Reeds twee maanden duurde madame Rose's afwezigheid ea de schaarsche berichten over haar toestand luidden nog altijd ongunstig. Madame Clothilde, de eenige, die haar een enkele maal in het sanatorium, bezocht, gaf met halve woorden iets te verstaan van melankolie en absoluut gemis aan veerkracht; van beterschap en terugkeer scheen voorloopig nog geen sprake. Aan ieder, die er naar vroeg werd steeds verzekerd, dat het ernstiger bleek dan zich eerst had laten aanzien, doch dat madame stellig in enkele dagen of misschien weken haar arbeid weer zou hervatten.
Het modehuis had zich intusschen volledig ingesteld op de nieuwe orde der dingen en Puck had de plaats der onmisbare directrice zoo goed mogelijk ingenomen. Ze wist, dat het hooger personeel haar daar met booze, jaloersche oogen zag, dat geen intrige, geen kleine vrouwelijke venijnigheid werd versmaad om haar gezag te ondermijnen, doch ze wist ook, dat ze er, zoolang Panatelli haar handhaafde, volkomen veilig stond. De eenige, behalve zijzelf, die madame Rose zou kunnen vervangen was de eerste vendeuse en zij kon in de zalen van de Présentation waar ze sinds jaren heerschte en het leger der verkoopsters onder haar streng en nauwgezet toezicht hield, onmogelijk gemist. Geen der andere
‘chefs’ sprak een aantal vreemde talen en geen verstond als madame Rose en zijzelf de moeilijke kunst om het de lastigste klant naar de zin te maken en goed gehumeurd de onmogelijkste eischen te accepteeren. ‘Het métier van de geduldige glimlach’, had Puck het bij zichzelf gedoopt en telkens weer verbaasde ze zich, dat zij, die zich om kleeren en mode nooit veel had bekommerd, er zich zoo volkomen had ingewerkt en in staat bleek uren achtereen de problemen van stoffen, modellen en kleuren als alles overheerschende belangen te bespreken. Terwijl ze bovendien, evenals vroeger madame Rose, elke morgen ontelbare brieven dicteerde en conferenties hield en 's avonds, na het sluitingsuur, de staten van koop en verkoop controleerde. Het moest wel een surplus aan energie zijn, dat haar deze arbeid met zooveel veerkracht deed volbrengen - het surplus, dat ze al de werkelooze jaren in Indië had opgezameld. En ze klampte er zich aan vast als in zelfbehoud, ze dook er in onder van de vroege morgen tot in de late avond, zoodat haar geen tijd tot tobben en wroeten bleef en ze al wat haar eigen leven betrof naar de achtergrond van haar denken vermocht te dringen.
Het was einde Mei en de zomerverkoop ontwikkelde zich voortreffelijk, ondanks de slechte tijden waarvan ieder sprak. Wel fluisterden de Amerikaansche vrouwen gewichtig over de ontzaglijke verliezen, die haar echtgenooten op de beurs of in hun fabrieken leden, doch zij kochten zich geen zier minder luxe dan in andere jaren. ‘Terugkeer tot de ware vrouwelijkheidj’ luidde Panatelli's dictatuur en zijn Belles Elégantes verlustigden zich in lange strookenrokken, groote flaphoeden, krullen, ruches en strikken als kinderen op een verkleedpartij. De allernieuwste creaties van zwaar glanzend damast en dik, knisterend satin-duchesse, gewaden als van
middeleeuwsche prinsessen, waarvan het materiaal alleen ettelijke duizenden franken kostte, oogsten naar de vele orders uitwezen, een succes, dat de stoutste verwachtingen der Lyonsche zijde fabrikanten overtrof.
