terug  begin  verderprepost
[p. 193]

Vijftiende hoofdstuk.

Terwijl Elisabeth op een morgen in Februari over de steenen trap naar boven liep, (de liftdeur droeg als elke dag zijn bordje met ‘Arrêt’) hoorde ze al in de verte de schelle, drukke stem van madame Rose. En dadelijk herinnerde ze zich: deze dag zou staan in het teeken van mrs. Seymour Bell, die een van de voornaamste klanten van het Huis was. De grootste der passalons, de ‘vert-empire’ was gisteren extra afgestoft en met vazen vol prachtige bloemen versierd, drie der mooiste mannequins moesten zich zoowel voor de morgen als de middag bereid houden, daar de schatrijke Amerikaansche in een speciaal voor haar gearrangeerde ‘Présentation’ haar toiletten wenschte te kiezen.

Het was de gewoonte van Mrs. Seymour Bell om aan het begin van elk seizoen een dertigtal japonnen te bestellen, behalve nog wat zij noodig had aan pelzen, hoeden en lingeries. Geen wonder dus, dat er een zenuwachtige drukte door heel het Huis ging en dat de stem van madame nog scheller dan gewoonlijk klonk en de kleine speldenraapstertjes nog vlugger dan anders liepen om haar ingekapselde vrachten van de ateliers naar de kamer van de mannequins of naar de ‘vert-empire’ te brengen.

Toen Puck het comptoir van madame Rose binnen-

[p. 194]

trad, een groot kaal vertrek waar niets stond dan haar overladen bureau, haar plompe brandkast en een reusachtige driedeelige spiegel, legden monsieur Kosoff, de Russische bontwerker en madame Eline, de chef van het atelier der broderies juist de laatste hand aan de chinchilla avondmantel, die straks als gloriestuk van de collectie zou worden vertoond. De mooiste mannequin, mademoiselle Ariane, een Roemeensche van zeer bizondere donkere schoonheid, moest hem dragen en zij stond met gelaten geduld in moeitevol aangeleerde onbeweeglijkheid tusschen de spiegels, terwijl de chefs om haar heen draaiden, haar keerden en wendden of ze niets dan een pop was. Puck wist, dat zij ook gisteren urenlang zoo had moeten passen, want madame Rose was ontevreden geweest over het façon van de kraag en monsieur Kosoff had zich zoo opgewonden over de aanmerkingen van madame Rose, dat hij met Russische hevigheid gedreigd had de met-de-hand-geborduurde voering, die meer dan twintigduizend francs kostte, uit te scheuren en te vertrappen. Doch in het Huis Panatelli nam niemand dergelijke uitbarstingen van temperament voor meer dan ze waren, monsieur Kosoff had vannacht tot drie uur met twee zijner beste arbeiders gewerkt om de kraag nogmaals opnieuw te fatsoeneeren en vanmorgen deelden hij en madame Rose hun verrukking over de perfectie en gratie van het wondermooie kleedingstuk. Mademoiselle Ariane kreeg de laatste instructies, zij oefende onder Kosoff's toezicht telkens weer hoe ze de mantel open moest laten vallen, hoe ze de kraag moest opzetten tegen haar fijne donkere gezichtje en dan het bont terugslaan, zoodat het prachtige borduurwerk gunstig te zien kwam.

De chinchilla pels had een geschiedenis, die op de ateliers en in de kamer van de mannequins ijverig werd

[p. 195]

rondgefluisterd. Madame Rose had hem al tweemaal voor een millioen francs verkocht en beide malen voor een half millioen teruggekocht, nadat gebleken was dat de bezitster het enorme bedrag niet kon betalen. En vandaag zou ze hem voor de derde maal, natuurlijk heel en al vernieuwd naar de allerlaatste mode, trachten te verkoopen, want Mrs. Seymour Bell was een van de weinige klanten, die zich een dergelijk buitensporig kostbaar kleedingstuk kon permitteeren.

