terug  begin  verderprepost
[p. 239]

Achttiende hoofdstuk.

Het huisje, vierkant en rose gestuct, stond aan het eind van het villadorp tegen een lage heuvel. Ervoor glooiden korenvelden tot aan de kleine rivier, die stil tusschen de hooge altijd ritselende populieren vlood. Erachter strekte een groot, grillig stuk verwaarloosde tuin, met een priëel vol kamperfoelie en een gebroken, verweerd Dianabeeld op een door wilde khmop omstrengeld voetstuk.

In de verte, achter het water, waar de dennenbosschen tegen de heuvels donkerden, dreunden dag en nacht de zware treinen van de Paris-Orléans-lijn voorbij. De voorstadstrein had zijn stationnetje aan de andere zij van het dorp, daar vertrokken ook de bussen naar Parijs en de plaatsen in de omtrek, naar Argenteuil ging er elk half uur één.

Hoe Lily er gekomen was, had Han nooit heelemaal begrepen. Eerst had ze hem geschreven, dat een bevriende Indische familie er haar en de kinderen te logeeren had gevraagd; toen hij er haar voor de eerste maal bezocht, heette de Indische familie naar Holland vertrokken, nadat ze haar de huur, een bagatel, voor drie maanden hadden overgedaan. Maar uit een gezegde van Eugenietje concludeerde hij, dat Lily het huisje had geadverteerd gezien in de Haagsche Post en ze de

[p. 240]

Hollandsch-Indische familie, die het bezat en aan landgenooten verhuurde, slechts vluchtig kende. Ze had hem niet om raad of advies gevraagd, maar hem voor het fait accompli gesteld. ‘Ik ga weg uit Den Haag,’ heette het in een brief, ‘ik wil van de zomer ergens buiten wonen voor de kinderen,’ En haar volgend schrijven was gedateerd geweest uit Fromentières: ‘Je moet maar eens heel gauw komen kijken hoe fijn we hier geinstalleerd zijn.’

Op een kaart, die in zijn kantoor hing, had hij het plaatsje niet zonder moeite gevonden; het gaf hem het eerste oogenblik geen blijdschap, eerder een gevoel van onrust en dreiging, toen hij ontdekte, dat het niet meer dan tien of twaalf kilometer van Argenteuil lag.

Nog altijd hield Lily vol, dat ze dat absoluut niet had geweten. Hoe zou ze? Han had haar de plaats waar hij werkte nooit genoemd. Maar ze wist natuurlijk, dat haar dorp een klein uur sporen van Parijs lag en ze was blij geweest met de mogelijkheid, hem en zijn vrouw daar te kunnen bezoeken, wanneer zij in moeilijkheden zat of raad noodig had. Dat had haar keuze beïnvloed - dat alleen; want, niet waar, zij hadden heel vast aan elkaar beloofd, dat hun verhouding niets anders zou mogen zijn dan vriendschap?

Henri van Doeveren kwam er nooit achter, of het kleine vrouwtje waarheid had gesproken. Ze zei wel eens meer een leugentje, een vrouwelijk draaierijtje. Ze ontkende wel eens iets, dat ze een paar dagen tevoren met nadruk had verzekerd. Maar dat hij en zij niets anders dan ‘vrienden’ mochten zijn, meende ze toch wel heel ernstig. Het scheen haar niet eens moeilijk te vallen, dacht hij menigmaal bitter; wanneer hij naast haar in de kleine veranda zat en keek naar de sereene tevreden uitdrukking op haar zachte gezichtje, naar haar kleine

[p. 241]

mollige handen, die zoo rustig en zoo eindeloos geduldig met een moeilijk handwerk bezig waren. Het huisje was gemeubeld met een wonderlijk bric-à-brac; één groote kamer tusschen de veranda en het keukentje en boven een paar hokjes met slaap- en waschgelegenheid. Maar Lily had er, merkwaardigerwijs, dadelijk een sfeer van huiselijkheid weten te scheppen. Er stond een overdaad van bloemen, die de kinderen plukten tusschen het onkruid van de tuin, het voelde er vertrouwd-gezellig en welverzorgd of ze er altijd gewoond had.