Panatelli's houding jegens Puck had zich grondig gewijzigd. Zijn soms bijna grove onverschilligheid was veranderd in een voortdurende belangstelling in alles wat zij deed en in een bijna verlegen zoeken naar grooter vertrouwelijkheid. Hij had haar salaris van vierduizend op zevenduizend francs gebracht en het comptoir van madame Rose opnieuw voor haar doen stoffeeren. Hij gaf haar de vrije hand in al haar plannen en vervulde met de grootste welwillendheid haar wenschen. Gedwee kwam hij in de passalons wanneer ze zijn aanwezigheid verlangde, zelfs wanneer hem een oude dikke hertogin of een nerveuze lastige actrice wachtte. Hij had een zwart avondtoilet speciaal voor haar gecreëerd, haar een paar maal aan een lunch genoodigd met eenige van zijn vrienden en vriendinnen en eenmaal was ze naast hem in zijn grijze, pronkende racewagen naar de races van Longchamps gereden, toen de mannequins van het Huis Panatelli daar paradeerden.
Zijn toenadering was duidelijk; maar Puck wist, dat ze nu zoomin als vroeger paste in het schema, dat Robert Panatelli zich van ‘De Vrouw’ had opgesteld en al zijn welbeproefde methoden van charmeur leden schipbreuk op haar kalme zakelijkheid. Wanneer hij haar, gedurende hun besprekingen, met een ontroering die bijna echt klonk, vleiende dingen zei over haar inzicht of organisatietalent, of wanneer hij plotseling geestdriftig werd over de Titiaan-kleur van haar haren en met gloedvolle woorden een toilet beschreef dat hij voor haar wilde creëeren - dan zagen haar gedachten hem dadelijk weer als op die ééne ont-
redderde morgen, als de zielige karakterlooze Don Juan, met een verzakte boord, bevende lippen en verhuilde oogen, die zich toen aan haar durf en initiatief geklampt had als aan zijn eenig behoud.
Nuchtere realiteit - dat wist ze al lang - was de grootste vijand van bewondering. De beroemde modekoning met zijn diplomaten-glimlach en heerschersoogen, die als een vorst door de zalen van zijn paleis schreed, had haar haars ondanks geboeid en geïnteresseerd, maar den ijdelen verwenden artiest, die voortdurend zocht hoe hij excentriek en bizonder kon zijn in de oogen van aanbiddende vrouwen, vond zij allang niet merkwaardig meer; zijn vleiende welwillendheid die in de ateliers en de salons de tongen voortdurend in jaloersche beweging bracht, stelde ze nauwelijks op prijs.
Zij vond het zelve ondankbaar - wat Panatelli voor haar deed was werkelijk niet gering. Maar het wisselend spel der menschelijke verhoudingen boeide en vermaakte haar niet meer als vroeger en de bonte maskerade der ijdelheid, die ze naast madame Rose met zooveel animo en belangstelling bekeken had, vond ze alleen maar triest of dom of belachelijk. Ze kon de humor niet meer vinden, die het alles vroeger zoo boeiend en interessant had gemaakt.
Aan het andere deel van haar taak, het regelen en besturen van het groote ingewikkelde bedrijf, gaf ze zich echter steeds met vreugde en voldoening; daarvoor voelde ze haar kracht groeien, naarmate ze het beter beheerschte. ‘Voor zulk werk ben ik geboren’, dacht ze dikwijls, ‘zooals Han geboren is om motoren te verbeteren en Panatelli om kostbare stoffen tot kleedingsstukken te drapeeren.’ Reeds had ze, bijna ongemerkt en zonder wrijving of moeilijkheden, tal van kleine misstanden
verbeterd en de lijst van haar plannen vergrootte zich met den dag. Zij had een veel nauwer contact tusschen de verschillende ateliers tot stand gebracht en daarmee een veel grooter efficiëncy bereikt. Zij haalde Panatelli over, om naast de boete een eenvoudig systeem van belooningen in te stellen en zij verkreeg een vermindering en een betere betaling van het schandelijk opgevoerde overwerk. Het was een gedenkwaardig evenement in het Huis, toen de Vicomtesse de Chalons door madame Elisabeth overtuigd werd, dat ze terwille van de afgewerkte, opgejaagde brodeuses een week langer op haar nieuwe toilet moest wachten dan zij had bedongen. En met gloed en ferve, met het van haar moeder geërfde redenaarstalent, hield Puck na dat eerste succes telkens weer hetzelfde pleidooi bij veeleischende verwende klanten. Een vrijmoedigheid, die madame Rose, ondanks haar groot persoonlijk overwicht nooit had gedurfd en waarmee haar opvolgster zich op slag de genegenheid en dankbaarheid van het groote, lastige naaisterspersoneel veroverde.