Het zou, naar Puck voorzag, voor madame Rose een van haar groote dagen worden. Vanmiddag na het vertrek der veeleischende dame zou ze pyramidon, sterke koffie en smelling-salt behoeven om op de been te blijven, maar ze zou Panatelli's kamer triomfant binnen komen stormen om de dikke stapel orders onder zijn oogen te duwen. En met zielig kinderlijke maniertjes zou ze dan bedelen om een woord van lof, dat hij zoo onverschilhg glimlachend, zoo beleedigend welwillend kon geven.

Gedurende de laatste weken, hoewel na Kerstmis het saison-morte was ingetreden, scheen madame Rose steeds nerveuzer en onrustiger te worden, meer dan ooit jachtte ze het werk, snauwde ze bij het kleinste verzuim. Op de ateliers fluisterden de geverfde lippen van de naaistertjes met felle gretigheid: Panatelli had een meuwe maîtresse en madame speurde op honderd geraffineerde manieren naar de bewijzen

Het geval gaf een kostelijke verstrooiing in de eentonige donkere dagen, want de oudere wisten door de ervanng van jaren en voorspelden het de jongere, dat vandaag of morgen, over een week of over een maand madame het flagrant-délit zou betrappen. Dan zou haar woedende stem urenlang achter de gecapitonneerde deuren krijschen, zóó luid, dat het op de

[p. 196]

gangen en portalen, waar het vol nieuwsgierig luisterenden stond, duidelijk te hooren viel; dan moest madame Clothilde, Rose's vertrouwde, uit de zalen der Présentation gehaald om haar vriendin te kalmeeren en te troosten. En dan joeg madame als een furie door de ateliers totdat ze het toilet vond, dat Panatelli met zulk een bizondere zorg, met zulk een opperste verfijning van zijn kunst ontworpen had en ze zou het uit de handen van de naaisters grissen om het te verscheuren. Want Panatelli's geliefden behoorden altijd tot de klanten van het Huis, tot de Belles Elégantes, de Charmantes Coquettes of de Prêtresses de la Beauté...

De slovende, vermoeide werksters hadden aan dat vooruitzicht haar wilde vreugde, ze genoten er al dagen en weken van, als van de crimes passionnels in de couranten of de luidruchtige liefdetwisten in de bars van hun quartier. Want naar haar aller inzicht was liefde met bedrog en hartstocht met ijverzucht onverbrekelijk verbonden; zij vonden het natuurlijk en onvermijdelijk, dat Panatelli madame Rose bedroog en dat madame zich als een Medusa wreekte. En bovendien schiepen deze groote scènes in haar grauwe levens onverwachte mogelijkheden, want op elke laaiende ruzie was tot nu toe een verzoening gevolgd met na dagen of weken de apotheose: Madame, die glimlachend en trotsch aan de arm van den herwonnen Panatelli de ronde deed door de ateliers. En in haar stralende tevredenheid schold zij een boete kwijt, stond ze een loonsverhooging toe of gaf ze een extra dag vacantie.

 

Kosoff en mademoiselle Ariane hadden de kamer verlaten, haastig dicteerde de directrice haar laatste instructies voor de mannequins. Eerst de dessous, dan de négligées, dan vijf of tien middagjaponnen,

[p. 197]

dan de mantels en tenslotte, ná de avondtoiletten, op een robe van zilvergrijs lamé, ‘Brume d'Automne’, zou Ariane de chinchilla pels vertoonen.

Terwijl ze stenografeerde, zag Puck hoe madame zich het heete, vermoeide gezicht telkens opnieuw poederde, hoe ze zich critisch fronsend bekeek in haar groote genadelooze spiegels. En weer dacht ze, als telkens de laatste tijd: hoe is het mogelijk dat een intelligente vrouw, die zooveel presteert en de menschen en het leven zóó goed kent, zich op die manier vernedert voor een man, die haar bedriegt...