Henry had steeds de moed gemist om het aan zijn vrouw te vertellen. Zelfs niet op die avond, twee maanden geleden, toen hij met Puck dat pijnlijke, moeilijke gesprek had gevoerd en zij zoo dringend gevraagd had om zijn vertrouwen. Hij wou vermijden, datze conclusies zou trekken, volkomen onjuiste conclusies. De weken vergingen en werden maanden; in de lange, zonnige lente, in de vroege zomer met de lichte avonden maakte hij driemaal, viermaal 's weeks de tocht in de oude rammelige autobus van Argenteuil naar Fromentières en avondmaalde met Lily en de kinderen. Want de kinderen hield ze altijd in haar bijzijn, nu de avonden zoo lang en warm waren zond ze hen pas laat naar bed. Soms zat hij dan nog een half uurtje met haar alleen op het grasveld voor het huis of achter de opengeslagen vensters van het groote lage woonvertrek en dan bracht ze hem meestal naar de halte van de autobus, langs een smalle weg tusschen hooge grijze muren van tuinen, waarover de accacia's en de seringen in wilde overdaad te geuren hingen. Bij het afscheid, vóór de bus om de hoek boog en bij de halte stopte, kuste hij haar - als een broer - op haar wang of op haar vast en preutschge gesloten lippen. En wanneer hij dan in een hoek van het

[p. 242]

rammelend voertuig zat en naar zijn eenzame, uitgewoonde kamer terugreed, vloekte hij inwendig van machtelooze vernedering en machteloos verlangen.

Het gaf hem geen geluk en toch trok het hem met een taaie onweerstaanbare macht, het gaf geen vrede om bij haar te zijn en toch kwelde hem een dompe onrust wanneer hij haar twee dagen lang niet zag. Aan zijn verwikkeld gevoel voor haar was dat andere voor dekinderen onverbrekelijk verbonden, van hen hield hij of het zijn eigene waren en ze hingen aan hem met een teedere, dwingende aanhankelijkheid. De dagelijks groeiende intimiteit en de sfeer der kleine huiselijke beslommeringen trok een cirkel om hem heen waaruit hij niet ontvluchten kon; in de uren, die hij in Lily's huisje doorbracht, scheen zijn eigenlijk bestaan zich samen te trekken. Hij bracht vruchten of lekkers mee of een middel tegen de muggenbeten op Pimmy's beenen, hij dekte samen met de kinderen de tafel, terwijl hun moeder het avondmaal bereidde waarvoor ze altijd zorgzaam koos en kookte wat hij lekker vond. Hij repareerde de kraan van het bad en hielp Lily met haar kasboek, dat haar altijd weer voor onoplosbare problemen stelde.

In de eerste weken had hij het verzwijgen van dit dubbele leven als een zware keten van schuld jegens zijn vrouw gevoeld. Het geheim had hem als een ondragelijke last gedrukt, overtuigd doen zijn, dat hij zich telkens zou verspreken. Maar met beschaamde verwondering ervoer hij hoe gemakkelijk het was haar te bedriegen. Dat hij drie of viermaal 's weeks op zijn kamer in Argenteuil bleef om er 's avonds te werken, vond zij volkomen begrijpelijk. En zij vorschte nooit naar wat hij niet uit zich zelf vertelde; zij vond persoonlijke vrijheid een levenseisch voor ieder mensch. Kon er beter, wijzer verstandhouding tusschenechtgenooten zijn?

