terug  begin  verderprepost
[p. 180]

Veertiende hoofdstuk.

‘U mag uw servet niet opvouwen, oom Han,’ zei Pimmy en wees waarschuwend met zijn kleine bruine vinger. ‘Als u het opvouwt, beteekent het, dat u niet terug wilt komen.’

‘Dan zal ik het in een prop op de tafel leggen... zoo!’ Maar voor hij het deed, sloeg oom Han met het servet Pimmy om zijn ooren. En naar Eugenietje, die aan de overkant van de tafel naast haar moeder zat, dreigde hij met zijn vuist want ze lachte hem uit... ja zeker, hij zag heel best dat ze hem uitlachte omdat hij zoo dom was! Dan gingen zijn oogen snel van het kindergezicht naar dat van Lily en hij zag haar blozen. Ze sloeg de zware, donker omzoomde leden neer over haar schuwe blik; toch zag hij, dat haar oogen vol tranen stonden. Als telkens deze middag, die onder alle grappen en pretmakerij zoo zwaar scheen van onuitgesproken, onuitgedachte dingen. Zij strekte haar hand naar de schelknop, die onder de lamp hing, maar ze bedacht zich en om zich een houding te geven, verschikte ze wat aan de geelbruine chrysanthen, die de tafel versierden. En Henri keek naar die korte, breede, zeer blanke vingers, met de vele ringen en de kleine, sterk geglansde nagels; hoe goed kende hij die zachte als gekussende hand, hoe menigmaal had hij haar vast-

[p. 181]

gehouden in de zijne, als troost, als bemoediging en om te toonen, dat er tenminste iemand was, dien ze vertrouwen en op wien ze steunen kon. Hoe bitter weinig kon hij feitelijk voor haar doen. Telkens wanneer hij in Holland kwam, bezocht hij haar, bespraken zij de kansen voor haar scheiding, gaf hij haar raad in haar kleine moeilijkheden met de pension-mevrouw, met de onderwijzeres, die de kinderen driemaal per week les kwam geven, of met den inspecteur van de belastingen.

Eugenietje kwam bij zijn stoel. Ze wist, dat het oogenblik van naar bed gaan onontkoombaar naderde en trachtte het met kinderslimheid te verschuiven. ‘Ik wou effetjes op je knie zitten,’ vleide ze en wreef haar blonde hoofdje tegen zijn mouw als een klein aanhalig poesje. ‘Ik wou, dat je nog een verhaaltje vertelde oom Han, of nog een heeleboel moeilijke raadsels opgaf.’

Hij schoof zijn stoel achteruit en tilde haar op... wat voelde haar lijfje veel steviger ondanks alle verkoudheden en ziektetjes in de gure Hollandsche winter. Eens, in het najaar was ze ernstig ongesteld geweest; hoe goed herinnerde hij zich Lily's wanhopige brief en zijn weifelen, twee ellendige dagen lang, of hij niet tòch naar Holland zou gaan... of het niet zijn plicht was haar in die uren vol zorg terzij te staan. Maar Puck had het volkomen dwaas en overdreven genoemd, mazelen met bronchitis maakten immers alle kinderen in Holland door. Dus seinde hij en telefoneerde in de avonduren; drie dagen later bleek alle gevaar geweken en zijn vrouw plaagde hem om zijn overdreven vrees. Maar hij, al wou hij het zich niet bekennen, hield in zijn hart een kleine wrok tegen haar om de zorgelooze stelligheid, waarmee ze hem toen haar overtuiging had opgedrongen.

‘Geef nou een raadsel op?’ drong het kind op zijn

[p. 182]

schoot, haar kleine vingers draaiden aan zijn zegelring, haar zijden schoentjes - op de kleeren van de kinderen kòn Lily niet zuinig zijn - sloegen een ongeduldige roffel tegen zijn been.

‘Piet heeft twintig knikkers en Jan heeft tien appels. Als Jan nu twaalf knikkers van Piet krijgt...’

Ze schreeuwde om hem te overstemmen en Pimmy deed luidkeels mee. ‘Nee! nee, nee! Dat is geen raadsel, dat is een som! Een leelijke nare som!’