Als ik ooit zou merken dat ik bedrogen werd... Zij schrok, hoe kwam ze opeens aan die gedachte? Huwelijksbedrog, geknoei, gedraai op deze kleine, ignobele manier was tusschen haar en Han immers totaal ondenkbaar! En even ondenkbaar, dat zij ooit met harde, ruwe woorden zouden twisten...

De huistelefoon ging over. De portier meldde, dat de wagen van Mrs. Seymour Bell door de porte cochère reed. Madame Rose dwong haar moe gezicht tot de montere glimlach waarmee ze haar klanten placht te ontvangen en voor ze uit de kamer ging keurde ze die glimlach critisch voor haar Spiegel, ‘Printemps fleuri’, ‘Pluie de Cristal’, ‘Soirée de Bonheur’, tikte Puck met razende haast; over een kwartier moest ze haar hulp als tolk geven en de mannequins wachtten nog op de volglijst der toiletten.

 

In de vert-empire passalon waren, hoewel de zon helder scheen, de gordijnen zorgvuldig gesloten. Een overdaad van lampen in kristallen lusters, eindeloos weerkaatst in de enorme spiegels langs de wanden, gaven een verlichting ‘grande soirée’. De bloemen, de volte, de sterke vrouwenparfums maakten er een atmosfeer

[p. 198]

om te bezwijmen. Drie mannequins paradeerden met haar langzame geraffineerdbevallige bewegingen, de fonkelende kleuren, die zij droegen, schoven bont en vermoeiend dooreen als de facetten in een kaleidoscoop. Er heerschte een zware stilte. Madame Rose stond onbeweeglijk terzij van de bank waarop de voorname klant gezeten was en achter haar, roerloos en zwijgend als zij, wachtten twee essayeuses en drie speldenraapsters, die zich bereid moesten houden voor elke wenk.

Toen Puck binnentrad, gag zij een klein figuurtje, star-rechtop in het midden van de groen-met-gouden sofa. Zij ving een felle bilk uit twee harde, donkere oogen en terwijl zij groette zag zij een gezicht, dat zij vaag herkende, een oud, sterk geverfd, vreemdlevendig, boos en verbitterd gezicht. Het lichaam van Mrs. Seymour Bell was slank als dat van een mannequin, maar griezelig hoekig, als uit hout gezaagd en haar gezicht was rimpelig als van een mummie. Uit pastelkleurig bont strekte een lange pezige magere hals waarom zware parelsnoeren lagen, een hand als een kleine wreede klauw hield een bejuweeld lorgnon en twee als-stokken magere beenen, licht en hooggehakt geschoeid, waren met nadrukkelijke nonchalance gekruist onder een meisjeskorte rok.

De weduwe van den Amerikaanschen spoorwegkoning sleet haar leven in Parijs en in de modebadplaatsen van Europa en besteedde, naar madame Rose, die het weten kon, verzekerde, ieder jaar een fortuin aan haar toilet. Had ze eenmaal bekoring of schoonheid bezeten? Verbeeldde zich deze oude stakkerd, dat de kostbarekleeren waarmee ze zich tooide het afschuwlijk verval konden verbergen? Och - maar dàt verbeeldden zich toch allen die hier kwamen? Dat suggereerde de merkwaardige kunst van Panatelli en madame Rose, de inge

[p. 199]

wikkelde kunst waarop heel hun bedrijf was afgestemd.

Waar had Puck deze vrouw toch vroeger gezien -? Ze kon het zich niet te binnen brengen, ze zag zooveel van die oude geverfde gezichten, van die pezige halzen met zware parels, van die schijn-jonge, hoekig-magere gestalten. Ze geleken allen op elkander. Madame Rose wenkte haar naderbij, ze moest aanmerkingen, verlangens, bevelen vertalen: Madame wenscht die rok minder lang van achteren, Madame vindt die rose kant een tint te licht... Madame houdt niet van straz en wenscht een ceintuur van parels. Op het bloc in madame Rose's hand vermeerde zich snel de lijst der bestellingen: ‘Reine des Plages’, ‘Petite Fée’, ‘Nuit de Printemps’ ‘Secret d'Amour’...