[p. 243]

Toen had zij de brief gevonden, die alles verraadde, toen had ze hem als een kameraad om eerlijkheid en openhartigheid gevraagd. Waarom kon hij toen niet voluit eerlijk zijn? Hij vroeg het zich vaak tobbend af, hij was niet gewend in zichzelf te wroeten en het duurde lang eer hij zich de reden durfde bekennen. In het begin, bij het verbijsterend bericht van Lily's komst in Fromentières; had hij zich heel andere mogelijkheden voorgesteld. Het feit, dat zij zoo dicht in zijn bereik zou leven en hij haar zoo vaak hij wilde in volkomen veiligheid zou kunnen zien en spreken, had zijn geknotte ingedamde gevoelens losgestuwd. Hij had erkend, bang en verzaligd, hoe zeer Lily zijn gedachten vervulde, hoe hij voortdurend naar haar verlangde. En de eerste maal, dat hij alleen met haar bleef in de lage volle vertrouwelijke kamer had hij haar wild in zijn armen genomen en dat verlangen uitgestameld en de vervulling verlangd, bijna zeker dat zij zijn hartstocht zou beantwoorden.

Maar het had hun eerste, hun eenige twist gegeven een verbitterde strijd van woorden, die wondden. Boos, vernederd en diep ongelukkig ging hij die avond heen met het vaste besluit haar niet terug te zien. En toen schreef ze hem de volgende dag het roerend deemoedige briefje, dat Puck gevonden had. Hij kende vrouwen niet - hij had geen ervaring in liefdedingen, Puck had hem dat menigmaal plagend voorgehouden. En hij begreep niet hoe Lily, met al haar teederheid en innigheid zulk een volkomen macht over haar gevoelens en haar zinnen kon bezitten. Want ze hield van hem, daaraan kon hij niet twijfelen, zooveel, dat al haar leven en denken om hem draaide en elke dag waarin ze hem niet zag een trieste, verloren dag voor haar was. Waar moest het heen? Hoe moest het

[p. 244]

eindigen? Hij trachtte bij de dag te leven, bij het oogenblik, hij kon het niet. Wanneer hij in Parijs dagenlang samen was met zijn vrouw, in dezelfde goede kameraadschap van vroeger, scheen het hem onvermijdelijkj dat hij met Lily moest breken, haar niet meer mocht zien, haar op de een of andere manier moest dwingen om uit zijn dichte nabijheid weg te gaan. En dan kon hij daarnaar verlangen als naar een bevrijding, zooals iemand, die in een donkere tunnel loopt hunkert naar het daglicht. Maar wanneer hij een paar dagen van het kleine huis in Fromentières was weggebleven, begon hij aan Lily en de kinderen te denken met een dompe, kwellende onrust, die tot een obsessie werd, dan vervolgden hem haar zachte, jonge gezichtje met het zilverwitte haar en de weemoedige oogen, dan was het uur na uur, zelfs onder de spanning van zijn werk, of ze hem riep en naar zich toetrok.

En wanneer hij dan 's avonds van haar was weggegaan, met de als-gebroken klank van haar stem nog in zijn ooren, met de geur van haar haren en haar kleeren, die hij meedroeg waar hij ook ging, dan lag hij uren radeloos te woelen in zijn eenzaam bed. Dan woog hij elke mogelijkheid om er een eind aan te maken-hij zou Lagrange voorstellen hem naar Algiers te zenden, waar een fabriek en een vlieghaven in aanbouw waren, daar kon hij met zichzelf en zijn wanhopig dilemna in het reine komen. Want hij wou geen slappe, karakterlooze kerel zijn; hij wou zijn trouw aan Puck niet verraden...

 

Na een zeer heete dag bleef de avond zwoel en bedompt. Lily had de stoelen buiten de veranda op het verwaarloosde grasveld gezet, ze kon daar een oog houden op de kinderen, die tusschen de heesters een tent van oude gordijnen en lappen hadden gemaakt,

[p. 245]

waarmee ze zich al dagenlang kostelijk amuseerden.