De merkwaardige kracht-van-wil, die haar in die weken slagen deed met al wat zij ondernam en die groeide naarmate de eischen van het werk grooter werden, hielp haar ook bij de discipline, die ze haar gedachten oplei. Ze dwong zich om dat, wat Han en haar gescheiden hield, te beschouwen als een tijdelijk zeer, als een ziekte, die slechts door geduld kon worden genezen. Altijd weer verjoeg ze elke jaloersche opwelling, trachtte ze aan Lily te denken zonder haatgevoel. En aoms wanneer in het Huis Panatelli alles naar haar wil en wenschen ging, kon zij overmoedig worden en tot zichzelve zeggen: ‘Ik zal het immers tòch van haar winnen. Want wanneer ik iets intens wil, bereik ik het. Altijd, mijn heele leven door, heb ik bereikt wat ik wilde.’
Elisabeth schoof het gordijn van zilveren franje vaneen en opende met een sleutel de deur, die Panatelli's studio verbond met zijn altijd zorgvuldig afgesloten werkplaats. Wanneer hij zich geïnspireerd voelde, werkte hij daar ettelijke uren achtereen en mocht dan onder geen enkel voorwendsel gestoord worden, doch hij had haar ditmaal zelve de sleutel gegeven en gevraagd het ontwerp voor een toilet te komen bezichtigen, dat telegrafisch uit Amerika besteld was.
In het vierkant, kaal en leeg vertrek viel een hard daglicht door een bovenraam en twee onverhulde vensters. Tusschen grauwe wanden stonden geen andere meubels dan een groote cheval-spiegel en een paar kleine tafels. Maar in het midden bevonden zich een twintigtal levensgroote houten poppen in de grilligste houdingen als een spookachtig gezelschap in een kleurlooze feestzaal. Sommige hadden geen hoofd, andere vervelooze, afgebladderde gezichten; de met zaagsel gevulde katoenen lijven zagen groezelig van ouderdom, de vingers waren afgebrokkeld als door een duistere ziekte, de zijden kousen, die de starre beenen omkleedden, zaten vol groote gaten.
Robert Panatelli had een dezer poppen voor de spiegel opgesteld. Hij toonde zelfs niet door een gebaar, dat hij Puck's binnenkomst bemerkte. Vóór hem, in een warrige hoop, lag een lange lap vanzware glanzendezalmkleurige zijde. Vlug en zeer beweeglijk, volkomen verdiept bleef hij bezig met zijn arbeid. Hij droeg geen jas of vest, het lichtblauwe overhemd maakte zijn kleine slanke figuur zeer jeugdig, voortdurend rinkelde zijn armband bij het snelle bewegen van zijn handen en de atmosfeer in het vertrek was zwaar van zijn parfum. Maar wat hij deed was als een wonder. In enkele oogenblikken, met een paar watervlugge handgrepen en een
half dozijn rap en juist gestoken spelden, vormde hij de zijden lap tot een bevallig avondtoilet, met een eigenaardige val van wijde plooien en een kunstig verloop van in klokken geknipte strooken onder een breede, de heupen nauw omsluitende gordel. Zijn schaar, die van goud was, met punten van vlijmscherp staal, joeg door de stof, bliksemsnel en met verbijsterende zekerheid. Weer enkele handgrepen - gecompliceerd als de toer van een goochelaar - en een kleine diep-gedécolteerde taille sloot aan de lange, gratievolle rok. Dan reikte zijn hand naar een der tafels waarop een stuk antiek brokaat met weeke en toch zeldzaam warme kleuren lag. Het had eenmaal als wandbespanning in de salon van een oud kasteel gediend; een paar weken geleden had Panatelli het op een auctie gezien en voor een fantastisch