 

In Puck's ooren gonsde het, ze kreeg een gevoel of haar beenen van watten waren en dadelijk onder haar weg zouden zakken; uren duurde het al en nog steeds zat de koopster kaarsrecht en met onvermoeide felle aandacht op haar sofa. ‘Pluie de Cristal,’ ‘Chère Grâce,’ ‘Bois Fleuri’... madame Rose noteerde tal van de nieuwste en kostbaarste modellen, de creaties voor de Côte d'Azur, welke Panatelli's verfijnde fantasie voor de ‘schoonste vrouwen der wereld’ had ontworpen.

Weer, als zoo vaak, kreeg Puck het gevoel, dat dit onmogelijk echt - onmogelijk ernst kon zijn, dat hier een wonderlijke maskerade, een wrange klucht werd opgevoerd. Bestond er soms een man, voor wien deze oude vervallen vrouw met haar felle, booze oogen zich bekoorlijk en aantrekkelijk trachtte te maken? Voor wien ze dat starre houten lijf, die mummieachtige hals, die stokken van beenen wilde tooien? Waarvoor diende anders de eindelooze inspanning en zorg om die vooze schijn van jeugd en gratie op te houden? En plotseling

[p. 200]

herinnerde ze zich wanneer ze dat harde, oude, fellevendige gezicht gezien had... bij haar eerste bezoek aan het modehuis, de middag, dat ze samen met haar moeder Panatelli's Présentation bezocht had. Toen had ze deze vrouw zien lachen met de grijns van een doodskop tot een mooien jongen man, die zich gedwee naar haar overboog, een knappe, blonde man met een aardig, open gezicht.

De avondmantels passeerden de revue, brokaat met marter, fluweel met witte vossen, maar onverschillig gingen de felle oogen achter het lorgnon langs hun pracht. Madame Rose gaf een zwijgende weak aan de mannequins en de essayeuses... de kamer werd leeg, ruim en daverend viel het vele licht uit de kristallen lusters. En mademoiselle Ariane zweefde binnen, haar prachtige, statig-slanke figuur gehuld in de mantel van het fijnste, teerste, kostbaarste bont ter wereld. Binnen de hooge, wijd geplooide kraag van zilverig grijs rustte haar bloesemzachte gezichtje, haar slanke fijne handen sloegen het kleedingstuk open en sloten het weer tegen de lange fiere hals, die gaaf en rimpelloos was als een bloemkelk.

Ongemerkt boog madame Rose zich naar voren om het gezicht van de koopster beter te bespieden, om in de stilte van het verwachtingszware oogenblik beter te kunnen luisteren. Om te zien of er gretigheid te lezen viel in die geblaseerde critische blik en te luisteren of de adem tusschen de verwelkte lippen sneller ging, of binnen dat starre vormlooze oude lichaam het hart luider klopte...

Lang bleef het bejuweelde lorgnon voor de donkere oogen, die snel bewogen in het gemaquilleerde gezicht. En dan, plotseling, strekte zich de oude hand - Puck herinnerde zich hoe zij diezelfde hand klauwend had

[p. 201]

zien grijpen naar een ijl en spinragfijn toilet, dat Kitty droeg... de beenige vingers streelden verliefd de zijden zachtheid van het bont, groeven er zich in, hielden het vast met een vreemde sensueele gretigheid. Madame Rose's blik volgde haar gespannen. De mannequin stond stil en wachtte, over het oude hoofd met de kostbare aigretten tuurde zij met rustige, verzonken voldoening naar haar eigen jonge glorieuze spiegelbeeld. En dan, snel, handig, nam de directrice Ariane de mantel af, hield hem een oogenblik op haar uitgestrekte handen de koopster voor en drapeerde hem met onnavolgbare gratie over de hoekige schouders, om de pezige hals en tegen het vervallen gezicht. Als in een ban bestaarde Mrs. Seymour Bell haar beeld. Een starre gulzigheid, een heet begeeren begon te gloeien in haar oogen. Wàs het niet een machtige, wonderlijke hypnose, waarin madame Rose elk van haar klanten wist te brengen? De bittere ingevallen oude vrouwenmond begon te lachen - met een naïeve, dwaze verrukking, als een kind lacht bij een nieuw stuk speelgoed. Dan knikte het hoofd met de trillende aigretten - Mrs. Seymour Bell had de chinchilla pels gekocht.