‘De volgende week zul je me hier niet zien,’ zei Han, nadat hij lange tijd met zijn handen tusschen zijn knieën en zijn hoofd diep gebogen zwijgend voor zich uit had zitten staren. ‘Mijn zuster Corry komt logeeren. Het was al lang geleden afgesproken en door moeders ziekte telkens uitgesteld. Ik moet mijn avonden vrij houden om met haar uit te gaan.’

‘Alle avonden?’ vroeg Lily ontsteld en op de triest verbaasde toon waarmee ze hem soms plotseling iets kon verwijten. ‘Je kunt toch wel éénmaal komen? We zouden die brief aan de Rechtbank opstellen over de voogdij. En je zou een nieuw koord aan het gordijn van de keuken maken. Je vrouw is er toch - die kan toch wel ééns een keer 's avonds met je zuster uitgaan?’

Ze zag zijn glimlach niet, haar oogen bleven op het kleurig handwerk met de kleine priegelsteken waaraan ze al maandenlang bezig was.

‘Je zult het wel eens meer zonder me moeten stellen,’ zei hij, half als een grapje, maar het ongeduld in zijn toon ontging haar niet.

Ze keek op en strak in zijn oogen en dadelijk sprongen er groote tranen in de hare. ‘Begin daar niet weer over, toe!’ smeekte ze met bevende aandrang.

‘Ik moet er wel telkens over beginnen, lieve kind. Eugenietje wordt de volgende maand acht - je zult toch terug moeten naar Holland, waar het kind school kan gaan.’

‘Waarom?’ verweerde ze onwillig fronsend. ‘Wat doet het er voor een meisje toe of ze wat minder leert? Ik ben trouwens van plan boeken te laten komen en de kinderen zelf 's morgens les te geven.’

Weer glimlachte hij, verteederd nu om het visioen, dat zijn verbeelding daarvan zag. De

[p. 246]

kinderen waren hier volslagen vrijbuiters geworden.

‘Wanneer is je huur om?’

‘Eind Juni.’

‘De middenzomer is hier vreeselijk warm. Je zou veel beter...’

‘Ik heb het al ingehuurd,’ zei ze snel. Hij was overtuigd dat ze jokte, want ze schreef geen brief en nam geen besluit zonder er hem eerst over te polsen. ‘'t Is hier zoo goed, zoo goed en veilig als ik het in geen jaren gehad heb. En ik ben hier zoo gelukkig als ik in mijn heele leven niet geweest ben.’

Hij tuurde voor zich uit. Het statige korenveld stond in de laatste gouden avondgloed, tusschen de popels lag de waterspiegel van het riviertje roerloos, twee kleine, onbeweeglijke visschersbootjes leken op een glazen plaat te staan. En er was geen geluid dan het blaffen van een hond heel in de verte en het zachte tjilpen van een bange vogel in een der heesters. Een hevige ontroering kropte in zijn keel. Het oude, machtige gevoel van medelijden en verlangen - Waar haalde hij het recht vandaan haar van hier te willen verjagen?

‘Gisteren,’ zei hij na een lange stilte, ‘heeft Lagrange weer gesproken over de fabriek in Algiers. Eerst voelde ik er niet veel voor om er heen te gaan. Maar misschien is het toch het beste. Geloof je ook niet, Lily, dat het misschien het beste is?’

Nu lagen haar kleine, breede handen roerloos op het borduursel en haar gezichtje met de groote, starende oogen was hulpeloos als van een verdwaald kind.

‘Ik heb wel geweten,’ zei ze eindelijk toonloos, ‘dat dit te mooi was... veel te mooi en te heerlijk om te kunnen duren.’

Ze zwegen allebei, als viel er nu niets meer te zeggen. Hij had een van haar kleurige strengen in zijn handen

[p. 247]

genomen en draaide de draden rusteloos tusschen zijn vingers. Ze reikte ernaar en nam het hem af of hij haar kleine jongen was en met een plotseling opvlammende ergernis zag hij hoe ze keurend een draad zocht uit de streng en knipte met haar gouden schaartje. Waarna haar kleine hand weer rustig en gelijkmatig de naald door het handwerk begon te trekken.