hooge prijs laten koopen. Hij vingerde de goud-metzijden stof ineen, bekeek, met zijn hoofd opzij en zijn diepliggende oogen dichtgeknepen, het effect van de changeerende kleuren; dan legde hij de lap om de stugge houten vormen van de pop, weer hielden spelden de plooien tezamen, daar flikkeire de kleine, vlijmscherpe schaar en joeg, schijnbaar lichtzinnig en achteloos, door het onbetaalbaar materiaal. Knipte, alsof zijn weg stond afgeteekend, panden en trotsche wijde mouwen. Twee zware gouden kwasten aan afhangende slippen, een antieke dof-gouden gesp, die ergens schijnbaar noodzakelijk, een paar zware plooien bijeenhield. En het was op eenmaal geen vervelooze houten pop meer, die daar stond, geen levenloos, bot voorwerp waarop een stuk zijde was vastgespeld. Panatelli trad een stap terug, zijn vreemde, troebele oogen tusschen de zware halfgeloken leden, schitterden als in een trance. Zijn smalle vrouwelijke handen maakten gebaren als van een bezweerder, speelden, zonder zijn schepping te
raken er een wonderlijk vleiend spel omheen.
Voor het eerst, sinds Puck was binnengetreden, brak hij de stilte. ‘Deze vrouw bezit een zeer bizondere schoonheid,’ zei hij in zijn zacht en zangerig zuidelijk Fransch, ‘zij heeft het gladde blauwzwarte haar van een Italiaansche, dat zij in het midden gescheiden draagt, met een rij kleine dichte krullen boven haar lange hals. Maar haar gezicht heeft het type van de vrouwen van Granada, een donkere huid, die bloost door de scherpe wind van de bergen. Zij heeft hooge, kleine borsten als een kind maar zij is een ervaren vrouw, zij heeft een alles-wetende glimlach. Hoe weinige zouden zulk brokaat kunnen dragen! Zij kan het; zij draagt het met een onnavolgbare gratie, alleen Velasquez kon een hand schilderen, die zoo een mantel vasthoudt, met zulk een frileus en toch hoogmoedig gebaar.’
Plotseling greep hij Puck's vingers, die hij vast omklemde, zij voelde dat hij trilde van een geweldige spanning. ‘Haar oogen zijn groenbruin als beuken in de herfst, haar voorhoofd is zeer laag en veel blanker dan de huid van haar wangen...’
Een angstig gevoel van machteloos geboeid-zijn, begon Puck te bekruipen. Want sinds hij haar hand vasthield, zag ook zij niet langer de vervelooze, met zaagsel opgevulde houten mannequin, voortdurend duidelijker zag zij als een werkelijkheid de vrouw, die zijn woorden beschreven; onder het kostelijk kleed scheen de zeldzame schoonheid, die zijn kunstenaarsverbeelding opriep, werkelijkheid te worden. En in de stilte, die volgde na zijn geëxalteerde woorden, waarin ze hem zwaar hoorde ademen en zijn vingers sterker voelde trillen om haar hand werd het haar secondenlang of er een wezen van vleesch en bloed voor de spiegel stond en een spookachtig eigen leven bezat...
‘Ziet u het?’ vroeg hij, nog aldoor met zijn vingers om haar hand, ‘ziet u de vrouw bij wie dit kleed en deze mantel behooren? Comme elle est belle, n'est ce pas?’
Even onderging Puck een hevige ontroering. En even werd het of zij vaag en verwikkeld speurde waarin de mysterieuse macht van dezen ijdelen gemaniereerden man wortelde - de macht waarmee hij honderdduizenden vrouwen over heel de wereld wetten voorschreef, die ze gedwee als slaven volgden. Een oogenblik, dan stelde haar nuchterheid zich fel te weer, zij maakte haar hand los en trad van hem weg.