‘Maar sommen zijn veel noodiger dan raadsels,’ overviel hij hen ernstig en zijn betoogende vinger wenkte Pimmy naar zijn andere knie. ‘Beloven jullie nu eens allebei, dat je je best zult doen met rekenen, zoodat juffrouw Willing heel erg tevreden is. En dat ik de volgende keer twee keurige sommen schriften te zien krijg.’

Hij keek hen beurtelings aan, keek in hun aandachtige, slimme oogen. Verwachtten ze weer, dat hij een belooning in uitzicht zou stellen? Hij had meer dan eenmaal geprobeerd Lily te overtuigen, dat ze de kinderen niet met beloftes tot gehoorzaamheid moest paaien. Maar ze kon niet streng zijn en hij, al poogde hij zoo nu en dan gezag te oefenen, ook hij verwende ze zoo verschrikkelijk graag. Hij vond het zoo'n vreugde hun oogen te zien stralen, hun armen in opgewonden plezier om zijn hals te voelen, hun juichkreten in zijn ooren te hooren.

Dan zei het kleine meisje met haar hooge stemmetje voorzichtig: ‘Als wij erg goed sommen maken, oom Han, vraag je ons en moeder dan in Parijs te logeeren?’

‘Maar Nieky! Zooiets mag je niet vragen,’ verbood Lily boos ontsteld.

Han's gezicht bleef naar het tweetal toegebogen. Hoe kwam het kind aan dat idee? Zou Lily over die mogelijkheid gesproken hebben? ‘Wat zouden zulke

[p. 183]

kleine peuters in Parijs moeten doen?’ weerde hij plagend af. ‘Overreden worden door de auto's? Misschien kom ik het volgend jaar in Holland wonen. Dan vraag ik jullie stellig te logeeren.’

‘Waar kom je dan wonen? Hier in Den Haag? O, o hoe dolletjes!’ Eugenietje klapte in haar handjes en haar goudblonde pijpenkrullen dansten dicht langs zijn oogen.

‘Nee, stellig niet in Den Haag. Ik denk, dat het ergens zal zijn waar een groot, breed strand is... daar vraag ik jullie dan om te komen spelen.’

Het dienstmeisje kwam binnen om de tafel af te nemen en Lily stond op om in de zitkamer het licht aan te knippen.

‘Jullie moeten naar bed, kinders. Als je zoet gaat en je vlug uitkleedt, komt oom Han misschien wel boven om je toe te dekken.’ Vanuit het veilige duister voegde ze erbij met een stem die even trilde: ‘Het volgend jaar... dat is nog erg lang.’

 

In de kleine volle zitkamer drentelde Henri van Doeveren heen en weer. Lily was met de kinderen boven. Wat duurde dat! Zijn tijd was zoo beperkt, over anderhalf uur moest hij weg en er viel nog zooveel met haar te bespreken. Het dienstmeisje had de porte brisée gesloten en hij voelde de kleine ruimte waarin hij was opgesloten als een lijfelijke benauwenis. Hij duwde de serredeuren open, op de drempel stond hij te staren in het donkere, schamele tuintje en dan naar de hooge huizenrij erachter met de vele verlichte vensters. Het regende, een stille kille triestheid dreef in de atmosfeer. Maartavond in Holland... nog geen zweem van lente in de lucht. Voor de eerste maal had hij aan Lily's disch gezeten, hoewel de kinderen en zij hem al

[p. 184]