‘Meent ze dat?’ vroeg hij zich af. ‘Kan een vrouw intens van je houden en toch zoo beheerscht zijn, zoo zich zelve meester blijven?’

Eugenietje kwam door de tuin geslenterd, schoppend met haar sandalen tegen het verdorde uitgeschoten gras. Onder het te korte katoenen jurkje zaten haar bloote, donker verbrande beenen vol schrammen en insectenbeten, de dunne, lange kinderarmen zwaaiden verveeld en vermoeid.

Ze ging naar Han toe, duwde tegen zijn gebogen bovenlijf en schoof zich zwijgend op zijn knie. Haar uitbundige, verrukte aanhankelijkheid was de laatste tijd veranderd in een stille, hevige aanbidding en in een jaloersche strijd met haar broertje om zijn aandacht, de plaats op zijn knie, zijn liefkoozingen vooral. Hij was een onverbrekelijk deel van haar bestaan geworden. Hij sloeg zijn arm om haar heen en schoof het vochtige haar uit haar heete gezichtje. Eenmaal, toen hij haar streelde en kuste en zij hem uitbundig zijn liefkoozingen teruggaf, had hij in een flits begrepen, dat hij bij het kind vervulling zocht voor wat de moeder hem onthield en in zijn gevoelens voor het kleine meisje had hij een zinnelijkheid erkend, die hem verschrikte en beschaamde. Het had hem op slag voorzichtig, bijna schuw van beheersching gemaakt.

‘Kijk eens, wat ik hier heb?’ zei ze en opende haar kleine vuile vastgesloten vuist om hem een groote doode

[p. 248]

kever te toonen. ‘Is dat geen mooie? Weet je hoe die heet, oom Han?’

Hij zocht in zijn vestzak naar het vergrootglas, dat hij ter eere van hun biologische onderzoekingen had aangeschaft. Ze keken er samen doorheen, hij voelde haar warme, vochtig zachte wang tegen de zijne en onder zijn hand het kloppen van een ader aan haar halsje.

‘In Holland noemen ze hem een “Vliegend Hert”.’

Dat scheen haar een prachtige grap en ze moest er schaterend en uitbundig om lachen, zoo hard, dat ze haast van zijn knie afviel en hij haar vaster grijpen moest in zijn arm.

‘O, gekke oom Han, gekke oom Han!’ gilde ze uitbundig en beloonde hem met een stroom van kleine haastige kinderkussen over zijn gezicht.

‘Kalm toch, Nieky,’ beval de moeder met een toornig ongeduld, ‘als je zoo druk bent, kun je niet slapen. En het is hoog tijd dat jullie allebei naar bed gaat.’

‘Hè jakkes nee! Zeg jij, dat we niet hoeven, oom Han?’

‘Ik zal jullie brengen,’ troostte hij. ‘We zullen moeder vragen of we de douche mogen gebruiken als we zelf netjes de badkamer opdweilen. Ga Pim dan maar gauw halen.’

Hij keek haar na toen ze wegslenterde met haar lange, gratielijke stappen van Indisch kind. Hij keek met verteederde oogen naar hen beiden toen ze even later hand in hand aan kwamen loopen en weer voelde hij dat brok van angst en aandoening in zijn keel. Wat hield hij van hen! Het leek hem soms, dat hij hen nog minder zou kunnen missen dan Lily. Hoe verwikkeld was het allemaal. Hoe had hij er zich in vastgebeten. En plotseling viel het in zijn denken, met een zware erkenning: dat kwam, omdat hij zóó zijn leven had

[p. 249]

gewild, zoo had hij het zich gedroomd, een rustig, eenvoudig thuis, een vrouw met naaiwerk in haar bezige handen en kinderen, die op je knie komen zitten en je iets vragen met ernstige, vertrouwde oogen. Een gezin, waarin àl je denken en zorgen zich samentrekken.