‘Jammer,’ zei ze glimlachend en voelde als een bevrijding hoe ze met deze spot haar ontroering beheerschte, ‘de werkelijkheid moet ditmaal wel heel ver van de verbeelding blijven. Mrs. Compton, die de japon heeft besteld is de vrouw van de rijkste exportslachter uit Chicago. Ik ken haar- ze was voor een paar maanden in Parijs - ze is een oude Jodin, dom en mateloos arrogant.’
Doch haar woorden verstoorden hem niet, hij lachte er hooghartig om. ‘Ik weet niets van Mrs. Compton. Ik behoef niets van haar te weten. Maar de vrouw voor wie ik dit kleed gefantaseerd heb, ken ik. Zij is mij zoo dierbaar als een zuster en zoo na als een geliefde. Zeker - vandaag of morgen of overmorgen zullen madame Claire en haar naaisters een lap zalmkleurige zij en een lap oud brokaat losmaken van een pop van hout en zaagsel en zij zullen die lappen naaien tot de japon voor een of andere rijke domme onbelangrijke vrouw in Chicago. Het deert mij niet. Ik draag het beeld van mijn schepping mee. Ik ben er gelukkig mee en ik vergeet het niet. Het is mijn eigen onvervreemdbaar bezit.’
Hij was volkomen ernstig. Hij speelde geen comedie. Maar hij sprak op de droomerige, zangerige toon en met de bloemrijke woordkeus, die zij in het begin zoo vaak belachelijk had gevonden. Op dezelfde toon had hij haar zijn voorschriften aan zijn Belles Elégantes, zijn Charmantes Coquettes, zijn Prêtresses de la Beauté gedicteerd, die ze onmogelijk au sérieux had kunnen nemen en die toch als hoofdartikelen in al de groote wereldbladen werden afgedrukt. Maar nu, al bleef haar nuchtere, scherp gewette geest als vroeger volslagen vreemd aan de geparfumeerde droomwereld waarin hij leefde, nu begreep ze op eenmaal waaraan hij zijn macht ontleende. Hij zou de groote Panatelli niet zijn wanneer hij japonnen ontwerpen moest voor de banale werkelijkheid, die zijn passalons bevolkte. Hij was op zíjn manier een dichter, een fantast en een schoonheidsaanbidder. En zooals een beeldhouwer uit klei of steen de gestalten van zijn verbeelding schept, trachtte hij ook, telkens weer, zijn ideaal met het werk zijner handen te verwezenlijken.
Hij wendde zich plotseling naar haar toe alsof hij zich nu eerst haar aanwezigheid bewust werd. ‘U kent mijn villa in Meudon nog niet, nietwaar? U hebt mijn Spaansche madonna uit de twaalfde eeuw nog niet gezien en de kleine Egyptische prinses en mijn vrouwenportretten uit de Italiaansche Renaissance. Zelfs mijn witte pauwen kent u nog niet, evenmin als mijn zwarte damherten en Russische hazewinden. Wilt u vanavond met mij meerijden in mijn wagen en al de schatten van mijn huis zien?’
Hoe ellendig jammer, joeg het boos door Puck's gedachten, vanavond was ze, als alle avonden van deze week, gebonden omdat Corry bij hen logeerde. Han zou het zeker vreeselijk kwalijk nemen wanneer ze niet,
als was afgesproken, met hen beiden meeging naar de Opera. Carmen op een warme zomeravond! In plaats van een rit in Panatelli's heerlijke wagen naar het prachtige Meudon en een bezoek aan zijn huis, dat de naam had een museum van kunstschatten te zijn...
‘Het spijt me zeer,’ zei ze toonloos beleefd, ‘ik ben vanavond bezet.’ Natuurlijk dacht hij dat het een uitvlucht was. ‘Ik heb beloofd met mijn man en mijn schoonzuster naar de Opera te gaan.’
‘Jammer -’ zei hij effen als zij. En plotseling voegde hij erbij met de grove bruuskheid, die wonderlijk contrasteerde met zijn gemaniereerde verfijning: ‘Een vrouw als u, met uw capaciteiten en uw mogelijkheden moest niet gebonden zijn.’