zoo vaak en dringend hadden genoodigd. Hij zou het niet nòg eens doen - er zou altijd wel een uitvlucht te verzinnen zijn om zijn bezoeken tot de middag of de avond te beperken. Hij moest de relatie met Lily zoo zakelijk mogelijk houden, dat was in alle opzichten beter. Door een der vensters aan de overzij zag hij menschen om een tafel geschaard, een man, een vrouw en twee kinderen. Vier aan een disch: een gezin. Precies zoo hadden zij daarstraks gezeten. Wat een vroolijk, prettig samenzijn was het geweest! Hoe had hij van dat echt huiselijke, warm vertrouwde genoten. In een pensionkamer - maar toch - Lily wist een atmosfeer om zich heen te scheppen waarbij je dat volkomen vergat. Onwillekeurig gingen zijn gedachten naar zijn appartement in Parijs. Hoe onwennig en koud bleef alles daar, hoe miste het alle gezelligheid. In het begin had Puck nog telkens van verhuizen gesproken, maar de laatste tijd repte ze er niet meer van, hoe zou ze ook tijd vinden voor het zoeken en inrichten van een nieuwe woning? Haar baantje nam haar volledig in beslag. Het bleek haar, tot zijn stage verwondering, buitengewoon te voldoen, ze was opgeleefd, vroolijk, fleurig geworden- zoo jong en fleurig als hij haar in alle jaren van zijn huwelijk niet gekend had. Vol animo kon ze hem elke avond terwijl ze samen dineerden in hun kleine, roezige restaurant van haar ervaringen vertellen. Maar het bleef jammer, dat het met een huishoudster niet lukken wou, het aardige meisje uit Holland, dat hun drie weken verzorgd had, gaf er na die korte termijn de brui van, vond het veel te stil en te naargeestig in een woning in een vreemd land, waar de huisvrouw de heele dag afwezig bleef. Dat dineeren buitenshuis, al werden ze goed bediend in de Griffon, waar men hen als stamgasten kende, vond hij hoe langer hoe beroerder. Hij was nu

[p. 185]

eenmaal een man met ouderwetsche degelijke gewoonten, daar had zijn vrouw hem vaak genoeg mee geplaagd. Geschikt had hij zich, het als tijdelijk beschouwd en onvermijdelijk, maar vanavond realiseerde hij opeens weer, dat hij, toen hij vijf jaar geleden trouwde, zich zijn huwelijksleven wel heel anders had voorgesteld.

Zijn toekomstdroomen hadden altijd een gezin gezien, als iets vanzelfsprekends, als iets, dat in de orde van de dingen lag. En weer, als zoo menigmaal de laatste tijd, betrapte hij zich op een vage en toch diepe wrok tegen Puck, omdat zij dit niet voelde als hij en volkomen tevreden en gelukkig scheen nu zij werk had gevonden, dat haar voldoening gaf. Alsof zij hem iets beloofd had en niet ingelost. Maar dan vonniste hij zelf deze gedachte als een onrechtvaardigheid, hij wist toch hoeveel zij geleden had in de jaren van haar ziekte onder het gedwongen niets-doen en hoe groot haar verdriet geweest was toen haar kindje dood geboren werd.

Hij sloot de serredeuren en drentelde terug. Nog stond op een klein tafeltje, welverzorgd en vol in blad, de hortensia, die Puck en hij bij hun eerste bezoek voor Lily hadden meegebracht. De bloemen waren lang vergaan, bleekblauwe bloemen, waarvan Puck gezegd had, dat ze pasten bij Lily. Puck hield niet van Lily - en Lily niet van Puck, dat wist hij, al deden ze het geen van beiden ooit merken. Al waren ze bijna even oud, ze schenen vrouwentypen van verschillende generaties.

Waar dwaalden zijn gedachten toch aldoor heen? Wat duurde het verschrikkelijk lang eer Lily beneden kwam! Nonsens om kinderen zoo te verwennen, ze waren toch groot genoeg om zichzelf uit te kleeden. Daar sloften rappe voetjes over de trap en door de gang; een klein figuurtje in een rose pyama stond in de open deur.

‘Of je komt, oom Han! Om ons in te stoppen! We

[p. 186]

hebben omgestaan wie je mocht halen. Mag ik op je schouder naar boven? Hu paard! Pas op... pas op, ik stoot mijn hoofd aan de ganglantaarn! O, oom Han, wat ben je toch verschrikkelijk groot!’

 

Nu zat hij weer tegenover Lily in het kleine salonnetje. Zij op de canapé, hij in een der ongemakkelijke stoeltjes. Als bij al die andere, vaak pijnlijke gesprekken, die hij in de laatste maanden met haar had moeten voeren. Maar hij kon zijn gedachten nog niet concentreeren terwijl zij al sprak van het laatste onderhoud met Mr. Laatsman, een notitieboekje raadpleegde en hem een brief gaf, die ze uit Indië had ontvangen. Er was een roezige volte van gedachten in zijn hoofd, hij kon niet helder denken, hij had een gevoel of hij te veel en te snel gedronken had. Lily had die laatste pretmakerij niet moeten verzinnen. In een verhouding als de hunne moest je precies op het juiste moment de streep trekken.