Madame Rose krabbelde de order op haar bloc, het knipperen van haar vermoeide oogen verried haar hevige emotie. En Puck voelde die mee, tot haar eigen verbazing, in het trillen van haar handen, in het bonzen van haar hart, beleefde ze méé de stille groote triomf van het oogenblik.

 

Toen ze uit de passalon kwam, waar madame Rose en de essayeuses nog geruimen tijd met de veeleischende oude dame zouden bezig blijven, zag ze aan het einde van de gang den knappen blonden jongeman, aan wien ze daareven met een mengeling van nieuwsgierigheid en weerzin

[p. 202]

gedacht had. Die ‘hoorde’ op de een of andere duistere manier bij de schatrijke oude Amerikaansche; officieel als haar secretaris, maar naar de ruwe Parijsche kwalificatie van de mannequins als haar ‘gigolo’. Hij stond met een harer te praten, Puck zag een slank figuurtje in een grijze peignoir, dat haar de rug toewendde en terwijl zij langs het paar ging keek ze even, met een geboeide belangstelling in het aantrekkelijke, gebruinde gezicht van den jongen, dat, terwijl hij met een paar blauwe lokkende oogen lachte, een charme bezat, die zeker wel weinig vrouwen zouden weerstaan...

Er joeg even, in een vage ontroering, een reeks herinneringen aan haar eigen jeugd door haar gedachten. Als onder een dwang keek ze om toen ze het paar voorbij was en opeens herkende ze Kitty in het grijze figuurtje, dat zich als opgejaagd, snel uit de voeten maakte. Ze verwerkte een schok van ontsteltenis en weerzin terwijl ze langzaam de trappen naar Panatelli's studio beklom. Kitty, met haar fierheid en trots, met haar koele levenswijsheid... En deze mooie jongen, een verloopen aristocraat vermoedelijk, die was afgezakt tot de allervernederendste manier om aan de kost te komen... Och kom, trachtte ze zich te overtuigen, misschien was het niets dan een oppervlakkig flirtgesprek; maar ze herinnerde zich duidelijk hoe ze maanden geleden deze zelfde man met een verlangende, veelzeggende en tegelijk bang-voorzichtige blik naar haar zuster had zien kijken. Zou ze er met Kitty over spreken? Wat verwachtte ze daarvan? Kitty was even wijs en oneindig meer cynisch dan zijzelve. Kitty vertelde een enkele maal een ervaring uit de verworden vertroebelde wereld waarin zij leefde, die Puck nauwelijks vermocht te gelooven en die ze stellig nooit aan Han zou willen overbrengen. Hoe kon je strenge

[p. 203]

begrippen van zelfrespect of moraal verwachten bij een meisje, dat jarenlang leefde in zulk een atmosfeer? Jongemannen uit verarmde deftige families, die een luxeleven leidden als de ‘gigolo's’ van rijke oude dames zag ze bij Panatelli even vaak als mooie jonge vrouwen, die zich voor geld aan een ouden kerel hadden verkocht. ‘C'est la vie,’ zei de Fransche zakelijkheid, die liefde als zingenot of koopwaar beschouwde; niemand verwachtte wat anders, niemand oefende critiek op wie hun leven naar die normen richtten. Kitty was vier en twintig, dus oud genoeg om op zich zelf te passen. Puck verduwde energisch haar ontsteltenis. Wanneer ze eens een avond rustig ‘en tête à tête’ met haar zuster dineerde, zou ze over den ‘secretaris’ van Mrs. Seymour Bell beginnen en trachten wat los te krijgen. En wat dan nog? Het was immers haar eigen axioma, dat ieder mensch over zijn eigen leven te beslissen heeft?

