bedrijf laten zien, de negen ateliers en de kamers van de coupeuses, de stoffenafdeeling en het kantoor van de publicitá. Ah... ik ben overtuigd, dat het u bij ons zal bevallen, de Haute Couture is geen bedrijf, madame, c'est un Art!’

Haar hoekige lichaam was gehuld in zwart satijn, strak als een foudraal met een hooge tot de ooren reikende kraag, die merkbaar een te lange en te magere hals moest verbergen en met wijde strooken, die over haar te

[p. 155]

groote handen vielen. Doch zij droeg zeer korte rokken en terwijl ze zich met een lenig sprongetje op een hoek van het schrijfbureau zette, vertoonde ze met merkbaar genoegen haar slanke beenen.

Hoe was de verhouding van dit merkwaardige wezen tot den chef van het huis? Madame Rose, had Kitty gezegd, is jaloersch als Othello. Bestond er soms een liefdesverhouding tusschen haar en dien verfijnden, geblaseerden man met zijn verleidersoogen? Madame Rose was zeker tien jaar ouder dan hij. ‘Ma compagnonne...’ maar ze noemde hem Robert-chéri... ze zat op zijn schrijftafel, schoof zijn kostbaar plaatwerk achteloos opzij en het in een voortdurend nerveus zoeken naar beweging het obscene presse-papier balanceeren op de palm van haar groote hand. Dan legde ze die hand op de schouder van den zwijgenden, norsch voor zich uitstarenden man en met de andere tipte ze demonstratief een pluis van zijn revers. Met een stortvloed van rappe schilderachtige woorden begon ze op haar beurt van het groote drukke bedrijf te vertellen, het werd één lofzang op den ‘maître’, den artist, den ontwerper, die al haar uitbundigheid koel en zichtbaar geërgerd langs zich heen het gaan.

Toen Puck ten tweede male afscheid nam, door Panatelli tot de gecapitonneerde deur vergezeld, had ze beloofd binnen twee maal vier-en-twintig uur te beslissen.

prepostterug  begin  verder