Op de slaapkamer stond een lit-jumeaux naast het kinderbed van Pimmy. Hij had er zich in een sfeer van intimiteit gevoeld, die hij niet wenschte, waartegen hij zich ongewapend wist en die hij vreesde. Hij had geen oogenblik verwacht, dat Lily in hetzelfde vertrek zou slapen als de kinderen. Achter een weggeschoven gordijn zag hij haar kleeren hangen, kleeren, die hem bekend en welvertrouwd waren, haar dunne, blauwe jurk, die de kleur had van de hortensia, een zwartfluweelen, die haar zoo prachtig stond en een donkerblauwe met een witte kraag, waarin ze eruit zag als een jongmeisje. En overal lagen haar bezittingen verspreid, een paar geborduurde slofjes, een van haar met kant omzoomde zakdoeken, de roze kralen, die ze zoo dikwijls droeg en het taschje van slangenleer waarin ze haar brieven bewaarde. Terwijl hij naar het kinderbed toeliep waar

[p. 187]

Pimmy wild stond te dansen, veerend en springend als een harlekijn aan een touwtje, dacht hij geërgerd dat Lily, die zoo preutsch en ingetogen kon zijn, hem hier niet had moeten binnenlaten. In het eene groote bed was Eugenietje snel weggekropen en terwijl hij zich voorover boog en trok aan de dekens, die het kind krampachtig vasthield, zagen zijn oogen het andere, waarvan het dek was teruggeslagen en waarop Lily's nachtjapon van zij en kant lag uitgespreid; een gekreukte al gedragen nachtjapon. Sterk was de geur van Lily's parfum, de heele kameratmosfeer scheen er van doortrokken. Haarzelve zag hij nauwelijks, zij stond bij het raam en vouwde de kleeren van de kinderen op, hij bemerkte alleen de vele kleine intieme dingen, die aan haar behoorden, die drongen zich aan hem op en wekten een onrust en ontroering, die hij niet kon overmeesteren.

Terwijl hij naar beneden liep, veegde hij zich het zweet van zijn voorhoofd en toen ze zich bij hem voegde had hij zijn kalmte niet herwonnen. Nog voelde hij verwarring, waarvoor hij zich schaamde en die hij haar heimelijk verweet.

De brief, die ze uit haar taschje nam, bleek van haar man. Mocht hij hem lezen? Ze knikte zwijgend, snel veegde ze langs haar oogen; hij kende maar al te goed haar gevoeligheid, haar soms kinderlijk overvloedige tranen.

Charlier verzocht een verzoening, hij drong aan dat ze het verleden vergeten en samen een nieuw leven zouden beginnen. Terwille van de kinderen, schreef hij, aan wie ze dit beiden waren verplicht. In duidelijke, bijna nuchtere termen vroeg hij het.

Verbijsterd keerde Henri het blad in zijn handen en las het nog eens. Was het een truc? Een hinderlaag? Maandenlang hadden Lily's advocaat en die van Charlier

[p. 188]

vinnige brieven gewisseld over scheidingsargumenten en toelage, steeds was de verhouding van weerskanten vijandig toegespitst gebleven. En nu plotseling deze zwenking? Het moest Lily heftig hebben geschokt. Waarom had ze het hem niet dadelijk bij zijn komst verteld? Hij begreep: omdat ze de maaltijd, die zulk een feest was voor de kinderen, niet had willen verstoren. Maar nu verstond hij haar bewogenheid, haar nervositeit en de snelle tranen, die haar telkens de baas werden.

Natuurlijk moest ze dit voorstel verwerpen! Ze wou immers niet terug. Hoe ontelbare malen had ze hem verzekerd, dat ze het nooit zou kunnen. En al deze maanden had hij haar geholpen en gesteund om van die kerel af te komen...

‘Je hebt toch nog niet geantwoord?’ Toen hij zijn eigen stem hoorde, realiseerde hij hoe lang de stilte tusschen hen geduurd had.

‘Nee, nog niet. Ik wou er eerst met jou over spreken.’

‘Wat zei Mr. Laatsman?’

‘Mr. Laatsman? Die weet er nog niets van. Alleen jou kan ik hierin raad vragen, Han.’

Hij boog zich naar haar toe, zoo dicht dat hij haar adem speurde over zijn heet strak gezicht. ‘Lily... wil je het...? Wil je naar hem terug als hij werkelijk meent wat hij hier voorstelt?’