Ze deed de deur van Panatelli's studio open. Meteen hoorde ze aan zijn cajoleerende vleiende stem, dat hij telefoneerde, haastig verbrak hij het gesprek en boos priemden zijn diepliggende troebele oogen naar de hare.

‘U had mij laten roepen voor het artikel in Femina,’ zei ze effen en onverstoord.

Hij schoof het haar zwijgend toe en grof beval hij: ‘Ik verzoek u niet meer binnen te komen zonder kloppen.’

‘Als ik de heele dag voor hàm moest werken!’ dacht Puck woedend, terwijl ze naar beneden ging, ‘gaf ik er morgen aan de dag de brui van.’ En met een mengeling van weerzin en medelijden dacht ze aan madame Rose, die voor een aalmoes van genegenheid sloofde en zich vernederde voor dien kwast.

 

Verbeeld je Han, ik heb gepopeld om het je te ver-

[p. 204]

tellen, ‘we hebben vanmiddag de chinchilla pels verkocht!’ Puck schoof haastig op de roodfluweelen bank achter het hoektafeltje in de Griffon, hun vaste plaats, waar Han al op haar zat te wachten. ‘Vervelend dat ik zoo laat ben,’ verontschuldigde ze zich met een blik op de aschbak vol cigaretteneindjes naast zijn elleboog, ‘madame Rose bleef tot over achten bezig, vandaar dat ik niet eerst thuis kon komen en je het telefoneeren.’

Ze schoof haar kleine volle'tje omhoog, trok vlug haar handschoenen uit en greep de spijskaart. ‘Verkocht voor negenhonderdvijftigduizend francs aan een oude, schatrijke Amerikaansche. Een van madame Rose's geniale zetten - het was de moeite waard er bij te zijn.’

Ze lachte naar hem, wachtend op zijn belangstelling. Maar zijn oogen bleven afwezig en het was haar of ze er een onwil in zag om zich te moeten verdiepen in wat zij zoo druk en geanimeerd vertelde. Nu ja - ze wist wel dat haar belevingen in het Huis Panatelli hem maar matig interesseerden, zoomin als haar zijn verhalen over de motoren van Lagrange boeiden, maar zij had toch altijd met aandacht en animo naar hem geluisterd.

‘Potage St. Germain en sole frite,’ zei ze snel tot den wachtenden garçon en ze schonk zich de laatste rest wijn uit de karaf, die voor Han op de tafel stond. Had hij, wachtend op haar komst, die halve liter al opgedronken? Hij die vroeger zoo uiterst matig was?

‘Ik begrijp waarachtig niet waarover je het hebt,’ zei hij en ofschoon hij lachte, ontging haar niet de lichte wrevel in zijn stem. ‘Er staat me bij, dat je laatst iets gezegd hebt van een pels, die zooiets fantastisch als een millioen francs moest kosten.’

‘Ja juist- die bedoel ik,’ viel ze hem bij, vol animo opeens weer voor de geschiedenis, die ze vertellen ging. ‘De mantel werd indertijd besteld door een Hongaar-

[p. 205]

schen prins voor zijn jonge vrouw en twee van onze eerste bontwerkers zijn toen naar Canada gestuurd om de vellen uit te zoeken. Een maand nadat het ding was afgeleverd stierf de prins. De financiën bleken heel wat minder glorieus dan iedereen vermoedde en de weduwe, die een jarenlange klant van het Huis was, verzocht madame Rose om het ding voor de halve prijs terug te koopen. Het werd gemoderniseerd en opgemaakt en glad opnieuw verkocht aan een filmactrice, die in Hollywood met een uur werken een kapitaal verdiende en die hem werkelijk contant schijnt te hebben betaald. Maar de ster pleegde contractbreuk en om aan het geld voor haar geweldige boete te komen, smeekte zij madame Rose om de mantel voor de halve prijs terug te nemen...’