 

Toen de kinderen in bed lagen, maakte hij dadelijk aanstalten om heen te gaan. Hij durfde niet nog eens naast Lily op het dorre grasveld in de krakende rieten stoel gaan zitten, om naar de stilte van de avond te luisteren en de zware donkere geur van de kamperfoelie te ruiken, want zijn bloed gonsde, en een radelooze onrust joeg door al zijn leden. Hij vocht tegen beelden, die hij verjagen, tegen verlangens, die hij zich niet bekennen wou. Hij hielp haar om de stoelen binnen te zetten en zorgvuldig de deuren en vensters te sluiten. Nooit zonder zorg en zelfverwijt liet ze het huis en de slapende kinderen een half uur alleen om hem naar de halte van de bus te brengen.

Op de weg, tusschen de steenen muren van de villatuinen was het al donker. Een kleine zilveren maansikkel hing in de hooge groenigblauwe hemel waar nog enkele parelmoerige strepen trokken. Zij moesten dicht naast elkander gaan om het karrespoor te mijden. En plotseling greep Lily zijn arm, drukte zich tegen hem aan, het gaf hem een schok van angstige ontroering.

‘Han - dat meende je toch niet, dat je naar Algiers wilt? Och Han - lieve, lieve Han, ga niet van me weg!’

Hij voelde zijn adem stokken en het bloed wild stuwen naar zijn hart. Hij greep haar, zijn armen vast om haar heen of hij haar nooit meer los zou laten. En alle overleg, alle wijsheid, alle beheersching waren als weggeblazen op de lokking van die weeke, gebroken stem.

In het donker, in de schaduw van de grijze muur

[p. 250]

hield hij haar vast omstrengeld, een geur van rozen dreef in de lauwe lucht en tusschen hun voeten ritselde het dorre hooge gras van de wegkant. Dicht aan zijn oor lispelde zij haar kleine onsamenhangende woorden, haar snelle, warme adem streelde langs zijn hals - precies zoo deed Eugenietje, als ze een geheimpje fluisterde.

‘Ik kan je niet missen, Han! En jij - jij ons toch ook niet! Han, kàn het dan niet dat jij en ik... dat je je vrijmaakt van haar? Ze is zoo zelfstandig - ze gaat zoo heelemaal op in haar werk. Ze heeft je niet noodig en ik - o, ik kàn niet meer zonder je. Och Han - jij weet nog niet eens wat het is als een vrouw echt van je houdt. Alléén van jou. Wanneer ze niets anders dan liefde voor jou in haar gedachten heeft...’

Er joeg een ijle, vluchtige wind door de toppen van de boomen, haar laatste woorden vergingen in dat gerucht, hij verstond ze niet meer. De krekels tjirpten als radeloos en de stilte scheen te zwellen in het koor der duizenden insecten. Hij wist niet meer wat hij deed. Hij begon haar wild te kussen, hij zakte voor haar op zijn knieën en sloeg zijn armen om haar heen; toen haar kleine, soepele lichaam zich naar hem overboog, voelde hij een gewilligheid, die zijn hartstocht wild uit deed slaan.

‘Lieveling, lieveling,’ stamelde hij en weer hoorde hij haar scherp gefluisterde woorden. ‘O Han - dóe het, ik smeek het je. Maak je vrij, zoodat ik je vrouw kan worden. O Han, als je wist hoe ik ernaar verlangen kan om jouw vrouw te zijn - en om een kind van jou te bezitten - van jou en mij samen!’

Hij trachtte, met zijn armen nog altijd vast om haar heen, haar naast zich in het gras te trekken. Alle verdrongen verkropte verlangens laaiden uit. Hij zou zich

[p. 251]

vrij maken en haar trouwen, ging het wild door zijn denken; zij kon niet buiten hem en hij - hij kon niet langer wachten, Hij moest, hij wilde haar nu... eindelijk... eindelijk...