Zij antwoordde niet. Zij week van hem af en wat ze nooit deed, ze trok haar handen weg, die hij weer, als zoo vaak, beschermend en troostend in de zijne had gesloten. Ze schreide niet meer, haar oogen stonden dof, wijd en diep rampzalig.

‘Het zal wel moeten,’ zei ze eindelijk toonloos en heesch. ‘Zoo kan het niet doorgaan... dat heb ik al lang begrepen. Er blijft mij geen keus. Ik kan toch immers niet doorgaan geld van jou te leenen. En ik kan niet

[p. 189]

altijd alleen zijn... alleen met alle moeilijkheden en geldzorgen. Ik heb nooit zelf besluiten hoeven nemen, nooit voor mezelf hoeven zorgen... ik kan het niet... en ik weet zeker, dat ik het nooit zal leeren.’

Weer stormden verwarrende gedachten door zijn hoofd. Nog altijd was het of hij niet helder, niet scherp kon denken. Want voor zijn innerlijke oogen stond een beeld van Charlier, zooals hij hem eenmaal had gezien op de societeit in Medan, een groote kerel met een ruwe roode kop, die met heete oogen gluurde naar alle vrouwen. En tegelijk zag hij weer het dubbele bed op de kamer boven, waarop teer en kwetsbaar als een vlindervleugel, Lily's dunne nachtjapon lag uitgespreid.

‘Maar geef je je wel rekenschap Lily... laat je je niet drijven op de stemming van een oogenblik, op een laatste spoor van meelij misschien? Stel je je goed voor wat je leven zou zijn als je weer naar hem terugging? Er zijn toch dingen gebeurd - je hebt ze me nooit verteld, maar ik heb er een heeleboel van begrepen -’

Nu keken ze elkaar plotseling aan, groot en strak, als zagen zij voor de eerste maal elkaars werkelijke gezicht achter een masker, dat zij allebei gedragen hadden. En als een tot het uiterste gespannen boog stond de werkelijkheid in de stilte.

‘Dat weet je wel! Ik kàn niet! Maar ik wil ook niet!’ barstte zij plotseling radeloos uit, en haar hoofd neeg voorover, neeg naar zijn schouder en zocht en vond er toevlucht. ‘O Han... Han... help me toch! Ik zie geen uitweg meer... ik ben zoo diep rampzalig en ik heb niemand, niemand dan jou. Han... lieve Han... o help me...!’

Als een vlam sloeg het door hem heen en in die gloed verteerdenop eenmaal alle vage, half erkende, half onderdrukte gedachten aan voorzichtigheid. Een muur van

[p. 190]

beheersching en weerstand bezweek, machtig en onweerstaanbaar stroomden zijn deernis en teederheid naar haar uit.

‘Maar natuurlijk zal ik je helpen, Lily... klein arm vrouwtje!’ Veilig en vast waren zijn armen om haar heen en ze drong zich tegen hem aan als een bang kind, dat verlost wordt uit het donker. Zoo was het goed... alleen zóó kon hij dit arme geplaagde schepsel helpen. ‘Ik laat je niet los,’ fluisterde hij telkens weer; ‘Ik laat je niet teruggaan... lieve Lily... arme kleine Lily...’

En nooit meer wist hij het zich later te herinneren of zij het was, die hem het eerste had gekust of dat zijn lippen, toen ze haar haren en wangen raakten opeens, met een uitbarstend, onweerstaanbaar verlangen, gegrepen hadden naar haar mond. En o... hoe kuste ze hem toen terug... schuw en toch als een verhongerde... of als een die voor het leven afscheid neemt. Haar kleine, zachte handen streelden hem, zijn gezicht, zijn haren, zijn jas, met een bevende, bijna radelooze haast als om niets te verzuimen van wat nooit meer kon worden ingehaald.

Dan gleed ze op haar knieën naast zijn stoel en legde haar hoofd met het zilverwitte haar tegen hem aan. Hij sloot zijn handen om haar kleine, bleeke gezicht, waarin de oogen groot, diep-donker als sterren straalden. Niets was nog werkelijkheid dan dit - dan het besef, dat zij hem noodig had en zich overgaf in deemoedig, innig vrouwelijk vertrouwen. Vaag en ver op een achtergrond schimden andere gedachten; straks, wanneer hij alleen was in de trein naar Parijs zou hij een geweldig probleem onder de oogen moeten zien...