Ze zag, dat haar man onrustig om zich heen keek. Schaamde hij zich voor hetgeen ze vertelde? Het zette een domper op haar eigen plezier in het verhaal. Ze zag het plotseling met zìjn oogen: een niet-heelemaal-eerlijke, niet-heelemaal-behoorlijke, maar slimme en handige transactie, waarvoor zijn ‘technische’ geest, die voor de avonturen van het koopmanschap niets voelde, slechts heimelijk minachting had. Wat hielp het of ze zich moeite gaf om madame Rose's tact en menschenkennis te beschrijven, en de wonderbaarlijke suggestie, die er uitging van Panatelli's modeshows? Han voelde er niets voor. Zijn belangstelling was evengoed schijn als de hare, alleen, dacht ze bitter, speel ik heel wat beter comedie dan hij...

Weer keek ze naar hem en weer, als zoo vaak de laatste weken, scheen iets dreigends uit de verte op haar aan te sluipen. Was er iets veranderd in Han of in haar zelve - in hun verhouding tot elkaar? Ze poogde haar onrust te verjagen; haar leven was immers plotseling zoo vol belangen waar bij buiten stond, terwijl

[p. 206]

ze voorheen, door alle jaren van hun huwelijk, in de eerste plaats vervuld was geweest van hem, van wat hem wedervoer, van de vele kleine wederwaardigheden waarvoor hij haar aandacht en medeleven had opgeëischt.

Hij had zich nooit verzoend met haar ‘baantje’. Al zei hij het niet, ze merkte het telkens weer. Zelfs het feit, dat zij haar kleeren tegen inkoopsprijs in Panatelli's huis liet maken, hinderde hem. Hij zag haar veel liever in haar oude confectiepakje dan in het keurige gedistingeerde complet, dat haar, naar Kitty's enthousiaste verzekering, tien jaar jonger en vijftig procent knapper maakte.

Och lieve hemel... wat was het huwelijk soms moeilijk. Puck werd zich plotseling bewust hoe moe ze was na haar lange geweldig ingespannen werkdag... hoe'n behoefte ze had om een beetje opgemonterd, gevleid en gewaardeerd te worden. Honger had ze niet eens, ze zou alleen dolle trek hebben in een cocktail, maar ze wist dat Han er een hekel aan had wanneer ze die bestelde. Ze leunde terug tegen de roodfluweelen bank en zocht in haar taschje naar sigaretten; spottend stelde ze bij zichzelve vast, dat ze eigenlijk, ondanks haar moderne principes, nog een zeer ouderwets-gedweëe echtgenoote was.

Waarom keek hij tegenwoordig zoo somber? Vertelde hij zooveel minder van zijn werk of van Lagrange's plannen? Een paar dagen geleden had hij de vrees geopperd, dat de slechte Amerikaansche beurs een streep zou halen door de groote projecten van den vliegtuigbouwer. Och kom... Amerika had wel eens meer een depressie die na enkele maanden door een hausse werd gevolgd. Er moest iets anders zijn. Iets anders, dat hem drukte en zelfs de lust voor zijn werk beïnvloedde.

[p. 207]

De ziekte van zijn moeder? Ze had zijn onrust begrijpelijk gevonden, al leek het haar overdreven, dat hij in de afgeloopen wintermaanden zoo vaak per vliegtuig of nachttrein voor een week-end naar Holland was gereisd. Maar de oude mevrouw ging thans flink vooruit, reden tot bezorgdheid was er heelemaal niet meer. Zou het dan toch... toch zijn, wat ze telkens als onzinnig en als een dwaas spooksel van haar verbeelding trachtte te verwerpen? Zou het niet alleen zijn moeders ziekte zijn geweest, maar meer nog Lily Charlier? Had het kleine vrouwtje, met haar misère en haar hulpelooze afhankelijkheid zijn hart geraakt? Hij sprak bijna nooit meer over Lily en Lily's roze brieven met het schoolmeisjeshandschrift kwamen ook niet meer. En toch had Puck de intuïtieve zekerheid, dat er nog op de een of andere wijze contact tusschen hen bestond. Had hij Lily geregeld bezocht wanneer hij in Holland kwam? Hij liet er zich niet over uit en zij vroeg er hem niet naar. Natuurlijk niet - zij achtte persoonlijke vrijheid de eerste eisch voor een goed huwelijk; ze had nooit getracht hem uit te hooren over wat hij niet uit eigen beweging vertelde.