Maar reeds voelde hij het zachte lichaam verstarren in zijn greep, haar klenie handen duwden tegen zijn borst en terwijl ze haar bovenlijf van hem wegboog, vocht ze om vrij te komen. Scherp, fel gearticuleerd beval haar fluisterende stem, wanhopig en verwijtend: ‘Laat me los! Han... nee... dat niet! Zoo niet! O, hoe kun je!’

Het joeg een wilde radelooze woede in hem op en even een drang, krankzinnig fel, om haar te overweldigen en neer te smijten, om haar onzinnig verweer te smoren met zijn hand op haar mond gedrukt.

Maar dan sijpelde de realiteit door het tumult van zijn gedachten. Wat zij daar bedingen wilde, was de eisch dat hij van Puck zou scheiden om met haar te trouwen. Zij was, al had ze het nooit openlijk gezegd, een vrouw met conventioneele strikte principes, voor haar bestond geen andere mogelijkheid. Natuurlijk - hij moest haar daarom eeren en respecteeren. Hij kon het niet, Er was in zijn diepste hart een twijfel, een instinctief verweer tegen wat hij voelde als een obscure macht van haar vrouwelijkheid. En voor het eerst sinds lange tijd stond het beeld van Puck scherp in zijn gedachten en onbegrijpelijk voor hem zelf, verlangde hij hevig om dit aan haar te kunnen biechten en haar raad en hulp te vragen. Hij zag zijn vrouw zooals ze die avond tegenover hem aan de tafel van hun kleine eetkamer had gezeten, onder dat naakte, harde lamplicht, waarin haar oogen zoo vreemd groot en licht en haar gezicht zoo moe en smartelijk had geschenen en voor het eerst hunkerde hij zelve naar de eerlijkheid, waarom zij toen

[p. 252]

gevraagd had. Want voor het eerst, sinds hij zich zijn gevoelens voor Lily bewust was geworden, realiseerde hij de mogelijkheid, dat hij zou moeten kiezen, dat hij Puck zou moeten missen wanneer hij Lily wou bezitten. En instinctief ging zijn verlangen naar zijn vrouw om raad en hulp in dit ondragelijk dilemna, want in al de jaren van zijn huwelijk had hij op haar inzicht, haar verstand, haar levenswijsheid volkomen leeren vertrouwen.

Hij realiseerde opeens hoe lang de stilte na Lily's woorden al duurde en kwam overeind uit zijn knielende houding, die hij plotseling als een vernederende dwaasheid gewaar werd. Hij voelde, dat ze zich weer dicht en als bescherming-zoekend tegen hem aandrong en ofschoon het te donker was om haar gezichtje te zien, wist hij dat zij hevig schreide. En de gedachte, dat zij nu dadelijk alleen die donkere weg naar het kleine huis zou gaan en er heel de nacht alleen zou zijn met haar verdriet en hulpeloos verlangen, maakte hem weer week van schuldbewustzijn en verteedering. Hij bukte zich en kuste vol innigheid de tranen van haar oogen. Maar wat zij, naar hij voelde, in trillende spanning verwachtte, wou zijn lippen niet over. Hij moest eerst met zichzelf in het reine komen - Als een bevrijding hoorde hij in de verte het denderend gerucht van de zware, oude motorbus. Nog wel honderd meter scheidden hem van de halte. Hij zou moeten hollen als hij het halen wou.

‘Hou je flink, lieveling - lieve kleine Lily,’ fluisterde hij; ‘Ik zal schrijven en telefoneeren. Beloof me dan dat je flink en dapper zult zijn?’ Hij moest haar armen losmaken, zijn wang was nat van haar tranen. En een paar minuten later, toen hij hijgend bij de halte stond, zag hij in de trillende

[p. 253]

lichtkegel van het voertuig haar kleine figuurtje aan de wegkant staan, zoo alleen en zoo tragisch hulpeloos, dat hij in de leege, rammelende bus begon te snikken in zijn handen.

prepostterug  begin  verder