 

‘Nu moet je heusch weg,’ zei Lily met haar weeke,

[p. 191]

gebroken stem en haar hand reikte naar zijn hoofd en streelde zijn haren. ‘En nu moeten wij elkaar stellig beloven jongen... dit mag nooit, nooit meer gebeuren. Wij moeten weer goede vrienden zijn als vroeger Han en nóóit meer iets anders. Nu ik weet, dat jij van mij houdt, kan ik sterk zijn - nu zal ik me nooit meer zoo vreeselijk ongelukkig en eenzaam voelen.’

Meende ze wat ze zei? Of was het een mooie zin uit een boek, die ze haar best deed zelve te gelooven? Hij wilde niet luisteren. Hij trok haar nog eens in zijn armen. En weer kusten zij elkaar, als een verdorste kuste zij hem... maar ook als een, die voor altijd vaarwel zegt.

In de windstille regenavond liep hij door de afgelegen straten, langzaam legde zich de storm van zijn zinnen, klaarden zich de gedachten in zijn roezig hoofd. Nu hij herdacht wat gebeurd was, scheen het niet meer dan één heerlijk oogenblik van bijna onvatbare zaligheid, waarin zich een verlangen had vervuld, dat hij nog nooit had kunnen stillen.

Een verlangen, dat hij in zijn jongensjaren al had gekend, wanneer hij Corry bescherming of zijn moeder hulp wou geven en de een hem plagend bespotte, de ander hem lachend wegzond. In zijn huwelijk - ach neen - daar had hij het zelfde verlangen bijna nooit gekend. Afhankelijkheid, in de ouderwetsche ‘vrouwelijke’ beteekenis, was ondenkbaar bij Puck's sterke persoonlijkheid. ‘Als Puck dit wist?’ overviel hem plotseling de vraag, ‘als ze het met die onverklaarbaar sterke intuïtie van haar zou raden...?’

En dan, als een verbijsterende erkenning wist hij: ‘Dit is wat Puck altijd heeft voorspeld - en wat ik weigerde te aanvaarden.’ Opnieuw, als zoo vaak de laatste tijd stuwde een wrok jegens haar boven alle

[p. 192]

redelijk denken. Ze had het niet mógen veronderstellen. De Duitschers hadden een spreekwoord voor zoo iets: man soll den Teufel nicht an die Wand malen...

Terwijl hij in het portaaltje zijn jas aantrok, had Lily snel en beslist gefluisterd, dat zij de brief van haar man aan Mr. Laatsman zou geven en hem zou vragen een korte, prompte weigering te schrijven. Ze bleef dus in Holland, opnieuw zou haar proces zich rekken, maanden lang. Op zijn verzoek stuurde Laatsman de rekeningen aan hem. De bedragen vielen allesbehalve mee... Nu ja... Puck verdiende op het oogenblik zooveel... Hij vloekte halfluid om deze ellendige overweging, een voorbijganger keek naar hem en grinnikte. Wat had Lily gezegd? Nu ik weet dat je van me houdt, kan ik sterk zijn, maar nooit meer - nooit meer mag dit gebeuren. Meende zij dat? Lily hield van hem. Had hij het niet reeds lang geweten? Maar hij? Hij hield immers van zijn vrouw... en zijn vrouw wilde hij trouw blijven, dat had hij zich eenmaal vast en heilig beloofd.

Toen Lily sprak van een verzoening met Charlier en hij zich voorstelde, dat ze weer zou toebehooren aan dien kerel, was dit overweldigende, verbijsterende als een storm over hem heen gevaren. Wanneer hij voor een keus werd gesteld...? Lily of Puck - Lily, die hem zoo verschrikkelijk noodig had, die tegen hem aan was gekropen als een kleine, schuwe gewonde vogel... ‘Maar ik hoef immers niet te kiezen!’ vonden zijn bange gedachten als een bevrijding. ‘Puck is immers niet als andere vrouwen, zij is niet klein en jaloersch en benepen. Ik zou haar dit eerlijk kunnen vertellen; wanneer zij het wist, zou ze het begrijpen.’

prepostterug  begin  verder