Weer keek ze naar hem. Hij zat diep in gedachten langs haar heen in het kleine zaaltje te staren, terwijl hij de vergeten cigaret tusschen zijn vingers draaide. Wat keek zijn lieve, trouwhartige gezicht somber en ernstig, hoe miste het alle jongensachtige blijmoedigheid, die het vroeger zoo aantrekkelijk maakte. Welk beeld stond er op het oogenblik voor zijn oogen? Waaraan zat hij te denken, zóó vervuld, zóó verzonken, dat hij haar bijzijn blijkbaar totaal vergat? Elke lijn, elke kleinste trekking en beweging van zijn goed, eerlijk gelaat kende zij; hoe vertrouwd wareh haar de lange, lenige vingers, die de cigaret rusteloos heen en weer

[p. 208]

rolden, hoe vertrouwd waren zijn lichaam, zijn stem, zijn gebaren, en toch, hoe ver... hoe eindeloos ver en afgesloten was thans de naaste, liefste mensch. Zoo van haar afgesloten, of zij beiden in een ijzeren kluis zaten en elkander konden zien noch hooren. En plotseling moest Puck weer denken aan de villa Serbelloni, aan die vroege najaarsmorgen op hun huwelijksreis, toen zij voor het eerst begrepen had, dat saamhoorigheid de schoonste vervulling der liefde is en geweten had, met een profetische stelligheid: het is aan mij dit gaaf te bewaren... wanneer dit mis ging, zou het mijn schuld zijn...

Hoe was deze verwijdering gekomen? Wat kon ze doen, opdat het weer als vroeger werd? Straks, vanavond, vannacht - in de veiligheid van elkanders armen - zou ze hem dan durven vragen: ‘Han, spreek het uit... vertel het me... ik kan alles begrijpen als er maar vertrouwen tusschen ons is.’

Opeens, met een bruuske beweging, doofde Han zijn cigaret op zijn bord, zette zijn ellebogen met een bons op tafel en geeuwde. ‘Kom kind, laten we vanavond eens uit gaan. In het Casino de Paris moet een goede revue zijn, of wil je liever naar die nieuwe film van Jannings?’

‘Zouden we wel? Het wordt zoo laat...’ probeerde ze te weerleggen.

‘Wat hindert dat! Als je in Parijs woont, behoor je zoo nu en dan eens laat naar bed te gaan. Het Casino? Dan laat ik hier even om plaatsen telefoneeren. Goed?’

De kellner schoof de gevouwen nota voor hem. Hij betaalde met een flinke fooi en liet zich helpen in de zware, donkere overjas, die hem zoo deftig stond, zoo heel anders dan de lichte, vroolijke kleeren, die hij in Indië placht te dragen. Hij was geposeerd en een dandy geworden in de laatste maanden, zelfs Kitty uitte haar

[p. 209]

tevredenheid. Terwijl ze het zaaltje doorliepen, volgden Puck's oogen hun beider beeld in de spiegels langs de wanden. Hoe goed kleedde haar de geraffineerde eenvoud van Panatelli's ceaties. Kitty had gelijk, wanneer je daar eenmaal aan was gewend, kon je er niet meer buiten. Trotsch constateerde zij, dat ze samen een knap, gedistingeerd paar vormden, in hun correcte donkere winterdracht. Menschen, die het goed gaat in de wereld. En dan vielen haar de woorden van haar vriend den dokter in: de gevaarlijkste tijd in een huwelijk is, wanneer het de menschen erg voor de wind gaat.

prepostterug  begin  verder